bi peleidM
er aak
bee ie
Ll
%
VERHANDELINGEN
a EE |
ZEEUWSCH
GENOOTSCHAP
KE | DER ai
WETENSCHAPPEN
VLISSINGEN …—
UITLEGGING der TITELPLAAT,
e WYSHEID, fier gezeten op haar Throon,
Befchouwt men in MINERVE?’S Wapenrusting ;
Doch, warsch van fabeldicht en valfche Go’on,
Schept ze in Gops BOEK haar grootíte zielsverlusting,
Twee Zuilen, die ’t gewelflel van haar Kerk
Aan d’eenen kant bouwkunftig onderfchraagen ,
Vertoonen ’t ZEEUWSCH en V LISSINGS wapenmerk,
En wiLLEMs beeld, wien’t werk wordt opgedragen,
Doorluchtig Hoofd van onze Maatfchappy,
Die , fchoon noch in heur zwakke en kizdfche jaaren ,
Hem d’ Eerfteling heur’s arbeids, vlug en bly,
Voor de oogen brengt, met lust om voort te vaaren.
De Tafel met den Voorgrond, ryk bedekt
Met Tekenfchets van Kunst en Wetenfchappen ,
En ’tVergezicht, dat ginder d’ aandacht wekt
Ter zyde van Gordyn en Tempeltrappen,
Getuigen, dat de weetzucht, vlyt en lust,
Door de Eer gefpoord., ‘aan Zeelands verfterpaalen
In onze West noch niet-zyh uitgebluscht:
Men tracht door zut ’er mede een Prys te haalen.
Handhaving van den Godsdienst en het Recht,
Geneesbebulp, tot fteun van ”tmenschlyk leven ,
“x Natuurboek, doot Gods hand ons voorgelegd,
’tNatuurboek , door zyne Almacht zelf befchreven,
De Meetkanst, in heat takken ruim vertpreidt,
De Schilderkunst, zoo fix in kleur en trekken,
De Puikmufyk , die harten opwaarts leidt,
Haar Zuster, die de dofheid.zelf kan wekken,
%* Vermogen om door ’t helder Spiegelglas
Het Starrenheir aan ’tmeïtschlyk oog te klemmen,
Of, door behulp vans Graadboog: en Kompas,
Op verren tocht een dolle“zeé te temmen;
Hiftoriekunst, die ’t oude in ’tnieuw herfchept,
Die munt en fleen van vroeger eeuw doet tuigen ,
Die honing zelfs uit bittren alzem lept,
En uit vergift weet artzeny te zuigen,
En wat zich meer liet fchetzen op de print,
Zyn beeldfpraak van het doel, waar heen wy trachten.
Is 't werk gering? wie deugd en wysheid mint,
Heeft eindlyk op zyn arbeid vrucht te wachten.
Dus huwt m’ in ’ ryk van onzen Waterleeuw-
De Scheepvaardy met de oefning der verftanden,
Der braaven gunst zal by den noesten Zeeuw
Den yvergloed noch fterker doen ontbranden.
Je Je BRAHE
N
U
IM
ALE In dia ie AE ereen ee :
kk
hd 7 ie
”
wi B
es ‘Je ap en en pmege
VERHANDELINGEN
ZEEUWS CH
GENOOTSCHAP
D ER
WETENSCHAPPEN
TE
VLISSINGEN
__ PIERDE DEEL En Kn
TE MIDDELBURG;
*r PIETER GILLISSEN;
Drukker van het Zeeuwsch CE DN
der Wetenfchappen, hea
ve
an
A
VA h
Het Genootfchap erkent geene exem-
plaaren voor-echt, dan dië door eenen
der Secretarisfen eigenhandig, ondertee:
kend 27e PR £ ee Ek ,
y ‚jura C Jeen
AN
í
if
ral
vAN HET
ZEEUWSCH AUS edes
DER WETENSCHAPPEN
re
TSS INS EN.
SH. et algemeen. ontfing, ‘by
gars de vorige deelen der Ver-
handelingen, door het Zeeuwsch
Genootfchap der wetenfchappen
uitgegeven, eenig verflag aan-
gaande deszelfs toeftand, in zoo
verre het kon geoordeeld worden
daar by belang te hebben. Men
achtte het niet ondienftig, op dien
voet voorttegaan, vertrouwende
‚IV. DEEL, m3 dat
Evi]
dat zoodanig bericht den Lezeren
niet geheel onaangenaam zal zyn.
By het houden der algemeene
vergaderinge, den zevenden van
herfstmaand des jaars MDCCLXXIII
heeft de Heer BRAHE voorgele-
zen een gedeelte van zyn helden-
dicht de Muzyk, en de Heer TE
WATER bericht gegeven van fom-
mige natuurlyke, oudheid- en let-
terkundige zeldfaamheden , die
hem, op zyne reize door Gelder:
land, Utrecht, Friesland, Owerys-
Jel, ‘Groningen en Drenthe, waren
voorgekomen. — ’t Gene wyders
in deze vergaderinge, met betrek-
kinge tot de opgegevene vragen,
werdt befloten, blykt uit het Pro-
gramma, toen vastgefteld, en met
deze volgende woorden door den
druk gemeen gemaakt;
Het
En
Er EET cd
Eee
et. ZEEUWSCH. GENOOTSCHAP - DER
EL WETENSCHAPPEN t@e VLISSINGEN?
»x welk den 7. September 1773. zyne algemeene
Vergaderinge heeft gehouden, was van oordeel,
dat de antwoorden op de Vragen in ’t vorige
Programma voorgefteld, en welker eerfte was:
Wat is de reden van het flerk afnemen der
Zeeuwfche, voornamelyk der Walcherfche Dui-
nen en flranden? hoe is zulks woor te komen,
en welke middelen, buiten de reeds bekendes
zyn, op de nuttig fle en minst kostbaare wyze,
tot derzelver behouding aan te wenden? De
andere: hoe konnen de wallen of grondbraaken
in de Zeedyken, voornamelyk die der Provincie
Zeeland , best en minst kostbaar voorgekomen
worden? niet voldoende waren, en derhalven
den beloofden eerprys niet konden wegdragen ,
fchoon de fchryvers, die tot zinfpreuk hebben
gebruikt, de eene: wit zugt voor Zeeland, de
andere:
Dit dient ten nutte van het flrand
Behoud woor zeedyk flik en zand.
met hunne Verhandelingen over dezelve by het
Genoetfchap dankbaarheid en lof verdienen.
Het is uit aanmerkinge van het groot nut, ’t
gene de Provincie Zeeland zoude konnen trek-
ken uit de volledige beantwoordinge der gemel-
MA de
E vm J
de Vragen, dat het Genootfchap ten allen tyde
zal genegen zyn een gouden Medaille aan zulken
toe te wyzen, die, by vervolg van tyd, aan de
eene of andere vrâag volkomen zal voldaan heb-
ben.
Wyders herhaalt het Genootfchap de opgave
der Vrage, voor ‘den cerften January 1774 te
beantwoorden : |
In welke evenredigheid zyn de landen in de
Provincie Zeeland, en in ieder eiland in ’t by-
zonder , aangelegd tot Bosfchen, Boomgaarden ,
Weilanden en Bouw landen # 2 is die evenredig-
beid, welke thans tusfthen dit wierfoortig ge-
bruik der landen in deze Provincie plaats heeft,
de voordeelig fie, volgens welke de landen binnen
dezebve konnen worden aangelegd $ ? zoo neen ,
hoedanige verandering is daar in woor het al-
emeen belang wenfchelyk, en welke zyn de bes
te en vruchtbaarfte middelen, om dezelve daar
te flellen? Welke foorten van houtgewas en
landvruchten zyn ’er , buiten die welke în Zee-
land doorgaans het meeste worden aangekueekt,
die in onze Zeeuwfihe gronden, met een evEn-
geljk of grooter voordeel voor het Geineenebest
en voor den Landman, dan de thans geeulsiveer- :
de, zouden konnen worden geteeld ; = welke van
drzelue v verdienen in het byzonder aangemoedigd d
5 #
ú ix J
de worden ; en hoedanig zyn de gefthiktfte
middelen , om derzelwer culture gemeen te ma-
ken ?
| Het Genootfchap verlangt, dat de beantwoor-
ding van het eerfte lid dezer Vrage op plaatfe-
Iyke en zoo naauwkeurige onderzoekingen, als
de aart der zake gehengt, moge gegrond zyn;
dat de bewyzen daar van, zoo veel mogelyk;,
by wyze van bylagen, nevens de beantwoor-
dinge met renvoy aan dezelve, worden overge-
zonden. En met opzicht tot de tweede en ver-
dere leden dezer vraag wenscht het Genoot-
fchap, dat de gronden en redenen, waar van
de fchryvers tot ftavinge van hunne begrip-
pen zullen gebruik maken, voornamelyk ont-
leend wor den uit den aart van onze Zeeuwfche
„ gronden en luchtsgefteldheid ‚ uit het geen de
Ondervinding in andere landen, alwaar een der-
gelyk climaat en gelykfoortige. gronden voor ’%
grootfte deel te vinden Zyn; heeft geleerd sen
uit de ‘byzondere nuttigheid, voordeel en ge-
fchiktheid van deze of gene planten of gewasfen »
het zy tot eigen confumtie of verwerkinge in
de Provincie, het zy tot vervoeringe naar el.
ders ‚en gevolglyk ook uit de handeldryvende
belangen van de Provincie.
Noch felt het Genootfchap tot eene vraag
ian % 5 voor
[Xx]
voor, welke zal moeten beantwoord worden
voor den 1. January 1775.
Welke gedeelten van de Nederlandfche Hi-
Jlorie, byzonder van Zeeland, zyn tot nu toe
niet naauwkeurig genoeg behandeld , en uit wel-
ke bronnen zouden dezelve in een beter licht kon-
nen gefteld worden ter aanvullinge der Vader-
bandfche Gefchiedenisfen ?
In het beantwoorden van welke vrage de
Schryvers in acht moeten nemen, dat dezelve
zich bepaale tot de zeven vereenigde Provincien
en de onderhoorige landen.
De prys, gefteld op ieder van de twee op-
gegevene vragen, voor den Autheur, die de-
. zelve, naar het oordeel van het Genootfchap,
best beantwoord zal hebben, is een gouden
Medaille, op den ftempel van het Genootíchap
geflagen, met het jaartal en den naam van den
Schryver,
De antwoorden op de vragen moeten niet
met den eigen naam des Schryvers, maar met
een zinfpreuk geteekend en met een verzegeld
billet, het welk dezelfde zinfpreuk tot opfchrift
heeft, waarin des Schryvers naam en adres
gemeld zyn, verzegeld aan den Heer Justus
Tjeenk, Secretaris van dit Genootfchap, zeer
leesbaar gefchreven, gelyk ook een affchrift, of
dub-
[ x1 ]
dubbel derzelve, in het Nederduitsch, Fransch
of Latyn franco worden toegezonden, voor den
bepaalden tyd, na welken geene meer tot den
prys zullen worden toegelaten,
Ieder een, wie hy ook wezen mag, ftaat vry
naar den prys te dingen, uitgezonderd hún die
in eenig opzicht Leden van dit Genootfchap zyn,
Ook zal het den genen, die den prys behalen
zal , niet vry ftaan, zyne Verhandelinge, waar
op hem de prys is toegewezen, in ’t geheel of
ten deele, het zy afzonderlyk , of by eenig an-
der werk, te doen drukken , zonder uitdruk-
kelyke toeftemminge van dit Genootfchap.
Evenwel zal het den Leden, des goedvinden-
de, vry ftaan, om, fchoon zonder naar den prys
te dingen, over de opgegevene vragen te fchry-
ven en derzelver antwoorden op de bepaalde
wyze, alleen met de byvoeging van de woorden
Lid van het Zeeuwsch Genootfchap achter de
zinfpreuk , zoo boven op het verzegeld bifler,
als op de verhandelinge zelve geplaatst, te laten
toekomen, ten einde het Genootfchap daar van
ook een nuttig gebruik voor het algemeen konne
maken, het zy door derzelver verhandelingen,
geheel, of by uittrekzels van het byzonderfte,
mede te deelen.
En ten einde de verhandelingen over de op-
sà ge-
F xn J
gegevene vragen, door zulken die geen Leden
zyn toegezonden, fchoon zy den prys niet beha-
len, evenwel niet in het duister blyven, zal
het Genootfchap ook daar van gebruik maken,
en dezelve , of geheel, of ten deele, met den
druk gemeen maken, ’t zy onder de bygevoeg-
de zinfpreuk, of met melding der naamen, in-
dien de Schryvers dezelve aan het Genootfchap
gelieven te openbaren, na dat de prys zal zyn
toegewezen ; en zulks in de nieuwspapieren zyn
bekend gemaakt. |
Den zesentwintigften van hooi-
maand in den jaare ‘MOCCLXXIV
werdt wederom de jaarlykfche al-
gemeene vergadering van het Ge-
nootfchap gehouden, waar in de
Heer ’s GRAVEZANDE verflag
deed van den. tegenwoordigen
{taat der Jooden en hunne voor-
rechten te Cochin, en de Heer
TE WATER zyne verhandelinge,
over ’t begraven der lyken in de
fteden en kerken, mededeelde, —
Wat ’er wyders in deze byeen-
kom--
E-sui }
komfte is vastgefteld nopens de
vragen, voorheen en nu ter beant-
woordinge aan ’t gemeen opgege-
ven , leert het Programma, ‘welk
van dezen inhoud was:
Nem aan het ZEEUWSCH GENOOT"
SCHAP DER, WETENSCHAPPEN te
VLISSINGEN , in deszelfs algemeene vergade-
ringe, gehouden den 26 July 1774, gebleken
is, dat de tydsbepaling , om voor den eerften
January van dat zelve jaar te beantwoorden de
vrage, by het Programma van den jaare 1772
voorgefteld: Zn welke evenredigheid zyn de lan-
den in de Provincie Zeeland, en in ieder eiland |
in ’t byzonder, aangelegd tot Bosfchen, Boom-
gaarden, ‘Weilanden en Bouwlanden? “ir die
evenredigheid, welke thans tusfchen dit wier-
foortig gebruik der banden in deze Provincie
plaats heeft, de voordeelig fle, volgens welke de
landen binnen dezelve konnen worden aange-
degd? zoo neen, hoedanige verandering is daar
in voor het algemeen belang wenfchelyk, en wel-
ke zyn de beste en vruchtbaanfte middelen, ons
dezelve daar te flellen? WWelke foorten van
__hout-
L Xiv j
boutgewas en landvruchtén zyn ‘er , buiten dië
welke in Zeeland doorgaans het meeste worden
aangekweekt, die in onze Zeeuwfthe gronden;
met een evengelyk of grooter voordeel voor. het
Gemeenebest en woor den Landman, dan
de thans gecultiveerde , zouden konnen worden
geteeld ; welke van dezelve verdienen in het by-
zonder aangemoedigd te worden; en hoedanig
zyn de gefthiktfte middelen, om derzelver cultu-
we gemeen te maken? niet ruim genoeg geweest
is, om, met in acht neminge van de bygevoeg-
de bepalingen, daar op voldoende te konnen
antwoorden, heeft het Genootfchap goedgevon-
den dezelve vraag voor als noch aan te houden,
en thans eene andere voor te ftellen, welker
opgave, federt eenigen tyd, zoo de menfchen-
liefde als het algemeen belang van de geoctroy-
eerde OOST-INDISCHE MAATSCHAPPYE de-
zer gewesten. fchynen gevorderd te hebben, en
welke voor den eerften January 1776 zal dienen
beantwoord te worden , namentlyk: Welke zyn
de duidelyke en onderftheidene kenmerken van
die befmettelyke rotkoorts (febris maligna pu-
trida), welke thans zoo algemeen befpeurd*
wordt op de uitgaande Oost-Indifche Schepen
dezer banden; door welke oorzaaken wordt deze
koorts voortgebragt, en welke zyn de middelen
onz
[xv 1
om dezelwe te behandelen, woor te komen en den
woortgang daar van te fluiten?
„De vraag, door het Genootfchap in x jaar
1773 opgegeveh, om ze voor den aanvang. van
het jaar 1775 te beantwoorden, was: Welke
gedeelten van de Nederlandfche Hiftorie, by-
zonder van Zeeland, zyn tot nu toe niet naauw.
keurig genoeg behandeld, en uit welke bronnen
zouden dezelve in een beter licht konnen gefteld
worden ter aanvullinge en woltooijinge der Va-
derlandfche Gefthiedenisfen? |
Ter oplosfinge van welke vrage de Schryvers
verzocht worden, zich alleen te willen bepalen
tot de zeven vereenigde Provincien ‘en de on=
derhoorige landen.
De prys, gefteld op ieder van ar twee op-
gegevene vragen, voor den Autheur, die de-
zelve, naar het oordeel van het Genootfchap,
best beantwoord zal hebben, is een gouden
Medaille, op den ftempel van het Genootfchap
geflagen, met het jaartal en den naam van den
Schryver. f
Waarby dezelfde voorwaarden. en
bepalingen gevoegd waren, “in. je
vorige Programma gemeld,
Enk boven uitgedrukt,»
| Niet
L Xvi J
Niet dan met eene fmertende.
aandoeninge van droef heid, maakt
het: Genootfchap - meldinge;- dat
eenige Beftierders en - Leden aan
zelve, door den dood, ontrukt
zyn. |
| gen de eerften behoorden de
Heer Mr. wiLLEM Cornelisz, OCKERS-
se, Heer van ’sGravenpolder , Bur-
gemeester en Raad der {tad Zierik-
zee, overleden den zevenentwin-
tigften van hooimaand des jaars
MDCCLXXIVv, en de Heer Mr.
JOANNES DE WIT HAGANEUS,
Commisfaris der kleine bank van
Juttitie te Haarlem, den zestien:
den van fouwmaand deszelven
jaars geftorven, terwyl hy Zrank-
ryk doorreisde. osllen
In den jaare mpcceLxxm verloot
het Genootfchap uit het getal van
zyne Leden, den Heer JAN WA:
GENAAR, door wiens dood,
voorgevallen den eerften. van len-
aol te-
[ xvu Ì
temaand, en aan het Genootfchap
plechtig bekend gemaakt, ons Var
derland en de ftad Am/lerdam een’
uitmuntenden gefchiedenisfchry ver
verloren hebben, en den Heer
LOUIS LANCELOT MAIZONNET,
Predikant by de Waalfche ge-
meente te Dordrecht, daar hy den
zevenentwintigften van wynmaand
overleden is, dien lof en roem na-
latende, welken hy zich, in vroe-
ger tyd, ook binnen deze ftad had
verworven. — In het volgende
jaar MDCCLxxIV ftierf de Heer HE N-
RICUS HAGEMAN, rustend Pre-
dikant der Lutherfche gemeente te
_ Amflerdam , wiens uitgegeven
fchriften overvloedige blyken van
onvermoeide naarftigheid opleve-
ren. — In den aanvang van dit
_ doopende jaar ontviel aan het Ge-
„nootfchap de Heer JOHAN MAR-
TIN HOFFMAN, die, fchoon hy
„rustte, van zyn Leeraarampt. te
„IV. DEEL, lk Maas:
É «vi j
Maúasfluis, echter rusteloos voort:
ging in ’t verdedigen van den waá-
ren Godsdienst, en in ’t beftryden
van het ongeloof. Noch korter
geleden, den zevenden van lente-
maand, werdt het Genootfchap
door den dood beroofd van een
zyner Leden, den Heer JOB BAs-
PER, een man van uitftekende
bekwaamheden in de geneeskunde
en nâtuurlyke hiftorie, waar door
hy niet alleen te Zierikzee, zyne
geboorteplaats, en in de Neder-
fandfche gewesten, maar ook in
alle landen, daar de wetenfchap-
pen op een’ hoogen prys ftaan,
zich zelven een’ onfterfelyken
naam verkregen heeft.
Daarentegen is het getal der
Heeren Beftierderen en Leden, op
verfcheiden tyden, op eene aan-
Zienlyke wyze door byvoeginge
‘Van anderen vermeerderd ht
en.
L XIX Ì
den. Tot den eerstgemelden post
zyn verkozen de Heeren
Mr. JOHAN PIETER VAN DEN BRANDES
Ridder Baronnet, Heer van Gapinge, -
Crabbendyke, Couwerve enz. Schepen en
Raad der ftad Middelburg. Den 6 April
SNE TER
Mr. wirLeMm TursAur, Heer van Aagtes
kerke, Secretaris ter Admiraliteit in Zeee
band, Kiesheer der ftad Middelburg. Den
6 April 1773.
Mr. ANTHONY PIETER WeBOs Raadsheer
__in den Hove Provinciaal van Holland en
Zeeland, in 's Hage. Den 27 April 1773.
PETRUS ALBERTUS VAN DE PARRA, Gous
verneur Generaal van Neerlandsch Zndia
enz. te Batavia, Direéteur van de Hol-
landfche Maatfchappij der wetenfchappen.
Den 25 January 1774-.
FLORENS EILBRACHT, Stadhouder en Griffier
___der Leenen van den huize en ridder-hofftad
Joenderfloot, en Secretaris te Abkoude,
Den 28 Juny 1774
CORNELIS JACOB VAN DER LYN, Oud-
Schepen der ftad Amfterdam. Den 28
Juny 1774.
EEL]
GEORGE FREDRIK Baron THOE SCHWART*
ZENBERG EN HOHENLANSBERG, Griet
man van Menaldumadeel, Gedeputeerde
Staat van Friesland, te Leeuwaarden,
Lid van de Leidfche Maatfchappy der Ne-
derlandfche letterkunde, en van ’t Gro-
‚ pingsch Genootfchap pro excolendo Jure
Patrio. Den 28 Juny 1774.
ONNO ZWIER VAN HAREN, Grietman van
Mr.
Stellingwerf westeinde, enz. te Wolvega.
Den 28 Juny 1774.
RUTGERUS PALUDANUS, Raad en
Thefaurier der ftad Alkmaar, Directeur
van de Hollandfche Maatfchappy der we-
tenfchappen. Den 28 Juny 1774.
„COENRAAD WOLTHER ELLENTS) Raad
en Secretaris van ’t Landíchap Drenthe,
en medelid van den loffelyken Eeftoel al
daar. Den 29 Nov. 1774.
‚ RENEKE BUSCH GOCKINGA, Secretaris
der Heeren Gedeputeerde Staaten van Gro-
ningen. en Ommelanden. Den 29 Nov.
1774:
DAVID THOMASSEN à THUESSINKs
Burgemeester der ftad Zwolle. Den 29
Nov. 1774. 5
In
Lira HT
In de algemeene vergaderinge,
in den jaare MDCCLxxIr gehouden,
werden tot Leden aangenomen de
„Heeren
GUALTHERUS VAN DOEVEREN, Hooglee-
raar in de Geneeskunde te Leiden, Lid
van de Hollandfche Maatfchappye Gn we-
_tenfchappen.
PETRUS BONDAM; Hoogleeraar ì in de Rech-
ten te Utrecht, Hiftoriefchryver van Gel
derland, Lid van de Hollandfche Maat-
fchappy der wetenfchappen, en-van de
Leidfche Maatfchappy der Nederlandfche
letterkunde.
G.J: GERARD) Secretaris van Haare Keizer-
Iyke Majefteit, en van de Keizerlyke
Koninglyke Academie der wetenfchappen
en fraaije letteren te Brusfel.
GERARD DE WIND, Medic. Doct., Anato-
miae, Chirurgiae € artis obftetr, Lector
te Middelburg.
_En in de algemeene vergaderin-
ge, in den jaare MDCCLXXxIV, zyn
tot Leden aangefteld de Heeren
mig JAN
Lxxn J
JAN SPLINTER STAVORINUS, Kanitein ter
zee by de Admiraliteit in Zeeland, te
Middelburg.
CHRISTIAAN RUDOLPH HANNES, Med,
Doct. Stads Phyficus te Wezel, Lid van
de Keizerlyke Academie der Natuur-on-
derzoekeren , en van de Hesfifche Socicteif
te Giesfen.
GERARD GREEVE, Heel- en Vroedmeester te
Utrecht.
JAMES BEATTIE, Profes'or in de zedelyke
wysgeerte en redenkunst in ’ Marfchall
Collegie en de Univerfiteit te Aherdeen.
Alle deze Heeren lieten zich de
gedaane verkiezinge welgevallen,
en beloofden, zoo veel hun mo-
gelyk is, tot den bloei van dit
Genootfchap te zuilen medewer-
ken, waar van fommigen reeds
daadelyke blyken hebben gegeven,
Het Genootíchap kan niet onge-
voelig zyn aan de verplichtende
wyze, waar op fommigen de boek-
vere
Le wma ]
verzamelinge , anderen deszelfs ka-
binet van natuurlyke zeldfaamhe-
den vermeerderden. De Heeren
Vosmaar , Baster , Nieuwland, Slab-
ber, Brahe, Curtenius, ’s Grave-
zande, wan Drunen, Hofflede ‚ wan
peren, St. Simon, Willemfen , Per-
renot, Fermin, Gallandat, Leden
van ’t Genootíchap, Zrip, N. C.
Lambrechtfen, Verheye van Citters,
Lelyveld, Nuysfenberg, Le Roy ,
en aderen, vereerden aan ’t Ge-
nootfchap hunne uitgegevene fchrif-
ten. De edelmoedigheid der Hee-
ren Winckelman en van de Spiegel
vermeerderde insgelyks de boe-
kery, welke echter vooral aans
groeide door de aânzienlyke en
herhaalde gefchenken van den
Heer van Damme, die hier in een
groot voorbeeld van navolginge
aan anderen heeft gegeven. —_—
De verzameling van natuurlyke
zeldfaamheden is, federt twee
id! jaar
Dt BMT V 1]
jaaren, ongemeen aangegroeid.
De Heeren A. }. Hurgronje en
Snouck Hurgronje deden aan ’t
Genootfchap een voortreffelyk ge-
fchenk van eene talryke verzame-
linge der fraaifte hoorns en fchul-
pen; anderen bragten ook het hun-
ne toe, om het natuur-kabinet tot
meerdere volkomenheid te bren-
gen. Hier toe ftrekten de giften
der Heeren Winckelman, Brahe,
Ze Water, Helleman, wan’ der
Woord en Bomme, aan welken
laatften, gelyk ook aan den Heer
Slabber, de bekwaame rangfchik- …
king moet dank geweten worden,
Een goed aantal van allerleye myn-
ftoffen is het Genootfchap verfchul-
digd aan de vriendelykheid van den
Heer ’ Gravezande. Zelfs hebben
eenige aanzienlyke vrouwen, wel
ker zedigheid verbiedt haare naa-
men te vermelden, het Genoot-
fchap door gefchenken van dit
| AE: foort
LERS |
foort aan zich verplicht. Onlangs
ontfing het Genootfchap eene ge-
dachtenis van den Heer Baster,
volgens zynen uiterften wille, be-
ftaande in een konftig bufet, door
hem zelven gemaakt, en famenge-
fteld uit allerhande foorten van
hoorns, fchulpen, zee-gewasfen, en
andere natuurlyke zeldfaamheden,
welke dit fchoon gedenkftuk van
’s Mans vernuft verfieren. — De
mildaadigheid der Heeren Wanc-
kelman, Lambrechtfen wan Riút-
them, wan Damme en van der
Woord ftelde het Genootíchap in
t bezit van verfcheiden pennin-
gen en munten, ten grootften
deele betrekkelyk tot de Neder-
landfche gefchiedenisfen. — De
Heer Steengracht vereerde ook ze-
keren fteen, gevonden op ’t huis
te Britten, waaromtrent Hy be-
richtte, dat dezelve afgeteekend
gevonden worde by VAN LOON
En AAN LS
5 al
[ XXVI ]
aloude hiftorie van Holland I deel
bl. 154, en in ’t werk van den
„Marquis De sT. sIMON over den
oorlog der Batavieren en Romei-
nen; dat op dien fteen verbeeld
worden de gevangenisneming en
wegvoering van Welleda, naar 't
gevoelen van CANNEGIETER «de
Brittenburgo pag. 143, en VAN
LOON in ’t genoemd werk bl. 127.
By dezen fteen heeft de Heer VAN
DAMME, naderhand, eenige an-
dere gevoegd, welke, volgens o-
verleveringe,. insgelyks op ’t huis
te Britten zouden gevonden zyn.
Twee van dezelven zyn zeer ge-
yk aan den fteen, zoo even ge-
meld, en fchynen dezelfde gebeur-
tenis aftebeelden, welke, naar de
gisfinge van dezen Heer, niet is
de gefchiedenis van /elleda , maar
van Suzanna; een gevoelen, dat
het onderzoek der oudheidkundi-
gen wel waardig is, vooral om dat
meer
[LL xxvu J
meer foortgelvke fteenen in ons
Vaderland te vinden zyn.
Het Genootíchap ontfing, met
byzonder genoegen, een goed
aantal van verhandelingen over
verfcheiden takken der weten-
fchappen, en zal dezelve, zoo
fpoedig mogelyk, aan het alge-
meen door den druk mededeelen;
zullende het vyfde deel eerstdaags
onder de pers komen, om te vol-
doen aan het oogmerk der fchry-
veren, en aan ‘t verlangen der let-
teroeffenaaren. |
Dit vierde deel bevat drie ant-
woorden op de voorgeftelde vraag
belangende de palen en regelen
der gevolgtrekkingen, in ’t onder-
zoek der natuur, uit de reeds ge-
maakte waarnemingen en proefon-
dervindingen ter navorfchinge van
__‚de noch onbekende oorzaken der
Vi
vete
L xxvim J
verfchynfelen. Het eerfle van de-
ze antwoorden heeft tot Schryver
den Heer VAN IPEREN, aan wien
't Genootíchop ook verfchuldigd
is de vertalinge van het tweede
{ftuk, waar van de Heer PAP DE
FAGARAS de opfteller is. De
derde verhandeling, over dit on-
derwerp, werdt gefchreven door
den Heer P. FERMIN, en in ’%
‘Nederduitsch vertaald door den
Heer P. BODDAERT. — De Heer
VAN DAMME doet bericht van
zyne talfyke verzamelinge van
Griekfche, Romeinfche , en andere
oude Penningen, zullende deze
_eerfte afdeeling, eerlang, door
eene tweede gevolgd worden,
waarby Hy zal voegen de afteeke-
ninge van veele ongemeene ftede-
lyke penningen, welke tot nu toe
nimmer zyn uitgegeven.—- Hier-
op volgen de geestkundige en
‘zedelyke aanmerkingen. van den
19 Heer
ren Ì
Heer PARIS over het verband van
verfland en wille— De Heer
HENNERT, die ín eene voorgaande
verhandelinge, in het derde deel
geplaatst, de waare gedaante der
aarde onderzocht, doet hier naauw-
keurig onderzoek, of de onzeker-
heid daaromtrent eenen merkely-
ken invloed hebbe op de ftarre-
kunde en zeevaart…—- De ver-
handeling van den Heer SCHORER
toont de dwaasheid en fchandelyk-
heid der tweegevechten, uit ver-
fcheiden gronden, aan. — De aan-
merkingen over den Hofftyl of
Franfchen Schryfftyl, door den
Heer ’s GRAVEZANDE gefchreven,
hebben veel invloeds op de ge:
fchichtkunde van ons Vaderland.
De Heer BoNN befchryft zyne
waarneminge van eene aanmerke-
lyk uitgezette pisblaas en omgebo-
gene zwangere baarmoeder…— De
Heer TE WATER beftrydt, in zyne
ver-
[ xxx 1
verhândelinge, de onbetamelyke
‚gewoonte van ’t begraven der Iy-
ken binnen de fteden en kerken.—
Eindelyk zyn hierby gevoegd de
Meteorologifche. waarnemingen van
den Heer BASTER, in de jaaren
1772, 1773 en 1774 te Zierikzee
gehouden.
Indien het algemeen voortvaart
de pogingen van t Zeeuwsch Ge-
nootfchap te onderfteunen, gelyk
tot nu toe gefchiedde, hoopt het
zelve meer en meer de voorge-
{telde oogmerken te bereiken,
welke fteeds dezelfde blyven,
GODS eer, het belang van ’t
menschdom, en het nut der land-
genooten.
Vlisfingen den laatflen van
bloeimaand MDCCLXXV.
Hist
LYST
[ xxxi 1
LYST per VERHANDELINGEN,
ntwoord op de vraag voor ’t jaar 1772,
door j. VAN IPEREN, 4. L. M, Phi-
lof: Doct., Predikant te Vere. — — Bla
Antwoord op dezelfde vraag, door J. PAr
DE FAGARAS; m€@t de vertalinge van
J. van Iperen. — — — 119
Antwoord op dezelfde vraag, door P, FER=
MIN, M. D. gezworen Raad te Maas-
tricht; met de vertalinge van Mr. P, Bod=
daert. — — — — 3I9
Bericht van eene talryke verzamelinge van
Griekfche, Romeinfche en andere oude
penningen, door P. VAN DAMME — 419
Pfychologifche en Moralifche aanmerkingen
over het verband van verftand en wille,
door j. W. PARIS, Predikant te Hulst. — 453
Onderzoek, of de onzekerheid omtrent de
waare gedaante der aarde eenen merkelyken
invloed hebbe op de ftarrekunde en naviga=
tie, doort, Fr, HENNERT, A, Le M, Phi=
bof. Do&. en Profesfor te Utrecht, _— — 499
Verhandeling over de dwaasheid en fchande-
lykheid der Tweegevechten, door Mr.
W.SCHORER, Prefident van den Raad en
’* Leenhof van Vlaanderen te Afiddelburg. — 545
Verhandeling over den Franfchen Schryfftyl,
doorgaans genoemd Stilus curie of ftyle .
van den Hove, door A, ’SGRAVEZANDEs
Predikant te Middelburg. — — — 577
Ont=
[ XXX J
Ontleed- en Vroedkundige waarneeming eener
aanmerkelyk uitgezette pisblaas, en omge=
‚bogene zwangere baarmoeder, door A.
BONN, Med, Dot. & Profesfor te Amfterdam. Ó13
Verhandeling over het begraven der lyken in
de fteden en kerken, door 7. w. TE w A=
TER, Predikant te Vlisfingen, — — 629
Meteorologifche waarnemingen te Zierikzee,
in de jaaren 1772, 1773 Een 1774, door J. î
BASTER, Med, Dot. aldaar, _ kr
DRUKFEILEN,
In ’ III Deel bladz. 542 laatfte reg.
flaat za3 Dar: lees=zaH3Dar
In ’ IV Deel
ftaat bl. 422 aant; (c) Oxirii lees Oxoriae
—— bl. 624 rf, 22 aandrongen — - aangedrongen
=— bl —= r. 24 ophoping —_= ophooping
ANT:
ANTWOORDEN
Vee RAG #E:
Mag een Natuuronderzoeker, uit de reeds ges
maakte waarnemingen en proefondervindin=
gen, verdere gevolgen trekken ter uitvorfchins
ge van de noch onbekende oorzaken der ver«
Jibynfelen? zoo ja, hoe verre mag hy daar in
voortgaan , en welke regelen moet hy daar,
omtrent in acht nemen 8
VOORGESTELD
OM BEANTWOORD TE WORDEN
IN DEN JAARË
MED SC CBON A TA,
HAR IN
wg Vosrt oh se rmdsovehmountes/Â vn ik
eniatershnhgorg aa mopmisnstinnus san
emidgoeris gas adden noplousg vroren IB
ARP lo adostoo ShmÂidno droe sh aon B
st WRh  onee sv LOU ‚oJ oor Saria,
“ank qd. aoome sohoge shade Ma. inches
| DE RON REN ERS st tea tan
EELT ENOHO AV,
WEGAOW. AT. OIOOWTMATE Mo
RRAAD » EL MEE ech enen
AEEA GM
Bladz. 3
ANTWOORD
OP DE
VR A GE:
Mag een Natuuronderzoeker, uit de reeds gez
maakte Waarnemingen en Proefondervindin-
gen, verdere gevolgen trekken ter uitvonfchinge
wan de nog onbekende Oorzaken der Verfchyn=
Jelen?
Zoo ja, hoe werre mag hy daar in voortgaan ?
En welke Regelen maet by daaromtrend in agt
nemen ? tovlse iÌ
Dv 0 ù E
SOSUA VAN IPEREN.
| AS aft loof lef ff
Ik nam de vryheid, om de Vrage
dL aanftonds in drie leden , duidelyk-
heidshalven te fplitfen ;'om dat myne
Verhandelinge of Arwoord zoo: moest
verdeeld ‘worden zow’ ik’ voldoen ep
A €
4 SJ VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
hets oogmerk, der Vlisfingfche Maat-
fchappye. Maar hy, die het geoorloof-
de der gevolgtrekkingen, zoo als die uit
de Waarnemingen en Proefondervin-
dingen , Oongedworgen. vóortvloeijen,
wraakt, en er zig, nog in deze verligte
‘Eeuws tegèn verzetten vwil,“heeft juist
al-dien“omflag niet-van nooden. Zyne
taak\is-fpoediger.afgedaan, … De tweede
en; derde, Voorftellinge van het Vraag-
{tuk raken hem niet — - Gansch-anders
is het met my gelegen : want ik houde
het-daar voor-‚-dat:het eerfte Lid , zon-
der eenige aarzelinge, aanftonds met
Ja moet worden beantwoord; en dus
verpligte ik my zelven, om óok myn
best te doen, dat ik het doelwit der
twee laatfte Vaorftellingen , hoe werre
mag. men daar in_ voortgaan? en welke
Regelen moet mèn daaromtrend in agtne-
men? treffe.
L
… De Ridder.NE wTON word, in: Efi-
geland;ten-minften voor deneerften en
voornaamftenwysgeer gegroët „ die alle
de. winderige A naroniksidial ien van
Jon CAR-
VRAGE VOORT JAAR MDCCLXXIL 5
CARTESIUS, GASSENDI en anderen
van. zynen. tyd uit de Proefondervinde-
lyke Natuurkunde -wilde-hebben. uitge-
bannen ; maar geenzints:de Gevolgen,
welke men uit de waarnemingen en Ex-
perimenten trekt, Zyne gezegdens daar-
omtrend, by den Heer BRUCKER aan-
gevoerd, meene ik hier te mogen-plaat-
zen: Quidguid ex Phoenomenis non dedu-
citur „ Hypothefis vocanda est: et Hypo-
thefes „feu phyfice , feu metapbyfice „ feu
gualitatum occultarum ‚ feu mechanica in
philofophia experimentali locum non har
bent. In hac pbilofopbia propofitiones de-
ducuntur ex phoenomenis €” redduntur
generales per Induftionem, Dat is: ” Al
» wat uit de Verfchynzelen word af-
» geleid , moet men eene Vooronder-
ftellinge heeten: ven de Vooronder-
» ftellingen , zoo natuurkundige, -over-
» natuurkundige, als wergtuigelyke- en
» opwerpzels van verborgene hoedanig-
heden, hebben in de Proefondervinde-
» lyke Wysbegeerte. geene plaats. In
» deze W ysgeerte leid-men zyne: Stel-
… lingen uit de Verfchynfelen af en men
5 maakt haar algemeen, door middel
» van de Andudtie”,
Door de _Zndudie. werftaan. de Rede-
sh A 3 neer.
Z
G 7. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
neerkundigen, gelyk bekend is, eene
Gevolgtrekkinge ter beraminge der ei-
genfchappen van eene geheele Soort, of
van een gansch Geflagt, ontleend uit de
eigenfchappen , welke men in verfcheide:
rie wezens onder die Soort, of dat Geflagt,
behoorende, had aangetroffen. En zoo-
danige Gevolgtrekkinge is ook altoos
door de Heeren ’%S GRAVEZANDE,
DESAGULIERS, MUSSCHENBROEK
en NOLLET in agt genomen; en word
nog heden door genoegzaam alle de
Natuuronderzoekers goedgekeurd en
gebruikt.
In de Starreloopkunde is men vooral
bedagt geweest, om uit de W aarnemin-
gen der Paralaxen , Eclypfen en andere
Optijche Verfchynzelen, door de Verhe-
vene Geometrie „Gevolgtrekkingen te
vormen, welke eene nieuwe gedaante aan
die Wetenfchap gegeven, en eenen on-
gemeenen glans over de Wysbegeerte
verfpreid hebben.—- De Natuurlyke
Historie ftapelt, dagelyks, waarnemin-
gen’op, en wel zulke, die de Induttie
der Rangfchikkers foms van voorbarig-
heid overtuigen, en menige fchepzelen
uit de eene kas der Kabinetten van Lief-
hebbery in eene andere kas, immers ui
er 6 4 e
VRAGE. VOOR °T JAAR MDCCLXXI, 7
„de eene lade in. de andere doen -over-
gaan. Gelukkig waren de Sterrekundi-
gen, indien zy hunne waarnemingen
even gemakkelyk konden vermenigvul-
digen,enlangs-dien weg, hunne. Mathe-
matifche Gevolgtrekkingen verbeteren!
In de Ontleedkunde van-ALBINUS- en
HALLER, in de Scheikunde van BOER-
HAVE, in de Geneeskunde van MEAD
EN VAN SWIETEN; in de Befpiege-
lingen van BONNET, kortom in alle
de niewere en verbeterde famenftel-
len -der Natuurlyke Wetenfchappen,
heercht de JZndutie zoo algemeen en
fterk , dat dit overal aangenomen ge-
bruik alleen genoeg moet zyn, om ons
verlof te geven, ja zelf te noodzaken
tot een toeftemmend Antwoord op ‘het
eerfte lid der voorgeftelde Vrage : ‚na-
mentlyk dart ja! een Natuuronderzoeker,
uit. de reeds gemaakte Waarnemingen
en Proefondervindingen , verdere gevolgen
mag trekken ter uitvorfchinge: van de nog
onbekende oorzaken der Verfchynzelen..
„De Proefondervindingen zyn Waar-
nemingen , welke door kunst uitgevon=
dens uitgevoerd en verbeterd worden.
Sedert GUERICKE, die de Lugtpomp
ai A 4 uits
B Je VAN PEREN ANTWOORD OP DE
“uitvond, en BOYLE, die haar verbeter:
de; zyn de eigenfchappen der Lugt,
welke te voren nog zeer gebrekkig ge-
kend en flegts in ’t ruwe opgemerkt wa-
ren, met eene verwonderenswaerdige
naauwkeurigheid, gadegeflagen. Maar
genoegzaam alles, dat men op die wy-
ze van de Luugt heeft leeren kennen „zou
naawelyks “voor” meer dan Waafne-
mingen der Lugtpomp' mogen worden
‘aangezien, en, zoo min als de Barome-
ter van TORRICELLI, kurinen dieren
ter bepalinge der Eigenfchappen van dat
Element, 100” men de Verfchynzelen,
“welke zig in de Pomp en Barometer ver-
toonen „niet, by Gevolgtrekkinge, op
den Dampkringzou mogen toepasfen,
soDe werktuigen, die men, by het doen
der Proefnemingen, noodig heeft, zou-
„den nimmer zyn toegefteld, indien eene
genoegzaam oneindige fchakel van W aar-
nemingen, federt TUBALCAIN, het
‘bewerken van hout, teen, metaal, glas
en-andere {toffen niet tot-eene volmaakt-
heid gebragt hadde, die misfchien, door
volgende W aarnemingen, weinig zal kun-
nen verbeterd worden: vooral zoo men
„de.waarfchuwingen van den-Heer Nor-
LET daaromtrend in agt neemt, in zyn
iet ulit-
VRAGE VOORT JAAR MDCCLXXI. 9
gitmuntend werkje, getiteld Avis aux
Amateurs de la Phbyfique. En waarlyk!
ishet wel te denken, dat de Werktuig-
kunde, alleen by geval, zulke vorderin-
gen zou hebben gemaakt, gelyk zy ge-
maakt heeft, vooral in Engeland, zon-
der dat de fcherpziende fchranderheid
der werkbazen , uit vorige ondervindin-
gen,bevorens had geredeneerd „ter ftavin-
ge van hare waarfchynelyke vermoedens
van voorfpoed, die er te wagten was in
het verbeteren der werktuigen? Is het
wel te denken, dat de Wiskunftenaars,
in het doorzetten hunner Natuurkundi-
ge Berekeningen, gecyfferd zouden heb-
ben, zonder eenige vermoedelyke uit-
koomften vooruit te zien, en dus Gevol-
gen te trekken uit de Waarnemingen en
Proefondervindingen , welke hun aan-
leidinge gegeven hadden, om Ziguren
te teekenen en Eqguatien op te zetten?
Is het geheel beloop der Stelkundige of
Algebraifche Oplosfchingen wel iet an-
ders, dan eene vernuftige reeks van -oft-
feilbaar- aan elkanderen vastgefchakelde
“Gevolgtrekkingen?— E
cie Zou ook waarlyk ftryden met ‘het
Oogmerk der Nature zelf, “indien-wy
Ai A 5 niet
10 Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
verder gingen, dan telkens bloote waar-
nemingen te doen, zonder uit gelykvor-
mige waarnemingen, gedaan op gelyk-
foortige voorwerpen, ° zy met de zin-
tuigen alleen, ’tzy met behulp der ver-
grootglazen en andere kunstmiddelen,
algemeene regels te fmeden, Wierden
wy dan geene elendiger W ysgeeren dan
de geringfte , de veragtelyk{le beesten? of
ten minften telden wy ons niet gelyk aan
gochelaars en rarekykdraijers, als-wy
het by enkele waarnemingen en proef-
ondervindingen lieten berusten? Hoe!
openbaart zig dan de oneindige Wys-
heid van den Schepper niet in de „4na-
logie, in de overeenftemminge zyner
fchepzelen? Zyn dan de Verhevelin-
gen, zyn de Mineralen, de Metalen,
de Planten, de Infeêten, de Vogelen
en Visfchen nergens meer in gelyk aan
die, welke men voor den Zondvloed
“waarnam? Volgt de Natuur geene vast-
gaande maatregelen? Zyn er geene al-
gemeene Wetten van Beweginge? „Zoo
ja, waarom zou men die niet mogen
uitvorfchen? Maar niemand is er byna
zoo onbedreven, die niet begrypt, dat
zulks onmogelyk gefchieden kan, als
door Gevolgtrekkingen te vormen, die
| op
VRAGE VOOR °TJAAR MDCCLXXIL, 11
op juiste waarnemingen en proefonder-
‘vindingen gegrond zyn en menige eeu=
wen na dezen nog een zonderling gemak
aan de Proefondervindelyke Natuurkun-
de zullen byzetten.
Wel is waar, loutere Gisfingen ko=
men in de ware W ysbegeerte weinig te
pas: *tis niet, dan by oogluikinge, wan-
neer men dezelve gedoogt. Maar daar-
om moet niet alles, wat maar eenigzints
naar Gisfingen zweemt, uit de Natuur-
kunde verbannen worden. Laten wy
den beroemden Wysgeer van Geneve
hooren fpreken (*) De kunst van Gisfen,
zegt hy, wolffrekt uit de Natuurkunde te
bannen ‚zou eveneens zyn, als of wy ons by
enkele en byzondere Waarnemingen wit-
den bepalen ; en waartoe zouden ons die
Waarnemingen dienflig zyn , indien wy
er geen het minst gevolg uit trokken?
Zonder ophouden zouden wy bout; kalk
en fieen by een brengen met oogmerk, om
niet te bouwen, Zonder opbouden zouden
wy het middel met het doeleinde verwar-
ren. -_ Alles zou los van een gefcheiden bly-
wen in-onze denkbeelden, terwyl onder-
Jus
(*) C. BONNET Palingenes, T.L p. 74e
12 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
tusfchen de ganfche Natuur alles famen-
Jthakelt. Indien NEWTON die kunst-
wan Gisfen niet verftaan had, zou hy
ook nimmer den Hemel hebben kunnen în-
dringen en er de Geestelyke Stuurlieden
der Geflarntens, welke KEPLER ver-
zonnen had, uit jagen, en er twee Werk-
tuigelyke' Kragten op den throon zetten,
aan welke alle de Starren, Planeten en
Cometen nog blindeling fchynen te blyven
gehoorzamen. |
Ik verftae door de Kunst van Gisfen
geene losfe en wilde voorbarigheid in
vooronderftellen van vermoedelyke Oor-
zaken ‘err Gewrogten : neen ! maar eene
oordeelkundige en voorzigtige beramin-
ge van waarfchynelyke famenloopinge
van werktuigen, ter ophelderinge- en
verklaringe der Verfchynzelen, Want
zoo zy-met geene oordeelkundige voor-
zigtigheid word aangelegd, verdient zy
geene Kunst genoemd te worden. NEW-
TON-maakte zig, volgens het oordeel
Van LEIBNITZ En BERNOULLI, fchul-
dig. aan voorbarigheid: in het Vooron-
derftellen, toen hy, met LOCKE,“ de
waereld- voor een onvoltoyd werktuig
aanzag, voor een onvolmaakt Horlo-
gie, dat telkens, om zoo te fpreken,
van
VRAGE VOORT JAAR MDCCLXXIL 13
van God moest worden opgewonden en
herfteld : alzoo een eerbiedig denkbeeld.
der Goddelyke Wysheid genoegzaam
‚was, om fluks die en andere foortgelyke
ligtvaerdige Vooronderftellingen den bo-
dem inte flaan. In tegendeel leert ons
dat zelfde begrip der Oneindige W eten:
fchap van het Opperwezen oordeelkun-
dig gisfen en vermoeden, dat alles, in de
bewegingen der waereldfche Lichamen
en in het leven der Nature, ten minften
doorgaansch , de: Wonderwerken alleen
uitgezonderd , werktuigelyk toegaat ‚zoo
van ’s waerelds ugtenftond af is. toege-
gaan ; en eveneens tot aan de;voleindinge
der eeuwen toegaan zal, > vermont:
De Kunst van Gisfen is ruim zoo oud
alsde Kunst van Waarnemen,» Zoo
dra was: de mensch op shet: voltoyd
fchouwtoneel der Nature. niet mederge-
zet, of hy nam de wonderen der God-
delyke Wysheid. aanftonds: zoo wel
waar , als de wonderen der Almagt: hy
befpeurde eene gelyktydige famenftem-
inge: der dingen en eeneopvolginge
van. gébeurtenisfen in de; Natuurlyke
Hiftorie, die haren genoegzamen grond
An het voorledene-had ; enteffens:ook de
gronden en oorzaken vanshet anr
B e
14 Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
de behelsde. Van ftonden aan redenka-
velde hy over de fchakel der gebeurlyk-
heden en wierd bedagt op het beramen
der Goddelyke Werktuigkunde, In de-
ze zag hy de heerlykheid van s° Aller-
hoogftens onbegrypelyke en onnavolg-
bare Wysheid gloeyen en gloren fchie-
ten ; gelyk de en reeds voor
hem gedaan hadden. Immers het ver-
{tand van den volmaakten mensch kon
de tweede Oorzaken niet voorbygaan
en eenen Schepper aanbidden, die- reeds
rustte, fchoon zyn werk nog gebrekkig
gebleven was, en welken hy zou heb-
ben kunnen te gemoete voeren, * geen
ALPHONSUS, Koning van Castiliën
eens, in eene drift van eigenwysheid ge-
zegd word te hebben uitgerafeld , tegen
de orders en wetten der Nature, van
welke hy nog te weinige kennisfe had :
dat ‚als het aan hem geftaan had, hy het
Geheelal in eene juister order zou ge-
fchapen hebben.
In de kindsheid- befpeurt men reeds
eene aangeborene drift: en geneigtheid;,
om Gevolgen te trekken uit de Ver-
fchynzelen en tot het onderzoek naar
derzelver Oorzaken opte klimmen. Ne
df
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI. 15
Naarbootzinge , zoo gemeen aan kuikens,
welpen en kinders, werkt altoos uit een
vooruitzigt op de nuttigheid en aanges
naamheid, welke er uit het naarvolgen
der Ouderlyke daden te verwagten zyn.
Deze drift van Naarvolginge is „zoo ’t my
toefchynt, eigentlyk de zoogenaamde
Inflin& in de Redenlooze Dieren, wat
ook REIMARUS en anderen van derzel-
ver Konstdriften mogen opgeven. Want
waarom zou men toch in het Vee
iets willen vastftellen, dat niet eenig-
zints, in zeker derde, met den aard
des Menfchelyken Geflagts overeen-
komt? Is er geen omloop van bloed en
andere levenszappen in alles-wat men
tot de Dierelyke Waereld brengen kan?
Inde ‘kinderen der menfchen nemen
fchranderheid ‘en oordeel toe, naar ma-
tesdat zy langduriger en“ uitgebreider
ondervindinge krygen; en zy leeren al-
lengskens uit de waar- en’ proefnemin-
gen, welke zy maken en van” bejaarden
dagelyks zien maken, op te klimmer
tot „algemeene waarheden, welke zy
daarna in voorraad-hebben; om uit de:
zelve: ylings, by voorkomende’ gelegen:
dover derzelver hoedanigheden er
gewrogten, oordeel -te. kunnen dies
Lr) e
16 Js VAN-IPEREN ANTWOORD OP/DE _
De dieren zelve hebben hunne bepaalde
werktuigen van de Natuur ontfangen,
de Byen- by voorbeeld, „de: Wespen,
de Bevers en foortgelyke fchepzels, over
welker kunstgewrogten wy ons met regt
verwonderen, en deze werktuigen-ge-
bruiken zy met vermaak, op die wyze,
gelyk zy die anderen van hunne foort
hebben zien gebruiken, »: ran dor
»„Sommigen -worden-door „honger «en
dorst „dat is door trek naar-het:eigen-
aardig voedzel , dat zy noodig hebben,
gelyk de jonge Eenden, die van eene
hoenderhenne zyn uitgebroed, gedre-
ven naat eenelement, daar de voedfter-
moeder eene’ vreeze en innige afkeer voor
heeft, „Maar die Znftind zelve, gelyk
alle zoodanige aangeborene driftens'zyn
Algemeene Befluiten;. wier waarheid ver-
volgens door. de Ondervindinge beves-
tigd word. Men ziet hier uit (en dit
is werkelyk eene Gevolgtrekkinge)--dat
de Natuur, zelve. veeltyds de Waarne-
mingen en-Proefondervindingenzvoór uit
loopt Apen en-Papegayen; die de
menfchen „naarbootzen ‚-fchynen-dit-te
doen, uit-aanmerkinge van het vermaak
en van.de voordeelen; welke zy-zig daar.
uit beloven; gelykerwys-Honden, Haar:
en,
VRAGE VOOR °T JAAR MDÈCLXxm, 7
den, Beeren , door geftrengheid, eenige
oetfen en kunstjes geleerd worden, wel-
ke zy ook in het werk ftellen ter voor-
kominge van fchade en fmerte, By ge-
volg blyft het zelf inderdaad onder de
beesten niet by enkelvoudige waar- en
proefnemingen berusten : neen! zy gaan
verder: zy trekken er gevolgen uit: zy
maken algemeene zetregelen ter bevor
deringe van hun eigen genoegen, of tot
afwendinge van ongemak en fchade.
Men vind hier een verbazend voorbeeld
van in de Paarden en Muilezels van
Quito in Zuid-Amerika, volgens de
egte verhalen van ULLOA. De eerst-
genoemde zyn, op eene verwonderens-
waerdige manier, afgerigt op de jagt der
wilde geiten langs fteiltens en klippen;
en de laatstgenoemde op het afglyden
van bykans loodlynige gebergtens in
diepe dalen langs enge en kronkelige pa-
den: en wel op eene wyze, dat beraad-
flaginge en beleid, by gevolgtrekkinge
nopens het toekomende, zig, in derzel-
ver handelingen, ten klaarften openba-
Ba ne Al
@) vrroa Hiftorifche Befchiryvinge. 1. Deel
bl. 200.
18 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
Alle de Verfchynzelen, welke zig aan
onze aandagt voordoen , kunnen ge-
voegelyk als zoo vele Proefondervindin-
gen en Waarnemingen worden aange-
zien, voor zoo verre wy die befchou-
wen en befpiegelen, en voor zoo verre
die Befpiegelinge ons ftoffe verfchaft en
handleidinge, om over derzelver aard
en byzonderheden te vonnisfen, Ik voe-
le eene Aardbevinge, ik hoore haar ge-
druis, en ik zieer de nare gevolgen van.
Wat gebeurt er? Myne ziele ontroert,
myn harte popelt—- Ik vreeze, en ik
verwondere my al bevende. De vree-
ze doet my uitzien naar waarfchynelyke
middelen van beveiliginge: zy dryft my
ten huize uit. Ik onderftelde, om dat
het anderen meer gebeurd is, dat my
het dak, de gebindten, de- zolderingen
boven ’ hoofd zouden kunnen inftorten,
Naawelyks ben ik een weinig tot be-
daardheid gekomen, of de Verwonde-
ringe doet my vragen, wat is de Aard-
bevinge? waar uit ontftaat zy? Myn
verftand zoekt fluks de oorzaken in de
afgronden, In de onderaardfche afgron-
den moeten er mynen zyn aangeftoken
geweest, niet ongelyk aan de mynen
voor eene vestinge : en dus moet er vuur
zyn
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL Tj
Zyn ,omvaan te fteken „en Lust, om ont:
barftingen te verwekken door hare veer:
kragt: zoo-word het raadzel doof myn
‘oordeel opgeloscht. Geen fterveling is
er, of hy zou op dat pas moeten (lapen;
droomen of myméren, op wiens’ verz
ftand de verbaästheid-en verwonderinge-
foortgelyken ‘invloed, hoewel min’ of
meer duidelyk, niet hebben zal, Ieder
maakt zulke befluiten «en trekt zulke ge»
volgens Dus is het de. Nature zelf,/zoo’
Zy niet verhinderd word haren eigen ge-
woonen' tred te houden „ die ons nood
zaakt omuit der Waar- en Proefnemins
gen gewolgen:te-trekken ter uitvorfchin=
ge van, de oorzaken der. Verfchynzelen.
Maar weet men wel (want dat is aans
„merkeriswaerdig !) wat-doorgaansch'sde
voornäamfte reden is, waäfom niéncna-
Jatig word’ in ‘het oordeelkundig-üitvor-
fchen der Natautlyke Oorzaken? Zy
moet gezogt worden by: het uitdooven
van de kragt der Verwonderinge wel=
ke; naar dert aard van’ het menfchelyk
gemoed gerekend, waarlyk, zoo niet de
eenige, ten: minften” de” voorhaamifte
fpringveer is wan het wysgeerigonder-
zoek, De verwonderinge over een“ Ver-
Iv B 7 —___fchyn-
20 Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
fchynzel verflaawt; zoo -dra--men. dat
Verfchynzel-alte-dikwyls,en. fComwylen
dagelyks waarbeemte-‘Men--ward er aan
gewoon „en de-aandagttrekt;er Zig, van
af pom -zig-naar. iets vreemds-en onge=
meens, te: wenden.» Wanneer „meneenis
ge Proefnemingen al: te dikwyls ziet! her=
halen:s: raken-zy inovetagtingei; De In-
beeldingskragt-etv het Geheugen kunnen
dieherhalingen-vry-korter enmet smin-
der-qmflags doen „ wanneer-het haar ger
lust. Een Chinees zou beter waarnémer
zynin Europa dan in het Oostelyk ges
deelte van Afien»cen wij Europearien;
zien meer , enmet meer nadruk jan Ame
rika,sdan in Onze:vaderlandfche gewes-
ten, Zy, die omftreeks den Vefuvius
wonen, flaan. minder agt; op-Zyn: vuur-
braken, dan vreemdelingen-;;die naar
Napels reizen , en ; daar zyndej-de-ver-
bazende- uitwerpzels, van „het onder=
aardsch vuur en ’fernuis der Italiaan
fche,afgronden,gaan bekyken, In alles
kan. overdaad - bedreven. worden, , Én
zou dat dan noitin het waarnemen det
Verfchynzelen,- inhet vermenigvuldie
gender Proefondervindingen, kunnen
plaats, hebben? „Het bygebragte zal ge:
noegzaam zyns-om: te-toonen; dat het
ld ’ is 5 ver-
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL or
verzuimen der gevolgtrekkingen , aan
een bedorven hersfengeftel zou kunnen
geweten worden; als de Verwonderinge,
die de baarmoeder van alle kundigheden
is, door al te veel omflags van Waar-
nemingen en Proefondervindingen, bui-
ten noodzake en zonder vrugt op een
geftapeld, uitgebluscht en gedempt word,
Een waar Philofooph verwondert zig
over alles! Sedert dat hy een kloek-
moedig opzet nam, om de Natuur al-
omme, ja tot in hare binnekameren en
geheimfte fchuilhoeken te befpieden, is
er geen fchepzel onder de Zonne meer,
dat hy zyner aändagt, zyner opmerk-
zaamheid onwaerdig fchat. Maar ’ geen
hem inzonderheid verbystert en, als °t
ware, in zyne onderzoekingen ftremt en
overbluft, is de ontelbare menigte der
voorwerpen: hy weet niet, waar hy zig
eerst en best op bepalen zal — Even-
wel het eerfte , dat hy meent te moeten
doen, om die verwarringe te ontwor-
ftelen, is daar in gelegen, dat hy de
Wezens en Verfchynzelen onder: foor-
ten fchikt, en zig dan de gelykflagtige
eenigzints op dezelfde wyze vertegen-
woordigt, Deze is de natuurlyke en
Er B 3 ons
22 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
ongewrongene neiginge- zyner fchran-
derheid, zonder welke zyn Oordeel nog
vuur nog leven hebben kan. Foei! zou
een welmeenend Natuuronderzoeker dat
edel vermogen , tgeen hem tot de alge-
meene kundigheden alleen kan opleiden,
en zoo zetregels uitvinden , welke het
oordeel onmogelyk derven kan, verlco-
chenenen, wegfmyten? en al het nuttige
en vermakelyke zyner Natuurkennisfe,
welke de Schranderheid, dat is het eier
genaartig vermogen om gelykvormighe-
den te ontdekken , alleen kan opleveren,
met de voeten treden en verfchoppen?
Zulk een Gevolgtrekken. tot de Gelyk-
vormigheid kan niemand aan eene zyde
zetten, of hy moet de Natuur van zyn
eigen hert verzaken, en zyne ziele in een
wezen veranderen , dat van de voornaam:
{te eigenfchappen van eenen vernuftigen
geest ontbloot is, Sv
De Gelykvormigheden , welke de
Schranderheid uitvond, waren de Ana-
logien, uit welke de Rangfchikkingen
Van: LINNZUS,;:REAUMUR, KLEIN
en andere vermaarde Schryvers der Na:
tuurlyke Hiftorie geboren zyn. Dus
Xwammen derhalven, door het befchour
VRAGE VOOR °’T JAAR MDCCLXXI, 23
wen van ettelyke wezens, die onder
eene foort behooren, door het bekyken
van menige Verfchynzels, die, in een
zeker derde, overeenftemmen, tot een.
algemeen befluit, nopens de eigenfchap-
pen, hoedanigheden, uitwerkingen van
vele dingen: fchoon men egtèr de ove-
rige Wezens en Verfchynzels, tot die
foorten behoorende, onmogelyk alle en
ieder afzonderlyk, waarnemen kan. In-
dien dat vereischt wierd, dat men alle
voorwerpen van eene-foort in oogen-
{chouw moest nemen , om een voorzig-
tig Natuuronderzoeker te worden, zoo
zou men of moeten wanhopen van ooit
de Natuur behoorlyk te kunnen door-
fnuffelen, of ergens zoeken te markt te
gaan, daar men ten minften een zweem.
fel van alomtegenwoordigheid en alwe-
tenheid opkogt. Zaler dan immermeer
een Wysgeer onder de menfchen op-
ftaan; hy zal voorwaar ! uit de hem be-
kende Waarnemingen en Proefonder-
vindingen Gevolgen moeten trekken:
hy zal de Waarnemingen, op de Mane
_gedaan moeten afzonderen van die, wel-
ke men op Jupiter en zyne Trawanten
doet : hy zal de Proefnemingen der
Eletriciteit onder hare byzondere foort
B 4 mMoe-
24 Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
moeten laten, en met die van de Water:
weegkunde niet verwarren : hy zal uit
de blykbare Gelykvormigheden der ge-
lykfoortige proeven, van de Lugtpompe
by voorbeeld, voor zoo verre hem die
bekend zyn, befluiten moeten tot het
beramen van de veerkragt en andere al-
gemeene eigenfchappen der Lugt; ja hy
zal die befluiten naderhand moeten ge-
bruiken, ter verklaringe van allerhande
Lugtverfchynzelen, die hem by vervolg
van tyd zullen voorkomen.
Edog laten wy edelmoediglyk han-
delen en erkennen, dater in het vormen
van Znalogien en overeenkomften meer-
malen eene voorbarigheid heerscht, die
befchaamd maakt, Maar heeft dan die
fchaamte hare nuttigheid niet? Men
zegt: een Vledermuis, hoewel zy geene
pluimen heeft, en een Struisvogel, of-
fchoon hy niet vliegt, behooren beide
onder de Vogelen, om dat zy beide
vlerken hebben: indien het hebben van
vlerken eenen Vogel maakt; dat on-
waaragtig is, Dit redeneren zou eenen
boer niet misftaan , die nooit van vliegen-
de Visfchen gehoord had, en om geene
torren en vliegen dagt: maar een _Na-
ie tuur-
VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXIL 25
tuurkenner zou er niet mede voor den
dag komen durven. Ondertusfchen zou
mogelyk de Heer DE BUFFON wel
willen {taande houden, dat zulke eene
beraminge zoo wel geoorloofd is als die,
door welke men de Vledermuis met den
Mensch, den Aap en het Spookdier by
elkanderen voegt; om dat zy vier fny-
tanden , boven in den mond, hebben, En
zoo dra men befpeurt, hoe willekeurig
dusdanige eene beraminge en verdeelin-
ge zy, merkt men ook wel haast, dat
men uit eene fchynbare foortgelykheid.
geene vaste gevolgen trekken mag, Even
dus krygt men, uitde vergelykinge der
voorwerpen en Verfchynzelen zelve, ge-
legenheid en aanmoediginge om allengs-
kens naauwkeuriger in het waarnemen
te worden: en ’geen men by voorraad
tot gemak van zyn geheugen deed , word
nimmer in gevolg getrokken , tot het op-
maken eener wysgeerige beoordeelinge.,
De Wetenfchappen nemen hand over
hand in keurigheid en- uitgebreidheid
toe: en hoe meer goede Waarnemingen
en Proeven men maakt, hoe gemakke-
lyker het Gemeenebest der Geleerden
in zyne loffelyke ondernemingen flagen
Bj zal,
26 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
zal, Want wat is er nog eene magtig
lange weg af te leggen, eer de Kennisfe
der Nature, zoo veel als die van de
Aardbewoners kan beoefend worden,
tot hare hoogstmogelyke volmaaktheid
zal geftegen zyn! De meeste Waarne-
mingen der Natuurlyke Historie zyn
nog te algemeen, om er ftaat op te kun-
nen maken. REAUMUR en de GEER
bragten de Ontledinge der Infeten tot
eenen vry hoogen trap van volmaakt-
heid, LYONNET haddit bemerkt, hy
zag de mogelykheid eener verdere vol-
makinge, hy bepaalde zig op eene by-
zondere foort: hy hoopte op de verbe-
teringe van dat gedeelte der Wysbe-
geerte: hy ondernam, bevlytigde zig
en flaagde, TREMBLEY ontdekte eene
zonderlinge eigenfchap in de Polypen,
om aan ftukken gefneden, even zoo ve-
le Polypen, als er ftukken zyn, voort
te brengen. SPALLANZANI maakte
daar uit op en giste en deed ettelyke
proeven, De Slakken gaven hem eeni-
ge voldoeninge, Maar waarom, zeide
hy by zig zelven, zou iets diergelyks
ook niet by eenige viervoetige dieren
kunnen plaats hebben? Hy nam proe-
ven met den Salamander , fibedr hen
Lex aert
VRAGE VOOR °TJAAR MDCCLXXIL, 27
ftaert en pooten af, ja zelf eindelyk de
kakebeenen , en ziet, evengelyke deelen,
in alle deelen volmaakt overeenftem-
mende met de afgefnedene, kwamen er
te voorfchyn, De Nature, die zoo vele
wonderen in de Geneeskunde, vooral
inwendig, verrigt, genas den Salaman-
der van de verminkinge.
Misfchien zal SPALLANZANI uit
de bekende fabel der Aloudheid gevol-
gen getrokken, en, met behulp van die
redenkavelinge , eenige voorkeuze aan
den Salamander gegeven hebben, In-
dien TREMBLEY en SPALLANZANI de
Waarnemingen en Proeven der vroege-
re Natuurkenners niet gebruikt hadden,
als geloofwaardige Berigten van de waar-
heid dier byzonderheden, zouden zy
wel zoo gereedelyk en onvermoeid. hun-
ne verdere Waarnemingen en Proeven
dienaangaande hebben doorgezet? Ja
blykt dan uit deze voorbeelden niet ten
vollen, dat een regtgeaard Philofooph
uit de, reeds door andere „ of-door hem
zelven gemaakte en herhaalde, Proef- en
Waarnemingen , ja zelf uit fommige on-
geloovelyke verhalen van PLIN1US en
andere oude Schryvers, gevolgen dee
} ken
28 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
ken mag, ten minften ter aanlegginge
en beftieringe van verdere Waar- en
Proefnemingen, welke hy in perfoon,
of zyne leerlingen en kunstgenooten,
by vervolg van tyd, ondernemen en
voltoijen zullen ?
GALILEUS in Italiën hoorende, dat
men in Holland, een Verrekyker aan
Prins MAURITZ vertoond had en aan-
geboden, en dat er die Vorst en zyne
hofhoudinge de vergelegene voorwerpen
nader mede by het gezigt zag komen,
duidelyker en grooter worden, begon
aanftonds op het uitvinden van eenen
Kyker te denken, die duizendmalen
vergrooten zou; en in der waarheid hy
vervaardigde hem, keek er door naar
den Starrenhemel, en ontdekte onver-
wagte niewigheden, vooral by de Pla-
neten, welke Venetien en Italiën niet al-
leen, maar geheel Europa in verwonde-
ringe bragten. Maar zoo de Holland.
fche uitvindinge den beroemden GALr-
LEUS niet was bekend geworden, en
hy er niet met opzet op ingedagt, ener
gevolgen uit getrokken had: wat zou de
Starrekundige Waereld, ten dien opzig-
te,
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI, 29
te, misfchien nog lange in de duister
nisfe hebben blyven zitten ?
Waarlyk „ indien men de Proefonder-
vindelyke Natuurkunde en hare Hiftorie
gelieft te doorloopen, zal men dit on-
gemeen bewaarheid vinden, dat de eer-
fte aanleg der Proefnemingen altoos zeer
gebrekkig was, en genoegzaam nergens
anders toe diende, dan om fchrandere
vernuften aanleidinge te geven tot het
verbeteren der Werktuigen, tot het wa-
gen van ‚nieuwe en allengskens naauw-
keuriger Proeven , tot het nader beoor-
deelen der Verfchynzelen en tot het ra=
den en gisfen naar derzelver Natuurlyke
Oorzäken., Wy zullen er eenige ftaalt-
jes van bybrengen.>
De burgemeester-v AN GUERICKE,
had,op den ryksdag teRegensburg, met’
zyne Lugtpomp eerst de Veerkragt der
ugt aangetoond ‚-en den Keizer, zoo
wel alsde Keurvorften, in verwonderin-
e opgetogen. Evenwel de-Uitzetbaar-
eid. en Samenkrimpinge van dit onzigt-
baar Element, werd alleen by Gevolg.
trekkinge, toen reeds, uit die Proefnemin=
gen. opgemaakt, BROYLE en naderhand
SENGWERD kregen er aan-en hand:
leidinge. door ,-om de gebreken. van
ij GUE-
30 Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
GUERICKE’s Lustpomp te verbete
ren, en de zeldzame veranderingen der
Zwaarte in het Ydel te vermerigvuldi-
gen, en teffens nader aan te-wyzen;
hoe de Lugt alle lichamen als doordringt
en bezielt, Zy trokken derhalven-ge-
volgen uit. hunne’ kunstgrepen; en zy
maakten „Algemeene ‘Regelen en-Wet-
ten, waar naar men. beflooc-en wilde ,
dat de Lugt hare werkzaamheden zou
blyven verrigten, … > 151dadaer
…_ Het Driekantig Kryftal vanden Rid-
der NEWTON, dat „en de fchiinge
eener Ligtítrale in alle de Regenboogs-
koleuren , en den onveranderlyken voort-
gang dier afgefcheidene;koleuren leven-
ig vertoont en betoogt, gaf van zelf
aanftonds de’ maniere aan de hand, op
welke men de Regenbogen en hare Ver-
fchynzels verklaren moet, Trouwens,
waar toe zouden tog alle de menigvul-
dige Proefnemingen vandien aard ge-
diend hebben, indien. zy daar niet toe
waren ingerigt. geweest „ om de Schoon-
heden der Natuur , welke voornament-
lyk inde fchakeeringe-der verfchillende
foorten van doorfchietende , gebrokene
en wedergekaatfte Zonneftralen beftaan,
eenigzints wertuigelyk, volgens de Proe-
AU ven
VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXIL. 31
ven vanhet Prisma, de Camera Obfcura,
de Schaduwen en Gezigtpunten, te
doen begrypen?
Voormaals weigerden fommige Na-
tuuronderzoekers volftrektelyk, dat er
eene fynere Vloeiftoffe dan de Lugt, in
onzen Dampkring aanwezig zou zyn:
zy hielden een waar Ydel ftaande, en
uit die ligtvaerdige Vooronderftellinge,
trokken zy gevolgen, welke zy niet noo-
dig hadden. Maar nu, federt hun de
Kletriciteit de oogen geopend heeft,
vinden zy wel degelyk eene zoodanige.
fynere ftoffe, welke de uitgepompte klok
vervult, en inde Lugtledige ruimte ver-
_bazende Verfchynzels voortbrengt, Zoo-
danige Proefnemingen leeren ons dan,
ten minften , dat de Natuur onuitputte-
lyk is, dat er nog oneindig fynere Ele-
menten en Vloeiftoffen in kunnen voor-
komen, dan die, welke men nog heden
kent, of immermeer wegens de zwak
heid van het gezigt ‚ zal kunnen ontdek-
ken. De Vooronderftellinge.-van ‘het
vlugge Zenuwvogt, dat men Levens-
geesten noemt, krygt door die Gevolg-
trekkinge eenen hoogeren. trap van
waarfchynelykheid : terwyl-alle de Stel:
zels, welke men, tot hier toe; ter opjord
chin-
32 j. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
fchinge van het gewigtig raadzel der
Voortteelinge, heeft uitgedagt, veel van
hare waarde verliezen ; om dat zy niet in
agt nemen de onmogelykheid, om, door
eene grove Inbeeldingskragt misleid,
vonnis te vellen over de eigenfchappen
van het Zaad, dat, tot byna in het on-
eindig fyne toe, een werktuigelyk be-
ftaan bezitten moet,
Men behoeft flegts den voortgang der
Kunften en Wetenfchappen , in de voor:
ledene en tegenwoordige eewe, naar te
gaan, om van de nuttigheid. der Gevolg.
trekkingen uit de Proeven en Ontdek-
kingen, die reeds gedaan waren , over-
tuigd te worden, HELMONT, BACO;
PARACELSUS en sYLVIUS, hebben
immers de Proefnemingen der Chymie
of Scheikunde ongemeen uitgebreid „en,
offchoon zy, zoo wel als hunne leerlin-
gen, doorgaansch wat al te voorbarig
in tGevolgtrekken waren, moet en mag
men egter- geenzints ontveinzen , -dat
Zy, ja de Alchymisten of. Goudzoekers
zelve, verbazende Verfchynzels hebben
waargenomen en bekend gemaakt ‚ wel-
ke ons nu menige verborgentheden der
Nature leeren kennen , en ook eenigzints
i op
VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXi. 33
op derzelver eigenfchappen;, gewrog:
ten en oorzaken doen denken; daar wy
misfchien anders geene gelegendheid toe
zouden gehad hebben. > |
„ Onder de Geneesheeren is deze waará
heid bekend , en openbaart zig nog da
gelyks: gelyk uit het werk van den Heer
SANDIFORT, dat in elks handen is;
blyken kan. Wy zullen, alleen met een
woord, van vroegere ontdekkingen fpres
ken. HARVEY, PECQUET, BARTHOS
LINUS, RUYSCH, ASELLIO;, BOREL-
Lus en anderen hebben, door middel
der Ontleedkunde, byzonderheden inde
huyshoudinge van het Dierlyk Lichaam
aangetroffen , welke zy „deels by Gevolg-
trekkinge uit HiPPOCRATES hadden
vermoed , deels door elkanderen in naar-
yver voorby te ftreven, op het voet-
fpoor, dat zy gemaakt vonden, gints
en herwaards omziende, onder weg, heb-
ben waargenomen en opgemerkt. In
diervoegen gaf het vermeerderen en her-
halen der Proefnemingen telkens ftoffe
tot nadere vermoedens van andere by-
zonderheden, aanfporinge tot het zoe-
ken van nieuwe ontdekkingen, en hand-
leidinge tot het beramen van nieuwe we-
Ek C OON gen
34 Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
gen en middelen, om de onpeilbare af
gronden der Nature op te delven, en %
geen tot nog toe onzigtbaar gebleven
was, ware ’t mogelyk, voor het oog der
wyzen bloot te leggen. Op dien voet
trok men doorgaansch zeer gelukkige
gevolgen uit de reeds gemaakte Waar-
nemingen en Proefondervindingen, ter
uitvorfchinge van de toen nog onbeken-
de oorzaken der Verfchynzelen , in de
Befpiegelende Geneeskunde, in welker be-
vorderinge het Menfchelyk Geflagt een
zeer groot belang moet ftellen, |
Wat de Befpiegelende Natuurkunde;
of, gelyk ik die liever noeme, de Na-
tuurkundige Wysgeerte (daar het, by
het oplosfchen der Voorgeftelde Vrage,
meest op aankoomt) in het byzonder
aanbetreft; deze heeft, by de Gevolg-
trekkinge, ongemeen veel velds gewon-
nen en groote fchatten aangewoekerd, -
SGRAVEZANDE, DESAGULIERS , MUS-
SCHENBROEK, LEIBNITZ, MAUPER-
TUIS, de EULERS, vader en zoon, en
menige andere Wiskunftenaars ; hoe
zeer zy zig ook tegen het voorbarig en
onvoorzigtig Gevolgtrekken der Inbeel-
dingskragt verzet hebben en aangekant;
Nas
VRAGE VOOR °TJAAR MDCCLXXIL. 35
namen egter de Waarnemingen en Proef.
ondervindingen, die zy gemaakt von-
den, voor Grondbeginzelen aan, waar
op zy hunne Geomertrifche en Algebrai-
Jche Berekeningen bepaalden: om zoo,
gemakshalven, de Natuuronderzoekers
gevolgen te leeren trekken , ter vast{tel-
linge van Algemeene Wetten en Rege-
len, welke men de Nature zelve zag in agt
nemen. Alle de deelen der zoogenaam-
de (Mathefis Mixta) Gemengde Wis:
kunde kunnen daar voorbeelden over
vloedig van aan de hand doen ; en inzon-
derheid de (Mechanica) Werktuigkunde:
die ook wederom, op hare beurt, onge-
meene voordeelen aan de Natuuronder-
zoekers belooft; voor zoo verre zy al:
toos het gebrekkige hunner befpiegelin-
gen en overdenkingen met nedrigheid
erkennen en belyden ; immers zoo lange
zy nog de Werktuigelyke Oorzaken
der Verfchynzelen, mitsgaders de magt
en vorm harer Werktuigelyke Gewrog-
ten niet eenigzints opfpeuren; of ten
minften met eenige zekerheid bemerken,
dat zy, in het uitvinden derzelve; al
lengskens nader en nader komen.
Wel is waar , (wy ontveinzen dit niet)
| C 2 DES:
36 Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
DESCARTES €En MALLEBRANCHE Zyn
te verre gegaan: zy hebben roekelooze
Vooronderftellingen gefmeed , DESCAR-
TES “inzonderheid, welke, ter ophelde-
ringe der ware Natuurkunde, daarom
niets dogten , om dat even die Vooron-
derftellingen onverftaanbaar bleven, en
meer voor verzonnene en verfierde Ver-
{chynzelen, dan voor Verklaringen van
aanwezige en waargenomene Verfchyn-
zelen te houden waren. Niettemin had-
den ook deze Vooronderftellingen hare
nuttigheid ; en die nuttigheid behouden _
zy nog, voor zoo verre zy in de Na-
tuurlyke Hiftorie van het Menfchelyk
Verftand eene plaats bekleeden moeten,
en ook voor zoo verre zy ons doen
zien, hoe de Redeneerkunde ligtelyk
mis kan vallen, in het beoordeelen der
vermoedelyke Oorzaken van de Natuur-
kundige Gebeurtenisfen : vooral indien
zy zig te veel toegeeft aan het woest en
wild beramen der denkbeelden, welke
eene fchrandere Inbeeldingskragt zig
voorftelt, als konden dezelve volftrekken
tot het verklaren van fommige voorval-
len der Natuurgefchiedenisfe. Ondertus-
fchen word het Vernuft en de Schran-
derheid, door zulke voorbarige Voor:
on
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 37
onderftellingen „ uitgeput, het Oordeel
word er door gekrenkt, en de Natuur-
onderzoeker is nu op zyne hoede, om
zig ;op die wyze, ten koste der waarheid,
niet langer te laten misleiden Met fchade
en fchande leert men voorzigtig worden.
De Baron van LEIBNITZ, BERNOU-
ILLI, WOLF en menige andere voorna-
me Wysgeeren, die uit de fchole van
den vermaarden worLrF zyn voortgeko-
men, hebben de Redeneer- en Wiskun-
de beiden te baat genomen, om uit de
Waarnemingen en Proefondervindingen,
niet flegts onmiddelyke, maar ook ver-
der afgeleide Gevolgen te trekken, \Die
wyze van doen zou mogelyk, gelyk in
% eerst (want alles heeft zyne mode) by
vervolg van tyd zyn doorgedrongen en
in {tand gebleven, was men niet in zy-
nen yver wat te driftig voortgevaren , om
van alles (Sy/logismen) Sluitredenen toe
te ftellen ; en had zulks maar geene ver-
traginge veroorzaakt, in het deorzetten
der Proeven en Waarnemingen. Daar-
enboven was er iet ftroefs en langdradigs
in die manier van onderwyzen., Men
zogt dit wel wat te verhelpen, door er
eenen bevalligen bie aan te geven, en
de
38 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
de Bovennatuurkunde, in hare aange-
naamheid en bevalligheid, met de ver-
fierfelen der Dichtkunst en Welfpre-
kenheid opgefchikt, ten tooneele te voe-
ren ; gelyk nog onlangs de Heer pe
MERIAN, te Berlyn, gedaan heeft: en
het ontbrak ook niet aan bekwame man-
nen, die ontegenzeggelyk betoogden,
dat die zelfde Bovennatuurkunde, zoo
als die van de Logifche Anduttie gebaard
is en opgekweekt, en dat wel, by Alge-
meene Gevolgtrekkinge, voornamentlyk
uit de Befchouwinge der Nature ont-
leend, ook, op hare beurt, Waarheden
en Stokregelen aan de hand geeft, wel-
ke men in een geregeld onderzoek der
Nature, zekerheids- en _gemakshalven
teffens, onmogelyk misfchen kan, Ja
maar! eenige landaarden waren toen „200
*fchynt, nog niet wel vatbaar en ryp
voor die verhevene en afgetrokkene Be-
{piegelingen, of, gelyk de doorlugtige
WOLF die noemde,voor dieRedenkundige
Bedenkingen. Er moest eerst een BONNET
opftaan, die der Leibnitiaanfche W ys-
geerte een nieuw leven, eenen bevalligen
zwier en eene verrukkelyke agtbaarheid
byzette. Alles heeft zynen beftemden
tyd, En nu zal mogelyk de abd
aat-
VRAGE VOOR °T JAAR MDOCLXXIL, 30
Maatfchappy der Wetenfchappen eeni-
ge kans zien, om de ware en gezuiverde
Redeneerkunde, die anders zoo deerlyk
verwaarloosd word, ja dikwerf befpot
en uitgejouwd, voor het bestgeflepen
Vergrootglas, voor de keurigfte Lugt-
pomp en de volmaaktfte Zledrifche Ma-
chine, niet langer te laten onderdoen,
maar dezelve in hare oude eere en voor-
regten te herftellen, ‘Ten minften, die
bekorelyke Schoone, welke ons wyzer
maakt dan het gedierte des velds, zal
niet langer, door het beftel van zooge-
naamde Philofophen, in een ferrail bly-
‚ven opgefloten ; nu er de eerfte vernuf-
ten dezer verligte Eeuwe ftoutmoedig
voor uit durven komen, en beweeren,
dat zy hetis, en zy alleen, die, fin haar
kabinet, de voornaamfte ontwerpen
heeft helpen fmeeden , om de kunst van
Waarnemen en Natuurkundige Proeven
te doen tot die volmaaktheid brengen,
welke zy thans bereikt: ja! dat zy die
zelve uit haren fchoot heeft voortge-
bragt, en, gedurende derzelver jongfte
teederheid , met hare borften gezoogd
heeft, |
Ik weet zeer wel, dat de Zintuigen
C 4 de-
40 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
dezen voorrang aan de Redeneer- en
Bovennatuurkunde betwisten. Zy zelve
matigen zig dien voorrang aan, en zy
zouden zig gaarne alleen het regt voor-
behouden, om het fchouwtooneel der
Nature te befpiegelen, Zy fchynen te
vreezen, dat haar de veel edeler Ziels-
vermogens in de eere aantasten, en-den
Íchepter, als ware, van het Koning-
ryk der Nature, willen ontwringen.
Dwaze vermetelheid! Begrypen zy
dan niet, dat zy zelve. geene Zintuigen
waren, zoo zig het Verftand en Oordeel
niet verwaerdigden, om hen als werk-
tuigen, alseene handfpeek , weegfchaal,
hairbuisjes en diergelyken, in het Waar-
nemen en doen van Proeven, te gebruis
ken? Blyft dan het oog nog oog, het
oor nog oor, en zoo voorts, na dat de
betrekkelyke vermogens der ziele op die
werktuigen zyn uitgedoofd? % Is immers
de Ziele, die kykt, opmerkt, waar-
neemt: zy is het, die alleen luistert,
kykt, ruikt, tast en maakt. Het oog;
by voorbeeld, is zonder de willekeurige
opmerkzaamheid des gemoeds, hoe kun-
{lig ook door den grooten Werkmeester
toegefteld, met eerbied gefproken, niet
ongelyk aan het voortreffelyk Micros
Jcoop
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL. 41
Jeoop vanden Heer DELLEBARRE, in
de handen van eenen blindeman, Onze
zielen daarenboven kyken of luisteren
nimmermeer , zonder min of meer haar
oordeel te gebruiken, zonder over den
aard der Verfchynzelen, over de Oor-
zaken der Zintuigelyke Aandoeningen,
eenig vonnis te vellen, Wieis er onder
alle de Philofophen en Godgeleerden,
die my het juist oogenblik beperken zal,
wanneer de eenvoudige voorftellinge en
Befchouwinge overgaat tot het gevolg-
trekken? % Oordeel is misfchien ruim
zoo vroegtydig in de weer, als de Op-
merkzaamheid. Ja! de Schranderheid
zelve, die aanftonds op Analogien denkt,
(en wel zoo veel te vlugger en fpoediger,
als de Ervarenisfe meer Waar-en Proef-
nemingen by de werk heeft) kan er on-
mogelyk van tusfchen, om het Oordeel
en de Redeneerkunde in haar belang te
nemen ; ten einde die haar de behulpza-
me hand bieden, om , met meer beleid , in
het uitvinden der Analogien en Overeen-
komften der Wezens, en ‚met meer ze-
kerheid, in het goedkeuren en vastftellen
derzelve te werk te gaan. By gevolg
zetten de Proefondervindingen en Waar-
nemingen, hoe fraijer en hoe vrugtbaar-
CG 5 der
42 Js VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
der die zyn, der Schranderheid een
vuur en eene drift by, die noit wordt uit-
gebluscht , maar door de Voorzigtigheid
en Bedagtzaamheid moet beteugeld en
beftuurd worden. Weg met alle die
wysneuzen, welke eenen Philofooph
zouden willen dwingen, om eene der
beste en levendigfte kragten van zyne
ziele te verminken, of te ontzenuwen !
De Heer CARRARD, wiens Verhan-
deling over de Kunst van Waarnemen,
onlangs den Gulden Eerenprys, te Haar-
lem , heeft weggedragen , geeft hier en
daar duidelyke bewyzen op, van de on:
genoegzaamheid der Proef- en W aarne-
mingen , ten zy er zig de Redeneerkun-
de op vestige, om er Gevolgen uit te
halen, ter uitvorfchinge der Oorzaken
en ter aanwyzinge van Wegen, welke
de wyze Natuur, of liever het Oneindig
Vernuft van den Schepper inflaat, in
het verwekken van vele gelykfoortige
Verfchynzelen. Wy zullen er een en-
kel voorbeeld hier van aanvoeren, en
niet meer, om dat het Gekroond Ant-
woord van den Heer CARRARD in ie-
ders handen is, De Heer FERREIN)
zegt hy, willende het beflaan. a
er
VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXII, 43
der Waterflagaderen, *tgeen de groote
BOERHAVE gegist had, zonder bet te kun-
nen bewyzen, dacht, dat , zoo zy werkelyk
beftonden , by zulks gemakkelykst zou kun-
nen toonen op de Uvea, die naar het zwart
trekt,en by flaagde inderdaad ‚naar wensch,
Dit bevestigt, zoo vaart hy voort, het
geen wy reeds gezegd hebben , dat men zig
wel wagten moet, van het beflaan wan ze-
kere deelen of vaten , die men reden beeft
om te gisfen, dat er zyn, te loochenen,
zoodra men ze niet heeft kunnen ontdekken.
Vervolgens (want ik voele, dat deze
Verhandelinge onder de hand te wyd-
loopig zou worden) indien het altoos het
voornaam doelwit van eenen W ysgeer
zyn moet, zal hem die eertitel pasfen ,
om de aaneenfchakelinge der Oorzaken
en Gewrogten uit te vinden, ter ver-
heerlykinge van de W ysheid des Hemel-
fchen Kunftenaars; zoo is het ook dien-
zelfden- Wysgeer niet geoorloofd, by
de Waar- en Proefnemingen, die reeds
gemaakt zyn, te berusten : neen! hy is
verpligt verder door te denken, vooral
dan, wanneer er hem de W aarnemin-
gen en Proefondervindingen genoegza-
me gelegenheid toe verfchaffen; en hy
Us,
44 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
dus, als ’ ware, gedrongen en gedwons
gen word, om Algemeene Regelen te
maken , welke hem onbegrypelyken
fpoed en vaart in alle zyne Natuurkun-
ige ondernemingen byzetten , hem ve-
le onnoodige herhalingen van Proeven
en Waarnemingen fparen, hem uit den
dut en de mymeringe helpen, en eindelyk
brengen tot die Regelen, welke de Na-
tuur zelve voorfchryft. Uit deze ver-
pligtinge ontítond , onder anderen, de
bekende Regel van den Ridder NE w-
TON, dat witwerkzebs van het zelfde flag
tot dezelfde Oorzaken moeten gebragt
worden, De Heer CARRARD noemt de-
zen Regel, met regt, eenen Gewigtigen
Regel, die het Verfland weel helpt, omtot
Algemeener Verfchynzels op te klimmen,
welke de fleutels zyn wan werfcheidene an-
deren, en om de feiten, die men waar-
neemt , onder zekere hoofden te brengen,
Laat ik er nog bydoen, dat de Schran-
derheid , die altoos .Analogien zoekt , de-
zen Regel, van overlang , heeft uitgevon=
den, en dat het naauwkeurig oordeel
van NEWTON denzelven, door zyn
gezag, onder de Natuuronderzoekers in
gebruik gebragt heeft, om dat de Bevin-
dinge hem deszelfs nuttigheid en nood-
Za
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 45
zakelykheid had aangewezen, in het be-
ramen en befchaven zyner Natuurwet«
ten. De Redeneerkunde heeft hier hare
taak, om het Oordeel te beteugelen,
dat hetzelve niet te voorbarig befluite,
ter bepalinge van de Gelykfoortigheid
der Uitwerkzels: zy moet het verband
der Gewrogten ‘en Oorzaken betogen:
zy moet het Toevallige van het Eigen-
aardige onderfcheiden : zy moet beflis-
fen , of niet misfchien twee, drie, ja me-
nigvuldige Oorzaken famenloopen, tot
het verwekken van een Verfchynzel:
eindelyk , zy moet ontwikkelen, wat
deze en die Oorzaken onderfcheidentlyk
toebragten tot het teelen , voldragen en
baren eener Natuurgebeurtenisfe—
Waarlyk het zou er flegt met de
Zintuigen uitzien, indien het Verftand
dezelve niet beftuurde. Sedert dat de
Heer CHESELDEN, zynen herftelden
blindeman heeft hooren verzekeren , dat
hem onmiddelyk, na dat hy begon te
zien, de beelden der voorwerpen naby
en als binnen het oog, en wel het on-
derfte boven vertoonden, gelyk ook
met de Camera Obftura, welke zig in
ons Gezigt bevind, volkomen famen-
ftemt;
46 Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
ftemt ; zoo mag men wel vry en vrank
elooven, dat indedaad, fchoon men
et juist niet opmerke , in alle de Waar-
en Proefnemingen;, die men doet, iets
oordeelkundigs of willekeurigs doorflaat ;
iets heerscht, dat by gevolgtrekkinge
zig overhaast, in het regelen en bepalen
van den aard onzer ontdekkingen.
De Mensch is een Gemengd Wet
zen, un Etre Mixte: (zoo noemt hem
de Heer BONNET) en waarlyk, by al:
le vernuftige daden van den fterveling,
vind men zoo veele bewyzen van in-
mengzelen der werkzaamheden van zie.
le en van lichaam, dat de W ysgeer
nog geboren zal moeten worden, die de
juiste uiteindens , daar zig het Zutomati-
Jche fcheid van het Vrywillige en Ver-
nuftige, zal kunnen aantoonen; Gevol-
gente trekken, zoo, van agteren , uit de
Ondervindinge en gemaakte Ontdekkin-
gen, als, by vooruitzigt, ter inftellinge en
befturinge van verdere Waarnemingen;
is eenen iegelyken aangeboren, van den
lompften flaaf af, tot den befchaafften
en doordringenften Wysgeer toe, Het
opeenftapelen van Enthymemata heeft
de boer gemeen met den edelman, de
koster met den aartsbisfchop. W y zien;
Wy,
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 4
wy hooren niets, of het komt ons voor;
niet in het afgetrokkene, maar in zyne
omftandigheden en toevalligheden , zoo
voorgaande, tegenwoordige als toeko-
mende, Men gist, men vermoed , men
raad, men voorfpelt, eer men er zig op
toelegt. Ja daar is, als ’t ware, eene
onvermydelyke neiginge des gemoeds,
om meer op te merken, uit het geen
zig aan onze Zintuigen opdoet, dan de
bloote befchouwinge fchildert in den
fpiegel van ons Verítand, Zou men der-
halven die aangeboreneK unstdrift, in wel-
ker keurigheid en verhevenheid wy bo=
ven de overige dieren uitmunten, en dien
wy vry en eigenaardig altoos gebruiken,
juist alleen in eenen Natuuronderzoeker
moeten dempen en verftikken? en hem,
in Zyne onfchuldige en Godverheerly-
kende bezigheid, die vernuftige Gevolg-
trekkingen benyden of misduiden, wel-
ke hy, onder het Waarnemen en by het
herdenken zyner gemaakte Ontdekkin-
en, onmogelyk, zonder zyne menfche-
yke natuur te verzaken, nalaten en ver:
zuimen kan? Neen! want, in weerwil
van alle eigenzinnigheid, zal hy zelf,
die mogelyk het eerfte lid der Vrage
gaarne ontkend en wederlegd zou zien,
CVEN
48 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
even op dat zelfde oogenblik, als hy
daar naar hunkert, Gevolgen trekken
uit het vermoedelyk beantwoorden dier
Vrage, en dus Vooronderftellingen ma-
ken en Gevolgelyke Befluiten van Re-
denkavelingen vormen, welke hy in an-
deren niet dulden wil,
Ja maar, dit is ’* nog niet al! Een
doorgeleerd en ervaren Philofooph kan
de Kunstdrift van Gevolgtrekken, ter
ophelderinge der Natuurwonderen veel
minder verloochenen, dan iemand, die
nimmer iets met opzet waarnam, of
van eenige Proefnemingenlas, of hoorde,
Trouwens hy ziet de Myten, Polypen
en menige andere, voor het bloot oog
onzigtbare, levendige fchepzels door zyn
Vergrootglas: hy neemt de paringe
waar der Znfe&en, hunne eijeren, her-
fcheppinge en de zonderlinge vernieuw-
de uitgroeijinge van de geknotte leden
der Slakken en Salamanders: en zoo
befluit hy, dat alle deze Verfchynzelen
regelmatige gewrogten zyn van kunftig-
gewerktuigde wezens: verder, dat er
geenerley leven of geboorte uit de Ver-
rottinge te wagten is, gelyk de Aloud-
heid droomde: en eindelyk, dat al en
e
VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXT. 49
de Onkunde en Bygeloovigheid; in zoo=
danige veelvuldige betrekkingen, had
vastgefteld, als zoo vele verdigtzels en
beuzelingen, tegen de veelvuldige W ys«
heid van den grooten Schepper aan:
druisfchen. Elke Proeve, elke Waar-
neminge , zoo dikwerf zelfs, als die her=
haald word , dwingt hem op nieuw, om
dieper in te denken en verder voor uit
te zien, De geleerde nieuwspapieren en
jaarboeken der Letterkunde moedigen
hem desgelyks aan, om, op het geluk-
kig en roemrugtig voetfpoor van anderen,
nieuwe verborgentheden te vermoeden ;
en naar onbekende uitkoomften om te
zien. Hy word bygevolg een Natuur-
kundig Propheet, dagelyks meer en
meer overtuigd van de onfeilbaarheid
zyner voorfpellingen ; en de vervullinge
bedriegt hem niet. Zoo word hy dan
ook allengskens vrypostiger, ftouter in
het beramen der Gevolgen, en hy durft
zig onderwinden, om op de aaneenfcha-
kelinge zyner redenkavelingen ftaat te
maken ; offchoon die zig, ten laatften, in
het denkbeeldige en Overnatuurkundige
fchynen te verliezen,
De ontzaggelyke Verhevelingen; wel-
D ke
SO JL VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
ke zig aan de Lugt vertóonen , het Noor-
derligt, de Byzonnen, het kruys van
Conftantyn, de zoogenaamde Vallende
Sterren, de driedubbelde Regenboogs-
fpiegel, welken de Heeren DON JUAN
en ULLOA; by Quito, onder den Eve-
naar gezien hebben, en alle foortgelyke
ontoegankelyke Natuurwonderen, per-
fen, noodzaken onzen Wysgeer, om
zig zelven af te vragen: welke zyn toch
de vermoedelyke Oorzaken dier teeke-
nen en zeldfaamheden? Hy fpeurt de
Bletriciteit van WINKLER en FRAN-
_KLIN, de Arritabiliteit van HALLER
naar, en mompelt wel haast in zyn bin-
tienfte: o! hoe gelukkig zou ik my re-
kenen, dat ik deze onbegrypelyke Ge-
wrogten verklaren kon! wat zou my dat
bevoorregten, en buiten twyffel gewig-
tige nieuwigheden doen uitvinden! De
Zeilfteen, de Miswyzinge der Compas-
naalde, de Pasfaatwinden, de Ebbe en
Vloed, de verfchillende Zwaarte en
Veerkragt van de Lugt, blyven even
zoo vele Waarnemingen , daar men ftaat
Op maken kan, en van welke egter de
Werktuigelyke Oorzaken niet ligtelyk
te ontdekken zyn; fchoon zy nogtans
ons genoegzaam fchynen te beduiden,
dat |
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXú, Si
dat het alleen aan ons oordeel, aan on-
ze verflaauwinge in het onderzoeken en
doorzoeken der Natuurgeheimen ha-
pert; dat wy nog op geenen vaster voet
van alle die dingen eene genoegzaam
voldoende verklaringe kunnen geven,
De opperfte Tuigwerkmeester, de He-
melfche Wysgeer, indien men den
Schepper met allen eerbied zoo noemen
mag, doet oneindig vele Proefnemingen
alle uren voor onze oogen, daar NOL
LET, het Bataafsch Genootfchap en de
geheele Philofophifche waereld, als on-
bedrevene leerlingen , by te kyken ftaan,
zonder iets van den aanleg dier Proef.
nemingen te bezeffen. Maar, ailievef
Saven DESAGULIERS , MUSSCHENBROEK
en NOLLET wel oit Proetondervindelyke
lesfen, als met dat gegrond vertrouwen,
dat er hunne toehoorders de Natuur
door zouden leeren kennen, en de ge-
dane Proefnemingen, by wettige Gevolg-
trekkingen, op de uitlegginge der Ver-
fchynzelen toepasfen? En hoe zou dan
de noit volprezene Uitvinder en Voort-
brenger van al het Gefchapene dulden
kunnen , dat de Mensch, dien hy op het
fchouwtooneel dezes Aardkloots heeft
neergezet, zwarigheid maakte, om tot
2 den
52 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
den bepaalden invloed der Tweede Oor-
zaken, by voorraad, en eindelyk, op
eene voorzigtige en oordeelkundige wy-
ze, tot de oneindige Wetenfchap en
Almagt van den Opperkunftenaar op te
klimmen?
Indedaad een Natuuronderzoeker
word hier inzonderheid toe geroepen:
dit is zyne post. Niets mag hy onbe-
zogt laten, om de nog onbekende Oor-
zaken der Verfchynzelen uit te vors-
fchen: anderszints verheerlykt hy de
Hemelfche W ysheid met al zyn vermo-
gen niet: anderzints fchiet hy te kort
in de liefde jegens den evenmensch, die
immers, hoe duidelyker hy de Oorza-
ken der Verfchynzelen leert begrypen,
hoe beter hy in {taat geraakt, om der
Opperfte W ysheid lof en eere te geven,
en zig in het befpiegelen zyner zielver-
rukkende wonderen te verlustigen, Een
vermaak voorwaar! daar het genoegen
van een koningryk onafhangelyk te be-
zitten , voor ftryken moet : een vermaak,
daar de grootfte Vorften van Europa,
meer welbehagen en geneugte in vinden,
dan in al den luister hunner heerlyk-
heid! Een vermaak, daar de Engelen
en Hemellingen in wegfmelten dr
ust,
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI. 53
lust, en dat ons eenigermate begrypen
doet, wat het te zeggen zy, als onshet
Euangelie belooft, dat eens het hoogfte
goed, de volmaakte zaligheid daar in
beftaan zal, dat men God aanfchouwen
en kennen zal, gelyk hy is,
Maar mogelyk zou men zig verbeel-
den, dat myne aanmerkingen en drang-
bewyzen eene windrige wetenfchap kon-
den leeren: dat kleine armhartige Philo-
foophjes, daar door het oor volgeblazen ,
ligtelyk aan *tongeftuimig en wild gis-
fen, ja aan ’tfmeden van allerleye yde-
le Stelzels- zouden vallen; en dus een
misfelyk mengelmoes van hersfenfchim-
men en waarheden opdisfchen , om den
weetgierigen te bedodden en de ware
„Natuurkunde te bederven. …Edog, om
deze zwarigheid uit den weg te ruimen,
moet ik, hier ter plaatze, tot lof der :
doorlugtige Vlisfingfche Societeit, aan-
„merken, dat zy zelve, in hare Vrage,
zorge gedragen heeft, dat er zulke losfe
en woeste Gevolgen niet zullen afgeleid
„worden, immers voor goede Gevolg-
trekkingen der Natuurkennisfe niet zul-
len aangenomen worden, of als dusda-
nigen den eenvoudigen in de handen ge-
3 . ftopt,
54 Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
ftopt; door eene voorzigtige bepalinge
van de bronaders der Gevolgtrekkingen,
welke zy in het oog had, op te geven,
waarfchynelyk ten einde men zoodanige
eene tegenwerpinge tegen het Vraagftuk
zelve niet zou kunnen maken, Die
bronaders zyn daar alleen, met uit{lui-
tinge van alle de overigen, de reeds ge-
maakte Waarnemingen en Proefondervin-
dingen. Want zoo luid de Vrage, op
dat wy dit hier, duidelykheidshalven ,
herhalen: Mag een Natuuronderzoeker
uit de reeds gemaakte waarnemingen en
proefondervindingen werdere gevolgen
trekken ter uitvorfchinge van de nog on-
bekende oorzaken der werfchynzelen? Het
loffelyk Genootfchap derhalven laat het
nog onbeflist, of de Bovennatuurkunde
en het Afgetrokkene Denkbeeldige ins-
gelyks zou mogen te baat genomen wor-
den, ter uitvorfchinge van de nog on-
bekende Oorzaken der Verfchynzelen;
en misfchien ligt er in de opgenoemde
‘bepalinge van het Vraagftuk wel eene
ingewikkelde verfmadinge opgefloten
van alle Voorondertftellingen , die door
geene Waar- en Proefnemingen behoor-
Îyk bevestigd zyn, |
Althans wy behoeven ons over en
u
VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXIL 55
{luk voor tegenwoordig niet te bekom-
meren : aangezien een oppervlakkig
naamwysgeer glad en gaar buiten ftaat
is, en onbekwaam, om de gemaakte
Waarnemingen en Proefondervindin-
gen, welke hy niet kent, of naar te doen,
of, by het Gevolgtrekken , te baat te ne-
men, Want het Genootfchap fchynt
my toe, zeer wel te begrypen, dat hy,
die tot het uitvorsfchen van de nog on-
bekende Oorzaken der Verfchynzelen
zal overgaan, vooraf ten minften de Hi-
{torie van alle de reeds gemaakte en her-
haalde Waar- en Proefnemingen zig
moet kunnen vertegenwoordigen: met
een dubbel oogmerk; en om te zien,
hoe verre men ‘tin de in de verklaringe
van dit of dat Verfchynzel, voor hem,
reeds gebragt had; en teffens, op dat
hy zelf geene vergeeffche moeite doe,
maar liever den korften en gemakkelyk-
flen weg inflaa, om, uit den voorraad.
van reeds gedane ontdekkingen en Ge-
volgtrekkingen, uit dezelve wettig afge-
leid , is het noodig en doenelyk, verde-
re Gevolgen te halen, ter verbeteringe
der Natuurbefchouwinge.
Een voornaam voorbeeld zal ligt over
deze myne aanmerkinge kunnen ver-
D fprei-
56 jJ. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
fpreiden, ’tIs den Geleerden alomme
bekend, hoe de lengte van den Secon-
deflinger , var. den Noordpool naar de
Evennagtlyn toe, allengskens, by de
verminderinge der breedte der plaatzen,
op welke men denzelven waarneemt,
vermindert; zal hy overal zyne enkele
fchommelingen binnen eene fecunde be-
palen. Ook weet een iegelyk, dat men
uit de naauwkeurige Waarnemingen,
daarop in de verfchillende Noorder-
breedtens gemaakt, de Knolronde ge-
daante des Aardbols befloten heeft,
Insgelyks is het rugtbaar genoeg, hoe
men zig in Frankryk op het meten van
eenen Graad Breedte heeft toegelegd ‚en
hoe dit vervolgens ook, betrekkelyk tot
de Pool en Evennagtlyn , door de Fran-
{che en Spaanfche Wiskunftenaars, en
eindelyk ook door den Abt DE LA CAILLE,
aan de Kaap de Goede Hoop,is gefchied,
De namen van PICARD, de L’ISLE, CAS-
SINI DE THURY, MAUPERTUIS, CAMUS;
BOUGUER, de LA CONDAMINE, Don
JAN en ULLOA, zyn door die gewigtige
waarnemingen aan de onfterfelykheid
toegewyd, Men kan er een beknopt be-
rigt van vinden by den Heer LULOFS,
in zyne Zuleidinge tot gene ad
(s3
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL, 57
Wiskundige Befchouwinge des Aardkloots.
Wanneer men nu uit deze W aarnemin-
gen Gevolgen trekt, ter bevestiginge
van de vermoedelyke Knolronde Ge-
daante der Aarde, en zelfs het verfchil
van de Graden der Lengte, met dat uit-
zigt, heeft te baat genomen, zoo fchynt
het ten minften te blyken, dat men er
uit zynen eigenen koker niets by ver-
zonnen, maar alleenelyk uit de aller-
netfte waarnemingen geredeneerd en
Wiskunftige Berekeningen verordend
heeft, Anderszints is het niet te den-
ken, dat de Heer LuLorFs, die Waar-
nemingen onwrikbare bewyzen woor de
Knolronde Gedaante genoemd zou heb-
ben. Evenwel indien iemand beftond,
om uit de Middelpuntvliedende kragt
der Grootere Cirkels, onder de Ver-
zengde Lugtítreek, of uit de meerdere
Aantrekkingen van Zon en Mane tus-
fchen de Keerkringen, te redeneren, ter
bepalinge van die zelfde Knolronde Ge-
daante, niet alleen der Aarde, maar ook
der andere Planeten, die om hunnen as
wentelen; zoo zou men aan de gezegde
voorzorge van het Zeeuwsch Genoot-
fchap, om uit de Waarnemingen en
Proefondervindingen alleen Gevolgen te
D5': sreká
58 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
srekken, ter uiiworfchinge van de nog on-
bekende Oorzaken der Verfchynzelen,
eenzints voldoen : ten zy men teffens
et verfchil der Middelpuntvliedende
Kragt en van de onderfcheidene Aan-
trekkingen , door ontegenzeggelyke
Waarnemingen, bevestigde; en eene
grondige kennisfe had van alle de Waar-
nemingen, welke daaromtrend, gelyk
wy zoo even verhaalden, met ongeloof-
felyke moeite en kosten , door anderen,
voor ons, over dat onderwerp gedaaan
zyn, en ook met alle bedenkelyke om-
zigtigheid, den trap van naauwkeurig-
heid, waar toe foortgelyke en vooral
deze Waarnemingen en Proeven hebben
kunnen gebragt worden , in overweginge
nam, Want een verbazende toeftel van
Geometrifche Figuren en Algebraïfche
Ontcyfferingen moet, in zoodanige gee
vallen, niemand verbysteren en ligtgelo-
vig maken, even of alles eene Mathe-
matifche Waarheid ware, dat met Ma-
thematifche vertooningen, die dikwyls
denkbeeldig zyn, en op Vooronderftel-
lingen doelen , is opgetooid,
_ De Zledriciteit, om ook nog eenige
Proefondervindingen ten tooneele te voe-
hd ren,
VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXIL 59
ren, mag men met geen wysgeerig oog
ter nadere Gevolgtrekkinge befchou-
wen, en er de Oorzaken “van uitvor-
fchen, indien ik de wyze bepalinge van
de Zeeuwfche Maatfchappy wel begre«
pen hebbe, of men moet vooraf alles
by de werk hebben gehaald, wat, ter
ftavinge en ophelderinge van dat won-
derbaar Verfchynzel, in de fcholen der
Proefondervindelyke Natuurkunde,reeds
vertoond en betoogd ís. GUERICKE;
HAUKSBEE , MUSSCHENBROEK , CUNZUS ;
DOPPELMEYER ,KRATZENSTEIN ; ZEPINUS;,
WINKLER, NOLLET en verfcheidene an-
deren, zoo kunstbazen en hoogleeraars!,
als omzwervende kunftenaars, hebben,
door geheel Europa, dan hier dan daar,
elk al het een en het ander, nu en dan,
bygebragt, ter uitbreidinge , verfraijinge
en verbeteringe der Eleêtrifche Proefne-
mingen. Men vind eene nette opgave
vanaì, wat er, tot op 1746 daaromtrend
was uitgevonden, in eene Verhandelin-
ge van den Heer Profesfor ALLAMAND,
gezonden aan den Heer FOLKES: ins-
gelyks op het einde der Natuurkundige
Lesfen van den Abt NorLET, onlangs
in 1969 uit het Fransch vertaald, te
Amftterdam uitgegeven, en Ed
CIh s
6o J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
heid, ín de laatfte uitgave der Zntroduc-
_vioad Philofopbiam Naturalem, van den
waereldberoemden MUSSCHENBROEK,
Lugd. Bar. 1762 ; daar men ook de late-
re ontdekkingen ín aantreft, welke fe-
dert nog merkelyk vermeerderd en bex
vestigd zyn. Waarlyk, elk nieuw Ver-
fchynzel, dat zig in die Proefnemingen
openbaart, word, als * ware, een nieuw
middel ter uitvorfchinge van de Eigen-
fchappen der Zle@rifche Stoffe: en, ’t
fpreekt van zelf, hoe zekerder men
‘word van het aanwezen en den waren
aard dier Eigenfchappen, hoe gewisfer
men voort kan gaan in het beramen van
de Natuur en Werkingen dier Stoffe;
om zoo eindelyk tot de Werktuigelyke
geeeorzakige dier Verfchynzelen te be-
uiten,
Om kort te gaan, en een einde te ma-
ken myner beantwoordinge, op het eer-
fte lid der voorgeftelde Vrage, laat eene
en dezelfde Proefneminge, nog zoo dik-
wyls herhaald en naargebootst worden,
zy zal luttel baten, ter verbeteringe
der Natuurkunde; maar wanneer ver-
fchillende Proefnemingen, op het zelfde
onderwerp in getal toenemen, dan a
ert
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI. Ór
kert de Natuuronderzoeker zoo vele be-
ginzelen en zetregelen van Gevolgtrek-
kinge, ter nadere ontdekkinge der we-
gen, welke de oneindige W ysheid van
den Schepper inflaat, om de Oorzaken
en Gewrogten, op de allerkunftigfte en
gevoeggelykfte wyze, ter bereikinge ha-
rer aanbiddelyke oogmerken , te fchake-
len. Eindelyk eene Vooronderftellinge „
die honderd verfchillende Verfchynze-
len, op eene ongedwongene, verftaan-
bare, en dus aannemelyke manier, alle
te gelyk verklaart, behoeft niet langer
voor eene loutere Vooronderftellinge te
worden aangezien : o neen! want zy
blyft geen Verzinfel, dat zy misfchien,
by hare eerfte uitvindinge, was; maar
word eene Meer- dan- Waarfchynelyke
Stellinge, en die Stellinge klimt en ftygt
in geloofwaardigheid, naar mate men
zig bevlytigt, om haar met nog meer
onderfcheidene Proefondervindingen en
Waarnemingen te bekragtigen. Indien
men dit zoo. niet begrypen wil, zie ik
geene kans, om een eenig Natuurkun-
dig Theorema voor den dag te brengen;
en ik geloove niet, dat men de Natuur-
kunde alleen zou willen aanzien, voor
gene famenfchakelinge van Aroblamarg.
: 9)
62 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
of Vraagftukken , die altoos onbeants
woord moeten blyvens
Ziet daar myne bewyzen, voor het
toeftemmend Antwoord, op de Vrage
„van het Zeeuwsch Genootfchap der
Wetenfchappen, en, by Gevolgtrek-
kinge, deze Stellinge: JA! EEN NA-
“TUURONDERZOEKER MAG UIT DE REEDS
GEMAAKTE WAARNEMINGEN EN PROEF-
ONDERVINDINGEN VERDERE GEVOLGEN
TREKKEN, TER UITVORSCHINGE VAN DE
NOCH ONBEKENDE OORZAKEN DER VER-
SCHY NSELEN.
IL
Thans zal het er op aankomen, dat
wy de mate voorfchryven en het perk,
binnen welke de Natuurkundige Gevolg-
trekkingen moeten gehouden worden:
aangezien zy, zonder die voorzorge;
ligtelyk zouden uitfpatten, verwarringe
veroorzaken, en de Natuurkunde met
een fchandelyk blanketzel van ver-
digtzelen opfmukken; waar door hare
eigene fchoonheid en bekorelykheid,
magtig benadeeld zou worden, ‘Hoe
ver.
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL, 63
verre, vraagt het Zeeuwsch Genoot-
fchap wyders, hoe verre mag men daar
in voortgaan? dat is hoe werre mag men
de Gevolgtrekkingen, uit de reeds gernaak-
te Waarnemingen en Proefondervindin-
gen ontleend, uitftrekken , ter uitvorfchin-
ge van de nog onbekende Oorzaken der
Verfchynzelen? Wanneer ik dit gedeel
te der Vrage rypelyk overwege, dunkt
my ‚dat men er, in eens, volledig op ant-
woorden kan, door te zeggen en ftaan-
de te houden, dat men die Gevolgtrek-
kingen, vooreerst ten minften, niet ver«
der mag doorzetten, als, voor zoo ver-
re die onmiddelyk, uit de reeds gemaak-
te Waar- en Proefnemingen voortvloei-
jen, zonder eenigen fprong te maken,
of voorbarig in het befluiten te zyn.
DESCARTES liep veel te wyd vooruit,
toen hy met zyne Draaikolken ten voor-
fchyn kwam, en menig Wysgeer en
Wiskunftenaar is bedrogen uitgevallen,
met zyne Eironde Gedaante des Aard-
kloots. De Heer BASTER vermoed, op
het voorbeeld van den vermaarden RE-
‘AUMUR, datmen een nieuw en onbekend
Zintuig in de Sprieten der Infecten zoe-
ken moet, daar men er te voren het
Gehoor of de Reuk aanhad ree
aar:
Ó4 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
Maar wie weet, of men ditteeniger tyd
niet gansch anders bevinden zal, en of
het niet eens eene uitgemaakte zaak zal
worden, dat er, behalven %t Gevoel,
niets van het Zintuigelyke in die Sprie-
ten fchuilt, en dat zy voornamentlyk
tot fieraad aan de Vlinders en andere
Bloedelooze dieren, of ter beveiliginge
van hunnekoppen,gefchonken zyn. Voor
dezen heeft men eenpariglyk, uit het
waarnemen der Glazen Byënkorf, en
uit het zorgvuldig naargaan van de won-
dere huishoudinge der noeste Byën, op-
gemaakt, dat er onderfcheidene eiers
waren, en deze zeer weinig in getal,
waar uit de Koninginnen of Moederby-
en voortkwamen. Maar hoe ftaat men
thans niet op te zien, federt dat de
Heer scCHIRAG en zyne Kunstgenooten ,
in de Lausnits , ontdekt hebben, dat de
Eiers, waar uit anders de zoogenaam-
de Werkbyén voorkomen, door de Val-
fche Hommels of Mannetjes, in eene
daar toe gefchikte Koninginne-celle be-
floten, en met het noodig voedzel, zoo
dra zy wormen worden, opgekweekt;
tot Koninginnemoeders kunnen worden
bevorderd! Zou men hebben kunnen
denken, dat er na MARALDI, SWAM-
MER-
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 65
MERDAM En REAUMUR, iemand gebo«
ren zou worden, die, in de huishoudin-
ge der Byen, zeldfaamheden ontdekken
zou, welke zy niet gezien hadden? En
evenwel heeft men, met een volkomen
vertrouwen, die uitmuntende Mannen
en hunne leerlingen Gevolgen zien trek-
ken, welke thans overhoop geworpen
worden , door de Proef- en Waarne-
mingen van het Lausnitfche Gezelfchap.
Men had befloten, dat de Werkbyen
geene fexe hadden: eene Gevolgtrekkin«
ge voorwaar! die met de Gemeene Wet-
ten der Nature niet {trookte, en ook te
verre voor uit liep. Insgelyks had men
bevonden , naderhand, dat de Werkby-
en, nu en dan, Valfche Hommels voort-
bragten, maar noit haars gelyken: ten
minften, men had dit by Gevolgtrek-
kinge opgemaakt. ’tZal er op aanko«
men, of ook die Gevolgtrekkinge niet
te verre voor uit loopt; en ik ben zeer
nieuwsgierig, wat er op de Vrage van
het Lausnitfche Gezelfchap, den 4 April
1771 opgegeven, door de Geleerden zal
worden geantwoord. Zy luid aldus:
welke zyn de- Natuurkundige Oorzaken,
waarom de Byen (welke men nu weet,
dat van het vrouwelyk geflagt zyn) nim-
AV: DEEL, E mer.
66 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP. DE
mer haarer gelyken, dat îs, Werk- of
Wfiesbyen, maar alleen Valfche Hom-
mels voortbrengen? Want ik vreeze, dat
men die ingewikkelde Vooronderftellin-
ge, alsof de Werkbyen, in der waar-
heid, harer gelyken niet baren kunnen,
eindelyk valsch bevinden zal,
Onder de Wysgeeren heerscht er
meermalen eene foort van Verrukkinge,
welke, of uit eene eerbiedige verwon-
deringe, ‘of uit eene overmatige blyd-
fchap. over eene nieuwe en gewigtige
ontdekkinge , inde ziele geboren word;
zonder dat het Verftand het merkt: en
die Verrukkinge is doorgaans de baar-
moeder van menige voorbarige Gevolg-
trekkingen. Met welke eene Verrukkin-
ge was de uitmuntende BONNET niet
bezield, toen hy, meer als een hoogdra-
vend Poëet, dan als een bedaard Na-
tuuronderzoeker , zielen aan de Planten
toekende! Zong virRGILIUS niet met
meer regt van de Byen en de overige
dieren, by Gevolgtrekkingen uit het be-
fchouwen der Wysheid harer huishou-
dinge, en der ordeninge van haar ge-
meenebest :
Lis
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXxm. 69
His guidam fignis atque baec exempla fecuti
Esfe apibus partem divine mentis et hauf?us
LEtherios dixêre. Deum namgque ire per omnes
Terrasque , traêtusque maris , coelumgue pro-
fundume
Hine pecudes, armenta, viros , genus omne fe-
| | rarum
Quemque fibi tenues naftentem arcesfere witas,
Scilicet huc reddi deinde ac refobuta referri
Omnias nec morti esft locum , fèd viva volare
Sideris in numerum ‚ atque alto fuccedere coelo,
En welke voorzigtigheid gebruikt MA-
RO niet, in het midden zyner Verruk-
kinge, door die Gevolgtrekkingen aan
anderen toe te fchryven , dixére , zonder
die zelf te onderteekenen ! W aarlyk!
zoo. lang mende Ontleedkunde der
Planten niet tot eene grootere volmaakt-
heid gebragt heeft, en er eene willekeu-
tige werkzaamheid. (die ik in het Kruid-
je roer my niet, geenzints kan vinden,
zoo lang ik nog iets van de Proeven der
Eleôriciteit geheuge) in aantreft, meene
ik, dat het nog geene tyd is, om, tot
het aanwezen: van de zielen der Planten,
te mogen belluiten. Behalven dat er nog
geene redenen zyn, waarom men aan
0} E 2 de
Ó8 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
de toekomende verbeteringe der Botant-
Jche Anatomie zou moeten. wanhopen.
Zoo verre dan ‚ mag menin het Gevolg-
trekken nimmer komen , dat men de Ver-
rukkinge toelaat eenen fprong te doen,
en iets te befluiten , tgeen uit de Waar-
mingen en Proefnemingen alleen niet
kan worden afgeleid,
_ Tot die, voor eenen Natuuronder-
zoeker zoo gevaarlyke Verrukkinge,
mag ook, met regt, gebragt worden, het
eerbiedig Vooroordeel, ’tgeen ons de
begrippen der Ouden hebben ingeboe-
zemd, « VALMONT DE BOMARE fchryft
in zyn Woordenboek , onder den Arti
kel van MIER: bet geen men van den ge-
waanden voorraad gezegd heeft, welke de
Mieren voor den winter vergaderen, ver-
dwynt voor de latere Waarnemingen , om-
trend het huishouden van deze Infetten.
Dit een geval bewyst, hoe de algemeenst
aangenomene zaken wan de Natuurlyke
Hiflorie ‚ nog op nieuw „dienden onderzogt
te worden, Dit voorbarig befluit was
ontíftaan, deels, uit eene verkeerde uit-
legginge van twee plaatzen uit sALO-
MONs Spreukboek (Cap. Vl en XXX)
deels, uit het waarnemen van de Lan
ren-
Nee
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXII. 69
brenginge der eetwaren in het Mieren-
nest, zoo dra het gemaakt is, waar om-
trend inderdaad die diertjes zig, op eene
verbazende wyze, bevlytigen. In H0-
RA TIUS is het derhalven te dulden , als
hy zingt, ingevolge de voorbarige Ge-
volgtrekkinge der Aloudheid:
Parvola , namgue exemplo est, magni Formica
laboris
Ore trahit, quodeumgue potest, atque addit
acer vo,
Quem fFruit , haud ignara ac non incauta futuri.
Que, fimulinverfum contriftat Aquarius qnnum,
Non usquam prorepit; € illis utitur ante
Quafitis fapiens
er
Maar hoe men de Heeren BOCHART
en SCHULTENS vry zal pleiten, we-
gens hun overnemen van dat vooroor-
deel der Aloudheid, weet ik niet, daar
SALOMO de eenvoudige waarheid fpreekt,
zonder van eenigen wintervoorraad te
reppen. De Mieren zegt hy, hebben
„geenen Overften , Amptman of Heerfcher
zy zyn een zwak volk, en evenwel zy be-
reiden haar brood in den fomer, en zy
vergaderen hare fpyze in den oogst. Wat
IG E 3 wil
JO J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
wil dat nu anders beduiden , dan dat de
Mieren geene gelegenheid laten voorby
glippen, om hare kinderen, huisgenoo-
ten en gemeenebest te verzorgen , zonder
dat zy nogtans daar toe, door dwang of
overheerfchinge, behoeven genoodzaakt
te worden? Onze en meer andere Over-
zettingen, maken gewag van Vosfen,
welke Simfon gebruikt zou hebben , om
de ftaande koornvelden der Philiftynen
in brand te teken: maar de Heer H As-
SEL QUIST ftaat nog in twyffel, of men
de Chicals der Turken, dat is de Gulde-
ne Wolven, daar het omtrend Gaza en
in Gälilzea van krielt, niet liever voor die
Vosfen te houden hebbe. Te weten,
onze Overzetters waren nog zoo bedre-
ven niet in de Natuurlyke Hiftorie, als
wy tegenwoordig kunnen zyn. Maar
blykt het dan daar niet uit, dat zelf eene
gebrekkige Uitlegginge der H, Schrift,
ons aanleidinge zou kunnen geven, om
Gevolgtrekkingen te maken, daar een
Naturalist den fpot mede zou moeten
dryven; om dat zy te verre voor uit
loopen, en naderhand bevonden worden
tegen de Waarnemingen en Proefonder-
vindingen te ftryden?
Die
VRÄGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 71
Die zelfde overhaastinge heeft. meer-
malen plaats in de uitfprake, die men
doet over de Ranefchikkinge en het
bepalen van de foort, tot welke eenig
voorwerp , of eenige ftoffe, die ons on-
der den aandagt valt, behoort. Voor-
maals had men de zoogenaamde Keu/-
Jche Aarde, voor eene Ware en oor-
fpronkelyke Mardftoffe, aangezien; en
de Baron VAN HUPSCH was, ten voor-
leden jare, de eerfte, die haar heeft
leeren kennen, als eene Houtagtige zelf-
ftandigheid, welke in de meeren, door
de minerale wateren , in eene nog onbe-
kende foort van Walfche Aarde verwan-
deldis, De Heer PALIER maakt eene
Gevolgtrekkinge uit de grootte der
Beenderen, onlangs in de . Bommeler-
waard gevonden, dat dezelve, zoo wel
als die, welke dikwyis, in Drenthe en el-
ders, zyn opgedolven , Olyfantsbeende-
Ten zouden zyn; hoewel de beroemde
Hoogleeraar CAMPER verklaart, dat
gemelde beenderen beter, ten opzigte
van het gemakkelyk afzonderen der Zipi-
phyfes, waar van de blyken zig openba-
ren, met de Dyenbeenderen van een
Menfchengeraamte van 16 tot 18 jaren
overeenkomen, Maar ik vermoede, dat
: E 4 men
72 Je, VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
men , binnen korten tyd, wel vinden zal
(gelykik meer dan eens , ten opzigte der
Paardengeraamtens meene waargenomen
te hebben) dat de Beenderen kunnen uit-
groeijen , en dus, bedolven in eene foort
van grond, daar toe gefchikt, eene
fchynbare reuzengeftalte kunnen aanne-
men : en wel zoo veel te meer, naar
mate, dat zy van menfchen of dieren
komen, die in de kragt van haren was-
dom fneuvelden, De uitgroeijinge van
het hair en de nagelen der lyken kan
myner bedenkinge eenigen zwier van
waarfchynelykheid byzetten , en aanlei-
dinge geven tot naauwkeuriger waarne-
mingen omtrend dit onderwerp. Ge-
wisfelyk! alsdan behoeft men niet te
vreezen, dat men te verre doordraaft ;
wanneer de Gevolgtrekkingen daar toe
zyn ingerigt, om den Natuuronderzoe-
ker den veiligften weg aan te wyzen,
langs welken hy onfeilbaar nader en na-
der zal kunnen komen aan de uitvor-
fchinge van de Natuurlyke Oorzaken
der Verfchynzelen: en dat wel door
middel van andere:Proefnemingen , wel-
ke hem nog niet waren voorgekomen,
en dagr anderen ‚nog zig opzettelyk niet
op hadden toegelegd,
Voors
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL. 73
Voornamentlyk moeten wy omzigtig
zyn, in het Gevolgtrekken ter uitvor-
fchinge der Natuurlyke Oorzaken, of
in het gelooven en aannemen van Ge-
volgtrekkingen, welke andere reeds ge-
maakt hebben; zoo drawy vernemen (en
daar moet ten allernaauwkeurigften on-
derzoek naar gedaan worden) dat er kra-
keel ontftaan is, over den aard en eigen-
fchappen der Verfchynzelen, welke fom-
mige Waarnemers hadden opgegeven,
of over de egtheid der Proefnemingen;,
die ter ftavinge der Gevolgtrekkingen
verhaald worden gedaan te zyn, en van
andere kunstbazen, in de Proefonder-
vindelyke Natuurkunde, niet kunnen
nagedaan worden. ’tÍs waar, in de
Scheikunde (Chymie) gebeurt dit menig-
werf, door onvoorziene toevalligheden,
Maar , in de overige deelen der Proefon-
dervindingkunde, valt dit zoo veel niet
voor, dat er eene ware, en niet opge-
fmukte, Proefneminge niet zou kun-
nen herhaald, of immers bezwaarlyk
getroffen worden, Argwaanis hier dan,
voor eenen Natuuronderzoeker,, zeer
dienftig: als mede T'wyffelinge en On-
geloof, nopens de Gevolgtrekkingen,
die, indien de W aar- en Proefnemingen
RO E 5 valsch
"74 Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
valsch zyn, op welke zy gebouwd wa-
ren, insgelyks in eenen puinhoop moe-
ten vervallen. De Heer Abt NOLLET
deed , met opzet, eene reize naar Italiën,
om de Proeven der Zlegriciteit van B1-
ANCHI En VERATI, twee vermaarde
Geneesheeren, in oogenfchouw te ne-
men; en hy vervolgde dezelve tot Ve-
‚ netiën toe, om ook den Heer PrvaTrt
de kranken te zien eleä@rizeren; maar
het kwam hem zeer klaar voor, dat men
er veel meer van had opgegeven, dan
gebeurd was; en derhalven, dat men op
al den ophef, wegens de wondere krag-
ten der Zlegriciteit, in de Geneeskun-
de, den grootften ftaat niet moest ma-
ken. Soortgelyke bevindingen, hebben
de zonen van Hippocrates, naderhand
wat omzigtiger doen zyn, en bekrompe-
ner , in hunne te verre vooruitloopende
Gevolgtrekkingen , nopens de Gewrog-
ten van het Eleétrisch vuur, om er ee-
nige buitengewone Verfchynzelen van
Genezinge uit te verklaren, De Dolle
Kervel van sToRrK, zou hier ook kun-
nen worden te pas gebragt. Ja waar-
lyk, daar men dikmaals, by het doen
der Proef- en Waarnemingen, zyne ei-
gene oogen ter naauwer nood gelooven
mag
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 75
mag, om dat onze Schranderheid altoos
meer wil zien dan ons Gezigt: hoe? zal
men zig dan ligtgeloovig genoeg durven
aanftellen, om de berigten van, fom-
tyds bygeloovige, vreemdelingen, zoo
maar losjes weg, voor waarheid aan te
nemen ; vooral als kundige Natuuron-
derzoekers niet langer ontveinzen, maar
er voor uitkomen, dat zy, wel dapper-
lyk, aan de egtheid en juistheid van die
berigten twyffelen? Ziet hier wederom
een perk, dat men aan het Gevolgtrek«
ken zetten moet.
Met de uitvorfchinge der Natuurlyke
Oorzaken, wanneer andere die reeds ,
en dat wel, op verfchillende wyze, by
Natuurkundige Gevolgtrekkinge mee-
nen uitgevonden te hebben, mag men
ook wel omzigtig te werk gaan, dat
men geene party kieze, en zig ongevoe-
lig late inwikkelen, in de omhelzinge
van een Stelzel, daar iemand voor is,
welken wy liefde en hoogachtinge toe-
“dragen: al was het ook onze Leermees-
ter, van wiens nette naauwkeurigheid ,
en keurige voorzigtigheid wy meenen
overtuigd te zyn, ’tIs den Natuurge-
leerden bekend, welk gerugt niet Ei
‘ | e
76 Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
de Proefnemingen van FRANKLIN, te
Philadelphia in Noord-Amerika gedaan,
maar ook zyne Gevolstrekkingen en
befpiegelingen, over de Oorzaken der
LEleäriciteit, in Europa gemaakt heb-
ben; en hoede Heer LE RO1, in Frank-
ryk, deswegens, met den vermaarden
NOLLET, in verfchil geraakt is: zynde
en blyvende den Abt van een verfchillend
gevoelen, in het beoordeelen der Zlec-
tricale Verfchynzelenen hare Oorzaken ,
dan LE ROIen FRANKLIN, Want de-
ze hadden begrepen, dat er eene Elec-
trifche Vloeiftoffe, overal, om de licha-
men en door dezelve, {troomde : dat
wanneer eenig lichaam, van zyne gewo-
ne Zletrifche Stoffe eenigzints ontle-
digd was, de omvloeijende daar dan ook
indrong, en wanneer er te veel was in-
gedrongen, zy er dan wederom uit-
fchoot , tot dat, binnen en buiten, zig
eene gelyke dikte en hoeveelheid ver-
Ípreid had: en ’tflot was, dat men uit
dezen regel, alle de Elerifche Ver-
fchynzelen verklaren kon en _ verkla-
ren moest. Evenwel meende NOLLET
daarentegen, uit alle Waarnemingen
en _Proefondervindingen „te moeten
befluiten, en blyven befluiten, dat er
| 36
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 77
gedurige en gelyktydige in- en uitvloei-
jingen der Zledrifche Stoffe, in de Geëlec-
trizeerde lichamen , plaats hadden , en dat
deze het beginzelen deeerfte werkzaam-
heid waren, waar op men alle de Ver-
fchynzelen der Zle@riciteit kon toepasfe-
lyk maken. **Zouernu, by het Gevolg-
trekken , maar op aankomen , welke van
beide deze Natuurlyke Oorzaken, of
Vooronderftellingen derzelve, den voor-
rang verdiene , en naast by de waarheid
kome? Waarlyk, LE ROI en FRANKLIN
zyn verder gegaan, dan NOLLET: want
zy gaven eene waarfchynelyke en eenig-
zints bevattelyke Oorzake op; daar de
Abt niets te berde bragt, dan een by
hem vermoedelyk Algemeen Verfchyn-
zel, dat even onverftaanbaar bleef, als
de Verfchynzelen , die er door verklaard
moesten worden, als Gewrogten eener:
Natuurlyke Oorzake,. Maar de Heer
EULER, de Zoon, ging verder , zonder
dat hem iemand dit kwalyk nam, toen
hy aan de Koninglyke Pruisfifche Aka-
demie betoogde, dat de ther, eene
vloeiftoffe, onderfcheiden van de Lugt,
welker aanwezen men lang had blyven
loochenen, als zeer veerkragtig moet
worden aangezien ; en dat deze, de fynfte
‘ | por
78 Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
porien der lichamen doorvloeijende, al-
toos, met de rondom om en aanvloeijen-
de, in evenwigt poogde te ftaan; zoo
dat, wanneer de Veerkragt derzelve,
in het een lichaam fterker is, dan in het
andere, de poginge, om die Veerkragt
doorgaande gelyk te maken, als de wa-
re Oorzaak van alle de Zledrifche Ge-
wrogten en zeldfaamheden moet worden
aangezien; gelyk hy dan ook by de {tuk-
ken heeft aangetoond. Immers zoo ver-
re mag men in het Gevolgtrekken voort-
gaan, tot dat men eene Oorzaak gevon-
den heeft, die genoegzaam is, om de
Verfchynzelen , als hare Natuurlyke
Gewrogten, te doen begroeten, En de
Veerkragt van den Ether moet ons
daarom te minder verdagt voorkomen,
om dat men dezelve in eene foortgelyke
vloeiftoffe , te weten de Lugt, onweder-
Íprekelyk aantreft.
Gewisfelyk , het fcheen in ’teerst, by
de Engelfche en Leidfche W ysgeeren;,
een vermetel en {tout beftaan te zyn;
dat men, ten nadeele van het Ydel, eene
fynere Stoffe, door Waar- en Proefne-
mingen betogen wilde; en dus aanleidin-
ge geven, om, ter uitvorfchinge van
| nog
VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXI, 79
nog andere onbekende Natuurkundige
Oorzaken , al verder en verdere fynere,
oneindig fynere vloeiftoffen uit te den«
ken, niet alleen ter verklaringe der Elec-
tricale Verfchynzelen, maar ook zelf,
om de proef te nemen, of men insge-
lyks de Wledriciteit of Veerkragt, en
andere diergelyke wonderen, niet zou
kunnen bevattelyk maken. Evenwel,
hoe noode ook, men ftreek de vlag voor
de Proeven der Zledriciteit ;en wieweet.
hoe verre men naderhand neg zal moe-
ten komen! Laat het my geoorloofd
zyn, hier eene aanmerkinge van den,
Heer scHIRAG, uit zyne Redenvoerin=
ge, geplaatst voor deszelfs Natuurlyke
Hiftorie van de Koninginne der Byen, over
te nemen, en wel, volgens de Franíche
Overzettinge van den vermaarden Heer
BLASSIERE,. $i wotre decouwerte, ma
ton dit, etoit ausft avantageufe que vous le
Pretendez, feroit il posfible qwelle fut de-
meurée cachée a toute la terre juiquê-d,
notre tems? Eb! pourquoi non? Malgré
Jon infinie bonte, Dieu ne fest jamais
obligé a deployer- tout d'un coup € dans
tous les. genres , toutes les richesfes. que fa
main, liberale deftinoit aux humains. Al
Jemble-au contraire, que fa maden
bos oit
80 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
Joit toujours plu a renouveller les fources
de felicité, afin de ranimer leur reconnois-
Jance par cette fuccesfion de bienfaits. Come
bien de chofes que nous ignorons , parce-
gue ce Dieu tout lage les defline a rendre
la vie plus agreable a nos arriere-neveux
ES geil tient comme en referve pour no-
zre poflerité? Alle Proefondervindingen
en Waarnemingen , zonder vooroordee-
len befchouwd, leeren ons dagelyks,
dat er niets zoo vreemd, niets zoo on-
gehoords uit te denken is, of de Nature
openbaart ons wonderen, die nog vreem-
der, nog ongelooffelyker fchynen, en,
die egter waarlyk voorvallen. By- ge-
volg, men moet altoos tragten verder
te gaan, dan de opgevatte vooroordee-
len, of de ftelzels onzer Hoogleeraren
en Meesters ons willen hebben ; vooral
dan, wanneer het ons, als brave Natuur-
onderzoekers, te doen is, om de edele
en nuttige wetenfchap der Natuurkun-
de uit te breiden, te befchaven en te
verbeteren.
Ja maar! zal men zeggen, hola! men
mag evenwel niet verder gaan, dan de
Proef- en Waarnemingen ons aanwyzen.
Deze bedenkinge laat zig hooren, in
Zoo
VRAGE VOOR °T JAAR MDCULXxIL 81
zoo verre de Gevolgtrekkinge door nie-
we en betere Proeven en Waarnemingen
kan worden opgehelderd, Maar wan-
neer dit onmogelyk geworden is, zou
men daarom uit de reeds gemaakte waar-
nemingen en profondervindingen, en uit
die alleen niet mogen voort redeneren?
Zou zig iemand niet belagchelyk aan«
ftellen, die, na een regtmatig befluit ge-
nomen te hebben, tot het aanwezen van,
de Lugt en den ther, nog daarenbo-
ven dezelve beiden, door het Mikrofcoop,
zou willen zien, of de Veerkragt der-
zelve, werktuigelyk, zou willen doen ar-
beiden, onder zyn gezigt. Voelt en ziet
men het Electrisch vuur niet? Voelt en
hoort men de Lust niet? en merkt men
niet vele Verf-hynzelen op, waar uit
het blykt; dat er zulke fyne Vloeiftof-
fen aanwezig zyn, en met Veerkragt be-
gaafd? Moet men dan het Water , in al-
le deszelfs kleinere droppelen, en der-
zelver inwendigen vorm en innige ge«
daante, bekyken? Is dat mogelyk?
Neen! zal men zeggen. Wel! moet het
dan ook niet genoeg , voor eenen verftan-
digen Natuuronderzoeker ; zyn ; dat hem
het Vergrootglas eene nieuwe waereld
heeft leeren kennen, en dat hy daar uit
IP. DEEL, F ver.
82 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
verpligt is te befluiten, dat er nog on-
eindig vele kleinere wezens en lichamen
beftaan, welke hem het Mikrofcoop nim-
mer zal kunnen vertoonen. Behalven,
dat al, wat vloeibaar is, altoos verwar-
ringe van over clkanderen loopende dee-
len voortbrengt.
Nooit mag men verder gaan, in het
Gevolgtrekken, dan tot aan het perk,
daar eene duidelyke en geftrenge Rede-
neerkunde ons brengen kan; voor zoo
verre zy uit Proeven en Waarnemingen
redenkavelt, De Inbeeldingskragt mag
hier den baas niet fpelen, en ons naar
het betooverd gewest der herfenfchim-
men henen flepen. sWAMMERDAM;,
LEEUWENHOEK, DE BUFFON en andere
gaven te veel aan hunne Verbeeldinge
toe, toen zy zig onderwonden, om het
diep geheim der Voortteelinge te open-
baren. SWAMMERDAM, STENON En DE
GRAAF lagen al ras agter, met hunne
ftelzels van de Eijeren, die zy, in de
Eijerftokken der levendbarende wyfjes;,
meenden ontdekt te hebben, zoo dra de.
Mannelyke Zaaddiertjes,van LEEUWEN-
HOEK Ch HARTZOEKER, ten tooneele ge-
voerd. werden, Maar deze Zaaddier-
tjes
VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXI, 83
tjes verdwenen ook, op hunne beurt;
toen NEEDHAM, en vervolgens DE BUF-
FON, dezelve niet meer vonden, Maar
moest dan daarom de Heer DE BUFFON
een nieuw flag van Momoeömerien , daar
oudtyds ANAXAGORAs zoo veel mede
op had, te hulpe roepen, om de voe-
dinge der vrugt uit alle de ledematen
van man en wyf te ontleenen ; en dus;
door eenen tweeftryd tusfchen de we«
derzydfche gelykvormige werktuigelyke
lichaamtjes, beide, mannelyke en vrou-
welyke, tot een beftaan te doen famen-
fmelten; en aandie famengefmoltene maar
eene zelfftandigheid, maar een leven te
vergunnen? Wat al onverftaanbaarhe«
den! Mag dat pbilofopberen, of moet
dat droomen heeten? @*) Trouwens,
wie zegt ons, dat het den Almagtigen
en Alwyzen Schepper ondoenelyk zou
zyn, door de Paringe , iets levendig te
maken, dat bevorens onbezield er mo*
gelyk allee irrirabel/ was? Wie kan
ons bewyzen, dat er inde Nature geene
borologien (op dat ik my mert dit beken:
de woord:, verftaanbaarhtidshalven ; uit»
FE 2 druks
: € Men kan Hieromtrend: näder te regt raken’,
BRE Heer LE FRANCQ VAN BEËKHEY , Nätuur-
é Hiftorie van Hoiland. II, Deel bl, 86—110,
84 Js VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
drukke) dat er geene horologien voor
handen zyn, welke door eene andere
en vreemde magt moeten worden opge-
wonden ; en dat iets diergelyks, in de
paringe der levendbarende dieren, niet
gefchieden zou? „Er zyn immers geene
Waarnemingen en Proefondervindingen
bekend, die dit allereenvoudigst ftelzel
over hoop werpen? Immers, zoo lang
iemand eenige mogelyke Oorzaken weet
uit te. denken, die de Verfchynzelen een-
voudiger verklaren, dan de reeds ge-
maakte. Gevolgtrekkingen der Natuur-
onderzoekers ; welke laatstgenoemde, of
niet-onmiddelyk uit de Waarnemingen
en Proefondervindingen voortvloeijen,
of ten minften , over het veroorzaken
der Verfchynzelen, en de Theorie der
Natuurkundige Mechanica, meer duis-
ternisfe , dan ligt verfpreiden ; zoo kun-
nen óok dezelve Gevolgtrekkingen, by
onbevooroordeelden ‚geenen ingang
vinden, En hier uit blykt nogmaals
middagklaar , hoe’ uitftekend nuttig het
uitdenken van mogelyke Oorzaken is, in
de Natuurkunde: al was het maar alleen,
om, daar door, ftoute en windrige ftel-
zels, welke men eenvoudigen, als de
eenigfte Mogelyke, wil in de han
, LLOP=
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 85
ftoppen, van de zyde harer ligtvaardig-
heid en ongenoegzaamheid, voor de
oogen der voorzigtigen bloot te leggen.
Dat doordryven en opvyzelen van zulke
Gevolgtrekkingen moet men altoos ver-
dagt houden: aangezien een W'ysgeer
niemand, en dus ook zig zelven, niet be-
driegen mag: ’t geen egter alsdan ge-
beurt, wanneer hy zyn best doet, om
tgeen hem toefchynt, voor een oo-
genblik, eenigzints de waarheid naby
te komen, aanftonds voor waarheid. uit-
vent, en het zoo opfchikt, als of hee 1
hem volledig gebleken ware, de waarhe
zelve te zyn. Zoo verre mag men zyne
Gevolgtrekkingen , uit de. W aarnemin-
gen en Proefondervindingen ontleend,
nimmer doorzetten. top
Geheel anders ging onze groote HUY-
GENS te werk, by het waarnemer van
Saturnus, zoo als die dwaalftar van GA-
LILZEUS eerst befchouwd was, en met
een buitengemeen verfchynzel verrykt,
_ geen men, waarlyk ! nog nergens, in eeni-
ge famenloop van Hemelfche Lichamen
had aangetroffen. De doorlugtige Man
zelf viel, met eenen onverbeeldelyken
yver,aan het glazenflypen , en dus aan ’t
verbeteren der Verrekykers; en, daar in
EF 3 naar
86 J, VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
naar wensch geflaagd zynde, befpiedde
hy, met zyne eigene Gezigtkundige
werktuigen, menige fchoone nagten,
dien grooten Planeet; beloerde hem in
de wonderlyke verfchanfingen van zy-
nen Ring, en ontdekte eenen nieuwen
uitgezetten fchildwagt, behalven de
twee, welke GALULZUS reeds had waar-
genomen. Toen begreep onze beroem-
de Wiskunftenaar wel haast, en hy ont-
zag zig niet, die aanmerkenswaardige
Gevolgtrekkinge te maken, dat al die
verwonderenswaardige toeftel van Ma-
nen, zoo by Jupiter, als by Saturnus,
en de Ring van den laatften , aangemerkt
moesten worden, als kleine ligten , #0
heerfchappy des nagts; (*) en dus al ver-
der, alzoo het éen Gevolg van zelf uit
het ander voortvloeide, dat er bewoon-
ders, ja wel vernuftige bewoonders , op
die magtig groote Hemelballen moesten
huisvesten, die zoodanige verligtinge,
ter beheeringe hunner woonplaatzen, be-
hoefden, van wegens den grooteren af-
| {tand
a
GG) Die fpreekwyze van Mofes kan den invloed
der Starren op het Ondermaanfche, volgens de
droomen der Oude Chaldeeuw{che en Egyptifche
Aftrologen niet bedoeld hebben. Zie VAN DER
MUELEN, Disf, de Die Mundi natali pag. 157. fqq.
VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXxit, 87
{tand der Zonne. Indien de waarne-
mingen der Heeren DE MAIRAN €&n MAU-=
PERTUIS, omtrend de nuttigheid van het
glansryk Noorderligt in Lapland, aan
HUYGENS waren bekend geweest, had
hy, voorwaar! nog grooter regt gehad
tot zoodanige Gevolgtrekkingen. ['rou-
wens, de zyne, nopens de bewoonbaar-
heid der Manen en Dwaalftarren , niet
alleen van ons Zonneftelzel, maar ook
van andere en alle foortgelyke, welke
men om Sirius en alle de vaste Starren,
by Vooronderftellinge, plaatst, moesten,
met eene lange fchakel van redenkave-
lingen, worden goedgemaakt; redenka-
velingen, den grooten HUYGENS waardig ,
en die ons bykans veroorloven, als Na-
tuuronderzoekers, om de Redeneerkun-
de te baat te nemen , en niet flegts On-
middelyke Gevolgen uit de reeds ge-
maakte Waarnemingen en Proefonder-
vindingen, maar ook Middelyke, dat
is, Gevolgen uit reeds gemaakte Gevol-
gen, en zoo voorts, zoo verre ons de
draad der fluitredenen brengen wil, te
trekken en af te leiden, Voor welke
manier vâän Gevolgtrekken, de doorlug-
tige LEIBNITS eenen fchoonen en aange-
namen weg gebaand heeft; dien de ver-
FE 4 maar-
88 j. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
maarde Natuurbefchouwer van: Geneve, *
de fchrandere en teffens oordeelkundige
BONNET , met Zoo veel yver en toejui-
chinge bewandelt, dat hy den aandagt
van alle de Europifche Wysgeeren naar
zig trekt,
*]Is waar, LEIBNITS was wat onver-
{taanbaar voor lagere vernuften, uit
hoofde zyner uitftekende fchranderheid
en weergâaloos doorzigt, tot in de diep-
fte geheimen der Bovennatuurkunde.
De waereldberoemde worrF en zyne
leerlingen BILFINGER , CANZIUs en foort-
gelyke, hebben de kettingen der fluitre-
denen wel duidelyker onder het oog ge-
bragt; maar, om de waarheid te zeg-
gen , Zoo magtig zigtbaar en overmatig,
dat de aandagt, onder het lezen van
hunne fchriften, veel meer valle op het
redenerende der vertogen, dan wel op
de befluiten derzelve, en op de waarhe-
den, die door Gevolgtrekkinge uit aan-
genomene en reeds bekende waarheden
voortvloeijen, Deze en dergelyke over-
wegingen doen ons denken, op de Res
elen, welke men, by het Gevolgtrek-
he ‚ uit de Waarnemingen en Proefon-
dervindingen in agt moet nemen, en na-
| ere
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXTL, 89
dere uitvorfchinge van de nog onbeken-
de oorzaken der Verfchynzelen,
FPL
1. De eerfte en Algemeene Regel,
welke tot eenen grondfteun, tot eenen
onwrikbaren grondfteun der overige
„moet verftrekken, is, zoo ik my niet
bedriege, deze: dat men zig vooraf eene
grondige, omftandige en uitgebreide Ren-
nisfe, van alle de Proeven en Waarne-
mingen, welke tot hier toe gedaan ‘zyn,
werzorge: ja, dat men die , is het moge-
yk, eigenhandig nadoe, Deze Regel,
immers het eerfte lid deszelfs, dat men
zig vooraf, eer men aan het Gevolgtrek-
kengaa, eene grondige, omftandige en uit-
gebreide kennisfe, van alle de Proeven
en Waarnemingen, welke tot hier toe ge-
daan zyn, moet verzorgen, is hier geene
bedenkinge, veel min twyffelinge, onder-
havig: aangezien het zelve, niet ondui-
delyk of ingewikkeld, maar volmondig
en klaar, door het loffelyk Zeeuwsch
Genootfchap, in het be oop der Vrage,
word vooronderfteld, en als zoodanige
eene grondregel word aangemerkt; wan-
E cl
9O J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
neer het den Natuuronderzoeker alleen
verlof geeft, voor zoo ver het tegen-
woordig doelwit betreft, wit de reeds ge-
maakte Waarnemingen en Proefonder-
windingen verdere Gevolgen te trekken,
en uit geene andere gronden: gelyker-
wys reeds boven is aangetoond. En wat
het Éweede lid betreft, dit fteunt op de
dagelykfche Ondervindinge der beste
Philofophen. Want hoe menigwerf ge-
beurt het niet, dat men zig zeer bedro-
gen vind, als men los weg, zyn ver-
trouwen vestigt, op de verhalen van
fommige oude niet alleen, gelyk Prinr
US , DIOSCORIDES ‚, THEOPHRASTUS , ARIS-
TOTELES, maar zelfs van niewere en he-
dendaagfche Waarnemers, welker na-
men ik eerbiedshalven liever verzwyge!
Hoe ellendig word men niet fomwylen
misleid, als men ftaat maakt, in de Na-
tuurlyke Hiftorie, op de Figuren der
Proefnemers, en op de Afbeeldingen,
welke men by SEBA, JONSTON , DODO-
NAUS , KNORR en anderen befchouwt.
ALBINUS , SEP, DAUBENTON ‚ HOUT-
TUYN, BASTER en andere hedendaag-
fche Waarnemers kunnen voor onver-
beterlyke gehouden worden, Evenwel,
die Heeren zelve (ik meene er zeker rd te
un-
VRAGE VOOR °TJAAR MDCCLXXIL OI
kunnen gaan) willen wel toeftemmen,
dat men den beroemden VosMAER be-
ter verftaan zal, als hy in het Kabinet
zyner Doorlugtige Hoogheid, onzen
geliefden Frfftadhouder, en den Protec-
tor van het Zeeuwsch en andere Ge-
nootfchappen , ja den Moecenas van ons
Vaderland, zyne geleerde aanwyzingen
doet, dan onder het lezen zyner fchrif-
ten; die, nogtans de goedkeuringe van
alle Natuuronderzoekers wegdragen.
Men kan er ligtelyk de proeve van ne-
men: als men, by voorbeeld, het uit-
muntend werk van GUALTIERL, in ’t-welk
de Hoorns en Schelpen, vry naauw-
keurig en konftig, zyn afgebeeld, voor
zig legt; vervolgens zyne laden met
Conchylien , en de beste en zuiverfte Zx-
emplaren,daar in voorkomende , met die
Afbeeldingen vergelykt; alzoo men dan,
wel toeziende, al ras ontdekken zal,
welken voorrang de ware voorwerpen,
boven hare uitbeeldingen verdienen,
Hoe wenfchelyk ware het, en o! wat
zou het niet aan den gelukkigen voort-
gang der Natuurkunde vorderlyk zyn,
dat er eene zekere Gemeinfchap van
goederen, onder de Beminnaars der
fraaije wetenfchappen wierde uitgedagt:
ten
92 Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
ten einde het eigenhandig nadoen van
Proef- en Waarnemingen, voor elk lief-
hebber, mogelyken gemakkelyk te ma-
ken! Waarfchynelyk zullen de Geleer-
de Genootfchappen van ons gelukkig
Nederland daar met ernst op denken,
alzoo het haar toch om de verbeterin-
ge en uitbreidinge der kunften en weten-
{chappen te doen is,
2, De tweede Regel kan deze zyn:
Andien het nadoen der Proeven en Waar-
nemingen niet wel. mogelyk is, dat sen
dan, ten minften, met eene Hiftorifche
zekerheid, poge overtuigd te worden, dat
de berigten, welke men van de Proeven
en Waarnemingen, die reeds gemaakt
zyn, ontfangt , egt zyn3 om er by het Ge-
wolgirekken op te kunnen flaat maken.
Deze Regel koomt inzonderheid te pas,
by het gebruiken der Waarnemingen,
welke, in vroegere tyden , of in verre afge-
legene landen ‚gedaan zyn. Elk kanmet
MAUPERTUIS naar Lapland, met CoN-
DAMINE naar Quito, met DE LA CAILLE
naar de Kaap de Goede Hoop, of met
HASSELQUIST naar de Levant niet mede
Teizen. Zoo kan ieder de Proeven van
den Secondellinger, op verfchillende
Breed-
heee rel ate in dE Ef
WRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXI. 93
Breedten, niet nadoen. Hier van daan
koomt het, dat er wel eens wettige ver-
klaringen, voor de waarheid van eenige
waarnemingen, aan welke veel gelegen
is, worden ingewonnen. By voorbeeld,
de Abt NorrET, hoewel voor zig zel-
ven volflagen overtuigd van de ontwyf-
felbare zekerheid zyner ondervindingen,
brengtegter , meer dan eens, de gelyk-
luidende getuigenisfen van ettelyke an-
dere Natuuronderzoekers by, die het
eveneens ondervonden hebben, en voor-
al ook Uittrekzels uit de Registers van
de Koninglyke Akademie der Weeten-
{chappen : als onder anderen ook, omte
toonen, dat de Geëleêtrizeerde Licha-
men , eene EleCtrifche ftoffe, uit onge-
ëleCtrizeerde- naburige Lichamen, ont-
rn (XX Lef. IL Afdeel, 5 Voor-
el.
3. Wyders indien er eenige Waar-
of Proefnemingen worden tegengefproken,
en zulks gefchied door. voorname mannen,
of beroemde Kunstgenootfchappen, moet
men zig, ten minften by woorraad, wel
wagten, om op zulke uitglydende zand.
gronden hes gebouw van algemeene ftellin-
gen niet te fligien. Dit leert ons de Voor-
Zig
94 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
zigtigheid, Waarom zouden wy verf
geeffchen arbeid doen, en naderhand
uitgelagchen worden £ |
4 Wanneer wy, of andere geloof:
waardige perfoonen, eene enkele Waar:
neminge of Proeve gemaakt hebben ‚ welke
door geene andere foortgelyke bevestigd
en opgehelderd is, mogen wy wel toezien,
dat wy ons aan geene voorbarigheid , in het
erkennen en aannemen dier Proeve, of
Waarneminge, fchuldig flellen, ‘Frou:
wens; hoe ligtelyk kan men zig misgiss
fen, en aan zyne Zintuigen te veel geloof
geven ! Deze kunnen ons even zoo wel
bedriegen, als onze Schranderheid, ’ Is
niet, dan by gedurige herhalingen , dat
men de Waarnemingen en Proefonder-
vindingen, immers derzelver befchry-
vingen, voor ontwyffelbare waarheden
mag aanzien, op welke men zyn ver-
trouwen vestigen mag.
5. Daarentegen, als men wele famen:
Sflemmende W aar nemingen en Proefonder:
windingen heeft, die onwederfprekelyk
moeten geoordeeld worden, dan mag en
moet men die aanmerken, als eene foord
van. Algemeene Gebeurtenisfen „ die wen
yke
sere
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI. 95
Iyke omftandigbeden, altoos Zullen woor-
wallen, Zulke Algemeene Gebeurtenis-
fen, vooronderftellen Algemeene On-
derwerpen, dat is Hoofdftoffen , Verhe-
velingen, die, onder dezelfde toevallig-
heden gerakende, gelykvormige Ver-
fchynzels opleveren. Laat, by voor-
beeld, het Water in de Lugt in alle der=
zelver onderfcheidene Verfchynzelen ;
naauwkeuriglyk worden opgemerkt;
dan zal men, met volle overtuiginge zy-
nes gemoeds, befpeuren, dat zig het
Water niet, of immers zeer weinig , en
dat zig daarentegen de Lugt, ongemeen
fterk laat famendrukken. Dan, alzoo
de geringe famendrukbaarheid des Wa-
fers, nog wel, ten minften voor een
gedeelte, aan de, daar in verholene, Lugt
kan worden toegefchreven : zoo moet
volgen, dat het Water en de Lugt, of
in de geheele Samendrukbaarheid, als
éene eigenfchap , verfchillen , of ten min-
ften, in het Meer of Minder, zoo mag:
tig onderfcheiden zyn, dat men de Sax
mendrukbaarheid zeer wel, als eene by=
zondere eigenfchap der Lugt, mag aan-
zien: terwyl de Hardheid des Waters,
tegen die Samendrukbaarheid, als eene
tegenftrydige eigenfchap, over a
it,
96 j. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
Op dezen Regel zyn de Natuurkundige
Voorzeggingen gegrond,
6. Indien gelyke Proefnemingen, op
onderfcheidene tyden gedaan, tegenflrydi:
ge, of ten minflen merkelyk verfchillende,
Verfchynzelen wertoonen, dan zal men
ook veiligst doen, zyn oordeel, by het Ge-
wolgtrekken, op te fchorten; en ook, de
Gewolgtrekkingen der Pbilofophen, uit
zulke vwyffelagtige beginzelen ontleend;
woor onvoldoende woorftellen te houden,
Van zulke gevallen treft men een aller-
duidelykst voorbeeld aan, in de Lesfen
van den meergenoemden Abt NOLLET;
(Les XXI. Afd, IL Verfchynzel 5).
Een Geëledrizeerd Goudblaadje nadert
naar Geëleärizeerde Harsagtige ftoffen ,
als Zegellak, Zwavel, Gom enz. maar
dat zelfde Goudblaadje wykt af en vlugt
voor eene Geëledrizeerde Glazene buys.
Ondertusfchen (zegt de Heer NOLLET)
3s er van alle de Ele&ricke Verfchynzelen
geen, dat onzekerder is en wisfelwalliger,
geen ‚dat men minder beftendig ‚ en minder,
zonder misfen, altoos plaats ziet hebben :
alzoo het Goudblaadje ook menigwerf
door het Zegellak, de Zwavel enz.
word afgeftooten; ja dikwyls eene en x
acij=
VRAGE VOOR °T JAAR MDCGLXxu. 97
zelfde Zwavelbol , een en het zelfde pypje
Zegellak aantrekt, tgeen het, nog een
oogenblik te voren, aflliet; of affloot, ’
geen het zoo aanftonds had aangetrokken.
Maar hoe kon dan die beroemde Na-
tuuronderzoeker ondernemen, dat wis-
felvallig Verfchynzel te verklaren, gelyk
hy, inopzigttotde Aantrekkinge, heeft
gezogt te doen? Zulke verklaringen
zyn nadeelig aan de bevorderingen der
Natuurkunde: want, als zulk een W ys-
geer, gelyk NOLLET , iet diergelyks
heeft uitgevoerd, wil er een ander Phi-
lofooph, van minder naam, liever in
berusten, dan verder onderzoek te doen:
uit vreeze, van voor vermetel aange-
zien, en, gelyk het gaat, uitgejouwd ,
en, naar ouder gewoonte, voor een
denkbeeldig beuzelaar te worden te boek
gefteld. Want elk is juist geen EULER;,
dat hy zig aan zulke onaangename ver-
denkingen bloot durve ftellen, en zoo
veel ingang vinde, dat hy die zelfde ver-
„denkingen en ligtvaerdige {potredenen
„weete te verydelen,
_ Je Nimmer mag men zig laten af-
„Jchrikken wan -de werdere Phyfifche en
Mechanifeche Oorzaken der. Verfchynze-
10dV, DEEL, G len;
98 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
ben , alleen daarom, om dat uitmuntende
vernuften, omtrend de mogelykheid der
witworfchinge en uitvindinge , ofte wel om-
srend het bepalen der Oorzaken, een be-
fisfertd vonnis bebben geveld, Want men
zal doorgaansch vinden, dat de Natuur-
onderzoekers alte bekrompen zyn gee
weest ; in het optellen der Oorzaken, en
dat zy zig dus-menigmalen vergrepen
hebben , met het uit{luiten van andere
byvallende Oorzaken, die met de Hoofd-
oorzaken, ter vorminge en vertooninge
van het Verfchynzel, famenliepen. Er
valt my thans, terwyl ik dit fchryve,
geen beter voorbeeld by, om ter ophel-
deringe van dezen Regel te verftrekken,
dan de Gevolgtrekkinge, welke de Rid-
der NEWTON, uit de bekende Proef-
neminge, met twee op elkanderen ge-
drukte brilglazen en de Zeepwaterbellen,
maakte , om reden te geven van de Kleu-
ren, in de Natuurlyke Lichamen voor-
komende: te weten, dat dezelve, enkel
en alleen (met uitfluitinge van andere
Oorzaken) zouden moeten worden toe-
gefchreven, aan de meerdere of mindere
dikte der kleine fchilfertjes of deeltjes,
uit welke zy worden faamgefteld, Want,
“dat alleraanmerkenswaardigst is, de
| Ke Heer |
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 99
Heer NOLLET toont, uit even dezelfde
Proefnemingen, door hem honderdma-
len herhaald, dat, buiten die voorname
Hoofdoorzaak van NEWTON, ook de
gedaante van ieder dier deeltjes, het by-
zonder weefzel van hunne fchikkinge op
en over elkanderen, de verfchillende ijl
heid der eigene ftoffe, en de gefteltenis-
fe der ledige tusfchenruimtens en ope-
ningen in aanmerkinge moeten komen.
(XVII Les. 3 Afdeel.)
8. Zoo dra men ontwaar word, dat
de Natuuronderzoekers een popje gehad
hebben, om mede te fpelen, eene gelief-
koosde Wooronderftellinge , welke zy zelwe
hadden uitgedagt , enn, uit dien hoofde, tel-
kens eene en dezelfde Oorzake opgeven,
ter werklaringe van weelwuldige en ver-
Jehillende Verfchynzelen; zoo moet men
aanftonds in argwaan en agterdogt wallen,
of zoodanige Gevolgtrekkinge wel fleek kan
houden en de toetzinge wan eene bedaarde,
en, inden vorm, redenkundige beoordeelin-
ge doorflaan ? Trouwens, de Nature
heeft even zoo vele Oorzaken als Ge-
wrogten: en, dat verder gaat, die Oor-
zaken zyn wederom, op nieuw , Gewrog-
ten van andere Oorzaken; en dat zoo
Er :Ga2 wel
Hoo J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
wel in het Voorledene, als in het Tegen-
woordige, ja, om zoo te fpreken, tot
in het oneindige toe, Elke Oorzake,
die, ter verklaringe van een Verfchyn-
zel, het zyne toebrengt, en alleen eene
Natuurkundige (Phyfifche) maar nog
geene Werktuigelyke (Mechanifche) mag
genaamd worden, is, wederom op hare
beurt, een Verfchynzel; en zoo worden
de Oorzaken der Oorzaken, tot in on-
uitdenkelyke reekzen, vermenigvuldigd,
Een Weershoofd, by voorbeeld, hangt
af van de bepaalde ftreek lugts, daar de
regendroppelen in nederdalen tegen
over de Zon, wanneer die, by het op-
komen, of by het ondergaan, op eene
zekere hoogte is, De gefteldheid der
Lugt, de hoedanigheid der Wolken,
de famendrukkinge der Dampbellen, de
koude, de ftreek daar de Wind uit
waait, de hoogte en helderheid der
Zonne, het oog van den toekyker, de,
tusfchen zyn gezigt en het voorwerp,
opklimmende of nederdalende dampen,
en honderd andere byzonderheden, ko-
men hier alle waarlyk te pas, in het be-
fchryven en uitvorfchen der Oorzaken
van een bepaald ftuk Regenboogs. Even-
eens is het ook met de Waterhoozen,
Houw-
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI, 101
Houwmouwen, Caftor en Pollux , de
Mariendraden en andere Verhevelingen
gelegen, wanneer men een zoodanig
Verfchynzel, bepaaldelyk op zig zelven,
en Natuurkundig verklaren zou, En
gelykerwys dit waaragtig is in byzonde-
re gevallen, zoo is het ook onweder-
Íprekelyk zeker, dat men dien voet zal
moeten houden, by het uitvorfchen der
Algemeene Oorzaken van veelvuldige
Gelykflagtige Verfchynzêlen, Ja het ís
byna onmogelyk, dat er ergens iets in
de geheele Nature zou kunnen zyn,
welke eigenfchappen het dan ook bezit-
ten mogt, dat alleen voor de Volledige
en Eenige Oorzake van een Verfchyn-
zel, hoe genaamd, zou kunnen worden
aangezien,
9 Wanneer men Waarnemingen doet
op den aard ende eigenfchappen der Die-
ren, Planten en Mineralen, moet men
zig niet vergenoegen, met een of twee ge-
bykfoortige voorwerpen, in hunne gedaan-
te en werkingen, te befchouwen « veel mink
der na hunnen dood, of in vervreemdinge
wan hunne natuurlyke woonplaats; en -dat
wel, om dan maar eensklaps uit die ge-
brekkige befchouwinge, Gevolgen ie trek-
G 3 ken,
102 J. VÁN IPEREN ANTWOORD OP DE
ken ‚ter uitvindinge van de bepaalde kragt,
kunstdrift , inborst en hoedanigheden van
geheele Soorten: ten einde uit die Alge-
meene befluiten dan vervolgens de byzon-
dere werrigtingen wan alle voorwerpen,
onder die Soorten behoorende , als zoo we-
le Verfchynzelen aangemerkt, te kunnen
werklaren. De bekende ftokregel van
den grooten LEIBNITZ, dat er in de
Nature geene twee volftrekt gelykvor-
mige dingen voorkomen, welke zoo
baarblykelyk door de Ervarenisfe altoos
en overal bekragtigd word , moet voor-
alin aanmerkinge komen, by deze gele-
genheid, Geene twee menfchen , geene
twee fchapen zyn er by elkanderen te
brengen, die niet merkelyk van gelaad
en aangezigte verfchillen zouden. In
eene wildbaan, vogelvlugt, hoender-
hok, duivenkoy, vind men , by aanhou-
dende oplettendheid op de Gelykflag-
tige Dieren, zoo vele verfchillende aar-
den en perfonele inborften, als onder
de met reden begaafde ftervelingen,
Sommige moeten, door Natuurkundige
Zedenmeesters, waarlyk geprezen, en
vele moeten er gelaakt worden, Deze
is eene byzondere Waarneminge, van
een verder uitzigt, dan men zig mis-
| | {chien
“VRAGE ‘VOORT JAAR MDCCUXXI, 103
fchien ‘wel vérbeeldeú -Zouss- Dat men
zig dan noit,-door LINNAUS, BRISSON:,
BUFFON;:BOMARE en atdere vermaarde
Schryvers der _Natuurlyke-Hiftotie ;la-
temisleiden!,„Die Heeren hebben: niets,
dan, om zoorte fpreken;,het Ontologi-
Sche, het Algemeene, vande Soorten en
Geflagten willen aanteekenen;, en-{chy-
nen, nueri dans zelfs niette-zyn verdagt
geweest! ops de Perfonele; Byzonderhe-
dén van-eik.Dier en van elke: Plantvine
dien ik my zoo eens-miâg uitdrukken.
Evenwelozal.dat „Perfonelesder «dradivur
dua; by de-uitvorfchinge\der. Oorzaken
van hunne; verrigtingen; Wanneer die als
Verfchynzelenrworden;befchouwd/;swel
degelyk moeten worden te-pas gebragt.
Men heeft; by-voorbeeld, geene reden
om te gelooven, dat alleLieeuwerieven
-onverfchrokken ei overweldigendzfterk
zyns De tieer u ov rou vn, verhâalt
‘ons eeh: geval (Eù zulke byzonderheden
behoorden altoos în «de NatuurlykesHi-
-ftorse. te:!worden «opgemerkt)- van zen
Leeuw , op teiland:St; Ioùis, die voor
eene ftootenderen zig to weer {tellende
Geit de vlugt nam. Die Geit, wat men
ersook, van\zegge ;. moet. wr y.kloekmoe-
esmmehmcteldj naval astig geweest
RA) 3 4 Za
TO4 J. VAN IPEREN. ANTWOORD OP DE
zyn. Onder de Kunstdriften der Die-
ren, had de Heer REIMARUS ook wel
eene foort van bygeloovige vreeze mo-
gen plaatzen.. Eene beerin; die van
jongen beroofd is , word wanhopig : eez
ne klokhen; die-anders voor den gering-
ften {teekvogel vreest, verzet zig tegen
eenen aangierenden havik, om hare kie-
kens te behoeden, en dat: wel met eene
onverbeeldelyke woede, » Zulke. Kunst-
driften zou ik Zoewallige noemen. - Alle
Kruiden en ‘Planten van dezelfde foor-
ten Zyn niet overal even geurig en krag-
tig, Op de Alpifche Gebergten munt
het Ryk der Planten in heerlykheid uit;,
gelyk de. vermaarde HALLER heeft
waargenomen, « En waarom zou men
„dan, vooral in-de Geneeskunde, niet
… ten uitterften keurig en oplettend mogen
vallen, by -het Gevolgtrekken, ter be-
palinge van deze en gene algemeene ei-
genfchappen « der Geneesmiddelen?
‘Waarom zou een Natuuronderzoeker
niet omzigtig mogen zymin:het aanne-
men der befchryvingen: vân weinig be-
kende Dieren en Planten ?ouu 2
in Be 0D BEL ol AAW P
zo. Nort mag men te veel. vórtrouwen
Hellen op de Waar en mnd >
| ie
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL. 105
die reeds gemaakt zyn, even als of dezelve
reeds de hoog fre volmaaktheid bereikten,
en door geene nadere Waarnemingen en
Proefondervindingen zouden kunnen of.
nader opgehelderd, of, in zoo verre zy
aanleidinge tot Gevolgtrekkinge gaven, te-
gengefproken worden, Zou men wel oit
hebben durven denken, dat de zoo me-
nigmalen herhaalde W aarnemingen van
het huishouden der Byen, aan welke
de groote REAUMUR , MARALDI en meni-
ge andere, van alle tyden , met zoo ve-
le oplettenheid en naauwkeurigheid, heb-
ben gearbeid, nu in deze latere dagen,
op eene gansch andere wyze zouden
uitkomen: in diervoegen, dat de drie-
dagige Wormen der Werkbyen, tot
de waardigheid van Koninginnen kun-
nen bevorderd worden ; mits men die
maar plaatze in eene vereischte celle,
welke, met de gewone celle der By-
enkoninginne, in grootte , gedaante en
noodigen voorraad ter fpyzinge over:
eenftemt? _ Edog, hier van is te voren
reeds meldinge gemaakt.
SEI, 2200 dra men ; by de Waarnemin-
genen Proefondervindingen, iets wonder-
baars ontdekt ‚dat wan den gemeenen re
TN ged
106 Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
gel afwykt, en zig opdoet als een wonder-
werk, tgeen de kragten der Nature te bo-
wen flreeft , dan mag men er wel aanftonds
dit Gevolg uit trekken, dat zulk een Na.
tuurgeheim onze nadere oplettenheid ver-
dient: en dat men, van wegens zyne te-
genwòordige onkunde, egter niet moet
wanhopen aan de witvorfchinge der nog
onbekende Oorzaken: naaar in tegendeel,
zig, met eenen verdubbelden yver „op het
uitdenken en naarfpeuren derzelve mag
en moet toeleggen. De fchoone Mufa,
by voorbeeld, welke ten jare 1736 voor
de eerfte maal in ons Nederland, «op
Hartekamp , de buitenplaats vanden
Heer cLiFFORT, bloeide, en voor de
vierdemaal in Europa , leverde toen aan
den Heer LINNAUS, die er ons eene
fraije befchryvinge en heerlyke afgezet-
te uitbeeldinge van verzorgd heeft, zoo
vele buitengewone. Verfchynzelen. op,
dat hy er, als in verrukkinge , over-ûit-
riep: Jnauditum omnino per tatum veg:
num wegetabile est ; quod. Planta aliqua
tam fingularibus gaudeat Sexus et Floris
attributis. Dat is te zeggen: % Is vol-
Strekt. ongehoord. in bet. geheel ryk der
Planten, dat. een Gewas zoo zonderlinge
eigenfchappen, ten-opzigte zyner Sexeven
Bloem
nn
VRAGE VOOR °TJAAR MDCCLXXlle IO7
Bloem bezit. In ’teerst lachte hy er om,
dat de vorige Natuuronderzoekers had-
den ftaande gehouden, als of de Mufa
geen zaad opleverde, of ten minften , dat
zy er alleen de onvrugtbare beginzelen
van droeg. Zy hadden zig, meende
hy, aan voorbarige Gevolgtrekkinge
fchuldig gemaakt, Maar het lagchen
van onzen Ridder veranderde wel dra
in ernst, toen hy, met verbaastheid,
befpeurde, dat de Vrouwebloemen ha-
re kragt verloren hadden, eer. nog de
Mannelyke bloemen. haar bevrugten
konden; alzoo deze te laat kwamen,
Dit leerde dien voortreffelyken Natuur-
onderzoeker alstoen, by gevolgtrekkin-
ge, gisfen, dat misfchien de menfche-
Iyke voorzorge, of het geval dit gebrek
zou kunnen verhelpen, als er Mufw’s
van verfchillenden bloeityd kort naast
aan elkanderen geplaatst wierden, 400
dat de Mannelyke bloemen van de eene
Mufa, met de andere gelyktydig kwa-
men , en dus eene gefchikte bevrugtinge
verwekten, Maar wie weet, of ef ook
geene Inwendige Bezwangeringe plaats
zou kunnen hebben? “Want, zoo de
Bloemfteng der Mufa uitkoomt, fchiet
er ookteffens een fcheutje uit der wortel
op;
TOB J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
op: en wanneer de Mufa haren wasdom
bekomen heeft en aan *tverleppen raakt,
fneuvelt de oude plant, en ’t gezegd uit-
fpruitzel volgt zyne moeder op. Maar
is ’% ook wel te denken, dat de Natuur
die wonderbare Bloemfteng, alleen tot
cieraad, aan de Mufa verleend zou heb-
ben? De Planten, immers zeer vele,
hebben dit gemeen met de Polypen, dat
Zy, door een groot gedeelte harer uit-
wendige omkleedzelen, baarmoeders
hebben, uit welke zy haars gelyken
voortbrengen: ’t geen evenwel , zonder
eene inwendige bevrugtinge, niet wel
mogelyk fchynt te zyn.
12. De Gevolgrrekkingen, welke van
andere Natuurkundigen reeds gemaakt
zyn, of nog gemaakt worden, mag. men
niet werwaarloozen; în tegendeel, men
moet die zorgvuldiglyk byeen wergade-
ren, al fchynen zy zelve ongerymd te zyn.
‘Trouwens, het kon wel eens gebeuren,
dat iemand, ligtvaardiglyk gisfende, als
by geval, de waarheid trof en uitvond,
van welke ester de Proefondervindingen
nog geen voldoenend bewys befchikten,
Alle de Vooronderftellingen , met dat
oogmerk van fchrandere lieden uitge-
| dagt,
VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXIL. 109
dagt, omde, als nog onbekende , Oor-
zaken der Verfchynzelen, welke zig in
bepaalde voorwerpen opdoen, te ver-
klaren, zullen ons ten minften tot eene
handleidinge kunnen verftrekken , ter be-
raminge van werktuigen en proeven,
door welke wy, met meer zekerheid tot
een befluit zullen komen , nopens de
Natuurkundige of Werktuigelyke Ver-
oorzakingen ; en om ook meer Verfchyn-
zelen uit te vinden, die, of de gemaakte
Voorondertftellinge verydelen , of dezel-
ve bevestigen. Want hoe meer Ver-
fehynzelen, tot eene en dezelfde zaak
betrekkelyk , door eene Vooronderftel-
linge kunnen worden opgeloscht, hoe
waarfchynelyker die Vooronderftellinge
word, en hoe nader zy bykoomt aan
de nog onbekende Oorzaken, welke wy
tragten uit te vorsfchen, Ebbeen vloed ,
by voorbeeld, geven zoo vele onder-
fcheidene Verfchynzelen op, in ver-
fchillende {troomen, inhammen en zee-
boezems, dat men naauwelyks weet,
waar aan men dezelve toe moet fchry-
ven. ’tZal derhalven, myns oordeels,
niet ondienftig zyn, de gevoelens der
Geleerden daaromtrend by een te fame:
len, en er eene voorzigtige keuze uit te
ej doen:
TIO Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
doen: vooral dan, wanneer zulke ge-
voelens eenigzints de goedkeuringe van
vele voortreffelyke Mannen weggedra-
gen hebben: gelyk de bewuste vier Ver-
handelingen, welke, in het jaar 1740,
den Prys, by de Koninglyke Franfche
Academie te Parys, hebben behaald, Im-
mers, hoewel de gewone Getyen, meest-
al, de Middelbeweginge der Mane vol-
gen, en de bekende Gevolgtrekkingen
van NEWTON, uit de Zwaartekragt
der Aarde tot de Maan en de Zon, de
meestgewone verfchynzelen ongemeen
wel verklaren ; zoo kan ons nogtans dat
_ Stelzel, zoo min als de Stelzels van GA-
LILZEUS en CARTESIUS , de duyzenderleye
ongeregeldheden van HEbbe en Vloed
geenzins doen begrypen. Dit blykt
uit de volmondige getuigenisfe van den
Heer ruLors, die, hoe zeer hy anders,
en met regt, het gevoelen van den Rid-
der NEWTON opvyzele, zonder eens
de andere gevoelens duidelyk voor te
ftellen (dat evenwel zou hebben moeten
zyn, om er zyne Lezers over te laten
oordeelen) eindelyk, om in eens alle
de zwarigheden te ontdekken, zig dus
uitlaat: (6, CCOXVIL bl. 284.) Men
zou een geheel boek kunnen wuilen, ee
ût
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI, III
alle byzonderbeden en ongeregeldheden,
„die in byzondere plaatzen, ten opzigte
wan Kbbe en Vloed, of befpeurd worden,
of op zekere tyden befpeurd zyn. Alle die
ongeregeldheden trouwens moeten aan-
gemerkt worden, als zoo vele Waarne-
mingen, die de zekerheid en voldoende
kragt der Gevolgtrekkingen van NEw-
TON en andere, min of meer, ontzenue-
wen. Zoo dat de vermoedelyke Oor-
zaken van Ebbe en Vloed nog, in zeker
opzigt, onder de Onbekende te ftellen
waren: indien EULER en andere Na-
tuurkenners, na NEWTON, in het uit-
vorsfchen dier Oorzaken niet verder
waren voortgegaan.
13, Zoo men eindelyk daar toe geko-
men is , dat men alle Waar- en Proefne-
mingen omtrend zeker onderwerp, vele
in getal en alle menigvuldigmalen her-
haald, in dat derde vind overeen te flem-
men, dat de Verfchynzelen, welke zy op-
leverden, alle, zonder onderfcheid, en met
even groot gemak, door eene Wooronder-
flelde Natuurlyke Oorzake kunnen worden
verklaard, zonder dat er een enkel Ver-
Jchynzel is uit te fluiten, dan mag men
zig ook wel werzekerd houden, dat die
4.
II2 Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
Natuurlyke Oorzake genoegzaam getroffen
zy: ja dan kan ook die uitwindinge ver-
wolgens tot een grondbeginzel werflrekken
woor verdere Gevolgtrekkingen, en ter
werwerpinge van alle de daar van afwy-
kende denkbeelden der Philofopben, In
de drie eerfte deelen der Uitgezogte
Verhandelingen, te Amftterdam by HouT-
TUYN uitgegeven, vinden wy den Blix-
em, het Weerligt en den Donder, door
de Zlectriciteit, welke, als *t ware, de
geheele Nature bezielt, tamelyk opge-
helderd, En waarlyk! men ítemt het
thans genoegzaam algemeen toe, alle
de Verfchynzelen dier ontzagchelyke
Verhevelingen, laten zig, op verre de
beste wyze, door de bekende gewrog-
ten van het Zledrisch Vuur verklaren,
Zoo dat by gevolg, de neêrvallende en
losbarftende Vuurbal van MUSSCHEN-
BROEK, en de uit den grond opfchieten-
de Blixem van MAFFEI, zoo wel alsde
ontftokene yswolken van DE LA HIRE,
en de misfelyke begrippen der Ouden,
by SENECA vermeld, voor de Gevolg-
trekkingen van FRANKLIN en NOLLET
wyken moeten: vooral, daar de Proef-
„neminge van Leiden die Gevolgtrekkin-
ge heeft doen maken, en zoo, als ’twa-
| Te,
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL. 113
re zelfs de onbekende oorzaak van Don-
der en Blixem heeft uitgevorscht, of lies
ver doen vinden. Wel nu, zou het dan
niet geoorloofd zyn, zoodanige eene uit-
vindinge , als een deugdelyk grondbe-
ginzel , te gebruiken, en dezelve zoo
hoog te waardeeren, ja hooger dan de
beste Proefnemingen „om dât zy de
eenvoudige Waarneminge en Ontdek-
kinge is van het Vernuft ? Want de
Redeneerkunde leert ons, dat de Znduc-
tio alsdan volledig is, wanneer men er
kan en mag byvoegen: nec datur disfi-
mile exemplum: dat is, niemand kan my
een voorbeeld van het tegendeel aanwyzen.
Maar dan moeten ’er ook ettelyke en
veelvoudige voorbeelden zyn ter toetfe
gebragt. Trouwens in-dien vorm van
redeneren bereikt de zekerheid hooger
en hooger trap en magt van volflagene
overtuiginge, naar gelang van de aan-
groeijende menigte der voorbeelden, en
van de duidelyke vertooninge van het
verband, dat die voorbeelden hebben,
met de Algemeene Stellinge, welke men
betogen wil. Maar hoe menigvuldige
en byna dagelyks vermenigvuldigende
voorbeelden heeft men niet van Dons
der en Blixem, welke alle, zonder on-
iv. DEEL, H ders
TI4 Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
derfcheid, als gewrogten van een Zleci
trisch Vuur , alomme door den Damp-
kring verfpreid „ mogen. en moeten wor-
den aangezien?
Maon
Ziet daar dan ook het Derde Deel
dér Vrage beantwoord en de voornaam-
fte Regelen der Natuurkundige Gevolg-
trekkinge kortelyk opgegeven. Ik ho-
pe, dat dit voldoen zal, alzoo ik ette-
lyke onderfcheidene lesfen , ter naarkoo-
minge van elke Regel in agt te nemen,
kortheidshalven, heb nagelaten in deze
Verhandelinge in te eltien ; gelyk ik
ook maar even, als met den vinger, heb
durven aanroeren de Stokregelen der
gezuiverde Kunst van Redeneren, voor
zoo verre de Znduttio , of Gevolgtrekkinge
uit-de Voorbeelden , met de uitterfíte
omzigtigheid behoort behandeld te wor-
den. Alleenlyk wil ik hier nog hebben
aangemerkt, dat niet alleen de Werktui-
gelyke en Willekeurige, maar ook de
Gewone, Zonderlinge en W onderdadi-
ge Verfchynzelen hunne byzondere ken-
merken hebben : en dat zy ook, by het
uitvorfchen der Oorzaken, elk op eene
ver-
‘ VRAGE VOOR °T JAAR MDCELXXE 115
verfchillende wyze moeten worden ver-
klaard. Verfchynzelen, in welke de
Lichamen alleen te pas komen, zyn,
gelyk van zelf fpreekt , onderfcheiden
van die, waarin de Willekeurige Ziels-
neigingen van menfchen of beesten het
hare toebrengen. Want er valt gemak-
kelyker oordeel te vellen over het op-
_ klimmen der Dampen en Uitwaasfemin-
gen in de Lugt en over het nederdalen
der regendroppelen en fneeuwvlokken,
dan wel over hee Noorderligt, de By-
zonnen, de Staartftarren en foortgely-
ke vertooningen , die zeldfamer voorko-
men. Maar nog bezwaarlyker is het;
de Wonderwerken , daar ons de H.
Schrift eenige berigten van geeft, onder
bereik van een Natuurkundig Onder-
zoek te brengen. Evenwel dit zou wel
dienftig zyn, wilde men op eene over-
tuigende wyze uit de Wonderwerken op-
maken, dat de Propheten eene Godde-
lyke zendinge hadden en dus onfeilbaar
waren, De Waarnemingen, welke ons
de Gewyde Hiftorie daar van heeft na-
gelaten, moeten in dezen ons dienen tot
gronden van eene Godgeleerde Gevolg-
trekkinge, Wy moeten onderzoeken,
of alle ‚de Verfchynzelen, welke men
9, H 2 voor
IIÓ J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE
voor ware Wonderwerken gehouden
heeft, waarlyk zoodanige geweest zyn?
Er is niet aan te twyfelen, of de Waar-
nemingen der Aloûdheid omtrent dezel-
ve zyn getrouwelyk geboekt , en dus be-
hoeft men aan de egtheid en duidelyk-
heid dier berigten niet te wantrouwen:
* geen voorwaar! by nader onderzoek
ongemeen veel helpt. Ja maar de Oos-
terfche Spreektrant en Digtkunde, mag
ons niet misleiden: want volgens de-
ze, en zoo is zy ook, is de gantíche
Natuur eene aaneenfchakelinge van on-
begrypelyke wonderen : en die wonde-
ren worden , onder het oog van een god-
_ vrugtig Natuuronderzoeker, allengskens
nog dieper geheimen, onnafpeurelyker
wonderwerken, naar mate, dat hy, in
derzelver aaneenfchakelinge, verband en
veroorzakingen, den verbazenden ryk-
dom van Gods Almagt, Wysheid en
Goedheid ontwaar word. En even daar-
om mag een Christen zig noit vernoe-
gen en ftyven in zyne onkunde, uit dat
vooroordeel , als of het verwaarloozen
van het onderzoeken der Natuur hem
veiliger ware en hy zig, ten minften met
_NIEUWENTYD €en DERHAM wel mogte te
vrede ítellen, alzoo hem die Ee
eg
mike
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLSSXIIS 1177
de Schryvers, vooral indien er HERVEY
word bygevoegd, genoeg opleiden tot
verwonderinge en tot het herhalen van
de bekende fpreuke des Digters ? Hoe
groot. zyn uwe werken, o Heere? gy hebt-
ze alle met wysheid gemaakt ! het aardryk
is vol van uwe goederen! Want die' ver-
wonderinge zelve verflaauwt, indien men
niet telkens nieuweontdekkingen, waar-
nemingen of proeven doet, waar door
zy ververscht word en de eerbied voor
den grooten Schepper , nieuwe kragten
verkrygt. In het Boek der Nature zyn
nog zoo vele bladeren, welke men of
nog niet open gehad heeft, of ten min-
{ten nog maar even heeft ingezien, zon-
der den vereischten aandagt daar aan te
koste te leggen, en ondertusfchen is elk
blad met dat oogmerk befchreven, op
dat wy er in lezen en er wysheid uit ha-
len zouden,
Pedetentim, gradatim €
circumfpelt,
zt April 1772.
AT:
B AOP
Bladzs118 |
OPLOSSING
DER
VR Ar Es
Door het Doortuchtig Genootfchap van
Vlisfingen opgegeeven ser beantwoor-
dinge ; voor het Jaar 1772
D 0 0 R
Y. PAP DE FAGARAS.
SS
k weet niet te. zeggen , door welk
IL noodlottig ongeval der menfchelyke
kundigheid het bykoome, dat het too-
neel der wysgeerte zoo menigwerf ver-
3 dîl-
Sil DAN //2 , Wi MZ Sedir, Me DN DAN
RE AN 5 SA À a oak a Ni all, Ne
DISCUSSIO QUESTIONIS
ab
Ilfuftri Societate Scientiarum Vlisfingana
2E
Ne quo humane cognitionis fato fieri din
LN cam, ut Philofophandifcena totigs hie
ha aje Pek b ed r ; ù=
-
J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD €NZ, 119
andert?-* Lust my: der wisfelvallighee-
den , „welke de kennisfe der Natuur,
byzonderlyk , ondergaan heeft, als in ’t
voorbygaan, te herdenken. Reeds fe-
dert detydenvan Ariftoteles bloeide zy :
toen was ’t eene gelukkige en guldene
eew voor haar , in welke (zoo. % den
Goden belieft) uitftekende uitvorfchers
en handhavers der. waarheid , Leeraars.,
onder den naam van: Scholaflyken of
Schoolgeleerden bekend, van zelfs en 207
der wet of regel , zonder Waar- en Proef-
neemingen , hunne Natuurkunde beoef-
fenden; wanneer ook-de vruchtbare ak-
kers der Eilofofy , zonder ploeg of-egge
te gebruiken, gul uitfchietende en on-
overzienbare korenvelden van hoedanig-
heden, van allerley {lag „ uitleverden, De
H 4 mees-
oale NM,
weeen
Juvabit vicisfitudinum , quas fola Scientia Naturae
lis fubiit, velut in tranfitu-meminisfe. Viguit, jam
inde a temporibus Ariftotelis., felix ejus -et-aurea
Prorfus aetas, qua egregii (fi Diis placet) verita-
tis vindices, Doétores Scholafticorum nomine no-
tis fporte fua, fine lege , fine obfervationibus „et ex-
Perimentis, PhyGcam fham excolebant, et fertiles
Philofophiae agri, non vomere vel aratro fcisf,
largas qualitatum cujuscunque generis fegetes ef=
fandebant, Somniando tum plyrimi peritisfimi Na-
tu=
x
12 J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE
meeste en ervarenfte Natuurverklaarers
kwamen „ al droomende , aan die be-
kwaamheid, Want de hoofdfom en het
pit der W'ysheid was toen daar in gele-
gen, dat men, wanneer er zich by geval
een Verfchynzel opdeedt, (want men
zocht er niet zeer zorgvuldig naar) aan-
ftonds, ter verklaringe van hetzelve, een
niew foort. van hoedanigheden te ‘hulp
riep „ en door. tooverwoorden van Af-
keer voor ’tydel , Symphathie, Antipa-
hie en diergelyke , de Gordiaanfche
knoopen, welke de Natuur gelegd had,
zeer gelukkig , als met eene heirbyl ,
doorhakte. Dus maakten de Filofofen
beweginge genoeg, maar vorderden niets
ter waereld, zy deeden veel en voerden
niets uit , en zy verkogten, met een
à _mag-
ddie
ture interpretes evadebant, Summaenim, etcom-
pendium Sapientiae erat: Phoenomeno forte obla-
to, certe ankie non quefito, novum ad illud expli-
eandum qualitatum genus advocare, et magicis,
horrovis wacui, Sympathie, Antipathiee ,nominibus 5
gordios illos, quos Natura neétit, nodos, velat
tenedia bipenni, felicisfime disfecare. Ita, mover
bant equidem fe Philofophi , cognitionem tamen
veritatis nihil promovebast, multa agendo, nihil
pgebant, fumums Ct verba magna oftentatione di-
vendebuar,
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 121
magtigen ophef , woorden zonder zaken.
Onder deze harde dwinglandy'werden
de Wetenfchappen gedrukt en zy zug-
teden; maar eindelyk heeft haar CARTE-
srus dat juk van verouderde dienstbaar
heid afgeligt, en haar éen vaandel als ’t
ware opgeftooken, om hem , tot het ver-
krygen der Filofofifche. vrye denkens-
wyze, te volgen. Want den dienst op-
gezegd hebbende aan dien vadzigen hoop
{nappers „ welke het leergeftoelte alom
vervulde, gaf hy zich uit voor een leids-
man en uitvinder eener werktuigelyke
wyze van behandelinge der W ysbegeer-
te, Hy deedt zyn best, om uit de be-
kende hoedanigheid der ftoffe, welkede
uitgebreidheid is, hare overige eigen-
fchappen afte leiden ; en hy zocht wet-
ten vast te ftellen, aan welke de licha-
H 5 men
7
odd
Gemebant oppresfie dura hac Peripateticorum ty-
rannide Scientie, fed excusfit tandem inveteratae
fervitutis jugum, et ad libertatem philofophandive-
lut fignum aliquod fustulie Cartefius. Relicta enim
ignavailla , que cathedras oecupaverat , garrientium
turba , mechanicze philofophandi methodi Ducem
fe, et auftorem prebuit. Ex cognita itaque mate-
rie qualitare, que extenfio est, reliquas ejus pro-
prietates deducere , leges, quibus corpora in or”
: 8
122 J:PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE
men, in hunne beweegingen , gehoorza-
men, en verfchillende hoofdftoffen uit-
tedenken, om, uit derzelver onderfchei-
dene gedaanten en ingedrukte beweegin-
gen, den oorfprong van ’tHeelal en de
verfchillendheid ‘der verfchynzelen te
verklaaren, Metregt mag hy zich dien
lof toeeigenen , dat hy byna de eeríte
was, die, ontwaakt uit eenen langduri-
gen flaap ‚ waarin de voorftanders der
wysheid zoo veele eewen lang hadden
bedolven gelegen „ eenen aanvang ge-
maakt heeft van de. wysgeerte met alle
zorge en naarftigheid , op eene wysgee-
rige wyze, te behandelen, Daar inech-
ter heeft hy misgetast, dat hy er niet
zoo zeer op uit was, om de Natuur te
raadpleegen , maar dezelve veeleer , hoe
zeer zy er dikwilsook tegen aan iced
SE)
bus fais obtemperant , ftabilire , elementa varia
comminisci, ex eorum diverfà ftructura, et im-
presfis motibus , Univerfi originem, ac phoenome-
norum varietatem explicare conatusest. Idlaudis,
jure meritoque fibi vindicat, quod primus fere,
diuturno „ quo per tot fecula confopiti jacebant
Sapientiae Antiftites, fomno excitatus, cum cu=
ra, et induftria philofophari inceperit. In eo ta-
men fuos manes pasfus est, quod mon tam Natu-
ram
VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXIL, 123
de, te onderwerpen met geweld aan die
wetten, welke hy haar met een aangee
maatigd gezag van je doner py had.
voorgefchreeven.. Hier-door is het by-
ekoomen, dat de Natuur , die veel fter-
er was dan onzen Filofoof , het groot
gevaarte van zyn Natuurkundig Samen-
ftel, dat hy opgebouwd had, gemakke-
lyk heeft over hoop geworpen, - Even-
wel heeft die zelfde Natuur de gedenk-
teekenen van ’ mans vernuft en verdien-
{ten in hun’ geheel gelaaten: zoo datmen
van hem; ale van eenen anderen Filofo-
fifchen Faëton zou kunnen „zeggen :
dat hy den wagen der-wysgeerte, van
welken hy zich tot koetzier had aange-
geven, gemend heeft, en, fchoon hy
de teugels niet heeft kunnen houden «en
bedwingen, dat hy , met al zyn ongeluk,
echter de eer had van iets groots te hebe
ben durven onderneemen, E-
aats
ram confulere ‚; quam illam , relu&tantem feepe , legí-
bus , quas diktatoria poreftate fibi arrogata tulerat,
fubjicere annifus est. Eo evenit, ut Natura Philo-
fopho potentior , infignem Syftematis , quod exftrux-
erat , molem facile demolita fit : ingenii tamen, et
meritorum monumenta falvareliquit, utdeeo, ve=
lut altero Philofophorum Phaëtonte dici posfit: Cur-
rum philofophandi, cujus fe autigam profèsfus erat ,
erfì non tennit , magnis baren engidie aufis, Par
124 J. PAP DEFAGARAS ANTWOORD OP DE
… Even gelyke zucht tot vryheid bragt
NEWTON , de ware vader der Natuur-
kunde aan, omde Wetenfchap , welker
wisfelvalligheden wy verhalen , uit de
wieg te nemen en verder op te kweeken ;
maar zyne vlugheid van inbeelden” was
onder een ftrenger bedwang, en hy had
een — doorkneed en allernaawkeurigst
oordeel. Hy gaf zich meer uit voor
een Leerling , dan voor een Leermees-
ter der Natuur ; en hy was de eerfte der
ftervelingen , (fchoon HUIGENS en KEPLER
hem vry helder voorgelicht hadden) die
de ware wetten der beweeginge uitvond,
en-de-Proefondervindelyke Natuurkun-
de in eene gelukkige echtvereeniginge
met de Meetkunde famenpaarde, . Maar
na dat-hy ettelyke verfchynzelen der
SE | ERE wac-
tatei
Par libertatis {ftudium, fed imaginandí licentiam
feverius caftigatam, et confumatum judicium, ad
Scientiam, cujus fata enarramus , e cunis fuis edu=
cendam attulit , verus ejus parens , Newtonus.
Discipulum enim Naturge potius, quam Magiftrum
fe confesfus , primus fere mortalium „ (Hugenio ta=
men „ Kepleroque , facem non obfcuram preferen-
tibus) veras motus leges eruit, et experimentalem
Phyficam cum Geomcetriaj foecundisfimo connubio
copulavit, Postquam vero. varia Univeríi phoeno-
me-
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI, 125
waereld onder de gemeene wetten. der
Aantrekkingskragt gebragt had, bleef
hy daar ftille ftaan, als -aan het uiteinde
des bekenden aardbodems, aan de pila-
ren van Herkules; en hy liet, onbeflist,
in midden, of men de werktuigelyke
verklaringe van alle die verfchynzelen
wel kon onderneemen, of verwachten,
Niemand iser, die alle dingen naar waar-
de heeft leeren beoordeelen , die ooit in
twyffel trekken zal, dat déze groote
man de Natuurkunde, welke noch met
teedere fchooren onderfchraagd was, op
een vaster grondflag van Wiskunde en
Proefnemingen gevestigd heeft, en dat
hy haar, die op zyn best van tichelen
en brikken was opgebouwd, als een
prachtig en fterk gefticht van marmer
heeft nagelaaten. 5
e
NI lead Nele Ull
mena ad communes Actrationis leges revocasfet,
in his velut columnis Herculeis fubftitit, idque an
mechanica illarum explicatio tentari, vel fperari,
debeat , in medio reliquit. Hoe nemo, qui res fuo
pretio aeftimare didicit , in dubium revocaverit „
quod fcientiam Naturalem, tenui antea fulcro ni-
xam, folidiori Mathefeos, et Experientie funda- -
mento fuperftruxerit, eamque, quam vix laterici=
am invenerat, marmoream reliquerit.
Suas
226 J. PAP DE FACARAS ANTWOORD OPDE
De onvergelykelyke LerBNrrz fpeelde ,
niet zonder veel gerucht en toejuichin-
ge ‚ zyne rol op het tooneel der Natuur-
unde, zoo wel als op de tooneelen van
alle menfchelyke kunften en wetenfchap-
pen. Want alzoo hy ook eene uitmun-
tende fchranderheid aanbragt tot het uit-
vorfchen der Natuurgeheimen, ftemde
hy daar omtrend met NEWTON geree-
delyk in, dat de Natuur zelve naar ha-
re eigene wetten moest ondervraagd en
zy met de Wiskunde vereenigd worden.
Maar in ’t bepaalen der Natuurkundige
oorzaken, poogde hy die uitterfte grens-
fcheidingen, welke NEw TON als ’*t ware
ter ftuitinge der menfchelyke onderneem-
zucht had gézet, te overfchryden, en
de werktuigelyke wyze van filofofeeren ,
om
AD
$ A Wi le ez zeil Ni DEN (DD NN 7
Gs
Suas, ut in omnis Eruditionis humane , ita eti=
am in Phyfices theatro partes, non fine ftrepitu et
applaufu egit incomparabilis, Leibnitzius. Excel-
lentisfimum enim ingenium ad rimanda Nature fe-
creta ille etiam afferens, in eo facile Newtono
asfenfus est: ipfàm de legibus fuis esfe interrogan-
dam, et eum Mathefi conjungendam. Sed in Phy-
ficis rerum caufis asfignandis, ultimas illas, quas
Newtonus humane induftriee quafi fixerat colum=
nas, fuperare, et mechanicam philofophandi, vel
: om
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL, 127
om alle gewrochten uit de gedaante en
famentftellinge der lichamen af te leiden,
wederom in te roepen én op de baan te
brengen; zoo dat hy, aan zyne vrucht-
bare fchranderheid boven mate toegee-
vende, en nederdaalende tot aan deeer-
fte oorfprongelykheden der dingen, ein-
delyk bezweek onder die moeilykheden,
onder welke alle anderen voor hem be-
zweeken waren. Menige uitmuntende
zaken heeft hy te kennen gegeeven :
nochtans begon hy meer {tukken, dan
welke hy voltooien kon; en met dat al
heeft hy, door zyn voorbeeld, raad en
aanmoediginge ‚ veel nut gedaan. Dit
alleen is er, tot ongemak der weten-
{chappen , uit ontftaan: dat hy den ver-
_maarden worF en bykans alle de ed
en
Odie
omnes effettus, ex figura, ac ftruêtura corporum
explicandi rationem, revocare conatus est, et fer
tili ultra modum indylgens ingenio, ad primas us-
que rerum descendens origines, illis quibus omnes
alii diffieultatibus fuceubuit. Egregia multa monu-
it, plura tamen agresfus est, quam perfecit , exem-
plo, confiliis , adhortationibus multum profuit. Id
folum feientiarum incommodo evenit: quod ita in-
genii et auttoritatis fuae vortice Celebr, Wolfium,
et omnes fere Germanix Philofophos abripuerit, ut
con-
128 j. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE
fen var Duitschland, zoo, door der
draykolk van zyn vernuft en gezag ,
vervoerde, dat deze dienloopkring , wel-
ken hy minder waarfchynelyk , dan
fchrander befchreven had , als gedurige
trawanten van eenen grooteren Planeet
ftantvastiglyk volgden , als zoo veele
leidftarren,
Na den dood van dit edel paar Filo-
fofen, is de Natuurkunde onder eene
verfchillende gedaante ten voorfchyn ges
koomen, In Engeland en Nederland is de
Newtoniaanfche W ysgeerte, met recht,
altoosin de openbare {maak gevallen , en
eindelyk, by vervolg van tyd, begon
zy ook in Frankryk en Italien voor eene
aangename liefhebbery te worden ge-
houden, De wysgeeren van Duitsch-
land , die LEIBNITZ volgden, hadden
meer-
NOAD PAL ANU DEU ENUDA PNI DA DAD
Ker SRT cht ebr co kt ok sake ok ike of
continuo illi orbite , quam majori ingenio, quam
verofimilitudine defcripferat , velut perpetui ejus
fatellites adhererent. _-
> Varia, post fata nobilis hujus Philofophorum pa-
ris, facie, Scientia Naturalis apparuit. In Anglia
et Belgio Newtoniana Philofophiafuo merito pu-
blici faporisfemper fuit, et procedente demum tem-
pore , in Gallia etiam , ac Italia in deliciis esfe coe—
pit. Leibnitzium fequuti Germanie Philofophi,
ge
VRÁGE VOOR °T JÁAR MDCCLXXIL. 129
meermalen die algemeene wetten van
Aantrekkinge , welke zy wisten „dat, in de
fchole der Newtonianen , voor algemee-
ne hoedanigheden der ftoffe werden uit-
gevent, fchamperlyk uitgelagchen, als
wisjewasjes der {choolgeleerden; en er
by, niet zonder verwaandheid, dikwerf
verklaard, dat men die wetten uit de
drukkinge eener fyne ftoffe verklaren
moest; fchoon zy zelve dit nooit ter uit-
voer bragten. Ondertusfchen heeft men
het dank te weeten aan de oprichtigen van
de Akademien der Wetenfchappen, dat
de Filofofen „uitgenoodigd , tot het naâw-
keurig aanleeren der Natuur, zoo veele
niewe zaken hebben ontdekt; zoo veele;
die noch duifter by de voorzaten bekend
waren, duidelyker hebben ontvouwd ;
IP. DEEL P « en
Ond
‚ generales illas attraétionis leges, quas in Scholà
Newtoniana , pro communibus mâterie qualita-
tibus venditari noverant , velut Scholasticorui
naenias „ feepius irriferunt, illasque, ex presfione
fubtilis cujusdam materiae , explicandas estë fepius
cum fupercilio monuerunt , nunquam tamen“ipfi
preftiterunt. Id erettis interea Scientiatfum Aca-
demiis acceptum ‘referendum est} quod“âd @Natu=
ram accurtatius @discendam invitari Philofophi, tot
nova detexerint , tot prioribus obfeure eognita, cla=’
ïis
230 J, PAP DE FAGARAS ANTW OORD OP DE
en eene Wetenfchap, die noch niets an-
ders uittrichte, dan dat zy der niewsgie-
righeid voedzel fchafte , zoo gelukkig-
lyk „ten voordeele en tot gebruik van
ons leven hebben toegepast. Wy eerbie-
digen. met regt de onfterfelyke namen,
dier groote mannen (fchoon wy over-
vloedig. fchatten. dezelve hier op te
noemen) en. wy wenfchen ons zelven
geluk met de vorderingen, welken zy
in die alleredelfte Wetenfchap hebben
gemaakt : en echter worden wy ge-
dwongen, om, in deze, de zwakheid
van den menfchelyken toeftand te erken-
nen „ dat noch. de Natuuronderzoekers,
na dat zy alle hunne krachten vereenigd
en hunne Îetteroeffeningen by een. gefa=
meld hebben, geene gemeene endfchreef
aan de loopbaan, op welke zy allen om
Prys
tn
rius:explicaverint , et Scientiam , que folius curiofi-
tatis pabulum videri poterat, vite ufibus tam feli-
citer applicaverint. Magnis Virorum immortalium
Cquos nominasfe fupervacaneum esfet) nominibus
merito asfurgimus , et progresfus, quos in Scientia
nobilisfima fecerunt, gratulamur: in eo tamen hu-
mane conditionis infirmitatem, agnoscere cogi=
mury-quod post conjunêtas licet vires, et colleéta
‚Ítudia , nondum communem aliquam metam „ ad
quam Nature Serutatores contendere debeant , una-
nl
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCL&X1, 131
prys voortftreeven, met algemeene be:
ftemminge; getrokken hebben; Want
hier over twisten de Hoofden der Filo.
fofen en. de rechter moet er zyn woninis
noch over flryken: te weeten, hoe verre
men in het uitvorfchen van de oorzaaken
der dingen voortgaan moge? en waar men
eindelyk moet blyven ftilftaan? Of men
uit de Proefnemingen alleen, voor zoo
verre die onder eene Wiskunttige bereex
keninge gebragt worden; zich moet laten
onderrichten, en, langs dien weg, de
wetten der beweeginge ontdekken? Dan
of men ook moeite moet aanwenden;
omde eerfte Natuurwetten, uit de in-
wendige gefteldheid der lichaamen;, te
werklaatem 210; zool zois D gode
Dat nudeze twist , welke, als-doot een
fcheidsmuur, de F A van onzen ae
2 ty
Stitt
x
nimi confenfu fixerunt, Certant enim de eo Phi-
lofophorum Principes , ee adbie fab zudiea lis est;
uousque in causfië rerum indagandis fit’ prqgredi-
endum, et bi demum fubfiftendum? Num exfolis
Expetimentië, caleùlo Mathematico' fubjettisisfupi=
enduùiì, et ita legés motus detegende? Aut vero
operd etiam-in primis Nature légtbus „ex iúteriori
eórporanr ftruétura'explieandis eollocanda ?
‚Non vafäm esfehänc litem qu muro quódam
dia
132 PAP DE FAGARAS ANT WOORD OPDE
tydevan een gefcheiden houd, niet vol-
ftrekt ydel zy, zal elk onpartydig beoor-
deeler: gaarne belyden. « Want er-wordt
gehandeld. over den weg, langs welken
men veiligst tot in-de binnenkameren der
Nature doordringt, welken deeze byna
alleen-inde Proefneminge en: Wiskunde,
gene ín gisfingen en, veronderftellingen ,
fchynente zoeken, Er: wordt gehandeld
over de “omheinigen, binnen welke-zich
een Natuuronderzoeker moet houden;
en niemand is er, die niet weet, dat die
beperkingen van dezen wyder;, en van
genenvenger -gefteld. worden. > Derhal-
ven kon er. niets gefchikter zyn voor de
tegenwoordige gefteldheid der W'ysbe-
geerte, dan dat het Doorluchtig-Genoot-
fchap van'Vlisfingen ‚volgens den; drift,
DST OM „waat
h, y 7 NISPEN INDI
bd ee sd
7
dividit eetatis noftre Philofophos , facile equus
rerum arbiter confitebitur._ Aegitur enim de via,
qua tutisfime ad Nature penetralia itur ‚quam hi in
folis ijre experimentis ac Mathefi, illi in conjettu-
ris ac-*hypothefibus quzserere, videntur.. Agitur de
cancellis , intra quos Nature ferutator fe contine=
re debeat , quos ampliores.ab.his, arftiores ab illis
conftitui nemo nefcic, _Nihilitaque prefenti philo—
fophaudi fcenze:accomodatius esfe potuit, quam quod
illust. Societas Vlisfingana, pro€o, quo in Scien-
Per tLs
Ld
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 133
waar door hetzelve tot het uitzetten van
de grensfcheidingen der Wetenfchappen
wordt aangefpoord, in het openbaar de-
ze vrâge ter oplosfchinge voordraagt:
Mag een Natuuronderzoeker. uit-de reeds
gemaakte waarnemingen en proefondervin-
dingen verdere gevolgen trekken ter uit
worfchinge van de noch onbekende oorzaken
der-verfchynfelen? zoo ja, hoe verre mag
hy daar in voortgaan, en welke regelen
moet hy daar omtrent in acht nemen? En
terwyl wy nu zullen overgaan, om dat
Voorftel, zoo veel onze kragten toelaa-
ten, met alle naawkeurigheid op te los-
fchen, meenen wy, dat er ons vooreerst
‘veel aan gelegen is, dat wy alle kmi
heid, welke de menfchelyke ziel van de
Natuurgewrochten en hare Oorzaken be-
13 ___koo-
\ DAN ly NDA IN 4 ,
Bte
tiarum fines provehendos fertur, ftudio , publice
hane Quettionem propofuerit difcutiendam : Num
debeat Naturae ferutator, ex inftitutis gam obfervationibus,
et experimentis , ulteriores confeqwentias ducere, ad incog-
zitas phoenomenorum causfas detegendas, et fi hoc posfit,
guousque ipfi progredì fit permisfum, et que fint illae regu=
lae , que ipfi bec agenti incumbant obfervandae ? Ad hoc
Problema ‚cum omni ‚quam vires noftre permittunt ,
accuratione , refolvendum jam accesfuri, id noftra
_ primum etiam interesfe arbitramur, ut omnem il-
lam, quam mens humana de rebus ipfis, earumque
Caus=
134 J-PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE
koomen kan, uit hare eerfte beginzelen
ophaalen.
Er is voorwaar! eene onuitdrukkely-
ke, ja byna oneindige verfchillendheid
van zaken onder de byzonderheden, wel-
ke in dit Geheelal voorvallen ; en echter
zal ieder ligtelyk befpeuren, dat er vele
gewrochten, als met eenen band , famen
verbonden worden, en dat het een ver-
fchynzel uit het ander, volgens eene
{tantvastige geboortewet, voortgeteeld,
wordt, Onder ’t gemeen is bekend, dat
de wind wordt voortgebragt door dam-
pen, welke door de warmte der zon in
den dampkring zyn opgeheven, en dat,
door hun aandryven, de wolken in re-
genvlagen opgelost, en door dien ed
| eis
NN DN
hee he se
causfis acquirere potest cognitionem , a primis ejus
initiis repetamus.
Immenfa profeéto est corum, que in hac Univer-
fitate contingunt, varietas , ac prope infinita ;
plures tamen efteétus , communi quodam vinculo,
inter fe colligari, unumgue phoenomenon , exalte-
ro, Conftantí nascendi lege procreari, facile unus-
quisque deprehendet. Vaporibus calore folis , in
atmosphaeram elevatis , ventum excitarl , eorum
I=
VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXL 135
de planten verfrist en de lucht gezuiverd
worden.
Evenwel wy leerden door de ondervin=
dinge, dat er zich eenige gewrochten op-
doen , zoo die dikwyls, als die zeldfaam
voorkoomen, welke niet gemakkelyk te
fchakelen en uit dezelfde wetten te ver-
klaaren zyn, Door ons gezicht weten wy ;
dat lichamen , aan hunzelven overgelaa-
ten, in eene loodlyne richtinge tot den
gezichteinder, nedervallen, en dat de
wateren der zee, op eene zekere manier,
nu aanvloeien naar, en dan wederom af-
vloeijen van de ftranden ; maar niemand
der ouden was het in zyn verftand ge«
komen, dat die verfchynzelen, welke ,
by den eerften opflag van het oog , zoo
verfchillende zyn, Gn volgen uit een
4 en
tnt
impetu nubes in pluvias refolvi, his plantas recrca-
ri, aêrem depurari, in vulgus notum est.
‚ Dari tamen effetus quosdam, obvios aeque, ac
rariores, qui non facile vel inter fe conneéti, vel
ex iisdem legibusexplicari posfint , experientiaedo-
cemur. Corpora fibi permisfa, dire&tione ad hori-
zontem perpendiculari , verfus terrae fuperficiem
cadere, itemque maris aquas, certa quadam ratio-
ne, ad lictora nunc affluere, mox refluere, vifu
cognoscimus, fed phoenomena haec , primo intui-
„tu tam diverla, ex uno , eodemque gravitationis
unal-
136 J. PAP DE FAGARAS ANT WOORD OP DE
en het zelfde beginzel der Algemeene
Zwaartekragt.
__ Nochtans zal elk Waereldbefchouwer,
die eenige verhevendheid van geest bezit,
gemakkelyk bevroeden, dat ook die din-
gen, welke niets onder elkanderen fchy-
nen gemeens te hebben, eenigzints mis-
fchien famenhangen; dat ook de ge-
wrochten, die zich zeldfamer opdoen ,
in den fchakel der Oorzaken en Gewroch-
ten, mogelyk wel eenige plaats vinden,
fchoon die wat afgelegen mogt zyn; dat
dit Geheelal maar een eenig werktuig is,
welks edelfte verrigtingen, volgens de-
zelfde wetten, afloopen ; dat er eenige
fchakelen zyn van de natuurlyke ketting,
welke de duiftere verfchynzelen met de
duidelyker bekenden, en de zeldfame
met
tst
univerfalis principio fequi, nemini veterum per=
fpeétum erat.
Facile tamen „ eretioris ingenii Univerfi fpeéta-
tor fufpicabieur , forte ea etiam, quae nil commu-
ne inter fe habere videantur, aliquo modo coheere-
re, effetus etiam rariores , locum aliguem in cate-
a causfarum, et effetuum , licet remotiorem „
vel oecultiorem, obtinere, esfe hoc Univerfum u-
nam quandam machinam , cujus nobiliores funétio=
nes jisdem legibus peragantur, dari quasdam natu=
Ta=
hd
VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXI, 137
met de meerwerf voorkomende, ver:
knochten. „En in deze meeninge wordt
hy van dag tot dag, door niewe waar-
nemingen, meer en meer bevestigd.
Door dit edel vermoeden opgewekt;
begonnen veelen het tooneel van “deze
waereld naawkeuriger te begluuren. Zy
achtteden het van hunnen pligt te zyn,
niet alleen opmerkzaam toe te luisteren,
alsde Natuur eenige byzonderheden van
hare geheimen, ongevergd verhaalde;
en dan, al wat zy hoorden, met malkan-
deren te vergelyken, en er niewigheden
uit te haalen; maar ook, wanneer zy
zweeg, haar te ondervraagen, en als zy
niet gul genoeg antwoordde, haar met
ondervragingen, welke met keurigheid
en fchranderheid waren opgefteld, in ’
| 5 _naaw
dre
ralis catene anfas, quae obfcuriora cum claris, ra=
riora cum obviis, conneêtant. In hac deinde opi-
nione , novis obfervationibus captis , magis , magis-
que, in dies confirmatur.
Nobili hac fufpicione excitati plurimi, inceperunt
hoe Univerfi theatrum accuratius contemplari, Non
folum icaque Naturam , quedam de fuis fecretis
fponte enarrantem, attente audire, audita inter fe
conferre , nova ex iis elicere; fed et eandem filen=
„tem inrerrogare, non fatis fincere refpondentem ,
‘ N qur=
af
18 J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE
naauw te brengen „en ter beantwoordinge
uit te lokken; en ook uit die dingen,
welke zy, uit eigen welgevallen, of na
herhaalde ondervraginge, uitte, met ee-
ne fcherpzinnige gisfinge, zulke gehei-
men op te maaken, welke zy, hardnek-
kig en wel beraaden, zocht te verzwy-
gen: 5:
Op deze wyze hebben, ten laatften,
aandachtige en oordeelkundige leerlin-
gen der Natuur kennisfe gekreegen aan
zoo veele , voormaals onbekende, foorten
van gewrochten,. welke elkaar in een
zekere orde opvolgen, of die aan mal-
kanderen vermaagfchapt zyn. Hier van
daan «koomt het, dat men, van aloude
tyden af, waarneemingen gemaakt en
die dikwyls herhaald heeft: hier ne
aan
tin
quzftionibus „ cum deleêtu et ingenio inftitutis ,
circumvenire, et ex ijs, que vel fuo lubitu, vel
frepius interrogata protulit, ea etiam , quee obftina-
to confilio reticere nititur, fugaci conjeêtura collie
gere, fuarum esfe partium putaverunt.
Hac demum ratione, attenti, et folertes Naturae
discipuli „tot anteaincognitas eftettuum „ vel certo fi-
bi ordine fuccedentium, vel eognatione conjunéto-
rum familias cognoverunt. Capte inde ab antiquis
temporibus obfervationes ; egedemque fiepius repeti=
tac,
VRAGE VOOR °T JAAR MDECLXXII, 139
daan, daten, met kunst, proefnee-
mingen gedaan, dat men door behulp
der waarneemingen (niewe wetten van
beweginge ontdekt en door proeven nies
we werktuigen heeft uitgedacht, en dat
men door die wederom veele dingen aan
* licht gebragt , en de harmonifche over-
eenftemminge van alle zaaken uitgevon-
den, en ook die, welke noch twyffelach-
tig konden fchynen, zoo lang voor waar
gehouden heeft, tot dat zy , door veler-
hande proefnemingen bewaarheid, eene
plaats, onder de zekere en beweezene
waarheden verkreegen.
_ Waarlyk men is aan deze wyze van
filofofeeren verfchuldigd, dat men de
onderlinge verbintenisfe der dingen, wel-
ke in dit Heelal gebeuren, begreepen
hebbende, thans de verfchynzels, elk
on-
linten
tae, infkituta cum arte experimenta; eorum ope novae
motus leges deteftae ; harum auxilio, nova inftru-
menta excogitata; his multa iterum, in lucem pro=
trata , harmonicus rerum omnium concentus detec=
tus; ea etiam , quae dubia videri poterant, pro ve-
ro tantisper habita, dum variis experimentis con-
firmata, locum inter certas veritates obtinerent,
Huic profeéto philofophandi methodo acceptum
referendum est, quod mutua eorum, que in hoe
Univerfo eveniunt, affinitate perfpeta; phoenoe
mee
14 J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE
onder zyne foorten en rangfchikkingen ;
welke doch niet zeer menigvuldig zyn,
gebragt, en de geflagtboomen der na-
_ tuurlyke waarheden, tot aan hunne eer-
fte beginzelen en wortelen toe gelukkig-
lyk gevolgd heeft en opgefpeurd, Heden
is het openbaar, * geen den ouden niet
eens in de gedachten kwam, dat door
„eene en dezelfde wet der byna algemee-
ne Aantrekkinge, de zwaare lichamen
naar het middelpunt der aarde gedron-
gen; de Planeeten binnen hunnen loop-
kringen gehouden „de vochten in de hair-
buizen opgeheven worden, en dat het
licht „als het in een dichter of ylder door-
fchynend lichaam valt, geknakt wordt.
Het ftaat, ten onzentyde, by alle wys-
geeren vast, dat dezelfde veerkragt der
luchteene blaas, welke men aan het vuur
brengt,
Baer
mena in fuas clasfes „ easque non ita multas, fint
relata, et genealogicae naturalium veritatum tabu-
lae, ad prima usque principia feliciter perduêtae.
Patet hodie, quod antiquis ne in mentem quidem
veniebat , una eademque fere uuiverfalis attratio-
nis lege, gravia ad centrum terrae detrudi, plane-
tas in orbitis fuis contineri, fluida in tubis capillari-
bus attolli „ lamen in medium denfias rariusque in-
cidens refringi. Conftat noftro tempore inter om-
nes „eandem-aëris elaftioitatem veficam igni admotam
ex-
— VRÁGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXII, 14E
brengt, uitzet, eenen kogel uit een {nap-
haan of luchtroer uitfchiet, de kwik in-
den Luchtzwaarteweeger doet ryzen, en
dat zy zich , byna in alle verfchynzelen,
welke op den aardbodem voorkomen,
inmengt. |
Hier door verkrygt men dit voordeel;
dat, alzoo er zoo veele en zoo verfchil«
lende gewrochten, uit eenige algemeene
wetten, verklaard worden, ook de een-
voudigheid, zoo wel als de duidelykheid
der Wetenfchap daar. door bevorderd
wordt ; want die algemeene wetten zyn
als zoo veele brandpunten, waar in alle
de ftraalen der natuurlyke waarheden,
welke, als door het Geheelal verfpreid,
de oogen ter naawer nood-met een flaaw-
lichtje troffen, famen. gebragt worden,
Mot en
tdi
à *. ZON
expandere , globum e felopeto pneumatico ejicere,
mercurium in barometro attollere , et omnibus fes
Te, quae in orbe terrarum contingunt, phoenome-
nis immifceri,. irr
„Hoe modo obtinetur, utdum tot, tamque diver-
fieffeétus, ex legibus aliquot generalibus explican=
tur, Scienttae fimplicitati aeque, ac: claritati con=
falatur; funt enim eae totidem velut foci, in qui=,
bus omnes veritatum naturalium radii, qui in toto,
antea difperû univerfo, vix debili quadam luce ocus
À n 8 zt los’
\
142 J. PAP DE FAGARAS ANT WOORD OPDE
en dus vereeriigd, en op eenc.gefchikte
wyze, in de oogen der ziele binnen ger
laaten, ons de beeldkennisfe der geheele
Natuur, met levendige verwen afgefchil-
derd, ter befchouwinge aanbieden, Ze
kerlyk die kundigheid mogt met regt voor
dé allervolkomenfte gehouden worden,
welke in een eenig beginzel beftaat, dat
volmaakt gekend-is, en dat alle waarhe-
den influit, ROIOW, LIRBLITAH AN
Edoch de Natuur fchynt. heláas! al
te afgunstig, met veele moeite te beletten;
dat geheimen, welke zy verdonkert, zoo
ligtelyk niet gekenden de wetten welke
zy volgt, zoo gemakkelyk niet ontdekt
worden. Zy verandert daarom ,.nu en
dan, van gelaad; dan koomt zy eens te
‘woorfchyn met een listig aangezicht, dat
RER, f - men
tnt n
Jos feriebant , colliguntur „ colleétique® ac in men-
tis oeulos lege debita immisfi, totius Naturae ima-
ginem , vivis depictam coloribus „nobis contemplan-
dam: offerunt. Ea certe cognitio, pro'omnibus nu-
meris abfoluta, jure haberi debet, quae uûo folo
principio, fed perfeCtisfime cognito ; oftnesqüe ve-
ritates includente continetur. shed ed
…-Ipfa tamen. Natura; wimiseheuT ifvidä, magno
conätu videtuúrimpedire, ne fecretàquêe premit, tam
facile eognoscantur, legesque, quas fequúitur , dete=
gantúr. Mautat itägue-fubirtde vultumt, nunc-fronte
ap=
VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXI. 143
men Gezichtkunde noemt, en dus brengt
zy onbedagtzaamen tot dwalinge, Straks
neemt zy eene andere gedaante aan, die
wel hare ware gedaante is, maar Zoo
onder eenen fluyer verborgen, dat zy
zonder fcherpziende oogen van redeneer-
kragt, onmogelyk te bezien is. ‘Terwyl
zy met een bedriegelyk aangezicht te
voorfchyn koomt, vertoont zy in % zel-
ve den hemel, als een hol halfrond, dat
met fterretjes, die even verre van ons
allen afzyn, bezaaid en befchilderd is,
de zon als in eenen kring rondom den
aardbol draaiende , en zy maakt het gee
meen diets, dat de Planeten voortgaan,
fluks op eene plaats blyven ftilftaan, en
eindelyk, den weg, welken zy reeds had-
den afgelegd, wederom te rug komen;
en
Sted
apparet fubdola, quae Optica appellatur , et incautos
inerrorem inducit. Mox fumit alteram, veram-qui-
dem , fed ita objefto velo occultatam, ut non nifi
acutis rationis oculis , cerni posfit. Dum fallaci-fa-
cie in medium prodic, in hac, Coelum inftar caví
alicujus hoemispherii, ftellulis , eodem a nobis: in=
tervallo diftantibus , diftin&i, depiétum nobis ex=
hibet ; folem: circa terram in gyrum verti, Planes
tas nunc ire, mox eidem loco alligarï’, tandemque
viam, quam emeníi erant relegere, vulgw perfua=
i det et ita miris nos praftigiis deeipit. De
8
\
T44 J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE
en zoo bedriegt zy ons met wonderlyke:
toovergreepen en beguichelingen.
Maar, gelyk de Cretenfer. Visnymf
Ditynna, zoo wordt ook deze kwaade
ftiefmoeder in haar eigen wargaren ge-
vangen: want zy is het met zich zelven
nieteens, zy fpreekt tegenftrydigheden :
en terwyl zy daar eeniglyk op uitzis, om
hen met leugens te bedodden, die haar
al te keurig naar hare geheimen onder-
vraagen, is zy, met dit al, zoo weinig
op hare hoede, dat zy zelve deswaar«
heid aan den dag brengt. Want daar
de fchrandere Filofoof, in de trekken.
van haare tronie, eenige teekenen van
bedrog opmerkt, begint hy fluks hare
woorden en antwoorden met elkanderen
onderling te vergelyken. Hy brengt zich
in
edet rt
At quemadmodum Cretenfis Dito , ita maligna
haec noverca, fuis dolis capitur, fecum n@mpe díis-
fidet ipfa, pugnantia loquitur, et dum id unice a-
git „ut curiofos nimium fuorum fecretorum percunc=
tatores mendaciis fallat , veritatem incauta pro-
dit. Dum enim folers Philofophus „ expresfas in
oris lineamentis fraudum notas animadvertit „ mox
ejus dia diftis, refponft refponfis , conferre inci=
pit, et ex iis, quae antea fponte , cum nondun de-
cipiendi animus ipfi erat, enarraverat, in memori- _
am
Erp wr ve
4
_ VRAGE VOOR °T JAAR MDCELXXI, 145
in gedachten, *t geen zy verhaalde, toert
hy zelf noch geen bedriegen in den zin
hadt, en nu haar van vals fpreeken over-
tuigd hebbende, brengt hy haar onder
{trenger onderzoek; en denkt bekwame
werktuigen uit, om ze te pynigen; Ver-
volgens de otmftandigheden van zaken
rypelyk overwegende, ontdekt hy ein-
delyk, met een vernuft, dat tot in de
verholenste fchuilhoeken . doordringt,
niet alleen alle hare bedriegeryen en lis-
ten, maar ook de manier en kunstjes,
met welke zy ons misleid en voor ons
veinst: ja zelfs wikt en bereekent hy de-
grootte van haar bedrog, en brengt het
onder het bereik van pasfer en cyfferinge.
Inde daad, door zoo groot eene kunst,
worden alle de miswyzingen van ’% ge-
IV: DEEL K zicht,
Si NIN NR ON NI 2
ED
revocatis, eam doli convictam , queftioni fubjicit „
excogitatis aptis ad hoc inftrumentis torquet, et
expeníis accurate rei circumftantiis, penetrante in
occultiora ingenio, non ipfos tantum ejus dolos„
fed et rationem, qua nos decipit, et quas adhibect
_fimulandi artes detegit, ípfamque fraudis, qua
utitur, quantítatem, circino et calculo fubjeétam „
onderat, fupputatque, Tanta certe arte, ex
olo angulo optico, et unica reflexionis ac refrac=
tonis lege, omnes vel vifionis fallaciae „ vel iridis
ly=
T46:J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE
zicht, -alle de fpeelingen des tegenboogs,
alle dé Bte der fpiegels en vee
orootslazen verklaard; mits men er al-
léen ‘defi gezichtshoek en de eenige wet
der "frraalbuiginge en ftraalknakkinge
byvoege. Langs dien weg worden de
ware tegelen der hemelfche beweegin-
geti’ klaar ten toont gefteld, en wel uit
verfchiynzelen, die ín den hemel voorval
leven, naar den uitterlyken fchyn, te-
gen @lkanderen ftryden. ‘Geen dan
ván.dit heuggelyk gevolg is, dat de Na-
tuur ‘van ‘haar momaanzicht beroofd
worde en dat wy hare ware gedaante
aanfchouwen kunnen,
Deze is de ware weg, langs welken
men veilig mag voortgaan, om van de
géwrochten tot de oorzaken op te klim-
meén, Want het aanwyzen en digen
ef
nende
lufus, vel fpeculorum, lentiumque fraudes expli-
cantur, tam eleganter, ex varlis que in Coelo
contingunt phoenomenis, fibi iVicem in fpeciem
contrariis, verae motuum coeleftium fegulae de-
teguntur, ut detrafta jam Naturae larva, veram ip="
fius faciem posfimus contemplari.
Haec est vera illa via, qua ex effeétibus ad eorum
Causfas, quam tutisfime „itur. Non profeCto fuavia
mentis (omnia pro Naturae legibus obtrudere, fed
ne
VRAGE VOOR’T JAAR MDCCLXXT, 14%
der oorzaken van de gebeurtenisfen des
Heelals is daar niet in gelegen, dat men
aangename droomen van % vernuft ie-
mand, voor Natuurwetten, opdringe;
of het geheugen overftelpe met eene ru-
we en ongefchikte menigte van proefne-
mingen: maar hier in beftaat het eigent
lyk, dat men, met oordeel en verkiezin:
ge, te werk gaa, in het doen der proef
nemingen, dat mert die, op verfchillen-
de wyzen, met elkanderen vergelyke,
en dus de algemeene wetten der bewees
ginge en de eigenfchappen derlichaamen
ontdekke: wyders, dat men,” uit -het
geen dus reeds bekend geworden was,
afleide *t geen tot hier toe moeilyk te
verklaaren fcheen ; dat men de fchynba-
re uitzonderingen, die dikwyls voorko-
K 2 men ,
bi
neque rudi et indigefta experimentorum mole , me-
moriam obruere, verum illis, eum dele&tu et cera
to confilio-inftitutis, vario inter fe modo combina=
tis, generales motus leges ac proprietates corpo=
rum detegere, ex his jam cognitis, ea etiam, que
explicatu difficilia videri poterant, deducere, ‘ex«
ceptiones, quae faepé contingunt, apparentes,
explicare, occafionem ad nova inftrumentä compo-
Denda captäre, his iterum ad experimenta nova,
eum -firecesfu applicatis, alias motus leges, pro=
: prie=
148 J;PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE
mên;-oplosfche; daf men de gelegen:
heid waarneeme, om niewe werktuigen
toe -terftellen: dat men die al verder,
tot niewe, proefneemingen, bezige; en
dus „als het wel gelukt, niewe wetten en
eigenfchappen der lichaamen uitvinde,
of dat;men de naawere verbintenisfe der
verfchynzelen waarneeme;, de laatfte
metde: middelfte en. de middelfte met
de gerfte verbinde, en zoo op den lad-
„der „der,-oorzaken en gewrochten van
flap tot ftáp hooger en hooger dagelyks
-„Zoo: wordt er ten laatfte een fchoon
famenftel van Natuurkunde uit. „opge-
bouwd;-ter voltootinge van het welke
de Wysgeer, de Meetkunftenaar en de
bloote. toekyker -elkanderen onskahne
| e
vennen mu
prietatesque- corporum detegere, vel arctiorem
phoenomenorum connexionem obfervare, extrema
cum mediis, media cum primis colligare, €t ita in
fcala causfarum et effettuum „ non Interruptis
gradibus, altius in dies progredi: hoc demum est
veras eventuum hujus Univerfi causfas asfignare.
Ita demum pulchrum aliquod Scientiae Naturalis
Syftema extruitur, ad quod felicius abfolvendum,
mutuasfibi praeftant operas , Philofophus, Geome-
tra, et Empiricus. Hic prima ponit GE
a
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI; 149
de behulpzame hand bieden. De een:
voudige Waarneemer. legt de eerfte
grondvestingen en brengt de bouwftof-
fe, ter oprichtinge van het huis van
nooden , by een, De Meetkunftenaar
legt de fondamenten vast, en zet er het
gevaarte op: en de Filofoof voegt alle
de deelen in eene fraaje order famen ,
vult de ledige vakken aan en draagt
zorge, zoo wel voor het fieraad, als
voor het gemak der wooninge.
Op dat men ons niet verdenke, dat
wy dit zonder grond zeggen, voegen
wy er een voorbeeld by. De bloote
“waatneemer bemerkende, dat de voch-
ten, in een vat beflooten, zich naar de
lyn van den gezichteinder, of het wa-
terpas, fchikken , legt, als *t ware, den
grondflag van het werk. De Wiskun-
Heb K 3 fte
OND (PAD
Bi ss Sad
at et aptam aedificio quaerit materiam , Ifte funda-
mentum firmat, et operis molem illi fuperftruit,
Ille diverfas ejus partes eleganter conneétit, in-
terititia replet, et ornatui, aeque , ac commoditati
„ confulit.
Ne gratis hoc dixisfe videamur , exemplum addi-
mus: fuida vafi inclufa, ad horizontalem lineam fe
_componere, obfervans Empiricus, hanc quafi bafin
_operi ponit. -Totam Hydroftatices molem,. in hoc
fun-
250 CPAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE
{tenaat' zet het geheel gevaarte van de
Waterweegkunde op dezen grondflag
neder, en betoogt de regelen van het
evenwigt; maar de Wysgeer ziet naaw-
keurig toe, hoe en op wat wyze, die
wetten uit de gedaante en het famenftel
der vloeiftoffen te verklaren zyn, of
hoe men andere Verfchynfelen der Na-
tuur onder deze wetten brengen kan.
Middelerwyl, daar de waarnemer zich
verwondert, als de Theorie aan de on-
dervindinge niet volkomen beantwoordt ,
of dat erin de Vloeiftoffen iets gebeurt,
2 geen uit de gemaakte wetten en rege-
Jen niet kan worden afgeleid, valt hy
van zelfs op eene niewe eigenfchap der
-vloeiftoffen, (te weeten op de veerkragt
der lucht) deze onderzoekt de Wiskun-
ftenaar en leid er veele andere waarhe-
den
, BNI PEN\II2
endet
fandamento collocat, et regulas aequilibrii demon-
ftrat Mathematicus, quomodo vel hae leges, ex
fivura ac ftrutura fluidorum, explicari , vel alia
Naturze phoenomena, ad illas revocari posfint
difpicit Philofophus. Interim, dum vel theoriam
experientiae non accurate refpondere, vel quaedam „
quae in fluidis eveniunt, ex his deduc1 non posfe
miratur, in novam aliquam fluidí propretatem
(puta aëris elafticitatem) incidit ille, hanc B
7 D
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXKIL, 151
den uit af; maar de Filofoof vorscht uit,
hoe zoo veele eigenfchappen onder el
kanderen famen hangen, of daar, toe
{trekken , om andere zaken, omtrend
welke hy voormaals gedubt had „ te doen
begrypen, en zyne niewe uitvindingen
past hy toe op een voordeelig gebruik;
in *t menfchelyk leven, of op het ver-
vaardigen van niewe kunsttuigen, |
De meeste Wysgeeren onzer eewe
koten daar in overeen, en zy zeggen
uit eenen mond, dat het de eenige ma
nier is, om van de gewrochten tot de
oorzake op te klimmen, als men door
Waar-Proefneemingen en Mathematifche
betogingen de ware eigenfchappen der
K 4 lichaa-
oe aal ala Í,
edt
nat, et multas alias veritates, ex illa deducit Ifte;
Hic vero, quomodo, vel tot qualitates, vel inter
fe cohaereant, vel illis, in quibus antca haeferat,
intelligendis inferviat , difpicit , easque vitae ufibus
Et machinis inveniendis applicat.
„ Confentiunt in haec praecipui feculi noftrí Phí-
lofophi, qui uno omnes ore asferunt, eam folam
esfe ex effeCtibus , ad eausfas afcendendi rationem,
qua, per obfervationes et Experimenta ac de-
monftrationes mathematicas, verae corporum pro-
prie=
152 J. PAP DE FAGARAS ANT WOORD OP DE
lichaamen en de wetten van beweeginge
ontdekt, en daarna, uit de zelve, alle
de veranderingen van % Geheel al, in
Overeenkomfte met de famentftellinge en
aard der lichaamen, verklaart, Dit zou
alleen fchynen in twyffel te kunnen ge-
trokken worden, of men er ten vollen
in berusten moet, wanneer de verkla-
ringe van een verfchynzel tot de alge-
meene wetten van beweeginge en de ei-
genfchappen der lichaamen, door proef-
neemingen, is gebragt geworden? Dan
of dezelve (gelyk veele {taande houden)
niet eerder tot hare volkomenheid ge-
bragt zy, voor. dat men uit de gedaante
der lichaamen, hunne gefteldheid en
onderlinge werkinge op elkanderen,
verklaard hebbe, waarom aan hun de-
ze
Kd ehs des se
prietates et leges motus deteguntur, et ex is
omnes Univerfi mutationes , ftruêturae corporum
ac indoli. convenienter, explicantur. Illud folum
dubium videri posfit, num phoenomeni alicujus ex-
plicatione „ ad generales motus leges et proprie-
tates corporpm, per experimenta deteétas, per=
_ducta, plena et adaequata ejus ratio habeatur? Vel
potius (quod multi contendunt) ea non prius petr=
eéte reddita fit, donec clare ex corporum figura,
Aruêtura mutpaque jn fe invicem operatione fuerit
KERS ASOR EI ET uE BATEN
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL, 153
ze eigenfchappen meer toekomen dan
anderen: waarom zy in hunne beweegin-
gen niet zoo wel aan deze, dan wel
aan verfcheidene anderen onderworpen
zyn? Zoo, by voorbeeld, als men het
hangen van de kwik in de buis van
Torricellius , uit de veerkragt der lucht,
verklaard heeft, meenen fommige wys-
geeren, dat zy de volledige oorzaak van
het verfchynzel hebben. opgegeeven;
maar anderen zeggen daarentegen, dat
er geene voldoende reden van gegeeven
wordt, dan wanneer het duidelyk, uit
de gedaante en geftalte der luchtdeelen,
en, uit de inwerkinge van eene zekere
fyne ftoffe, verklaard wordt, waarom
der lucht eene veerkragt meer toeko-
me, dan niet? Het daiirhich Genoot-
K fchap
bd ee a dd
explicatum, cur illis hae proprietates competant
potius , quam aliae? cur his magis legibus „ in fuis
motibys , fubjeéta fint, quam diverfis quibuscun-
que? Ita profeéto fufpenfione mercurii, in tubo
Torricelliano , ex elafticitate aêris explicata hi qui-
dem adaequatam phoenomeni causfam fe asfignasfe
-putant; ili, non prius, rationem ejus reddi con-
tendunt, quam diftinte, ex figura aëris et ftruc-
-tura, et operatione fubtilis cujusdam materiae fue-
‚ tit explicatum, cur aëri competat potius elaftici-
. tas
154 J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE
fchap fchynt de oplosfchinge van dit
verfchil te vorderen, wanneer het vraagt
Boe werre men in het ontdekken der oor-
gaaken moet voortgaan?
Om nu niet voorbarig iets vast te
ftellen omtrend een Gefchil, dat de
voornaamfte Filofoofen heeft bezig ge-
houden; zal het noodig zyn, dat wy
de eigenfchappen der lichaamen, zoo
wel als de wetten der beweegingen, on-
der twee foorten brengen. Onder de
eerfte rangfchikkinge komen de eigen-
{chappen , welke allen lichaamen gemeen
zyn,de Uitgeftrektheid „de Ondoordring-
baarheid en de Werkledigheid, als ook
de werktuigelyke wetten van beweegin-
ge, gelyk deze twee van Newton zyn:
De lichaamen blyven in hunne flaat van
rus-
eee
tas, quam non? Hujus jam controverfiae excusfi-
onem flagitare videtur Illuftris Societas „dum quae-
rit: Ouousque in Causfis detegendis fit progrediendum ?
Ne quid itaque praecipitantius, de Controverfia,
quae principes exercuit Philofophos, ftatuamus ,
oportet, ut in duas clasfes tam proprietates corpo=
rum, quam leges motus referamus. In prima com-
parent proprietates , omnibus corporibus commu-
nes, Extenfio, Impenetrabilitas et Inertia; item-
-gue leges motus mechanicae , quales funt Gat illae
CWe
_ VRAGE VOOR °T JAAR-MDCCLXXII. 155
ruste, of van: rechiftreekfche beweginge
en aan de dadelyke werkzaamheid is de
tegenovergeflelde wederwerkinge _gelyk.
Hier toe behooren ook de regelen van
de wryvinge der lichaamen, van de fa-
menftellinge, van de beweeginge en van
het evenwigt, van zelfs voortvloeiende
uit de gemeene eigenfchappen der lie
chaamen, welke zyn de werkledigheid
en de ondoordringbaarheid, Deze eigen-
_fchappen hebben de lichaamen, en dee-
ze beweegings wetten volgen zy, uit
kracht van het wezen, dat hun toekoomt;
zoo dat niemand reden vraagen zal,
waarom die aan de lichaamen toekoo-
men? ten zy hy teffens vraagen wil,
waarom een kring rond zy? '
51 Tot
ddr
Newtonianae: Corpora permanent in flatu fiso quieftendì
„wel movendi uniformiter in diretum „ itemqne Alioni ae-
gualis et contraria est Realtio, Huc etiam pertinent
__regulae collifionis corporum , compofitionis motus,
et aequilibrij, ex communibus corporum proprie=
tatibus , inertia ac. impenetrabilitate, prono alveo
profluentes. Has proprietates habent „ ‘hasque le-
ges motus fequuntur corpora, vi esfentiae fibi de
bitae, ut adeo rationem, cur eadem corporibus
competant? fibi reddi nemo poftulet, nifi eadem
opera quasrere velit , cur circulus fit rotundus?
de
156). PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE
Tot eene andere rangfchikkinge bren-
gen wy die eigenfchappen, die aan ee-
ne byzondere foort van lichaamen eigen
zyn, als by voorbeeld de veerkragt,
hardigheid, vloeibaarheid, enz, als ook
de algemeene wetten der zwaarte, van
veelen voor algemeene eigenfchappen
der lichaamen gehouden, maar noch
van niemand uit de ondoordringbaar-
heid en “werkledigheid verklaard, Dit
is uitgemaakt, dat de verfchynzelen,
welke in ’*t Heelal voorkomen, niets
anders zyn, dan noodzakelyke gevolgen
der algemeene wetten van beweeginge
(zoo wel van het werktuigkunstige, als
van die der algemeene aantrekkings-
kragt) zoo als dezelve {trooken met de
byzondere gefteldheid en aard a ou
aa-
nti
Ad alteram clasfem reducimus, proeprietates pe-
culiari tantum eorporum clasfi proprias, quales funt
elafticitas , durities, fluiditas &c: itemque gene-
rales univerfalis gravitationis leges, a multis pro
communiíbus corporum proprietatibus habitas, fed
a nemine ex impenetrabilitate , ac inertia explica=
tas. Illud in confesfo est, phoenomena quae in
Univerfo eveniunt, nihil aliud esfe, quam feque-
las generalium motus legum (tam illarum mechani-
carum, quam harum attrationis univerfalis) neces-
Ì ie
‚_VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL, 157
haamen. En daar over is ook geene
de geringfte twist onder de Filofoofen,
dat de hoedanigheden der lichaamen,
voor zoo verre die alleen aan eene by-
zondere foort eigen zyn, op zekere,
fchoon dikwerf onbekende, wyze, fa-,
menhangen met het inwendig geftel en
werktuigelyke famenbindinge der dee-
len, zoo dat het tegen de natuur der
zaaken niet ftryden zou, als er eene
werktuigkundige verklaringe, uit de by--
zondere famenftellinge der lichaamen,
aan welke die hoedanigheden toekomen,
ontleend wierd. Maar over de wetten
der algemeene zwaartekragt is het ge:
voelen van allen niet het zelfde, Daar
zyn er, die ftellen, dat deeze, zoo vel
als
tinten)
farias, peculiari corporum ftruêturae, ac indoli
convenientes.. Neque de eo ulla inter Philofophos
intercedit Controverfia, qualitates corporum, p€-
culiari tantum eorum clasfi proprias, certa quadam
ratione , licet faepe incognita, cum interiore ftruc-
tura, ac organismo cohaerere , ut adeo earum dari
explicationem mechanicam , ex peculiari corporum,
quibus competunt, conformatione repetitam, na-
turae rerum non repugnet. Sed de gravitationis
univerfalis legibus, non una eademque omnium
est fententia, Sunt qui has, aeque ac illas mecha-
; nl-
158 Je PAP DE FAGARÁS ANT WOORD OPDE
als andere werktuigelyke wetten, aan
de lichaamen wezentlyk eigen zyn. An-
deren behaagt het meer , dezelve te ‘hou-
den voor eene algemeene en inwendige
hoedanigheid. der ftoffe, maar die er
door de kragt van God aan gegeeven
en in gedrukt zy. Eindelyk mangelt
het ook aan zulke niet, die dezelve van
de drukkinge eener fyne ftoffe, welke
zy (ether) hemellugt noemen, afleiden.
* Zal nu onze pligt zyn, dat wy over
deze verfchillende begrippen ons gevoe«
len zeggen. | | |
Gemakkelyk zullen wy de wetter
der algemeene Aantrekkingskragt, wel-
ke den lichaamen wezentlyk eigen zyn,
tegen de Ongodisten en zulken, die
met hun van het zelfde gevoelen ayn,
e-
td
nicas, corporibus esfentiales esfe ftatuant. Aliis
easdem pro univerfali equidem ac interna materiae
qualitate, fed per Dei potentiam illf indita ac im-
presfa, habere, magis placet. Nec defunt denique’,
qui has a presfione fubtilis cujusdam materiae
quam aethera nominant, repetunt, Noftrum jam
est, ut de diverfis his opinionibus, dicamus fen=
tentiam, ô
Nos esfe , has attraétionis univerfalis leges, cor=
poribus esfentiales, facili opera, contra EE
elis
VRAGE VOÓR °T JAAR MDOCLXxn. 159
bewyzen, Voorwaar! niemand kan loo-
chenen, dat de wezentlyke eigenfchap-
pen eener zelfftandigheid, aanhoudend,
in de zaak blyven, en van haar, zelfs
niet in onze gedachten, konnen worden
afgefcheiden ; alhoewel er, buiten haar,
geene andere zelfftandigheeden aanwe-
zig waren. Buiten twyftel zou het vier-
kant der Hypothenufa gelyk zyn aan
de vierkanten der twee andere zyden;
of fchoon er alleen driehoeken en gee-
ne andere figuren beftaan konden. Maar
wat de zwaarte zy, kan men zelfs niet
eens begrypen, ten zy men een punt
ftelle, daar het lichaam, door zyne
zwaarte, naar toe gedreven wordt, en
teffens eene ftrekkende lyn, langs welke
het zwaare, aan zich zelven overgelaa-
ten ;
Brrr
aliosque idem fentientes demonftrabimus. Illud
profeéto nemo negat, esfentiales fubftantiae cujus-
cunque proprietates rei ipfi conftanter inesfe, ne=
que abea, vel cogitatione feparari posfe„ etiamfi
nullae aliae fubftantiae, praeter illam exifterent.
Maneret procul dubio Hypothenufae quadratum
aequale Qquadratis duorum aliorum laterum, etiam
fi fola triangula, et nullae aliae figurae „ dari pos-
fent. At gravitas quid fit? ne intelligi quidem
potest, nifi detur punêtum aliquod, in quod cor=
pus
160 J. PAP DE FAGARAS AN T WOORD OP DE
ten, nedervalt. Vootwaar! indien er ees
nige kragt van aantrekkinge is, blyft
zy niet in het onderwerp, tot welks
wezen zy echter behoort, maar zy ftrekt
zich - uit--naar iets dat „mensizich.
verbeeld, buiten het zelve te zyn, en
eene plaats te beflaan, die: van. des-
zelfs ruimte onderfcheiden is, Maar ,
„met welk recht, brengt men. die tot
deszelfs wezentlyke eigenfchappen ? Ge-
wisfelyk , zoo men de wezentlyke hoe-
danigheeden met de lydingen niet. ver-
mengen en verwarren wil, is het noodig,
dat, als men de toeeigenzels eener zaak
onderzoekt, men dezelve, in naarvol-
ginge der Wiskunftenaars, afzonderlyk
onderfcheiden van alle anderen , befchou-
we, Derhalven , zoo men een Herer
ak
td
pus gravitet, linea diretionis, juxta quam grave ,
fibi permisfum, cadat. Vis profecto attrahendi fi
qua est, non manet in fubjetto, ad cujus esfen-
tiam tamen pertinet, fed tendit in aliquid, quod
extra illud exiftere, feparatumque ab ejus fpatio
locum occupare, concipitur. Quo itaque jure il
lam, ad estentiales proprietates referes? Certe nifi
esfentiales qualitates, cum pasfionibus permifcere
volueris, oportet, ut dum in rei attributa inquiris „
eam feparatam ab omnibus aliis (Mathematicos imi-
tan
VRAGE VOORT JAAR MDCCLXXIL 16E
alleen in dit of dat gedeelte der ruim:
te zich voorftelt aanwezig te zyn, hoe
zalmen, bidde ik u, aan het zelve eene
gedurig aanhoudende poginge, grootere
en kleinere, naar de verfchillende dee-
len der ruimte, toekennen? Bygevolg,
alzoo de bloote befchouwinge des on=
derwerps, waar in de Aantrekkings- en
Zwaartekragt zich opdoen, niet genoeg
is, om een begrip van die beide kragten
te leeren vormen; is het ook klaarbly-
kende, dat zy tot het wezen van de
aantrekkende zelfftandigheid geenzints
gebragt kunnen worden, ten zy de
Tegenftanders beweeren, dat er geene
wezentlyke eigenfchap van de Parabola ;
zonder de natuur des Cirkels, ver-
klaard kan worden.
IV, DEEL. L Maar
dd
tando ) contempleris. Quod fi itaque corpus alí-
quod folum, in quacunguùe fpatii parte existere co-
gites, quomodo quaefo ipfi continuum quendam
nifum, eumque pro diverfis fpatii partibus, majo=
rem, minoremque attribues, Cum itaque ad has
attraétionis et gravitatis vires intelligendas, folius
fubjeêti, cuiinfunt , confideratfo non fufficiat; evi-
dens est, has ad fubftantiae attrahentis esfentiam „
referri neutiguam posfe , nifi esfentialem aliquam
Parabolae proprietatem, fine circuli natura, expli-
cari non posfe, contendant Adverfarii,
At
162 JePAP DE FAGARAS ANT WOORDOPDE
Maar wat hebben wy veele woorden
van-nooden? mogelyk zult gy dit niet
ontkennen, dat er geene kragt van be-
weeginge aan een lichaam wezentlyk
eigen zy. Voorwaar alle de verande-
ringen der lichaamen, zonder welke de
beweeginge niet beftaan kan, koomen
voort van uitwendige oorzaaken, en
dit is reeds over lange beweezen; daar
het niet eerder gefchieden kan, dat een
ding van, wegens en door, zyn wezen
veranderen zou, voor dat een cirkel
zyne. ronde gedaante’ in eene vierkante
verandere, Maar zoo het lichaam gee-
ne beweegings kragt, uit en van we-
gens zyn wezen, hebben kan, zal het
noch zoo veel te minder eene aantrek-
kende kragt kunnen hebben, Want zoo
IC
Sn
At quid multis opus est? hoc forte non negabis ,
nullam vim movendi corpori esfentialem esfe posfe,
Omnes profecto corporum mutationes, fine quibus
motus esfe nequit, abexternis caufis provenire , du-
dum demonftratum est, cum, utres aliqua per es-
fentiam faam mutetur , non prius fieri posfit, quam
Circulus rotundam faam figuram in quadratam mu-
tet. Atfi corpus vim moventem, per esfentiam
fuam, habere nequeat, tanto minus habebit vim at-
trahentem. Quod fi enim quis explicet, quomodo
Cor=-
VRAGE VOOR °T. JAAR MDCCLK IL. 163
iemand verklaart, hoe een lichaam 3
dat niet veranderd wordt en ftantvas-
tig blyft op dezelfde plaatze, een an:
der lichaam in eenen zekeren afftand
van hem gefteld, beweegen en deszelfs
ftaat veranderen kan? die zal ook met
de zelfde moeite verklaaren, hoe een
volllagen gemis iets werkelyks, en de
duisternisfe het licht kan voortbrengen
Want de ruste der deelen, welke nood=
wendig in een aantrekkend lichaam,
door mangel van een inwendig begin-
zel van beweeginge, moet aanwezig
zyn, is met de eene trap van fnelheid„
in de aangetrokkene ftoffe verwekt,
zoo min verknocht, als met de andere,
(alzoo zy niets anders is dan een man-
gel van beweeginge). Nooit zal men
La by.
gotten
corpus aliquod, quod nihil mutatur, et in loco fuo
conftanter manet, corpus aliud, quolibet a fe fen
junétum intervallo , loco fuoemovere , et {tatum il-
ius mutare posfit? eadem opera, quomodo merus
defeétus aliquid pofitivi , tenebrae lucem producere
posfent? cxplicabit. Quies profeéto partiurn, quas
in corpore attraente, per defetum interni motus
principii, neeesfario adesfe debet ‚ non magis: cunr
hoe celeritatis, in materia attraéta excitatae „ gra-
du connexa est, quam cum illo , (cum nihil fr,
nie
164: J.PAP DE FAGARAS ANT WOORD OP DE
__bygevolg, uit den ftaat van een aan-
trekkend. lichaam, begrypen , waarom
de‘-aangetrokkene ftoffe , liever met de-
ze hoegrootheid van fnelte, dan met
eene andere, in beweeginge worde ge-
bragt. EEN
Alle deeze dingen zyn met de waar--
heid zoo overeenftemmende, dat men
zich verwonderen moete, hoe de an-
derzints zeer oordeelkundige Cotefius ,
in. zyne voorrede voor de beginzelen
van Newton, meer vergt dan verzoekt
van zynen leezer, dat hy de zwaarte
voor even gelyke wezentlyke hoedanig-
heid der; {toffe houde, als de ondoor-
dringbaarheid, Maar er zyn al te veel
dingen tegen, dan dat wy deze harde
afvorderinge zouden toeftemmen en on-
md der-
NDA DAS ANANAS
ed sds hee se Sd
nifi defe@tus motus). Nunquam itaque ex corporis
attrahentis ftatu, intelliges , cur materia attracta,
hac potius celeritatis quancitate , quam illa, admo-
tum concitetur.
Sunt haec omnia veritatitam conformia, ut mira-
ri fubeat, acutisfimum caetera Cotefium, in Preefa-
tione , Newtoni principiis preemisfà, poftulare ma-
gis-aLeêtore fuo, quam petere, utgraviratem, pro
aeque. esfentiali materiac qualitate habeat, ac ipfaä
est impenetrabilitas. At multa nimis obftant, quo
mi=
VRAGE VOOR °T JÁAR MDCCLXXIL' 165
derteekenen. Dat zekerlyk is algemeen
aangenomen, dat men het tegengeftel-
de, van ’t gunt aan deze of die’ zake
wezentlyk eigen is, met zyne gedach-
ten zelfs zich niet kán voorftellen, - of
met zyne verbeeldinge verzinnen, ten
Zy iemand eenen berg zonder ‘valley,
of een driehoek, welks drie hoeken aan
evenveele rechte hoeken gelyk zyn,
zich vertegenwoordigen kan. Maar het
tegengeftelde van die poginge, welke de
lichaamen uit hoofde van de zwaartekragt
hebben, kan elk zich gemakkelyk, in
zyn verftand,voorftellen, Ja zoo gy twee
lichaamen begrypt, op eenen zekeren
afftand gefcheiden van elkanderen, en
niet op elkanderen werkende , door mid-
del van tusfchen in geftelde lichaamen :
15 (want
ee
minus, duro huie poftulato, fubferibamus.. Illud
certe in confesfo est, ejus, quod rei cuicunque
esfentiale est contrarium, nec cogitatione con-
cipi, nec imaginatione fingi poste, nifi quis mon-
tem fne valle, aut triangulum, ecujus tres anguli
totidem rectis fint acquales., fibi reprac{entare quc-
at. At nifusillius, quem corpora vi gravitationis
habent, contrarium, facile unusquisque mente
concipit. Imo fi duo carpora, quolibet afe intervallo
fejunéta , neque medio corporum oggjedhoruuns
(hee
166 j, PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE
(want dit zou tot de aanftootinge be-
hooren) zoo zult gy nooit befeffen , hoe
die. elkanderen tot bewgegen kunnen
aanporren ; zoo dat zelfs daar uit bly-
ke, dat dit liever wezentlyk is aan de
lichaamen, dat zy geene uitwerkinge
doen in den afftand, Watzeggeik? het
is eene „algemeene Grondftellinge der
Wysgeeren, dat het geen, uit zyn eigen
aard, niet alleen trappen toelaat, maar
ook zonder bepaalde grenzen van hoe-
grootheid, welke men altyd in zyne
gedachten hooger en hooger verzinnen
kan, niet. kan begreepen worden, niet
behooren kan tot de wezentlyke ei-
genfchappen van eene zelfftandigheid,
Want-in het geen, dat volftrekt nood-
za
(2 7, VIN ON DIN 1 NI ANDER , A \
(hoc enim ad impulfionem pertineret) in fe invi-
cem agentia, cogites, ea, fe mutuo in motumcon-
eitare posfe, nunquam concipies, ut vel ex hoc
rateat, hoe potius corporibus esfentiale esfe, ut
nullam in diftantia operationem edant. Quid, quod
commune Philofophorum Axioma fit: illad, quod
natura fua, non tantum admittit gradus, verum
etiam, fine determinatis quantitatis limitibus , quos
majores cogitando faltim fingere posfis , concipt
nequit, ad esfentiales Subftantiae alicujus proprie-
tates pertinere non posfe: Nulli enim in are
VRAGE VOOR °T JAAR MDCOLXSEK 16%
zakelyk is, kunnen geene trappen of
grenspalen uitgedacht of verzonnen
worden, ten zy deeze eigenfchap in den
cirkel in eenen hoogeren trap beftaan
kon, dat zyne ftralen met de raaklynen
eenen rechten hoek uitleeveren. Maar
de Tegenftreevers kunnen zelve niet
loochenen, dat de zwaartekragt en de
kragt van Aantrekkinge altyd, met ee-
ne zekere bepaalde hoegrootheid, voor-
zien zyn, en dat men daar van het
dubbele en het driedubbele zich gemak-
kelyk kan voorftellen. Oneindig zyn
de wezentlyke eigenfchappen eener za-
ke, daar zy volftrekt noodzakelyk zyn.
Waarlyk zoodanige eene eigenfchap is
de ondoordringbaarheid , om welker
uitwerkinge te boven te komen geene
L 4 kragt,
Gtt
necesfario gradus, nulli limites, vel cogitandofingi
posfuünt, nifi posfit circulo magis inesfe haec pro=
prietas, quam inest, ut radii ejus cum tangente,
angulum reétum conftituant. At vim gravitatis,
et attraétionis , certa femper magnitudine, eaque
determinata esfe preditam, cujusduplam , triplam-
que facile conceperis , ne ipfi quidem Adverfärii
diffitentur. Infinita funt rei cujusque esfentialia,
cum fint abfolute necesfària. Talis vere proprietas
est impenetrabilitas, cujus- effeCtui fuperando ,
f nul=
168 j. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE
kragt, zelfs geen oneindig vermogen ;
genoegzaam is. Maar de aantrekkings-
kragten zyn eindig, zy hebben eene
bepaalde ingefpannenheid, die aanwast
en afneemt, en die door kragten, in ee-
ne tegenftrydige ftrekkinge gerigt, ge-
makkelyk verminderen, ja zelfs zoo,
dat alle hare uitwerkzelen weggenomen
worden, De eigenfchappen der dingen,
welke haar zoo wezentlyk zyn, als de
ondoordringbaarheid in een lichaam is,
worden door geene ruimte afgepast, en
nergens in geene plaatze verfterkt of
verflapt. De ondoordringbaarheid der
lichamen is even dezelfde in de Maan,
welke zy op de Aarde is, Maar de aan-
trekkingskragt is verfchillende, naar de
verfchillende deelen der ruimte, Zy
groeit
St
nulla vis, ne quidem infinita, fufficit, At finitae
funt attrahendi vires, habent eae intenfitatem limi-
tatam, crefeentem, decrefcentemque, et quae vi-
ribus, in contrarium direCtis, facile minui, cujus-
que effeétus omnes tolli posfint. Proprietates
rerum,-quae ica ipfis funt esfentiales, ac impene-
trabiticas corpori est, nullo fpatiolimitantur, nullo
in loco intenduntar, vel remittuntur. Impenetra-
bilitas corporum eadem prorfus est in Luna, quae
in Terra, at vis attrahendi, pro variis fpatii pand
us,
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL. 169
groeit aan, naar mate dat de afftand
vermindert, en zy vermindert, naar ma-
te de nabyheid toeneemt. Zy wordt van
oorzaken, welke buiten het onderwerp
zyn, teweeten de plaats, bepaald en be-
perkt; en zy heeftharen aard, dat is ha-
re bepaalde fterkte, zonder welke zy
niet beftaan kan , niet van het wezen zelfs
der zaken, waar van Zy een toevoeg-
zel is, maar zy ontleent die van oor-
zaken, buiten die zaak, dat is van de
verfchillende deelen der ruimte. Ja dee-
‚ze wezentlyke eigenfchap van alle de
_lichaamen fchynt niet, op eene en-de-
zelfde wyze, aan alle -die lichaamen
toe te behooren. Zoo dat, als de ver-
fchynzelen verfchillen ,-de Natuurkun-
digen verplicht zyn, hunne wetten van
aantrekkinge insgelyks te veranderen,
L 5 en
bus, varia est. Crefcit decrefcente diftantia; des
crefcit, crefcenteilla. A causfis extra fubjeétum po-
fits , loco feilieet , determinatur , etlimitatur, na-
turamque faam, id est determinatam, fine qua este
non potest, intenfitatem, non ab ipfa rei, cujus
attributum est , esfentia, verum a causfis extra illam
pofitis , diverfis nempe fpatii partibus, mutuatur.
Imo esfentialis haec corporum omnium proprietas ,
non eodem modo corporibus omnibus competere
vie
170 J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE
en ook gedwongen worden te belyden,
dat er veele uitzonderingen van den
algemeenen regel der aantrekkinge voor-
vallen; *t geen niemand zal kunnen
zeggen van de wezentlyke eigenfchap-
pen der lichaamen, gelyk daar is de
ondoordringbaarheid,-
Na dat wy nu getoond hebben, dat
de algemeene wetten der aantrekkinge
niet onveranderlyk, maar wisfelvallig
zyn, fchynt de orde van zaken te eis-
fchen, dat wy ons gevoelen zeggen
over het gefchil, dat reeds federt New-
tons tyden is leevendig gehouden; te
weeten , of de aantrekkingskragten inwen-
dige boedanigbeden der lichaamen zyn,
nochtans hun wan God ingegeeven? of
diever dat zy alleen verfchynzelen Is
. WEL=
Grent
videtur. Itaut phoenomenis variantibus, fuas eti-
am attractionis leges , Phyfici fubinde immutare
debeant, et plurimas , a generali attra&tionis regu-
la, exceptiones contingere , cogantur confiteri,
quod de esfentialibus corporum proprietatibus , qua-
lis est impenetrabilitas, nemo dixerit.
Oftenfa evidenter generalium attraCtionis legum
contingentia , ordo jam videtur flagitare , ut de
Controverfia, inde a Newtoni temporibus agitata:
Sum foilicet ires attrabendi fint qualitates vorporum ad
er=
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL, 171
mwelke in overeenkoomst met de wetten der
werktuigkunde en famenftellinge der lic-
baamen, uit de bewerkingen van uitwen-
dige oorzaaken moeten verklaard worden?
Leibnitz heeft menigmaal gezegd, dat
zy laage Filofoofen zyn, die de toffe
met inwendige kragten van aantrekkin-
ge en zwaarte belaaden en alles met
wonderwerken vervullen , en de herfen-
fchimmen der Peripatetici en fchool-
geleerden, van Verulamius met verach-
tinge uitgebannen, wederom te rug
roepen , en die befchuldigingen van
Leibnitz hebben Bernouilli, Wolf en
anderen onderteekend. De voornaam-
fte leerlingen van Newton, daar door
in geenen deele onthutst, verklaarden
opentlyk, dat zy de zwaarte ee de
an-
vnertrt
ternae, a Deo tamen illis inditae, aut potius fint tantum
phoenomena, ex operationibus causfarum externarum , legi=
bus mechanicis, ac flruFurae corporum convenienter expli=
canda „ noftram dicamus fententiam. Ignâvos hos
esfe Philofophos , materiam internisattraétionis , et
gravitatis viribus onerantes, miraculis omnia com-
plere, explofas a Verulamio Peripateticorum chi-
mgeras revocare „ faepius dixit Leibnitzius , fubfcrib=
feruntejus accufationi Bernoullius , Wolfius aliique.
Nihil his moti praecipui Newtoni Discipuli, De
Im
172 J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE
Aantrekkinge zoo lang voor Natuur-
kundige oorzaaken der verfchynzelen,
en wel voor volledige oorzaaken der-
zelve, houden zullen, tot dat iemand,
door middel van ontwyffelbaare proef-
neemingen, maar niet uit loutere ver-
onderftellinge, eene verzonne fyne he-
mellugt te baat neemende, zal betoogd
hebben, dat alle beweeginge in de Na-
tuur door aanftootinge verrigt worde:
(t geen zy meenden dat zou kunnen
gefchieden, als de kalveren op het ys
danfen.) Verder, dat zy met de verbor-
gene hoedanigheden der Peripatetici
niets gemeens hebben, maar dat zy tef-
fens ook de Natuurkennis met geen ver-
zinfelen van veronderftellingen overlaa-
den willen, alzoo die meer droomen
| ï fchy-
blice declararunt, fe gravitatem et attractionem
tamdiu pro phyficis phoenomenorum causfis, iis-
que adaequatis, habere, donec aliquis , ope experi-
mentorum indubiorum, non ex Hypothefi, fiCtiti-
um aethera asfumendo , demontftraverit , omnem in
Natura motum, fieri per impulfionem, (id quod
ad Calendas graecas preeftari posfe opinati fant) fe
eum occultis Peripateticorum qualitatibus , nilcom-
mune habere, fed neque Hypothefium commentis ,
quae febricitantis magis fomnia, quam anar
° en-
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 173
fchynen te zyn van kranke herfens,
dan gevoelens van wysgeeren: en dat zy
wyders, niet door redeneeringe, maar
door proefneemingen , onderzoeken,
welke hoedanigheden een lichaam heb-
be, alzoo het wezen des lichaams ons
onbekend is, en alle de kennisfe, wel-
ke men daar aan heeft, alleen aan de
ondervindinge moet worden dank ge--
weeten. Dat ook zelfs Partyen, om
de wetten van *t Geheelal te verklaa-
ren, eindelyk tot Gods wil den toe-
vlucht neemen, en dat er niets aan ge-
leegen ligt, of men zulks regtftreeks
doe, dan of men daar toe veele omwe-
gen gebruike ?
“Terwyl wy ons oordeel ín die twis-
ten mengen zullen, zullen wy ook het
ge-
hide dd
fententiae videri posfint, Scientiam Naturalem one-
rare velle, neque quas corpus qualitates habeat,
per ratiocinia, verum per experimenta indagare,
eum corporis esfentia nobis ignota fit, et omnis de
ea cognitio, foli experientiae debeatur. Ipfos eti-
am Adverfarios, ad motus Univerfi explicandos,
ultimo ad voluntatem Dei recurrere, ad quam an
en 2 an per quaefitas ambages recurras, nihil in-
rest,
Noftrum his litibus interpofituri judicium, pri-
mo
174 Je PAP DE FAGARAS ANTWOORD ÓP DE
gevoelen der Wolfiaanen eerst onder:
zoeken. Wy fchatten, dat zy zich niet
gelyk zyn, en dat zy dezelfde oude
lappen der fcholastyken dragen, welke
Zy gaarne op de kleederen der Newto-
niaanen naaien zouden. Laaten wy een
weinig naar hen luifteren, daar zy te-
gen de Newtoniaanen zintwisten. De
Aantrekkinge en zwaarte zyn wonder-
werken, zoo zy voor inwendige hoeda=
nigheden der ftoffe gehouden worden,
Want dit is niet anders, dan eene zoo-
danige veranderinge in een werktuige-
lyk lichaam, welke men uit het geftel
des lichaams, door de wetten der be-
weeginge, niet verklaaren kan: ’ geen
omtrend de zwaarte niemand kan ver-
richten, Maar de Newtoniaanen houden
de-
ed
mmo omnium Wolfianorum fententiam examinabi=
mus. Non conftare hos fibi, et casdem Scholasti=
corum lacinias , quas Newtonianis asfuere vellent ,
ipfos gerere arbitramur. Autcultemus tantisper ip-
fis, contra Newtonianos difputantibus. Attractio
et gravitas „ fi pro internis materiae qualitatibus
habeantur, fant miracula. Hoe enim nihil aliud
est, quam talis in corpore organico mutatio, quam
ex ftruftura corporis, per regulas motus, explica=
re non licet, quod circa gravitatem nemo Damen
ee
VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXIL 175
deze wetten voor regelen van bewee-
ginge, en dus hebben zy die uit de lyst
der wonderwerken uitgefchrabt. Dat is
goed; maar daar moet eene zekere re-
_den voor handen zyn, waarom de ftof-
fe meer deeze wetten volgt, dan wel
andere, en ten zy men die kan ont-
leenen uit het geftel der lichaamen en
derzelver famenvoeginge, worden de
verborgene hoedanigheden der Scholas-
tyken wederom uit hare ballingfchap
thuis geroepen. De Newtoniaanen zul-
len buiten twyffel zeggen , dat men de
reden derzelven in Gods wille zoeken
moet. Maar op die wyze voert men
eene al te gemakkelyke wyze van filo-
fofeeren in. Want wat is er gemakke-
lyker, dan God, als werkmeester en
werk.
, DDA ON DADA DAN (NZA
otd
At, has leges Newtoniani pro ipfis motus regu-
lis habent, et hoc ipfo, miraculorum catalogo cx-
punxerunt. Rette vero, fed ratio aliquaadesfe de=
bet, cur materia has potius fequatur leges, quam
alias, quae nifi ex ftruêtura corporum , et modo
compofitionis „ reddi posfit , occultae Scholafticorum
qualitates revocantur. Rationem proculdubio, in
Voluntate Dei quaerendam esfe dicent Newtonia-
ni, Sed, hac ratione , facilis nimium philofophandi
Methodus introducitur, Quid enim commodius „
quam
176 J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE
werktuigteffens, maar te hulpe te roepen,
om een verfchynzel uitteleggen ? Voor-
waar Gods wille is niet onverfchillig ,
maar heeft altoos wyze redenen, ont-
leend van de Nature des voorwerps;
dus is het uwe pligt, te verklaaren, hoe
hy, in het byzetten van die krachten
aan de ftoffe, hare gedaante en famen-
ftellinge in aanmerkinge genomen heb-
be, God kan aan eene zelfftandigheid
geene andere hoedanigheden byzetten,
dan die, welke hare natuur dulden kan.
Mogelyk zal het tot de natuur der ftof-
fe behooren, dat zy alle andere aan-
trekt. Met dit te zeggen wint gy niets;
dezelfde vraage loopt u telkens weêr
voor uit; waarom dan deze juist meer
de natuur der lichaamen zy, dat zy an-
| dere
sentent
quam, ad phoenomenun explicanium , Deum e ma-
china advocare ? Voluntas profetto Dei non est
arbitraria, fed habet femper rationes fapientes, a
Natura objeti defumtas: tuumitaqueest explicare ,
quomodo Ipfe , in his viribus materie conferendis ,
figurae ejus, et ftruêturae racionem habuerit. De-
us non alias fubftantiae cuicunque proprietates in-
dere potest, quam quas natura ejus patiatur. For-
te tamen ad naruram materiae pertinet, ut omnem
aliam attrahact, nihil hoc dicendo proficis: eadem
ubique te precurrit queeftio-, cur potius-haec fit
na-
VRAGE VOOR °T JAAR MDOOLKXH. 197
dere aantrekken, dan dat zy dit niet
doen? waarom de zuivere lichaamen ;
meer naar het middelpunt der aarde,
dan wel naar hare as neigen? alzoo het
een, zoo min als het ander, uit hun we-
zen volgt. Al antwoordt gy duizend-
maal, het zelfde vraagftuk zal u wederom
voorgedragen worden; ten zy gy deze
krachten uit het inwendige ftelzel der
deelen van de ftoffe „en uit andere werk-
tuigige oorzaaken verklaart , of rond uit
bekendt, dat die krachten, aan de hoeda-
danigheden der Scholastyken vermaag-
{chapt zyn, Maar de krachten wofden
uit de uitwerkzelen gekend: en als wy op
dezelve letten , worden wy onderrigt;
dat zy in het lichaam: zyn. Moet dan
een _Hilofoof het oordeel van zyne
IV, DEEL M zin-
UM MMA Mrs
Bh hb
natura corporum ut fe attrahant „quam non, eur
gravia, ad centrum terre potius, quam ad axim
tendant, cum ex esfentia eorum, non magis unum
fequatur, quam alterum. Millies licet refpondeas „
eadem tibi de hovo proponetur quaeftio; nifi vel
has vires ex interna partum materiae ftru&tura pe
cacterisque caufis mechanicis explices, aut Schola- f
{ticorum qualitatibus affines esfe ‚ ingenue fatearis.
Vires tamen ex effectibus cognoscuntur, ad quos
fi attendimus, has corpori inesfe docemur, Itane
vero
178 J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE
zintuigen en inbeeldinge volgen? Deze
bieden ons alleen de fchors der dingen
aan; en men is gehouden, naar de kern
te zoeken. Zoo koomt het ons voor,
en wie zal dat loochenen? dat de lí-
chaamen zich onderling aantrekken, en
dat zy hunne zwaartekragt op elkan-
deren oeffenen; maar zoo gy daar uit
opmaakt, dat ‘er eenige inwendige krach-
ten in de ftoffe zyn, begaat gy, gelyk
Wolf het noemt, een misflag van /ub-
reptie, gelyk als een Kind, dat de
beeldtenisfen , welke het in een fpiegel
befchouwt, voor een waar lichaam aan-
ziet. “Een Wysgeer en een eenvoudig
Waarneemer, befchouwen het Heelal,
niet met dezelfde oogen. Zekerlyk de
‘Waereld is een werktuig, met eene
| groo-
rl
vero Philofophum, fenfuum et imaginationis judi-
cium, fequi decet? Corticem illa rerum nobis offe-
runt , fed querendus est nucleus. Ita apparet ,
quis hoc neget, corpora fe mutuo attrahere, in fe
gravitare , fi tamen ex hoc internas quasdam vires ,
ipfi materíae inesfe colligas, infigne, quod Wolfius
vocat, fubreptionis vitium commififti, infanti fi-
milis, imaginem in fpeculo vifam pro vero cor-
pore habenti. Non iisdem oculis, hoc Univerfum,
Philofophus , et Empiricus contemplantur. ziee
us
VRAGE VOOR °T JAAR MDOCLXXIL 179
groote kunst vervaardigd , wiens vêfan-
deringen uit de gefteltehisfe der deelen
en het werktuigelyke, maar niet uit
eenige inwendige krachten, verklaard
moeten worden. |
Dus praaten bykans alle de Wolfiaa:
nen. Laten wy nu de wapenen omkee-
ten, en hen met hunne eigene zwaar-
den neerfabelen. Wolf heeft reeds lan-
ge wiskunftig betoogd, (gelyk hy alles
gewoon is te betoogen) dat ’er in ieder
lichaam, eene inwendige doenings- of
beweegingskragt voor handen is; maar
hy verklaarde nimmer, uit de gedaante
en famenftellinge, hoe die wonderbaare
kragt in dezelve zyn kan? Zou dan def
ze kragt een wonderwerk zyn, of eene
verborgene hoedanigheid? Niets min-
M 2 der
\ k
Grt
dus certe est machina , infigni arte fabricata, cujus
omnes mutationes, ex partium ftruêtura ac. orga=
mismo, non internis quibusdam viribus funt expli=
candae. J
« Ita omnes fere Wolfiani. Convertamus jam ar=
ma, €t fuis ipfos gladiis jugulemus. Dari in quolie
bet corpore vim agendi, aut motricem internam,
mathematice dudum (ut folet omnia) demonftravic
Wolfius, hegue tamen quomodo mirabilis haec vis
‚_illisimesfe posfit, ex eorum figura, ac ftruêtura ex-
Plicavit, Anne itaque haee vis erit miraculum,
en) aut
„180 J. PAP DE FAGARASANT WOORD OPDE
der-dan dat, ‘Daar is in het lichaam
een beginzel: van alle beweeginge, en
eene gedurige poginge, om zyne ge-
„wrochten voort te brengen, Dat is
recht ! maar veelligt zou iemand begee-
ren, dat men uit de gedaante en het fa-
menftelzel verklaarde „ waarom deeze
kragt inde lichaamen is, en waarom
niet? -Wiant zoo men dit niet ter uit-
voer gebragt heeft, fchynt het, dat de
Wolfiaanfche bepaalinge der verborge-
ne hoedanigheden, op hem kan worden
toegepast? De reden is by de hand;
want deze kragt behoort tot de na-
tuur van ’t lichaam, welke uit de kragt
van werkledigheid en dadelykheid be-
ftaat, en uit welke alle derzelver ver-
anderingen verklaard kunnen hier
s Q«
Bett
aut occulta queedam qualitas? nihilminus, Estom=
nis in corpore mutationis principium, nifusque e=
jus continuus ad effeêtus producendos. Retequi-
dem! fed vellet fortealiquis, ut ex figura ac ftruce
tura explicetur , quare haec vis infit potius corpo-
ribus quam non; ni enim hoc preeftitum fit, vide
tur Wolfiana occultarum qualitatum Definitio illi
applicari posfe? In promtucausfa est; pertinet enim
haec vis ad naturam corporis, quam vis inertie ,
et agendi conftituunt , ex quibus omnes eorum …l
3 a-
“._VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 181
Mogelyk zal iemand zeggen, dat hy
van eene wonderbare natuur der. ftoffe
hoort fpreeken, welke geheel en al be-
ftaat uit twee hoedanigheden , die regt-
dyns tegen elkanderen ftrydig- zyn, Te
weeten, een lichaam «poogt „door de
kragt van werkledigheid , den -ftaat,
waarin het is, te bewaaren, en, door
de doeningskragt, denzelfden ftaat, ge-
duriglyk te veranderen. Aan welke nu
van die twee krachten, zal de ftoffe ge-
hoorzaamen? Wolf fchynt hier om-
trend noch niets zeekers te hebben vast-
gefteld ; want nu eens, peinzende op de
doeningskragt, betoogt. hy, dat: alle
toffe, door eene inwendige doenings-
kragt in eene gedurige beweeginge. is,
{op dat niemand zich verbeelde „dat het
„van uitwendige. oorzaaken voorkoomt)
M 3 en
Tl ft Mb Mbeedle Alter
“tationes posfant explicari, Miram materiae natu-
‚ram fe audire, dicet forte aliquis , quae duabus ta-
libus viribus, fibi e diametro contrariis , abfolvatur.
Vi inertiae feilicet, corpus ftatum quem habet,
„confervare; vi veroagendi, eundem continuo mu-
_täre, nititur.. Cui jam materia ex duabus his viri=
bus obfequetur? Nondum de eo ipfe Wolfius certi
aliquid videtur ftatnisfe; nunc enim vi agendi in-
„tentus, omnem materiam in continuo esfe motu ,
„ex interna-agendi vi (ne quis hoc a causfis exter-
nis
182 j. PAP DE FAGARAS ANT WOORDOP DE
en dat wel in zyne Cosmologie, die in
% jaar 1737 is aan het licht gekoomen,
Ó 170, alwaar men zich, in eene aantee-
keninge, op de getuigenisfe van Leib-
nitz beroept, als zynde, zoo men ’t ge-
looven wil, een onpartydig getuige in
dit geval, Straks die dingen vergeeten
zynde, en alleen der werkledigheid ge-
dachtig , beweert hy, dat geen rustend
lichaam, zich zelven in beweeginge kan
brengen, 6 304. Cosmolog. Maar mo-
gelyk zal iemand zeggen, dat hy noch
geene reden ziet, waarom de natuur
van een lichaam meer beftaan zou in
de kragt ‚om te werken en te beweegen,
dan wel in de aantrekkingskragt ; alzoo
het een, zoo min als het ander, uit de
__ondoordringbaare uitgeftrektheid volgt,
Voorwaar, Wolf. zelf, ontkent open-
lyk,
nis proficifci putet) demontftrat in Cosmología fua,
que Ao. 1737. prodiit $. r7o. ubi in Scholio ad Leib-
nitzii teftimonium, teftis fciiicet in hoc negotio,
extra partes pofici , provocatur, Mox horum obli-
tus, et folius inertiae memor , nullum corpus qul-
efcens, fe ipfum movere posfe asferit $ 304. Cos-
molog. Sed forte, nullam adhuc fe rationem videre
dicet aliquis, quare narura corporis, in vi agendi
potius confiftat, quam in attrahendi; cum horum
enum non magts ex extenfione impenetrabili fe-
guatur, quam alterum, Jpfe profeéto Wolfius a-
De Bon perte
VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXIL 183
dyk, dat de kragt om te werken, tot
het wezen der {toffe behoort, 6. 147.
Cosmol, Maar zoo zy niet wezentlyk
is, dan zal zy toevallig zyn; alzoo ’er ,
met toeftemminge der Wolfianen, al-
leen twee foorten van eigenfchappen
zyn, weezenlyken en toevalligen. Ze-
kerlyk, eene zonderlinge natuur van
_gen lichaam! die geheel en al, uit eene
toevallige kragt beftaan zou? Maar zoo
deeze beweegkragt door het wezen der
lichaamen niet bepaald wordt, ’t geen
Wolf zelf bekent, en nochtans in de-
zelve aanwezig is, wordt ‘er met recht
gevorderd, dat de. Wolfianen reden gee-
ven, waarom zy ‘er liever in is, dan
niet ; en indien zy dit niet te weeg bren-
gen, hebben zy niets anders gedaan,
M 4 dan
nnen
perte negat, vim agendi ad esfentiam materiae per=
tinere $ 147. Cosmol. At fiea esfentialis non fit,
erit accidentalis; cum due folae fint contencienti:
bus Wolfianis afetionum fpecies, esfentiaies ee
accidentales. Singularem certe naturam corporis!
quae vi aliqua accidentali abfolvatur, At fi vis
haec motrix, per esfentiam corporum , quod Wol-
fius ipfe agnostit , non-determinetur , er tamer :
fis infie, jure certe poftulatur, ut racionem r-
Wolfiani, quare ea potius infit qoam »-
184 J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE
dan dat zy, na het verwerpen der ver-
borgene hoedanigheid , van de Aantrek-
kingskragt, eene andere, die niet veel
beter is, te weten, die van de beweeg-
kracht, te hulpe roepen ; en dusfchynt
de Wysgeerte, het zelfde te. kunnen
zeggen , dat voormaals de Ezel van /-
fopuszei: Wat kan 4 my fcheelen, wien
ik diene, als ik doch overal de pakzadels
der werborgene boedanigheden dragen
anoet. | |
Maar ai lieve! waarom wederfpreekt
men toch de. bewegingskrachten? welke
beweezen zyn, zich in de lichamen te ont-
houden, Verandert dan het een lichaam
den ftaat van het ander niet? Wat doet
eene kracht anders, dan dat zy verande
ringen voortbrengt? Gy aarzelt, zoo ik
my
Dirt
nifi preeftiterint , nihil aliud fecerunt, quam quod,
occulta vis attrahentis qualitate rejeCta, alteram
nihilo meliorem vis motricis advocaverint, idem=
que Philofophia dicere posfe videtur, quod Aefopi
quondam afinus: Qwid mea refert „ cuò ferviam , dum meas
occultarum gualstatum clitellas ubique portem,
Quid tamen quaefo viribus agendi obloqueris,
quas corpori inesfe accurate demonftratum est @
nonne ením corpus unum, ftatum alterius mutat?
quid vero vis aliud, quam quod mutationes ed
ë dann D cir?
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI, 185
my niet bedrieg, om dit bewys te on-
derteekenen, uit vreeze, dat men u niet
verwyte, als gy de krachten uit de
uitwerkzelen betoogt, dat men te voren
den Newtonianen verweet: Dat gy de
zintuigen meer volgt, dan de reden, en
dat gy eene feil van /ubreptie begaat.
Houdteop met kwade vooruitzigten te
maaken; want deeze werkkragt is, niet
gelyk de kragt van aantrekkinge, uit-
wendig „ maar inwendig in het lichaam,
Befchouw eenen bal aan een draad han-
gende, (}) hoe hy met eene gedurige
poginge zich uitftrekke naar verande-
ringe van {taat;en dezelve , zoo dra de
M 5 hin-
(f) BAUMEISTER gebruikt reeds dit voorbeeld,
van eenen bal aan een draad opgehangen, in zyn
Kort Begrip van de Wolfiaanfche Filofoofy.
iten
git? Cunctaris, ni fallor, buic demonftrationi fub-
feribere, veritus ne idem tibi quod antea Newto-
nianis, vires ex effettibus demonttrantibus, expro-
bretur: Senfus te magis, quam rationem {equi et
vitium fubreptionis commifisfe. Define male omi=
mari; vis enim hec agendi (non ut illa attractionis)
corporiest interna. Contempleris globum ex filo fu=
fpenfum (f), ut continuo nifu ad mutationem dans
ui
( Utitur hoc globi e filo fafpenfo exemplo Baumeifteras in
Compendio Philo; Wolâanae, 5 ús |
186 j. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE
hindernis wordt weggenoomen , werke-
lyk verandert. Deftig voorwaar! kan
men uit dit voorbeeld, de inwendige
krachten bewyzen ; maar door een zon-
derling ongeval gebeurt het, dat die
kragt, door welke de bal zynen ftaat
poogt te veranderen, dezelfde zy, met
de zwaartekragt, welke wy te voren ge-
last hadden naar de Scholaftyken te
vertrekken: en hoe zullen wy die dan
nu wederom inroepen? Maar, let wel !
indien het een lichaam op het ander
valt, dan zal het ten minften inwendige
blyken geeven, van werkende krachten.
Hoe het zy, anderen zullen dit liever
lydinge, dan dadelykheid noemen;
want het lichaam, indien het van een an-
der niet was voortgeftuwd, zou nooit op
t
wt
fui tendat , et fubiato impedimento illum actu mu-
tet. - Egregie profeéto hoc exemplo vitres inter-
nae comprobari posfent; fed fingulari infortunio
evenit, ut vis, qua globus ftatum fuum mutare
nititur , eadem fit cum vi gravitatis, quam anteaad
Scholasticos abire jusferamus, jamne eandem revo-
camus? At, at, fl corpus, in alterum incidens, il-
lius ftatum muter, tune faltim manifefta vírium a-
gendi indicia prebet. Pasfionem hoc , quicquid fit ,
alii nominabunt potius, quam actionem: Corpus
enn, nií ab alio impulfum, nunguam in illud nl
IS=
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXII 187
dat lichaam gevallen.zyn; maar de vol.
gende veranderingen, die in hunne ge-
durige famenraakinge voorvallen, zyn
gevolgen der noodzakelyke ondoor-
dringbaarheid; zoo dat het niet door
hun wezen, maar door eene onbekende
natuur, welke noch. wezenlyk, noch
toevallig is, bepaald worde, welke ver-
anderingen in het zelve moeten. voor-
vallen,
Maâr laaten wy een einde. maaken
van ’t victorie kraaien, eer wy overwon-
nen hebben; want zoo de beste en ge-
oeffendfte Soldaten aan den gang raa-
ken, zal de kans des krygs ligt. veran-
derd worden. De geoeffende Soldaaten
van Wolf, noeme ik, zyne eenvoudige
Monaden, welke geene witgeldendneid.
o
wter
disfet; mutationes vero fequentes in mutuo €o=
rum contaétu evenientes, funt fequelse impenetra-
“_bilitatis necesfarie; ut adeo quales in illis mutati-
ones evenire debeant „ id per eorum esfentiam ,
non per naturam nefcio. quam, quae nec esfentia-
lis „ nec atcidentalis fit, determinetur.
Sed definamus triumphum canere ante viétoriam ;-
quod fi enim res ad triarios redierit, pugnae alca
inmutabitur. Triarios Wolfii dico monades (im-
plices, non extenfas, non figuratas,. extenfionis
- ta
188 jy. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OF DE
of gedaante bezitten, maar echter, den
genoegzamen grond der uitgeftrektheid,
en gedaante der lichaamen, in zich be-
vatten , en die, in zonderlinge en eigene
krachten, van elkanderen verfchillen.
Niets is er faamgefteld, of «het is eene
famenzettinge van die eenvoudige we-
zens, en derhalven hebben de kragten,
welke wy bevinden in de lichaamen te
zyn, hunnen genoegzaamen grond in
derzelver krachten, en wy noemen hun-
ne inwendige veranderingen, voor zoo
ver wy die flegts verward kennen, de
kracht der beweeginge. Dus hebben wy
gedaan , daar wy te voren om vroegen,
te weeten, wy hebben de reden gegee-
ven, waarom er eene werkende kragt
in een lichaam zyn kan. Maar RT
) za
Eee
tamen et figurae rationem in fe continentes, et
“peculiaribus propriisque viribusa fe invicem diftin-
Gas: Nihil est compofitum, nifi horum Gmplicium
aggregatum, et proinde vires etiam, quas corpori
inesfe pereipimus, râtionem in horum víribus ha-
bent, quorum mutationes internas, confufe cog-
nitas „ vim motricem nominamus. Habemus ita-
que, quod antea flagitabamus , rationem ejus red=
ditam, cur vis agendi eorpori inesfe posfit.- At ex
intrinfecis monadum mutationibus, aeque commo-
de
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXL. 189
zal iemand zeggen, dat men even ge<
makkelyk, de aantrekkingen en afwee-
ringen, uit de inwendige veranderingen
der Monaden zou kunnen verklaaren,
Want gelyk die eenvoudige wezens.
onderling hunne denkbeelden begeeren,
of er eenen afkeer van hebben, zoo die-
nen zy ook, ter voortbrenginge van de
verfchynzelen der aantrekkinge en der
afweeringe. Maar ik vreeze, dat de
Wolfianen, zoo iemand, met zyne aan-
trekkingskrachten, naar het galgenveld
zoude wyzen. Want ruimte, afftand,
aantrekkinge , aanbootzinge, beweegin=
ge, zyn loutere Verfchynzelen, die ons
zoo voorkoomen, maar die, zoo men
ze wel verklaart, niets anders zyn , dan
die inwendige veranderingen der Magna.
en,
td
de attraCtiones et repulfiones explicari posfe, dicet
forte aliquis. Prouti enim fimplicia illa fuas mu-
tuo ideas appetunt vel averfantur , ita attra&tionis „
et repulfionis phoenomenis producendis inferviunt.
At vereor ne in malam rem abire eum jubeant Wol=
fiani, eum fuis attrahendi viribus. Spatium enim,
diftantia, attraétio, impulfio, motus funt mera
phoenomena , que nobis apparent, fed quae, fi
debite explicentur, nihil funt, nifi internae ille
monadum mutationes, quae confuft a nobis cogni-
E Tes
1go Js PAP DE FAGARAS ANT WOORD OPDE
‚den, welke, verward en gebrekkig van
ons begreepen, zoo veele en zoo vee-
lerhande denkbeelden van verfchynze-
len verwekken. Maar misfchien, als de
Newtonianen dit hooten, zullen Zy wils
len weeten , waat nu die heerlyke woor-
den blyven, met welke men gelastte;
dat alle de vitkoomften in-’t Geheeclal,
uit het inwendig werktuiglyke der lichaa-
men, door werktuigkundige wetten, voor-
taan verklaard zouden worden? Want
zoo is reeds het tooneel van die Mecha-
nifche Wysgeerte veranderd, en al het
onderzoek naar de oorzaaken overge-
bragt, tot de kennisfe van de innerlyke
krachten der Monaden. Ja zelfs is de
toevalligheid van de wetten der bewee-
ginge ook geheel weggenoomen. en.
alle
Bd
te, tot tamque variorum phoesomenorum ideas
excitant. Sed illud forte haec audientes Newtoni-
ani fcire vellent, ubi nunc fint magnifica illa ver=
ba, quibus omnes Univerfi eventus, ex interiore
corporum organismo „ per leges mechanicas expli-
candos esfe, jubebatur? Jam enim mechanicae hu-
jus Philofophiae fcena immutata, et omnis causfùs
rum inveltigatio, ad internas monadum vires cog-
nofcendas , translata est. Ipfa etiam legum motus
eontingentia fublata est. “Omnia enim mundi phoe=
no=
VRÄGE VOOR °T JAAR MDCCEXXH. 191
alle de Verfchynzelen der Waereld
hebben haren oorfprong uit de inwen=
dige krachten der Eenvoudige Zelfftan-
digheden, dewelke, volgens Wolfs leer,
de Monaden eigen en wezentlyk zyn:
alzoo door dezelve, de eene van de an«
dere wordt onderfcheiden: dus zyn alle
de veranderingen der waereld, uit de
wezens der zelfftandigheeden voortvloei-
ende, volftrekt noodzaakelyk , en dus
kunnen zy door Gods Almagt zelve,
niet anders wezen. De Wolfianen zel-
ve mogen toezien, hoe alle die dingen
met de toevalligheid der wetten van be-
weeginge, en met de mogelykheid der
wonderwerken, kunnen vereffend wor-
den. Ik belyde, dat ik zoo eene Filo-
fofifche maag niet hebbe, dat ik zoo
vee-
nomena, ex intrinfecis fimplicium viribus, oriut-
tur, quae, ipfo docente Wolfio, monadibus fant
esfentiales (cum per has una earum diftinguatur ab
altera) omnes itaque mundi mutationes, ex esfen-
tijs fubftantiarum profluentes , funt abfolute neges-
fariae, adeoque nec per divinam Omnipotentiam
aliter esfe posfunt. Quae omnia, quomodo cum
legum motus contingentia, et posfibilitate miracu-
lorum, conciliari posfint, ipfi viderint Wolfiani,
Ego fateor, me non ita philofophicum habere fto-
_ mac
i92 JePAP DE FAGARAS ANT WOORD OPDE
veele raawe ftellingen zou kunnen ver-
duwen. Maar tis tyd, dat wy de Wol-
fianen verlaaten, en overgaan tot die
Newtonianen, welke meenen,’ dat de
aantrekkingskrachten in de lichaamen
huisvesten. ‘
Hun gevoelen maakt eene vry goede
vertooninge, alzoo het zich onder den
naam van .zedigheid aanpryst, En aan
de volftrekte willekeur van God de wet-
ten der beweeginge onderwerpt; maar
%* een weinig nader en naawkeuriger be-
kykende, befpeurt men, dat het eenige
verwantfchap heeft met de hoedanig-
heden der Schoolgeleerden. Want de-
ze Wysgeeren, met welke wy thans
handelen , belyden zelve, dat er in ieder
lichaam eene kragt van werkledigheid
is,
td
machtm, ut tot cruda asferta ‚ concoquere posfim,
Sed tempus est, Wolfianis dereliëtis , ad illos New-
tonianos, qui attraCtionis vires in corporibus ha-
bitare putant, tranfeundi.
Speciofa fic fatis est eorum fententia, commen=
dat fe modeftiae nomine , abfoluto Dei arbitrio
fabjicit leges motus; attamen, accuratius infpeêta ,
cognationem cum Scholafticorum qualitatibus habe
re deprehenditur.. Ipfi enim, cum quibus jam agi-
mus, confitentur Philofophi, dari in quolibet cor=
Ber:
is, het-zy dat dezelve eene krhgt Zy s
met regt Zoo genaamd, het zy dan {legts
een bloot gemis van dadelyke kragten,
en derzelver echo of weerklank, gelyk
KAESTNER haar zeer fchrander noemt ,
de fchelle Nymf; die niet: zwygen kan ,
als iemand tegen haar fpreekt „en-noch-
tans, hoe weêrklankig zy ook zy, niet
geleerd heeft eerst te fpreeken: datis,
zoodanige eene kragt ; die geen gewrocht
immer uitwerkt, maar alle hare uitwer-
-kinge verflyt, in tegenftreeven ;-en ook ,
die geene bepaalde hoegrootheid heeft ;
_maar naar dat de op haar werkende
kragt ‚ grooter of kleiner zynde, ook
meer groeit of afneemt, Dus zal geen
lichaam zynen {taat van beweeginge of
ruste veranderen, en dus, zoo veel te
/ SAV: DEEL N min-
kaan
„pore vim inertiae, feu fit hae vis veri nominis ,
‚feu merus agendi virium defeêtus , illârumque e=
‚ého, ut ingeniofe Kacstnerus appellat „ Wocalis Nys
__phe quae nec reticere loquenti „ nec. prius ipfa loqui didscit ,
“vefönabilis echo, quae nunguam ulfum èfetum exe-
rit fed omnem efficaciam in refiftendo confumit,
„quae nullam quantitatem determinatam habet, fed
„ __prouti vis âgentis major minorque est erefcit vet
_… decerefeit., Nullum itaque corpus ftatum faum vel
„movendi, vel quiefcendi immutare potest; tanto
PEÔAIPKE BEPA GARASÁNT WOORD OPDE
tiinder, den ftáat van een ‘aûder li
eha; Want -2ó0 is in ieder)begrip,
dat wy! kebben:, van ‘het werken op iets
ánders; ‘òf vat de Werándefingevän des-
zelfs Abtät, alfóös ‘éénige Vérätideringe
ván ‘de werkende beftaanlykheid; zoo
“dat zelfs- de ziel , begaafd metten ver-
Imogen, ‘bin Het lichaam te beweegen ,
‘deszélfs ftaät nimfner vetdätdert, dan
„door’énetiewe bepälinge’ván den wil,
“Indiën Ser ‘eénige ‘dadelykheid, zonder
vefaridetinge van den’ daader, kan wor-
„den‘aátigegaan , wie-zal ons dan verzee-
kefer , ‘dat:Ook de deelen’ der ruimte,
Hepwelke wy beerypen dat de lichaamen
geplaatst zyn ,‚-fchóon zy onbeweegelyk
ên-ötivéranderlyk’ zyh, echter niet op
sde'ftöffe „zelve werken : ’ geën ee 8e,
LEEN ì Hj ak el
minus îtaque ftatum-alterius immutabir. ’ Ita enim
ofni, Guam de aCtione in alterum, feu ftatus ejus
“immutatione , häbemus, -notioni , aliqua agentis
mMmutatio-adheeret, ut vel ipfa anima, vi corpus fu-
um Móvendi preeditd, illius ftatum nunquam, nifi
nóva voluúntatis determinatione accedente , mutet. -
Si quaaftio, fine agentis mutatione, fufcipi po-
test,-quis nos certos reddet, partes etiam fpatii, _
in qúo córpora collocata esfe concipimus „ licet
fint immobiles et immutabiles, non ‘tamen in Eee
am
FRAGE VOOR °T JAAR MDCELSEN.. 295
fteld zynde , zal het allesin: duigen"val:
len; wat:er, nopens de beweegingswets
ten, zonder eenig toeverzicht “tehebs
ben, op de veranderingen; welke doot
het ydel zouden “worden aangerecht;
beweezen is, Wat wil die grondregel
anders beduiden? De ‘vorzaak vis ges
êvenredigd aan het gewrocht ; enindien
de veranderinge, welke de daader, zoo
wel alsde lyder , ondergaan; geene juiste
evenredigheid. bewaren; ‘kan mens zonk
der dit, geene reden. geeven; waarom
niet alle: werkinge genoegzaam is voof
het te weeg brengen van allerhande uit
werkingen, Evenwel moët gy alles ontÂ
kennen; ‘indien gy ftaande houdt, dat
er eenig beginzel van aan:rekkinge inde
lichaamen; als tot het innig bèftaan: ber
ij N 2 hoos
tt tet
fam materiam-agere., quo pofito, ‘ea ofnnia, ‘quae
de motus regulis ; nullo „ad. mutationes a fpatio
inducendas ; refpetu habito,demonttrata funti,
«conciderunts ‘Quíd alimd fibi vult hoc ‘axigma?
“Causfa proportionalis @st effeui,rnifi quod,’ maë
tationes ,Qquas agens aeque ac. patiens , fabeunt
juftam inter fe proportionem. obfervent y fme quo
nullam rationem reddes, cur:non quaelibet attros,
_cuilibet veffettui. producendo 9. fufficiat, Haec “ta
__ men. ofhnia tibi ‘heganda fwnts ofi-domefticum «lin
„31 quod
196 J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE
hoorende, zou aanwezig. zyn. Wart
het lichaam, dat een ander aantrekt,
verandert deszelfs {taat ; *t geen het niet
doen kan, ten zy het ook zyn eigen
ftaat verandere ; maar het zal zynen ei-
genen {taat nooit; veranderen door de
kragt van werkledigheid , die aan ’ zel-
ve altoos toebehoort, Verfier in uwe
gedachten , dat de Zon, in ’ een of an-
der deel van *t Ydel, als de Vorst der.
Pianeeten , aanwezig zy; dan zal het
gevolg „zyn, dat, op deze-wyze, geen
lichaam op de. Zon werken kan, en de
Zon, door eene kragt van werkledig-
heid; zynen ftaat niet veranderen kan,
dat zy dan ook rusten moet, Verbeeldt
u dan, dat in dezen of genen afftand
vande Zon, eene Planeet gefchaapen
wordt,
otd
quod attratiovum principium, in eorporibus refi=
dere asferas, Corpus enim, quod alterum attrahit „
ftatum ejus mutat, quod facere nequit, nififuum etiam
immutet ; fuum vero nunquam immutabit, vi inertiae,
ipfi-femper competentis. Fingas cogitatione, fo-
lem existere , in quacunque fpatiiparte, Planetarum
principem ,Qquia nullum corpus hac ratione in folem
agere , neque ille vi inertiae praeditus , ftatum fuum
mutare posfit , confequensest ut ille quiefcat, Cone
cipias jam in quacunque a fole diftantia, Planetam
í Cit.
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLKXI, 1197
wordt, zoo zult gy niet zien, dat daardoor
iets in de Zon veranderd wordt, (Want
wy handelen nu niet over het geen zy
van den Planeet zou te lyden hebben,
maar de vrage is over de dadelykheid,
met welke zy omtrend den Planeet ver-
keert). Maar zoo dus de Zon zynen
eigen ftaat niet verandert, zal zy ook
den ftaat des Planeets niet veranderen ;
dat zy evenwel door de aantrekkinge
behoorde te doen, Te zeggen, dat dit
door Gods wille gefchiedt, is niet an-
ders, dan met ydele woorden zich te
behelpen; want niemand twyffelt, of
God kan den Planeet wel naar de Zon-
ne heenen dryven; maar ‘dat de Zon,
wanneer zy zelfs niet dadelyk werkt,
of zynen ftant niet veranderde, evenwel
| pe N 3 ZOO
Oteinndndn
ereari, nihil per hoc in fole mutatum vides. (De
“_€o enim, quod a Planeta pateretur , non agimuuns,
cum quzeftio fic de aCtione, quam in illum exer=
cet). Quodfi vero fol hoe modo faum ftatum non
immutet, neque Planetae frarum quod camen per
attrationem fieri deberet) immmnrabit. Divero hee
voluntate Dei ita fieri , est terminis ludere; Deur
enim planetam verfus folemm impellere poste, ner»
dubitat; illtud vero ut fol non agens, feu Hoe
faum non mutans agat, ut Quiefens murerur, vu
198. RAP DEFAGARAS ANTWOORD OP DE
zoo werkt, dat.„het geen.rust , veranderd
worde, en; een ‚ander lichaam verandert ,
kan niemand zeggen dat gefchieden kan,
al. roept hy de Goddelyke Almagt te
hulpe, ten zy hy haar tot tegenftrydig-
Bale hon willen uitftrekken, Ook zou,
iemand weinig: veld winnen, als hy zei,
dat de. Zon eenen Planeet aantrok, door
de. kragt van die beweeginge, welke
God. haar had. ingedrukt ; want zy zal,
of hy rust, dan of hy in beweeginge ge«
bragtis, gedurig haren ftaat bewaaren,
en, by gevolg de aantrekkinge, waar
door zy een Planeet aanhoudend naar
zich-lokt, niet kunnen beoeffenen, zon-
der even zoo veele veranderingen, als
er aantrekkingsoogenblikken zyn. Ja
wat zegge ik! aangezien alle beweegin-
ge, die van uitwendige oorzaaken voor-
| koomt,
botnntee
terque corpus aliud, nemo vel per Omnipotentiam
Dei fieri posfe dicet, nifi eam ad contradiétorta
extendere. velit. Nihil etiam aliquis proficeret ,
dicendo, folem vi motus alicujus, a Deo illi im-
presfi, planetam attrahere; ille enim , feu quies-
eens, few commotus, {tatum fuum continuo con=
fervabit, neque proinde attraétiones, in planetam
continuas, non fine totidem mutationibus intelli
gendas, exercebie. Quid quod? cum. motus om-
pis, 3 causfis externis profettus, ad pasfiones cor=
(het Poe
VRAGE VOORST JAAR MGCLEKI, 199,
koomt,, tot. de lydingen, der lichaamen.
wordt betrekkelyk gemaakt, zoo. zal
het ook ligter vallen, water git puim-
fteen te halen, dan, uit. zoodanigg eene
beweegies cen inwtenalg Beginzel van,
dadelykheid, met geweld. uit te perfen,
Op dat men het ongerymde, waar.
mede het voorgefteld, BevC elen der New-
tonianen gedrukt wordt, noch klaarder
zie, wilde ik gaarne, dat men. dit, ook
in overweeginge naame, . De. fterkte
der Aantrekkingskragten, waar door
een lichaam alle de ftoffe. des Geheel-
als naar zich trekt, groeit aan, en ver-
meerdert, volgens de wederzydfche re-
den, van, de vierkanten. des afftands.
By gevolg, moeten de verfchillende in-
nie gefteldheden, en, het aantrekkend
lichaam, dat is de verfchillende gedaan-
N 4 te
porum referatur, longe facilius fit , ex pumice
aquam „ quam.ex hoc internum aliquod agendi
‚ principium exprimere,
Ut abfurda quae hanc premunt fententiam, clari-
us adhuc videri posfint, haec velim ad animum
revocemus. Intenfitas virium attraendi, qua cor-
JUS QUO libet, omnem Univerfi materiam » attrahir,
cfefeit, in ratione reciproca quadracorum diftan;iac,
Aut itaque diverfis his quantitatis artraliendi zr
dibus, quibus corpora, pro diftantiae vane,
, ug
200 J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE
te en het onderfcheiden maakzel, of
beantwoorden aan de verfchillende
trappen van hoegrootheid der aantrek-
kinge, met welke de lichaamen, op ee-
nen en denzelfden tyd, op eene ver-
‘fchillende wyze, naar elkanderen gelokt
worden, of dit alles moet onverander-
lyk blyven, elk oogenblik, Het eerfte
kan niet gefchieden; want de toeftand
van elke zelfftandigheid, kan niet, dan
by opvolginge van tyd, veranderd wor-
den, om dat iets, niet het zelfde te ge-
lyk zyn eh niet zyn kan. Maar zoo
wy het laatlte vastftellen, brengen wy
ons zelven onder onoverkoomelyke zwa-
righeden, Want er moet nu verklaard
worden, hoe, in eenen en denzelfden
ftaat van een aantrekkend lichaam, zoo
ver-
etten
uno eodemque tempore, modo tam diverfo, folli=
citancur , diverfi in attrahente refpondent ftatus in-
terni, id est diverfa figura, ftruêtura &c., aut hoe
oirne, quolibet inftanti , invariatum mänet. Prius
fieri nequit; ftatus enim fùubftantiae cujuscunque
‘ nonmiu frecestu temporis variari potest, cum non
posfit idem fimul este, et non esfe. At fi pofterius
asferamus, infqverebilibus nosmet ipfos difficulta- .
tibgs objecimus, Jam enim explicandum Est, quo=
roda iu uno eodemqué corporis attrahentis A
dhl Ì
VRAGE VOOR ’T JAAR MDECLXXIL 201
verfchillende uitlokkingen, onderfchei-
den van grootte, met welke zoo onder-
fcheidene lichaamen, op het zelfde oo-
genblik,*worden gedreeven, hare rede-
nen en oorzaken hebben kunnen? of
ten minften, zou men moeten aantoo-
nen, dat men, zonder zich zelven te-
gen te fpreeken, zeggen kon, dat eene
kragt, welke niet dan op ééne wyze be-
paald is, (want zy kan niet te gelyk
verfchillende bepalingen hebben) tot be-
weeginge zou kunnen nopen, een gelyk
gevaarte van een lichaam, op dezelfde
wyze tot het ontfangen harer bewerkinge
efchikt, dan eens met eene oneindige,
an wederom met geene de minfte , en
dan wederom met eene zekere bepaalde
pitlokking, zoo ni zoodanig een ge
ta
tu, tam diverfae, magnitudine differentes, follici-
tationes, quibus varia corpora , eodem inftanti,
urgentur, rationem fuam continere posfint ? aut
faltim esfet oftendendum, fine contradiétione dic
posfe, unam, et nonnifi uno modo determinatam
vim, (neque enim fimul et femel , varias determi-
nationes habere potest) aequalem corporis masfam „
eodemque modo, ad ejus aftionem excipiendam.
‚_ difpofitam, hic quidem infinita, ülic fere nulla,
__ Aftic finita quacunque follicitatione , ad motum -ur=
5e=
202 J. RAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE
tal niet zou kunnen worden uitgedacht,
aan welke niet eene zekere aantrekkinge
van een gelyken klomp, zoo als die van
dezelfde kragt, op het zelfde oogenblik
voorkoomt , beantwoorden zou, Ja de
ftaat van een aantrekkend lichaam , vol-
doet zelfs.niet , ter verklaaringe. van die.
verande en, welke een enkel. Langen
trokken an er van ontvangt. Te
weten, het aantrekkend, lichaam, zet
eenen trap. van, felheid, aan. het aange-
trokken by. Die trap van. fnelheid,
heeft derhalven zynen, genoegzaamen
grond, in.den ftaat van het aantrekkend,
lichaam. Maar ondertusíchen. heeft het
aangetrokkene, eene niewe {nelheid ver-
kregen, waar van men ook reden geven
moet, Te vergeefs zal men die zoeken,
in
gere, ita ut nullus talis numerus concipi posfit,
cui non aliqua aequalis masfae attractio, ab. eadem
vi, eodem inftanti profeéta, refpondeat. -Imo,
ftatus corporis attrahentis, ne illis quidem mutati-
onibus, quas unum folum corpus attratum, ab co
accipit, explicandis fufficit. Corpus nempe attra-
hens, certum celeritatis gradum actraéto confert.
Ille itaque rationem fuam, in (tatu, attrabentis ha
bet, At interea attratum novam.celeritatem ac
cepit, cujas tiam ratio dari debet, Frufira hane
ter: MTD SNE Se
VRAGE, VOOR °T JAAR MDCCLXXI, 203
in de verfchillende deelen. van het. Ydel;
want dat kan op. de lichaamen. niets
werken, en, zyne deelen, zyn onder el
kanderen, volmaakt gelyk „ zoo dat en
geene reden, wezen kan, waarom het li.
chaam, in het een gedeelte des Ydels,
meer fnelheid zou hebben, dan in het
ander, Edog, men kan die reden ook
niet vinden,in, het aantrekkend lichaam,
Want aan het zelve heeft men de eerfte
beweeginge dank te wyten, volgens ver-
onderftellinge ; en-…dus kan men daar
niet uit ontleenen die aanwas van fnel-
heid, welke er. in de volgende oogen:
blikken is bygekoomen. Want, alzoo
een werkleedig aantrekkend lichaam
zich, op de volgende oogenblikken, niet
kon veranderen; kan er ook niets in Iet
ZEl-
in diverfis fpatii partibus quaeres; illud enim in
corpora agere neutiquam potest, partesque €jus
fant fibi perfeête fimiles, ut nulla ratio esfe posfit,
cur in hac cjus parte majorem habeat corpus cele=
Titatem quam in illa. Sed, neque ín, Corpore. attra
hente, ratio illa inveniri potest. Huie enim ex
hypothefi debetur celericas prima, adeoque, ab eo
repetì nequit, quod fequentibus momentis accesfit
velocitatis incrementum. Cum enim corpus. attra-
hens iners fe fequentibug illis momentis mutare
nog
204 J:PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE
zelve En waar uit de niewe trappen
van fnelheid, die by den eerften trap
zyn RAe ‚ kunnen worden afge- —
leid. Eenige hulp te zoeken in den ver-
fchillenden afftand, is vrugteloos, Want
alzoo deeze niets is, dan de kortfte weg
tusfchen twee punten , brengt zy , in het
afgetrokken genoomen, niets te weeg,
ter vermeerderinge of ter verminderinge
van de fnelheid des lichaams, ten zy
het lichaam, naar den verfchillenden
afftand, op eene verfchillende wyze ge-
fteld zy. Naawelyks is het noodig , dat
ik den lezer waarfchouwe, hoe ik myn
vertand aftrekke van de veranderinge,
welke het aantrekkend lichaam, gedu-
rende de beweeginge der aantrekkinge,
misfchien van andere lichaamen wi
| en
rte
non potuit, nihil in eo esfe potest, ex quo NOVÍ,
celeritatis gradus , qri primo accesferunt, esfent
repetendi, In diverik diftantia aliquid adjumenti
quaerere „ est fruftraneum, Hec enim cum nihil
aliud fit, quam linea brevisfima inter duo punéta,
abftraëte ita fumta, nihil ad corporis celeritatem ,
vel augendam, vel imminuendam confert, nifi pro
varia diftantia corpus attrabens vario modo fit dis-
pofitum, Vix opusest ut moneam, me animum a
mutationibus, quas corpus attrahens, durante at-
traftionis motu , ab aliis forte pasfum est, abftrahe-
re s
_WRAGE VOOR ’T JAAR MDOCLXXI. 205
den heeft; alzoo wy van deszelfs dade-
Iykheden, en niet van zyne lydingen
fpreeken, |
_ % Is naawelyks te zeggen, hoe groo-
te rampfpoed, op het grondgebied der
Wysgeerte, gebooren is, uit eene alte
dubbelzinnige beteekenisfe van kunst-
woorden, en uit verwarde denkbeelden,
Zie daar! men heeft. zoo zeer geenen
toeftel. van redeneeringen noodig, als
„wel eene duidelyke uitrollinge en ont-
vouwinge van eenige kunstwoorden, om
dat gefchil, * geen zoo lang geduurd
heeft, te beflisfen, . Van alle de Filofoo-
fen worden er twee-foorten van-hoeda-
nigheden genoemd. Tot de eerfte foort
brengt men de inwendige eigenfchappen,
welke met het wezenlyk denkbeeld ee-
| ner
nnn
re, cum de folis ejus aftionibus ‚ non-pasfionibus,
loquamur.
Dici vix potest, quanta fandi philofophici cala=
mitas, ex ambiguo nimis terminorum: fignificatu,
et confufis notionibus , enata fit, Eccel‚non-tam
ratiociniorum apparatu ; quam diftinéta terminorum
quorundam evolutione opus est; ut Controverfia
„toties agitata dirimatur. Duae ab omnibus. qualita-
tum fpecies nominantur. „Ad primam,referuntur
afetiones interne, cum esfentiali rei conceptu
CO=
206 PAP DE FAGARÁS ANT WOORDOP DE
ner. zäke-famenhângen. Doot-deze is
de: zaak het geen zy is, en.deeze van
eene zelfftandigheid te willen. vaffcheu-
Ten , zou eveneens zyn, alsof men eene
cirkel van zyne rondte berooven wilde,
In de tweede rangfchikkinge brengt
mende gefteldhedén , die niet doot het,
wezenlyk begrip der zaak bepaald wor-
den, maar in een bekwaam onderwerp,
door de bewerkinge-der tweede oorzaa-
‘ken, zyn voortgebragt, en daarom 1y-
dingen-of toevalligheeden genaamd wor-
den, -Deeze veranderingen. worden van
vreemde oorzaakeh verwekt; maar welk
eén gewrocht volgt “op derzelver bewer.
‘kinge? Dit wordt bepaald, door het
wezen vân het lydend onderwerp; zoo
dat „deeze veranderingen, fchoon zy,
uit
eohaerentes. Per-has res -qualibet est id, quod
est, has a fubftantia aliqua divellere, idem esfet,
ac cifeulem fa rotunditate: privare. In fecunda
clasfe “coilocantur affettiones, non per esfentia-
tem rei:conteptum determinatae , in fubjetto ido-
nev, operatione caustaram externaram produête ,
pPasfionds; velractidentia ditte. Excitantur hee mu
tationes’ à causfis peregrinis„ “qualis vamen earum
òperätionem effettus-confequatur?-illud per esfen-
tia fubjeki ‘patientis Beterminätur, davut hae
mu=
VRAGE VOOR °T JAAR MDCEL Kr 207
uit dien hoofde, gebeurelyk en toevallig
hieten, om dat zy haten oorfprong aän
vreemde oorzaaken verfchüldigd zyn:
nochtans zeekere wetten volgen, die men
uit de natuur van het lydend onderwerp
verklaaren moet, Dus worden ,- zoo
wel de uit-,als de inwendige eigenfchap-
pen, met de wezenlyke bepalingen der
zaak verknocht; en zóo wordt geene
ingebeelde ‘en wild 'uitgedachte bewer-
kinge- der “uitwendige “oOrzaaken ver
fierd, maar wel eene zoodanige, welker
mogelykheid in het wezen der zaëk ver-
vat wordt, Dat God zülke veranderin-
gen, van welke wy’ {preëken, ín de lie
chaamen voortbrengt, dat is, dat.hy de
werkledige ftoffe beweegen’ kan, wordt
zoo klaar begrepen; als de en pied
yk-
mutationes, licet fint‘hoe nomine contingentes,
quod ortus earum, Causfis Externis debeatur, fe-
guuntur tamen leges certas, ex natura fubjeti pa-
_tientis, intelligendas. Ita internae-aeque, ac ex—
ternae proprietates, cum esfentialibus rei determi
_mationibus conneétuntur , et, ‘non ‘vaga quaevis
caùusfarum externarum operatio, verum talis, ‘cujus
osfibilitas ‘in -esfentia rei contíineatur , ftatuitùr.
Tales, ‘de quibus loquimur mutationes, Deum in
corporibus producere; id est materiam ‘inertem
commovere posfe , ita clareintelligitur, ut primi
mo=
208 j. PAP DE FAGARAS ANT WOORD ORDE
1ykheid. van eenen eer{ten beweeger be-
weezen is. Maar ‚uit. de lydingen der
ftoffe, als waar toe zy alleen bekwaam
is, de inwendige -werkoorzaaken uitte
bonfen, en dezelve.niet. tot. de wezen-
lyke bepalingen te brengen „en noch-
tans in den rang der lydingen niet te
plaatzen, noch aan te toonen, hoe zy
in de lichaamen kunnen, aanwezig zyn,
is, eveneens, als of men vierkante en
ronde dingen onder, een mengde. Hoe
zoudt gy , bidde ik u, hem te-keer gaan;
die vast ftelde„ dat, door Gods wil, het
denkensvermogen aan de lichaamen wa-
re medegedeeld? « Buiten twyffel, zoudt
gy zeggen, dat God, met geen meerder
recht, aan zeker onderwerp „eenige in-
„wendige kragt, welke tot haar. wezen
niet
Selene
motoris - necesfitas „demontftrata fit At. eX, pasfio-
nibus materiae, ad quas folas habilis-est, internas
agendi vires extundere, has easdem, non adesfen-
tiales determinationes referre „ neque tamen in pas
fionum clasfe collocare , nec quomodo corporibus
inesfe, posfint, oftendere, est quadrata rotundis
‚„ permiscere. Ôuomodo quaefo illi occurreres, qui
virtutem cogitândi, Dei voluntate, cum corpori-
bus. comniunicatam esfe, ftatueret?. Diceres pro=
culdubio, non majori jure, Deum vim aliquam in-
termam, ad ejus esfentiam non pertinentem, fub-
EU jec-
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI. 206
niet behoort, kan geeven, dan dat hy
te weeg: zou brengen, dat een Triangel
eenige niewe hoedanigheeden verkreeg,
welke, in het denkbeeld der drie zyden
en drie hoeken, niet was opgeflooten,
Want zoo er eenige kracht is, zy moet
in het onderwerp zyn; en zy is in hete
zelve niet, ten zy zy tot deszelfs we=
zen behoort; want door hetzelve heeft
elke zaak, het geen zy is, en het geen
het hare is. Doch dat al, ’ geen zy niet
aan haar wezen, maar aan uitwendige
oorzaaken verfchuldigd is; brengt men
tot hare lydingen, welke by haar niet
‘inwendig zyn kunnen; Dit heb ik aan
ú te zeggen, die gelooft, dat de in«
wendige aantrekkingskrachten, door de
Goddelyke wille, aan de lichaamen zyn
IV. DEEL. O mes
eee
jeëto alicui dare posfe, quam efficere, ut triangu«
lam, novas quasdam proprietates, ideae trium la=
terum et angulofum non inclufas, obtineat. Vig
enim fi qua est, fubjeto inesfe debet, at ipfi nori
‚inest, nifi ad ejus esfentiam pertineat; per hanc
enim res omnis est; id quod est, pet hanc habet
omne id, quod fuum est, iltud autem omne, quod
non esfentie fuae, verum externis causfis debet;
ad pasfiones ejus refertur, quae ipfi internae esfe
nequeunt. - Tibi haec onrnia, fi internas attrahendá
vires, cum corporibus voluntate Divina communi+
ee: 4 ca
210 J;PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE
medegedeeld, Zoo min deeze als gee-
ne denkingskrachten, behooren tot het
wezen der ftoffe ; en tis niet meer van
geene, als van deeze getoond, hoe zy
in de lichaamen hare zitplaats kunnen
hebben. Voorwaâr men zou het aan-
wezen moeten betoonen van een derde
foort van hoedanigheeden , die noch we-
zenlyk , noch toevallig zy, welke in-
wendig zyn, en echter in het wezen-
lyk denkbeeld der zake niet opgelloten -
zou zyn; eer wy tot haar, in het ver-
klaaren der verfchynzelen , den toevlugt
neemen. De Schoolgeleerden werzon-
nen zonder moeite een niew geflagt van
hoedanigheeden, te weeten den fchrik
voor het ydel, om dat zy de opklimmin-
ge van het water in de. wen \
oor
tt
catas esfe credas , dia funto. Non magis hae,
quam ijle cogitandi vires, ad esfentiam materiae
pertinent, et quomodo corporibus inesfe posfint ,
non magis de his, quam illis oftenfum est, Pro-
feto tertiae hujus qualitatum clasfis, quae nee es-
fentialis, nec accidentalis fit, quae interna, neque
tamen esfentiali rei conceptui inclufa fit, exiftentia
deberet demonftrari , priufquam ad illam, in expli=
candis phoenomenis, recurramus. Scholaftici , quia
'afcenfum aquae in antliis afpirantibus , ex presfione
aëris explicate aon poterant, novum qualitatum
8 bd, gen
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXT, 21
door de drukkinge der lucht, niet vers
klaaren konden. Maar hedendäags,
nu men het waar koorn der W ysgeerte
gevonden heeft, heeft men geenen trek
meer , om die eekels van hoedanigheeden.
op te eeten. Zekerlyk zal er eens een
dag koomen, op welke, by de verkla-
ringe van de gewrochten der aantreke
kinge, uit de eigenfchappen en uit de
bewerkinge van eene fynere ftoffe, dan
de lucht ís, aan de lichaamen hunne
ware werkledigheid zal worden weder-
gegeeven, en zy eindelyk van alle in<
wendige krachten , met welke zy , fchoon
weinig in getal , belaaden zyn, zullen ver-
lost worden. Want de Newtoniaanen
fchynen hier eindelyk dat plegtanker
der krachten, *t geen den Scholaftyken
O 2 Zoo
Wd
genus, horrorem fcilicet vacui, nullo negotio ef=
fingebant. At hodie, reperta vera Philofophiae
iruge, nemo illis qualitatum glandibus vefci amat,
Veniet certe dies, quo his etiam attra@tionis eftec=
tibus, ex proprietatibus, et op@ratione fubtilioris
cujusdam „ quam aêr est, materiae, explicatis, ve=
ra corporibus reddatur inertia, eademque omnibus
tandem internis viribus, quibus jam non ita mul-
tis „onerata fint, liberentur. Newtoniani eniui
hie demum videntur, (aeram illam virium ancho=
r rams
212 J. PAP DE FAGARAS ANT WOORD OP DE
zoo dikwyls van nut geweest was, ver-
worpen te hebben.
Wy hebben oris wat langer opgehou-
den, met het wederleggen van de ver-
fchillende gevoelens, omtrend de alge-
ineene wetten der aantrekkinge; want
wy konden zonder dezelve opgelost te
hebben, onze gedachten niet zeggen
over deze vraag: of men het fluk wolle-
dig hebbe afgedaan, als men de werkla-
ringe der verfchynzelen tot daar aan toe
gebragt heeft; dan of men liever zyn best
moete doen, dat ook de wetten der zwaar-
te, werktuigelyk worden uitgelegd? Wy
oordeelen dat, uit het geen wy hebben
bygebragt, reeds genoeg blyke, dat de
uitkoomften van ’ Geheelal door gee-
| nen
ram, quae Scholafticis toties profuerat, projecisfe,
Diutius, tot diverfis circa generales attraétionis
leges opinionibus!refellendis, immorati fumus , ne=
que enim nii his difcusfis, de quaeftione , az phoe-
nomenì explicatione ad illas perduëta adaequata ejus ratio ,
habeatur, aut potius danda fit opera, ut ipfae etiam gravi=
tationis leges mechanice explicentur , noftram fententiam
dicere poteramus. Patere jam ex his, que attuli-
mus, arbitramur, eventus univerfi, nec geometri-
ca
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 213
nen meetkundigen nooddwang worden
voortgebragt, en dat men ze aan de in-
wendige krachten niet verfchuldigd is,
maar dat zy ont{taan uit de-eerfte be-
weegingen , van den opperften werkmees-
ter der dingen, in zekere deelen der
ftoffe ingedrukt, en uit de onderlinge
aanftootinge der lichaamen tegen elkan-
deren, overeenkoomftig met de wetten
der werktuigkunde. Want alzoo de
werkledige toffe geene beweeginge uit
haar zelven hebben kan; is dit ook het
gevolg, dat eenigen van hare deelen,
buiten twyffel de allerfynfte (als zynde
allerbekwaamst tot het ontvangen en
voortzetten der beweeginge) van den
opperiten bouwmeester der waereld, tot
beweeginge ine aangezet zyn. Zoo
. 3 Ei
PENN Va! DENIZANIS i
bes a a
ca necesfitate produci, neque internis quibusdam
“viribus deberi, verum ex impresfis a fummo rerum
opifice, quibusdam materiae partibus , primis moti=
bus, er mutuo corporum in fe invicem impulfu,
s„convenienter legibus mechanicis, exoriri. Cum
enim-materia iners nyllum ex fe motum habere
posfit, confequens est, ut quedam ejus partes,
fubtilisfimae proculdubio, (utpote recipiendo et
‘continuando motui aptisfimae) a Summo Univerft
„Architeéto, in motum concitari debuerint, Ita tan=
dem,
214 Js PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE
hebben dan de verfchillende deelen der
{toffe , aan ’t beweegen gebragt zynde „
en tegen een op eene aardige orde aan-
geftooten , overeenkoomftig de werktuig-
wetten , zoo der algemeene „uit de werk-
ledigheid en ondoordringbaarheid be-
toogd, als der byzondere, te weten van
die, welke uit de gedaante en famenzet-
tinge van elk lichaam voortvloeien, ein-
-delyk de verfchynzelen van het geheel
voortgebragt, welke wy aanfchouwen,
Op deeze wyze eerbiedigen wy God wel
alseen. wyzen kunstwerker der waereld,
maar. wy „neemen, in ’t verklaaren der
uitwerkzelen, den toevlugt niet eerder
tot, hem , vals dan, wanneer er ons de
Natuur-henen leidt, -Namentlyk om de
raderen van dit werktuig te vervaardi-
k “Gen;
Dt
dem, varias materiee partes, commotae, et in fe-
met eleganti aliquo ordine impulfe , convenienter
tegibus mechanicis , tam generalibus illis, ex iner-
tia et impenetrabilicate demonftratis, quam fpeci-
aiibus, ex peculiari fcilicet corporis cujuscunque
figura ct ftruêtura, explicandis, haec quae videmus
Univer phoenomena produxerunt. Hac ratione,
Depmequidem ut fapientem mundi artificem vene=
famur, neque tamen ad eum prius, quam ipfa na-
tura nos-ducat, in effeétibus explicandis , recurri=
mus, \Scilicet, ad organa hujus machinae gan
k LIUS
VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXIIL, 215
gen, om dedeelen van hetzelve voortte:
brengen, die tot de gewrochten, waar
toe zy gefchikt zyn, noodig waren, om
dezelve gemäkkelyk te doen werken , en
_deeerfte beweegingen aan derzelver fy
fte deeltjes in te drukken! ’tZaler dan
maar op aankoomen, welke gedaante
en famenftellinge de opperfte werkbaas
der waereld in eenige deelen der {toffe
gaf, welke de voornaamfte dryfveeren
van ’ Geheelàl uitmaake? welke fnel-
heid en welke ftreek van beweeginge hy,
haar hebbe ingedrukt? Hoe, uit dezel-
ve de verfehynzelen ontftaan zyn? wel:
ke. de eerfte ftaat der waereld geweest
zy? hoe uit die de overige zyn gevolgd?
welke de voornaamfte ftukken van dit
werktuig zyn, met welke zyne edelfte
O 4 wers
Binnen
ftruenda, omnes ejus partes efic&tibus , quibus de=
ftinatee faut, producendis, commode ptandas, et
primos delicatioribus. ejus partibus motus impris,
mendos. Qualem iraque fummus mundi opifex,
quibusdam matcriae partibus, quae precipua quafi
Univerfi elateria conttituunt, figuram feruêturam=
quedederit? Qualem motus celeritatem, et dire-
Ctionem ipfis impresferit? quomodo ex his, hee
phoenomena exorta fint? quis primus flatus mundi
faerit? quomodo ex eo, ceteri confecutiP quz
fiat
216 J. PAPDE FAGARAS ANTWOORD OPDE
werkingen worden verrigt? hoe de in-
wendige deelen zoo gefchikt, en zulke
beweegingen in dezelve gedrukt zyn, dat
er de allervolmaakfte orde uit te voor-
fchyn koome? Alle deze dingen duide-
lyk te verklaaren, of met Cartefius te
zeggen: geef my de floffe en de bewee-
inge, en ik zal u volkomen leeren, hoe
et. Gebeelal te woorfchyn gekoomen zy:
dit zou het eindelyk zyn, de laatfte
oorzaaken der gewrochten op te gee-
ven: zoo zou eindelyk de ware ketting
der natuurlyke gebeurtenisfen toegefteld
Zyn, en zyn laatfte fchakel aan den
Goddelyken troon zyn vastgemaakt,
gelyk de Poëeten gewild hebben. |
Maar
Nd
fint precipua hujus machinae organa, quibus no=
biliarês ejus operationes peraguntur? quomodo
interiores eorum partes, ita fint difpofitae „ tales=
que illis impresfi motus , ut ordo omnium puicher-
rimus exurgat? Haec omnia clare explicare , feu cum
Cartefio dicere: da mihi materiam et motum et quomodo
Uuiverfùum exortum fit edocebo , hoc demum esfet; ulti=
mas effettuum causfas asfignare, ita demum, vera
eventuum naturalium catena conftructa esfet,
ejufque extremus annulus, quad Poëtge volebant,
{oli divino alligatus, |
vs as ride ed
en n
VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXI. 217
Maar misfchien zal het roekeloos
fchynen, dat men daar op hoopt, ty-
rannisch, dat men het vordert, en
dwaas, dat men het onderneemt. Want
hoe! zyn wy geheimfchryvers van den
Werkmeester der Natuur geweest? of
gelooven wy, dat de Hemel een uitge-
{pannen perkament is, in welke de ver-
borgendheeden der Natuur zyn inge-
fchreeven , om van ons geleezen te wor-
„den? De Natuur gaf eene eindige
grootheid aan alle zaaken: zy zelve
heeft een perk voor de menfchelyke
wetenfchap , zy zelve heeft grenzen aan
die roekeloosheid voorgefchreeven, de
meeste dingen van onder de fterfelyke
oogen weggedooken, en de uiteinden
der dingen , onder eene eeuwige nacht,
bedolven. De Natuurgebeurtenisfen
Os van
rt
Sed haec forte fperare temerarium, poftulare ty=
rannicum, aggredi infanum videatur. Num enim
Naturae rerum opifici fuimus a fecretis? aut Coe-
lum pellem extenfam este arbitramur ‚ cui infcripta
Univerfi arcana , a nobis legiposfint? Finitam cui=
que rei magnitudinem Natura dedit: ipfà termi-=
num cognitioni humane, ipfa limites temeritati
pofuit: plurima mortalibus fubduxit oculis, et
Extrema rerum note aeterma obruit, Implicantur
___ even-
218 J,PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE
van ’t Heelal zyn zoo ingewikkeld, om
dat de famenknoopingen der oorzaaken
verholen zyn, en de ftrikken en famen-
bindzelen zoo verborgen blyven, dat
men noch door de reden, noch door
het gezicht kan te weeten koomen, waar
zy beginnen ,of waar zy eindigen, Men
moet voorwaar! belyden, dat de men-
fchelyke zinnen. plomp zyn, dat de oo-
gen der ziele bot „en dat de werktui-
gen, met welke wy hunne zwakheid te
hulpe komen, onvolmaakt zyn. De
fynheid der geesten, waar door het Ge-
heelal in beweeginge gehouden wordt,
entfnapt onze oplettenheid en onzen
vlyt; en hoe zullen wy dan de gedaante
en innige gefteltenisfe derzelve ontdek-
ken? en door welke kunstgreep. zullen
eerde
eventus Univerfi, latentibus causfarum nadis,
nexus ita celantibus, ut ubi incipiant, et ubi de-
finant, nec ratione. nec vifu cognofcatur, Confi-
‘tendum profeéto est, rudiores ecsfe humanos fen-
fus „ hebetes mentis: oculos, imperfeéta etiam, qui-
bus: imbecillitati illorum fubvenimus, inftrumenta:
eludit noftram induftriam fpirituum, quibus Uni-
verfum agitavur., fubtilicass quomodo figuram et
ftruêturanv eorum, detegemus? qua arte „ex eo-
Téin: motibus „ ceeteras mundi mutationes. explir
-… Câ=
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI, 219
wy uit hunne beweegingen , de overige
veranderingen der waereld verklaaren2
Zelfs de allergrootíte. lichaamen van *
Heelal zyn ons onbekend, en niemand
heeft toegang tot het befchouwen van
derzelver innige gefteldheid. Daar wy
derhalven naawelyks den toegang heb-
ben tot het voorhof der Natuur; waar-
om zouden wy dan ons laaten voor-
ftaan, dat wy in haar binnenfte vertrek
kunnen intreeden ?. Aan den Onderzoe-
ker der Natuur zyn zekere grenspalen
‚ voorgefchreeven, buiten welke niets be-
ftaan-kan, dat recht is, en binnen wel-
ke Newton, die Herkules der Filofoo-
fen, den Hemel verdiende. Voor de
menfchen, «die als veroordeeld fchynen
om onkundig te blyven van de innerly-
ke gefteldheid der lichaamen, fchynt:
al-
era ra ed
cabimus? Ipfa vaftisfima Univerfi corpora, nobis
„fant incognita, nemini interior eorum ftruura
patet. Cum itaque vix in-atrium Naturae admisfi
fimus, cur ingresfam in interius conclavc-affete-
mus? Sunt certi Nature Scrutatori praeferiptifines
guos ultra citrague meguit oonfifbere relum , intra quos,
Philofophorum ille Hercules, Newtonus coelum
meruit, „Hominibus ad ignorandam interiorem
“Gorporum {ruêturam velut condemnatis, ge fo-
di um
220 J,PÁP DE FAGÁRAS ANTWOORD OP DE
alleen deze toevlugt over te fchieten ,
dat zy gelooven alles te hebben verrigt,
wat van eenen wysgeer gevorderd wordt ,
als zy de orde van ’tGeheelal hebben
leeren kennen, velerhande gewrochten
met elkanderen vergeleeken en tot nut
van het leeven toegepast en overge
bragt hebben. Deeze dingen zyn ge-
noegzaam, om het leeven gemakkelyk
en vermakelyk door te brengen: ja wat
zegge ik, waarom zouden zy ook aan
de nieuwsgierigheid niet voldoen ? Want
wy zelven zyn een groot fchouwtooneel
genoeg. Laaten wy eerst ons zelven
ennen, en dan eerst begeeren naar de
kennisfe van verafgelegene zaaken, Hoe
koomt het te pas, dat men, met eene
{toutheid van Ikarus, buiten den Zon-
neweg wil omzwerven, en van de zit-
| plaats
Grid
lum fuperesfe videtur refugium „ut ordine Uniwerfi
cognito, effeétibus variis; inter fe combinatis , et
vitge uûbus applicatis,-officio Philofophi fe per-
funétos putent. Haec, ad vitam commode et ju=
cunde tranfigendam, faris unt, quidni etiam cu-
riofitati fufficiant? Quin ipfi nobis fatis magnum
theatrum fumus. Primum nosmet ipfos cognoíca-
mus, et itademum , quae remotiora funt, concupi=
fcamus. Quid sttinet, Icario-gufù „ ultra folis vias
eva-
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXxn, 221
plaats zelve der ziele, als eene onbeken-
de kust, niets weete? Waarom moeten
wy de ingewanden der Natuur opvroe-
ten, en van de onze geene kennis draa-
gen. Staa hier ftil, o Wysgeer ! uw eie
gen lichaam roept u te rug, De voet-
_ftappen van Cartefius zelve en van alle
de anderen, die tot de uiterfte grens
fcheidingen der Natuur zyn doorgeto-
gen, kunnen ons affchrikken, alzoo zy
alle vooruitflaan, en men er geene vind,
die te rug gekeerd zyn. Onkundig te
zyn in fommige dingen, welke de beste
_ Meester niet heeft willen hebben dat
wy wisten, is eene befchaafde en wy-
ze onkunde. |
Zoo fpreeken zy bykans allen, die
de Filofoofen van het dj org ei
| or-
Kn
evagari, ipfàamque anirhae noftre fedem, velut
terram aliquam incoggitam , ignorare ? Quid Nature
vifcera rimari, nefcire noftra? Refifte Philofophe!
tuum corpus te revocat. Ipfa certe Cartefii , alio=
rumque omnium, qui ad extremos ufque Nature
fines progresfi funt, veftigia, nos terrere posfunt
omnia antrorfum fpettantia nulla retrorfam, Nefcire quz-
dam, que Magifter optimus nefcire nos voluit,
erudita infcitiaeft,
Ita fere omnes, qui Philofophos , a causfis inda-
gan,
392}. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE
Oorzaaken willen té rug toepen ; om
liever de Gewrochten te befchouwen,
Ik bekenne het: hunne redenkavelinge
is zedig; maar hunne al te groote ze-
digheid is ook verdacht. Zy, die niets
willen weeten, ee met nochi groo-
tére verwaandheid ; de verwaandheid
van anderen met de voeten; want zy
brengen de misdaad, welke men aan de
vadzigheid der menfchen verfchuldigd is,
voor reekeninge van de Natuur zelve:
en, ’t geen zy zelve niet weeten, mee-
nen zy ; dat niet geweeten kan worden.
Met hun klein voetmaatje meeten zy
alle andere menfchen af, ook die, wel-
ke in de toekoomende eewen {taan gez
boren te worden, Maar watvoeren dan
die Leermeesters eener geleerde onkun-
de in den {child? Gelooven zy ia ol
a
ritt
gandis, ad effeêta potius contemplanda, revocare
connituntur, Modetta fateor eft eorum oratios
fed ipfa etiam nimia modeftia fufpe&a eft. Calcant
hi fatum aliorum, qui nihil nefcire volunt, fed
majore faftu; culpamenim, quae hominum ignaviee
debetur, in Naturam ipfam transferunt, et quod
ipfi nefciunt, pe feiri quidem posfe putant. Suo
modulo , faoque pede, omnes alios, etiam futuris
feculis nafcituros, metiuntur. Sed quid demum;
hi eruditae ignorantiae Magiftri fibi volunt?- id
a
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI, 223
Natuur alle hare geheimen, die zy wil
openbaaren, reeds nu ten besten gaf?
elooven zy dat het menfchelyk vere
nuft reeds is uitgemergeld, en dat zyne
krachten verteerd zyn ?. Maar laaten zy
dan naar SENECA luisteren, die daar
over veel beter oordeelt. De Natuur
der dingen, zegt hy, geeft alle hare hei
ligdommen niet in eens over; groote din-
gen koomen traagelyk te woorfchyn; in de
daad de waereld is een klein ding , indien
de arbeid der Filofoofen ophoudt , indien
de ganfche waereld niets in zich heeft,
daar men naar zoekt ; en de geheimen der
Natuur flaan zoo gereedelyk voor allen
niet open. Mogelyk zyn zy bang, dat
de geheimen, welke God wil dat voor
ons zullen verborgen blyven , «al te
fchielyk ontdekt worden, als wy over«
| gaan
Naturam , omnia quae volebat myfteria profudis(e?
An efoetum humanum ingenium, et confumtas
ejus vires esfe? At audiant Senecam longe reCtius
fentientem ; Nox fima! , inquit ille „ rerum Natura facra
fwa tradit „ Barde magna proveniunt „ utique fi labor cesfat,
pufilla res mundus est, nifì in illo quod querat omnis mun-
dus babeat „-arcana Nature nec ag he nec omnibus pa-
tent. Allud forte metuunt, ne , fi ad perferutandas
rerum causfas accedamus„ fecreta,quae Deus latere
, nos
224 J, PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE
aan tot het uitvorsfchen van de oorzaas
en der dingen, Maar kunnen zy dan
een juist meetperk bepaalen voor de
menfchelyke naarftigheid, dat noch te
naby, noch te afgelegen is? Hoe veel
beter doen dus die wysgeeren, die de
grenzen der verpligtingen, naar Cicero’s
etuigenisfe, veel verder dan billyk was,
ebben uitgeftrekt, op dat wy, wan-
neer wy met onzen geest naar het einde
ftreeven , daar nochtans blyven ftilftaan,
daar het betamelyk is. _ |
*Is een gladde en fteile weg, ik be-
kenne ‘t, waar langs men naar de oor«
zaaken der dingen voortwandelt „ en zy
is belemmerd met groote klippen. Maar
alles wat fchoon is, is ook moeilyk te
verkrygen; en de Ouden hebben reeds
ge-
rS 4 Ne, Nl, ONIN (2
Nn
nos voluit, jufto citius detegantur. An metam
humane induftrie juttam quae nec nimis propin=
ua, nec remota fit figere posfunt? Quanto melius
illi Philofophi, qui fines officiorum „ tefte Cicero-
ne, longius quam par erat protulerunt, ut dum ad
extremum animo Contendisfemus, ibi tamen, u=
bi oportet , confifteremus.
Lubrica fateor , et preeceps est via, qua ad rerum
causfas itur, ac ingentibus impedita fcopulis. Sed
ardua femper esfe quae pulcra, nec dari ad verita-
tes
VRAGE VOOR ’T JAAR MDCELKXi. 533
gezegd, dat er geene breede heirbaan
naar de waarheeden heenloopt. Zy is
geen kloek en dapper man, Zegt SENECA;
die den arbeid ontloopt; maar de moed
ryst berm, hoe moeilyker zich de Zaaken
woordoen, Door deezen edelen drift ver=
voerd, heeft Archimedes de eerfte wet-
ten aan het evenwigt gegeeven , Gali
leus de fluitboomen der Lichtkûnde ge<
opend, en Newton de geheimen van
de beweeginge der Planeetén ontdekt.
In deezen en ândeten vindt een Nat
tuurondetzoeker iets, daar hy zich over
verwondeten, en ’t geen hy naarvolgen
mag. Met meer recht wordt hy door
de gedenkftukken der fchranderheid van
zoodanige mannen aangefpoord, dan,
‘Fhemistoeles voormaals door de zeges
IV, DEEL P tees
tet dt
tes viam regiam, jam Veteres agnoverunit. Nod -
estille, ait Senecd , vir fortiset frernúns , qui ldborem fugit ;
verum ibi crefcit illi animus , ipfa rerum difficultate, Ge=
nerofo hoc impetu duéti, Archimedes, primus lex
ges equilibrio dedit, Galitaeus; phoronomiae
clauftra referavit, Newtonus myfteria motus Plas
netarum detexit. In his, aliisque, Naturae fcru-
tator, et quod miretur, et quod imitetur, haber,
Horum ingenii monumentis, majori jure, quam
Themiftocles olim Miliciadis tropoeis, excitaturs
as Fuit
226 Je PAP DE FAGARAS ANT WOORD OP DE
teekenen van Miltiades, Er is een tyd
geweest, toen het gemeen de {taartftar
voor een droevig voorfpook aanzag,
en de wyze man haar voor eene fchand-
vlek der Filofofen hield; en Seneca noch-
tans, den moed niet laatende zakken,
voorfpelde ten zynen tyd reeds, *t geen
er naderhand gebeurde, Zr zalf noch
wel eens iemand zyn, zegt hy in het
zevende boek zyner Natuurlyke Vraag-
ftukken, die bewyzen zal, in welke dee-
len wan den hemel de Comeeten omzwer-
wen, hoe zy zoo afgefcheiden van de ove-
‘rige flarren woordloopen? hoe groot en
hoedanige zy zyn? Dat dit vooruitzigt
niet ydel geweest zy , heeft de uitkom-
Île eerst in onze eewe beweezen. Voor-
waar! er zal eens een tyd koomen’, wan-
neer de dag en de vlyt van een lan-
ger
SOHN
Fuit quando, Cometam vulgus pro ferali praecone „
fapiens, pro opprobrio Philofophorum, habuit.
Seneca tamen animum non defpondens, jam tunc id,
quodevenit praedixit. Erit, inquit Natur. Quztt.
Libr. 7. qui demonftret aliquando, in quibus Co-
metee partibus errent? Cur tam feduti a ceteris
eant? quanti qualesque fint? Non vanum fuisfa
hoc augurium , eventus, noftro demum feculo ,com=
probavit, Veniet profeéto tempus, quo ifta etiant
quae
VRAGE VOOR °T JAAR MDOCLXxi, 229
ger leeven die dingen, welke noch vet:
borgen zyn , aan het licht zal brengen ;
en misfchien zal er een tyd zyn, wan-
neer onze nakomelingen zich zullen ver-
wonderen, dat wy dingen ; die zoo opens
baar zullen zyn, niet geweeten hebben,
Want, door een zonderling gebrek van
*menfchelyk vernuft, gebeurt het, dat ;
wanneer iets nog niet ís uitgevonden,
wy teffens denken, dät het niet kan
uitgevonden worden ; en dat wy teffens
oordeelen, dat de dingen, die uitge-
vonden zyn, zoo gemakkelyk waren ,
dat wy ons verwonderen, dat dezelve
aan de naawkeurige oplettenheid der
Ouden ontfnapt is. Alle deeze dingen
leiden my op tot gene zeer groote ho-
pe, dat eens, zoo wy er met âlle on-
ze pogingen en kragten ons op toe-
Pa leg-
Hind
guäe nunc latent in lucem dies extrahat, ef longia
oris aevi diligentia, Erit forte, quando pofteri nos
tam aperta nefcivisfe mirentur. Singulari enim ali=
quo humani ingenii vitio evenit, ut, eum aliquid
nondum inveätum fit, idem ne inveniri quidem
posfe cogitemus, et que inventa funt, tam faci-
lia judieemus, ut, quomodo Veterum induftriam
effugerint, admiremur. Haec omnia in fpem ma-
kimam me adducunt fore, ut, fi in hoe gmnibus
vi
928 j, PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE
legsen, eindelyk alle dingen zullen
worden uitgevonden, welke de Ouden,
doof mangel van onderzoek, hebben
overgelaaten, en dat men tot den grond,
in welke de waarheid geplaatst is, koo-
men zal, vdahds |
Dat ik myne hope niet telle onder
de dangenaame droomen, veroorzaaken
voornamentlyk die verbaazende vorde-
ringen, welke de Wiskunst in dezen
tyd ontvangen heeft, Deze Goddely-
ke wetenfchap is reeds al van de oudfte
tyden af beoeffend, De eigenfchappen
der figuren en lichaamen zyn bewee-
zen. Toen zy daarna, van Cartefius
en anderen, verder bevorderd werd,
zyn de kromme lynen in de Geome-
trie ingevoerd, en de manier der Kek
ye
4
UIN ZN ON ZAND SUZAN NID
endif
“viribus incumbamus, inveniantur tandem omnia,
que parum inveftigata Veteres reliquerunt, etad
fundum, in quo veritas est pofita, veniatur.
Ne fpem meam fuavibus fomniis annumerem,
faciunt vel maxime ftupendi illi progresfus, quos
Mathefis his temporibus accepit. Divina haec
fcientia, jam inde abantiquis temporibus, exculta
est. Figurarum et folidorum proprietates demon-
Îtratae, Ulterius deinde a Cartefio, aliisque, pro=
mota, lineae curvae in Geometriam introdute,
is
WRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 229
Iynen. en -smaxima gevonden, *t Blykt
van zelfs, dat deeze eenvormig zyn met
die, welke tot hier toe: in de (Phyfica)
Natuurkunde zyn te voorfchyn gebragt.
De kromme lynen ontfnappen het ‚ge-
zigt niet: hare toerichtinge gefchiedt op
verfcheide wyzen: de werktuigen; met
welke zy befchreeven worden, vervan:
gen de werktuigen, welke men tot het
neemen van proeven gebruiken moet,
Maar alle deeze dingen verdwynen;
zoo dra zy vergeleeken. worden met
die, welke men in deze en in de voo-
rige eewe ontdekt heeft. Ziet daar
de wetten van eene gedurige verfnel-
lende beweeginge! welke niet {cheer
nen te kunnen begreepen worden,
zonder eene duidelyke kennisfe van de
op elkanderen he volgende oo-
3 gen.
eed
invente tangentium , maximorùmque methodi.
Analoga hec iis esfe, que adhucdum in Phyficis »
preftita funt, fponte patet. Non eludunt vifum
lineae curvae , earum conftruêtio vario modo pera-
gitur, inftrumenta quibus defcribuntur , vicem fu=
beunt machinarum, quibus ad experimenta infti-
tuenda utimur. At evanefeunt heec omnia, fi cum
dis, quae noftro, et priori feculo, detecta funt,
conferantur. Motus ecce accelerati leges! quae,
fine diftinta momentorum fe mutuo excipientium
Cog=
230 Je PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE
genblikken, en nu echter tot eene ge-
lykmatige beweeginge gebragt zyn,
Ziet daar de uitterfte beginzelen der
kromme lynen, die zich in eewigheid
aan het gezicht en de zintuigen ontdui-
ken zullen , worden nu in rechte lynen ge-
daantewisfeld , makkelyk tot eene hoofd-
fom gebragt, en de hoeken der krom-
te zelve, naawelyks voor het verftand
van eenen engel kenbaar, worden met
elkanderen vergeleeken, Maar de woor-
den zouden my eer ontbteeken, eer
ik mangel zou vinden aan niewe uit-
vindingen der. Wiskunftenaars. Archi-
medes zou by den onveranderlyken
Jupiter gezwooren hebben, dat die din-
gen, welke men thans al fpeelende ont-
dekt, in eewigheid het menfchelyk zi
hade km nuft
dd
cognitione, intelliei non posfe videbantur, ad
motum aequabilem funt redute : ultima curyarum
clementa, que vifui, fenfibusque fe in eternum
Tubdugent, in reétas lineas transformata, in fum-
mam facile rediguntur: ipfi curvedinis anguli, vix
Angelico intelleêtui cogniti, inter fe conferuntur.
Sed citius me verba, quam nova Mathematicorum
inventa, deficient. Aeternum haec humano intel=
leétui impervia futura, jurasfet Iovem lapidém
Archimedes, gu hodie ludendo deteguntur, Pri-
EW dens er er | ip | ne + … - … es Sims, Wir aib dt ese mi
21
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL. 23E
nuft ondoorgrondbaar en onbekend zou-
den blyven. De eerfte der ftervelingen,
welke er den toegang toe openden, wa-
ren NEW TON €En LEIBNITZ ; maar de
ouden waren er reeds naby geweest, en
zy zouden mogelyk tot die groote ont-
dekkingen gekoomen zyn, hadden zy
er hun verftand op gevestigd. Archi
medes had er reeds eenige zaaden van
geftrooid , Paschalius en Barovius had-
den de uitfpruitzels gezien, Newton
heeft er den oogst van ingezaameld ;
die nochtans voor de nakomelingen ee-
ne groote nalezinge genoeg overliet.
Maar waartoe zal dit dienen? De Wis-
kunftenaars hebben zich mannelyk ge-
kweeten: zy hebben voltooid, ’t geen
door geene peo magt fcheen
| P 4 te
br re he hi shad
mi mortalium aditum ad haec paraverunt Newto-
mus et Leibnitzius; fed in vicinia corum jam erant
vetercs, et pervenisfent proculdubio, fi animum
advertistent. Iecerat aliqua femina jam Archime-
des, viderunt plantas Pafchalins, et Barovius , lar-
gam mesfem collegit Newtonus ; qui tamen pofie-
ris fatis magnum reliquit fpicilegium. Sed quor-
{um haec?- Preftiterunt Mathematici fe Viros; ab=
folverunt que humana opera vix incipi posfe vide=
‘banturz ad prima usque curvarum elementa, per-
frac=
232J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE
|
te kunnnen begonnen worden; zy zyn
‚tot de eerfte beginzelen der kromme
Iynen nedergedaald , en hebben de {luit-
boomen : der Natuur doorgebrooken,
Waarom zouden wy dan wanhoopen;,
dat dit ook niet in; de Beginzelen der
Natuurkunde. zou ‘kunnen, worden te
weeg gebragt? ’t Koomt op een uit, de
Natuur beginzelen ontfnappen onze zin-
nen «door hunne-kleinheid,. maar zy
worden aan wetten. onderworpen door
de fynheid van ’t vernuft, (welke veel
grooter is.) De “Natuur zelve fchynt
reeds,eenige voorboden vooruit gezan-
den te. hebben, die verwittigen zullen,
dat-zy gezind is,om teeniger. tyd, al
wat zy zich aangetrokken en: in haren
fchoot opgeflooten heeft, daar uit te
ftorten, Door de: proefneeminge zelve
| er
Goten
frais Nature clauftris, descenderunt. Idem in
Phyficis rerum Elementis pfeeftari posfe, cur defpe-
remus? Par horum est ratio, tenuitate fua fenfi=
bus elabuntur, at ingenii fubtilitate (que longe
major est) legibus fubmittuntur, Ipfâà jam Natu-
ra, preenuncios aliquot mifisfe vilaest, qui indi-
cent, fe eo esfe animo, ut quicquid reduêtum, et
“ nteriore finu claufum habuit, tandem aliquando
eftundet, Ipfis electrigis experimentis non tgntum
Îtus
VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXIL; 23%
der: Electriciteit: volgen wy niet flegts
„de verbazende uitwerkzels- van den blie
xem naar; maar daarblikt ook/geene
geringe-hope aan, dat de beweegingen
der Planeeten eens door de wetten der
Electriciteit zullen verklaard worden.
De beweegingen der-vloeiftoffen, om
hare moeilykheid van. de. Ouden ver-
waarloosd, beginnen in onzen tyd zich
aan de bereekeninge en- zeekere wetten
te onderwerpen, waar door het gebeu-
ren. zal, dat. wy de teederfte deelen
van het Heelal dagelyks meer en meer
zullen leeren kennen. Wat is er-fyner
dan de lichtdeelen ? evenwel uit derzel
ver. breekbaarheid, is: de natuur der
koleuren , welke, voor dentyd van New-
ton ‚de Filofofen meer tot razerny ver-
rs Ps voer:
Benddtdhddnt
ftupendos fu!minis effectus imitamur; verum eti=
am fpes non levis affulget , ut motus Planetarii „ eX
legibus ele@ricitatis explicentur: Motus fuido-
rum, negleéti ob difficultatem a Veteribus, noftro
tempore , calculo certisque legibus fubjicí coepe-
runt, quo fiet, ut delicatiores. Univerfi partes,
magis magisque in dies, cognoscamus. … Quid
particulis lucis fubtilius? ex eorum tamen diverfa
refrangibilitate , tam feliciter natura colorum, qui
Philofophos magis, quam taurum, ante Newtoni
% tem=
934 Je PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE
voerden, grooter dan van eenen ftier,
zoo verklaard , dat er niets meer voor
ons verftand ondoordringbaar fchynt
te zyn, Waarom fammelen wy dan?
De ouden lagen in eenen diepen flaa
bedommeld: Cartefius, die by na de
eerfte was , die waakende in de binnen-
kamer der Natuur: binnen trad, heeft
hun de vaak uit de oogen verdreeven.
Hy is van de meetpaal afgedwaald;
maar anderen hebben den rechten weg
gevonden , en , binnen den tyd van twee
eewen, hebben zy reeds de helft van
den weg afgelegd, Laten wy derhal-
ven uitfcheiden met kwade voorfpoo-
ken te maaken: laaten wy liever aan-
pakken het geen voorhanden is, en %
geen eenen Filofoof betaamt: laten wy
| | naar
karel da
tempora, in rabiem agebant, explicataest, ut nihil
noftro intelletui impervium este videatur. Quid
itaque cunamur? Alto Veteres fomno confopiti
jacebant, excusfic tllis veternum Cartefius, qui
primus fere vigilans ad Nature conclave ire ce-
pit. Aberravit ille a meta; at invenerunt reétam
viam aliì, et, duorum teculorum patio, dimidium
‘fere itineris emenfi funt. Defnamus proinde male
‘Ominari, quin portus hoe quod inftat, quad Philoe
fophum decet , agamus, in caustas rerum inquiramus,
Pra-
VRAGE VOOR °T JAAR MDECLXXI, 235
naar de ootzaaken der dingen onderzoek
doen. Gewisfelyk het is best, dat wy
daar over niet zintwisten , wat wy kun-
nen uitvoeren: maar laaten wy ’t be-
proeven. Zoo gy een wysgeer zyt,
doet dan al wat u voorkomt, Daar
mag wan komen wat. er van wil, * zou
ny tot fchande flrekken, indien ik anyn
werk liet fleeken!
Nu fchynt er niets over te blyven ,
ter voldoeninge van de bevelen des
Doorluchtigen Genootfchaps, dan dat
wy de beste wyze, op welke men van
de gewrochten tot de oorzaaken op-
klimt, aantoonen, en eenige nuttige re-
gels te berde brengen, welke van de
Onderzoekers der Natuur moeten wor-
den in acht genoomen. Wy laaten ons
Zoo
rrd
Preftat certe de eo quid posfimus non difputare,
fed experiri. Hoc itaque, fi Philofophus fis, age,
Occupet extremum frabies mihi turpe relinqui est \
Nihil, ad jusfa Illuftris Societatis exequenda,
videtur fuperesfe , quam ut optimum, quo, ex ef-
fetibus ad Causfas afcenditur , modum oftendamus,
et utiles quasdam regulas , a Naturae Scrutatoribus
obfervandas, in medium proferamus. Tantum en
is
236 J,PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE
zoo veel niet voorftaan, dat wy alles,
wat hier toe behoort, zouden meenen
te kunnen aanraaken met onze lippen;
want van uitputten zal ik niet {preeken ;
nochtans zullen wy eenige dingen, die
ik naawelyks weet, of niet van de ge«
meenfte foort zyn, in bedenkinge gee-
ven ;. fchoon wy voelen, dat.ons dit
met recht kan verweeten worden: Gy
zyt te gering, om zulke verhevene vers
maningen te. doen. FH
De Wiskunstenaars zyn ’t byna al
leen, die behoorlyk hunne taak afge-
weeven, „hunne wingewesten op eene
wonderbaarlyke wyze uitgebreid, en de
verfchanfingen der uitgevondene waar:
heeden, op eenen vasten en onbeweege-
lyken grond, gevestigd hebben, pe. ge
___… WEiOr
Wendt
bis non famimus , ut omnia, quae hanc in rem per=
tinent, non dicam exhaurire , fed primis labiis de-
libare posfe arbitremur, quaedam tamen , nefcio an
non proletaria, monebimus „ licet nobis etiam ju-
re illud , Es monitis tu minor ipfe tuis, exprobrari posfe
fentiamus. E5
Soli fere Mathematici rite fuis partibus perfun-
Éti fant, provinciae fue fines, mirum in modum,
dilatarunt, et Veritatum inventarum munimenta,
in folo firmo et (tabili collocarunt, Alia longe,
pro-
WRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI, 2 37
{teldheid der Natuurkunde en van alle
andere wetenfchappen is geheel anders,
Al wat in dezelve wel gefchikt is, dit
alles willen de Wiskunde en de orider-
vindinge, dat men op haare rekeninge
ftelle, Al het overige, vooral het geen
de oorzaaken zelve betreft, is op ee-
nen zoo losfen grondflag gebouwd, en
zoo kwalyk in een getimmerd , dat het,
met den eerften niewen wind van Filo-
fofy, gefchud, overhoop valle, of ook
“wel van zelfs in een puinhoop ftorte,
* Zal niet te onpasfe zyn, dat wy naar
de oorzaaken van dit kwaad onderzoek
doen; want die oorzaaken zullen ons
regelen aan de handgeeven, welke, met
groot voordeel, in het uitvorfchen der
waarheid, kunnen ín. acht genoomen
worden.
| De
ed
prouti omnium, ita et Naturalis Scientiee condi-
tio. Quod in ea bene conftitutum est, id totum
Mathefis et Experientia fibi vindicant. Cetera
omnia, ipfas potisfimum causfas concernentia, tam
debili fundamento fuperftruêta, et ita male colli-
gata funt , ut, novo quovis Philofophie vento agi-
tata, prolabantur, vel faepe fua fponte corruant.
Non abs re alienum erit „ in causfas hujus mali in-
quifivisfe; eaedem enim fuppeditabunt regulas, in
veritate ernenda, magna utilitate ed é
ni=
258 J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE
De Wiskunftenaars voltooien hunne
kunst, met vereenigde kragten en vlyt,
De een vind eene niewe waarheid uit,
de ander leidt er andere waarheeden
uit af, en een derde voegt er het be-
wys by, dat de uitvinders dikwerf over
%* hoofd zagen. By hen zyn aan elk,
naar zyne verdienften , bedieningen toe-
gefchikt. Veelen haalen het verborgen
voor den dag. Meer anderen verzame-
len de dingen, die gints en herwaards
verftrooidliggen, te gader , en verknoch-
ten ze aan elkanderen. Het ontbreekt
er ook niet aan zulken, die, het geen
niet vast genoeg is, verfterken , of licht
by zetten aan het geen noch duister-
lyk was voorgedragen, En eindelyk
brengen zy allen, naar hun vermogen;
iets
U,
(ONZ NN ZN IZA PND ON sl ig
NI ( (OND
EP gt gt Pr nt net
Unitis viribus, et induftria, artem fuam_perfi=
ciunt Mathematici. Hic novam aliquam Verita-
tem invenit, Ifte alias ex ea deducit. Ille, de-
monftrationem quam inventores fäepe negligunt, ad=
dit. Sua, apud eos cuique, pro meriti ratione,
munera asfignata funt. Multi latentia in lucem
protrahunt. Plures disperfa, hic et illie , colli=
gunt, et inter fe conneétunt. Nec defunt, qui
ea, quae non fatis firma funt, muniunt , obfcuri=
us propofitis lucem affundunt , omnes denique, ad
umt=
ESS
VRAGE VOOR °T JAAR MDOCLXXm, 239
iets toe tot het hoogfte welzyn van ’%
Gemeenebest ; en men zou de vereenig-
de burgers van de Verbondene Wis-
kunfte kunnen zeggen de geenen te zyn;
welker zinfpreuk is, Bendracht maakt
macht. Maar zoo gy, dat vreedzaam
gewest, 'twelk zy bezitten, verlaatende,
wilt gaan fpanfeeren in het naburig land
der Filofoofy, zult gy het daar, als
door inwendigen tweefpalt, beroerd vin-
den, en er de ploegyzers zien verfimee-
den in wapentuig. Deez verzoekt u
zyne party te volgen, en hy vertelt u;
welke overwinningen. hy over de ande-
re fecten behaald heeft; een ander zal
u bidden, dat gy u zyne zaak, als ee-
ne gemeene zaak, aantrekt; om dat hy
meent, dat de macht van zynen na«
; buur
ord
_fummum Reipublice bonum, aliquid pro virili cone
ferunt, unitos foedcrataee Mathefeos cives, Eos,
dicere posfes, quorum Symbolum , Concordia res para
ve crefcunt.. Quod fi vero relita pacata, quam ill
posfident, regione, in vicinam illi Philofophiam
exfpatiari velis, omnia ibi inteftinis disfidiis agi-
tari, ipfos vomeres in arma recudi comperies,
Hic ad fuas te partes vocat, et quos de omnibus
fectis egit triumphos, narrat. Ille crefcentem ni-
mium vicini potentiam coercendam putans, ut
com=
DAD f. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE
buur, welke te geweldig aangroëit, be:
hoorde gefnuikt te worden, Ondertus-
fchen, terwyl de legerhoofden hunne
eigene belangens wel waaárneemen,
wordt het geletterd gemeen, niet we:
tende waar zich te keeren, in verfchil-
lende begrippen en bedoeling van één
gereeten; en, naâr dat ieders noodlot
medebrengt, onderwerpen zy hun ver-
nuft aan het gebied van dezen of den;
en zy verflyten hun leven , dat zy vry
beter konden befteeden , in °*t verdedi=
gen van hunne eigene, en in *t bevech:
ten wan vreemde begrippen.
Is waar de afgunst teelt‘ en koestert
deeze: gefchillen; maar zyn de Wiskun:
digen minder aan hertstogten bloot ge:
fteld? Het mangelt hen zeeker aan gee-
nen
A DAIL 1 EN AUD IZA 1 S
EPE
communem fecum causfam facias, orat. Intercá
dum belli duces fuarum rerum fatagunt, feizditur
incertum frudia in contraria valgus eruditorum, et pro-
ut Cujusque fata ferunt, hujus, vel illfus impe=
rio, ingenium fuum mancipant, et vitam, quam
longe re@ius collocare poterant, in defendendis
fais, ac impugnandis alienis , confumunt, ís
Procreat quidem, et fovet, hec jurgia invidia,
fed num minus aftetibus obnoxii Mathematici ?
non animus eerte illis, fed materia rixandi We
y E
VRAGE VOORT JAAR MDCCLXXn, 24E
nen lust, maar wel aan ftoffe van ge=
kyf. Want, op dat wy nu niets mel-
den van de naawkeurige manier van be-
paalen der kunstwoorden; waar door
zy woordenftryden voorkoomen, wordt
dit hun, voorwaar! tot lof aangereekend,
dat zy een naawkeurig onderfcheid maa-
ken, tusfchen zeekere en onzeekere
dingen, tusfchen bewyzen en gisfingen,
Dikwyls vallen zy op eene waarheid,
welke zy nochtans helden niet te kun-
nen bewyzen. Dikwerf vestigen zy ee«
ne bereekeninge op eene waarfchynely-
ke veronderftellinge, maat zy willen
niet, dat men haar daarom voor zeker
houde. Daar geene zekere kundigheid
plaats kan hebben, zoeken zy die ook
niet, maar zy meeten de trappen der
waar:
Wi N edele we, (AAD
\
Ut ehim nihil, de accurata terminos definiendi ras
tione, quibus verborum pugnas evitare ftudent,
moneamus ; laudi profeéto illis ducitur, quod accu=
rate, certa ab incertis, demontftrationes a conjec-
turis diftinxerint, Saepe in veritacem aliquam in=
cidunt, quam tamen fe demonttrare non posfe con-
fitentur. Saepe calculum. fuperftruunt hypothefi
verofimili, fed neque ipfi eam pro certa habere vo=
lunt, Ubi nullus cognitioni certae locus est, ibi_
eam non querunt, fed probabilitatis gradus meti-
Lt
„
242 J.PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE
waarfchynelykheid. Zoo zy een Voor-
ftel niet naawkeurig kunnen oplosfen;,
nieemen zy hunnen toevlugt tot nader-
hisfen , welke zy echter niemand voor
volledige oplosfingen opdringen, _ In-
dien iets niet volkomen blykt, gaan zy
niet voorbarig tot deeeneof andere par-
ty over, maar zy fchikken er hunne
bereekeninge zoo naar, dat beide de
twistende partyen hunne bevindinge,
voor waarheid , moeten aanneemen. Zoo
veronderftellen zy in de Gezichtkunde,
dat een lichtend lichaam in de daad
ftraalen uitfchiet ; maar zy gebruiken
die veronderftellinge in die voege, dat,
offchoon ‘het cht van het lichtend li-
chaam niet voorkoome, maar in eene
zekere beroeringe van de kenminE be-
| aa,
eddie
utur. Si Problema aliquod accurate refolvere nou
posfint, ad approximationes confugiunt, quas ta-
men pro completis folutionibus nemini obtru=
dunt. Si aliquid non liqueat, non precipitantet,
in hanc, vel illam partem abeunt, fed ita fuos cal-
culos attemperant „ ut, quod illis inventum fit, u=
traque litigantium pars, pro vero agnoscere tenea-
tur. Ita fumunt in Opticis corpus lucidum radi-
os aftu emittere, fed ita hoc asfumto utuntur,
at etiam& lumen, non a corporg lucido proyeniat
es
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI, 243
{laa , de waatheid daar door geene fcha-
de lyde, Maar by-de Filofoofen kunt
gy dat niet weeten, of alle dingen ze-
ker, dan of zy twyffelachtig zyn, en
wat men Onder deeze, of die foort te
brengen hebbe? Dees rmeent,dat hy van
alles reden gegeeven heeft, en gene be-
bolwerkt zyne twyffelingen met de. eer-
fte beginzelen der menfchelyke kundig-
heid, Er zyn er ook, die, om de uit-
muntenheid hunner veronderftellingen
aan te pryzen, de allerzekerfte waar-
heeden uit dezelve afleiden. Dus heb-
ben de Wolfiaanen dikwyls het aanwe-
zen van God, uit de voorbeftemde
Harmonie, betoogd, Maar anderen, dit
ziende, begonnen argwaan op ‘te vat-
ten, of niet wel die zeekere waadrhee-
Q 2 des
Sh, Ge (2 Nu ALORS ZN NULLENS N
Kabe hee ss ad
verum in certa aetheris agitatione confiltat, veri-
tas nihil detrimenti patiatur, At, apud Philofo-
phos, id ipfum fcire non posfis, an omnia certa,
an omnia dubia, an quaedam iilis accenfenda fint ?
Hie omnium prorfus a fe rationem redditam pus
«tat, Ille, fuis dubiis, vel prima eognitionis huma-
ne principia, obvolvít. Sunt qui, ut hypothefk-
os fue preftantiam commendent, certisfimas eti-
am veritates ex ea educunt. Ita Wolfiani ex -Har-
monia preeftabilita exiftentiam Dei faepius- demon-
ofirarunt. <A alit hoe videntes, ne certae illa ve-
„09 rie
244 J. PAP DE FAGARAS ANT WOORDOP DE
den, aan welke zy te voren niet ge-
twyffeld hadden, ‘met de veronderftel-
linge gelyk ftonden. Hier is er een, die
{norkt , dat hy den Liydifchen fteen ge-
vonden heeft, aan welken men alle waar-
heeden toetzen moet: Gints koomt er
een ter baan, die zegt, dat dit eene re-
gel van Lesbosis, en hy geeft eene an-
dere, die niets beter ís, Een Uitvinder
meer aan zyn ftelzel verbonden, dan
‘een kreupele aan de kruk, ziet nergens
de Natuur, maar overal zyne uitvindin-
“gen, gelyk- een zot de vermiste fchee-
“pen in zee ziet: en wat de Verfchynze-
Jen betreft, welke tegen zyne grondbe-
ginzelen ftryden, -deeze loochent hy,
of indien hy zulks vermag, dan fleept
hy ze, hun ondanks, naar zich, àl
p Ca
Std tdi
ritates, de quibus nihil antea dubitabant , cum hy=
pothefi pari pasfu ambulent , fufpicari incipiunt.
Hic, fe Lydium aliquem lapidem , ad quem omnis
veritas exigenda fit, habere jactat. Ille, Lesbiam
eam esfe regulam dicit, et aliam, nihilo melio-
rem offert. Autor Syftemati fuo, magis quam
claudus pilae alligatus , non Naturam , fed fua ubi-=
que invenra, ut deperditas, ftultus, in Oceana
maves videt. Phoenomena, que fuis principiis ad=
verfantur, aut negat , aut {id gon post , ie je
Gad
VRAGE VOOR °T JAAR: MDCCLXNL, 245
bevestiginge-“zyner- denkbeelden : hy
meent alles gewiste. zyn, ’t geen. uit
zyne veronderftellingen volgt ; en al het
overige houdt hy voor -onzeekerheeden
en voor valfche opvattingen, „Niets is
er zoo verre van de zintuigen: verwy-
derd „of voor de-menfchelyke, kundig-
heid zoo ongenaakbaar, ’t geen hy niet
gemakkelyk uit zyne-byzondere, begin:
zelen afleid. „Maar; een’ ander, terwyl
hy merkt; dat deman ‘fomtyds- eens
liegt, geeft-hem geen, geloof meer, al
fpreekt hy de waarheid: fchat zyne: be-
wyzen-en-beginzelen. zyns onderzoeks
onwaardig: „en. misfchien befluit, hy
ftrengelykdat men alles aan Vulkaan
moet, opofferen; fchoon, er echter, on-
der zooveel ongelukkig onkruid en
dirt
collovad faa confirmanda, trabit „que ex fuis hypo=
thefibus confequuntur , certa-putat, cetera pro in-
certis et falfis habet. _ Nihil, tam, vel a fenûbus re-
motum „vel cognitioni humane, fabdu@um est;
‘quod non.Îlle ex fuis principiis commode deduxe-
zit. Ar alter, dum eum aliguando mentiri animad-
wertit „alias. ipli, ne vera-quidem dicenti credit,
demonftrationes ejus, et principia examine indi-
gna putat,‚et forte, licet inter tot infaufta opinies
“ onum lolia, quwdam etiam bonae frugis esfe Dor
sal | Gat.
B46 BAP DEFAGARAS ANTWOORD OPDE
losfe meeningen „wel eens een goede
koofhalm zich verbergen kan, Mid:
delerwyl koomt er uit deze as{che een
wreeker te voorfchyn, die het verval-
len Pergamus weder ophaalt, het vers
vällenftelzel verniewt, en alles omver
fmye) “wat vánr anderen” gebouwd is;
_zoó veel als ‘maar in zyn vermogen is,
Maar op: die wyze vorderen: de Filofoo-
fer weinig met hunnê fchermutzelingen;
en zy voeren! niets uit, dan dat zy den
draád vän Penelope voortweëven en uit-
Dit bragt ‘ook zeer veel teweeg tot
de vorderingen,-welke de Wiskunde,
gemaakt heêft, dat” derzelver ‘beoeffe-
naars op hufr duimtje ‘hebben, welke
waärheeden van: de. ouden en welke van
Ede on-
hb de ed
fent , omnia tamen Vulcano tradenda esfe, fevere
decernit. Interea, ex ifto cinere äliquis ultor (ur=
‘ git, gui recidiva Pergama ponit, collapfum Syftema
reftaúrat ; et qüicquid ab aliis exfiruétum est,
quantum in fe est, demolitur. At, hac ratione,
parfum mutuis velitationibus proficiunt, fed non=
nii telam Penelopes texunt ac retexunt Philofopht,
“'Plurimum, illud etiam ad: progresfus- Mathefeos
econtulic, quod in numerato quafl habeant illius
gultores, que veritates a Veteribus, que a ir
KAARS OKE 2 tr NN eN NE, za BON - » A8 int
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL, 247
onze tydgenooten zyn uitgevonden, en,
welke men van de naarftigheid der na«
neeven nog te wachten hebbe? Zy,
weeten net, waar de ouden zyn blyven
fteeken? waar Cartefius begonnen heeft 2
hoe ver Newton is voortgegaan? wat
anderen by deszelfs uitvindingen hebben,
bygevoegd? en welke de fteenen des
aanftoots zyn, welke noch uit den weg
niet hebben kunnen geruimd worden,
Dus worden tyd, bereekening, vernuft
altoos befteed, om niewe dingen uit te
vinden, of om eenige dingen, die nog
zwak zyn, te verfterken. Maar in de
Wysgeerte, en wel in dat gedeelte, ’
geen omtrend het kennen van de oor
zaaken der verfchynzelen verkeert, is
de gant{che leeftyd. niet lang genoeg,
est Q 4 om
Oren,
fint'invente, et que a fola pofterorum diligentia
exfpeétandae? Sciunt accurate, ubi Veteres hefe-
tint? ubi Carcefius inceperic? quousque Newtos=
nus progresfus fic? quid hujus inventis alii addie
derint? qui fint ili offenfionis lapides, qui non-
dum e medio removeri potuerunt. Ita tempus,
calculus, ingenium, wel ad nova femper queren-
da, velad quedam, que debilia adhuc funt, mu-
nienda, impenduntur, „At in Philofophia, illaque
ejus parte, que. in causfis phoegomenorum cogno-
rr Ícen=
248 j:PAP DE FAGARAS ANT WOORD OP DE
om te weeten, wat er reeds uitgevonden
en wat er noch te zoeken zy? Want
de een, meenende dat het beneden de
waardigheid van een Filofoof is, zyne
onkunde in eenige dingen te bekennen,
verbeeldt zich, dat alles van anderen,
of ten minften van hem uitgevondenis:
een ander beweert, dat er niets door
het menfchelyk verftand kan uitgevon-
den worden, Indien er by geval zich
iemand opdoet, die uit de bewerkinge
eener fyne lugtftoffe, eene niet ongevoe-
gelyke verklaaringe van een zeeker ver-
fchynzel afleidt, dan houdt- de ander
ftaande, dat zulke eene fyne ftoffe:,
buiten de herfens, nergens aanwezig is.
*Is.de gewoonte, dat men by de kóól
der ‘aloude veronderftellinge een ep
LaU5-
Bb en
feendis verfatur, tota eetas ad fciendum non fuffi-
Lic, quid jam inventum ft? quidve querendum?
Hie enim, fuam in quibusdam ignorantiam , confi=
teri , Philofopho indignum putans, omnia, vel ab
atiis, velafe inventa esfe putat. Ille nihil ab hu-
mano ingenio inveniri posfe contendit. Si forte,
nius, phoenomeni cujusdam explicationem non
incommodam, ex fubtilis aetheris atione deduxe-
He, alter tÉnuem illam materiam, nullibi extra ce-
rebryjm ejus exiltere, contendit, Veterum er
" \ , $ J=
VRAGE VOOR °T JAAR MDOCLXXIL 249.
fausje by doe, en die dus opwarme; en
wederom herhaale; dat reeds duizend-=
maal gezegd is. Die eene niewe: feête
voortbrengt , verwerpt alle de uitvin-
dingen der ouden, zoo dat men zwee-
ren zou, dat alle wysheid, hoe ge-
naamd, nu eerst van hem uit de wieg
genoomen, gebakerd en opgekweekt
wierde. En hier gebeurt dan iets zon«
derlings, en ’t geen onze opmerkzaam-
heid verdient, De voortgangen der Ma-=
thefis zyn altoos traag geweest, en dog
na dat er zich de werken-der Meetkun-
de hebben bygevoegd, kunt gy naaw-
Iyks, in eenig gedeelte van -de W'is-
kunst, verkeeren , daar zich niet onbe:
kende landen opdoen; Men ‘zou den-
ken dat alle Wiskundigenfchild padden,
. Q5 zyn;
TT
hypothefium cramben, novo affufo jure recoqui,
dicta fexcenties repeci, confuetgm est. Qui no-
vam Seétam condit4 omnia Veterum inventa-reji-
cit, ut omnem fapientiam ab eo, cunis edutam',
fotam, et adultam credas, Et híc aliquid fingula-
re , dignumque attentione, evenit. Tarda femper
fuerunt Mathefeos incrementa: post conjunêtos
licet Geometrarum labores , vix in aliqua Matheft=
os parte verleris, ubi non terrae incognitae oc=
currant. Teftugines certe omnes manage
4 ej
259 J.PAP DE FAGARAS ANT WOORD OPDE
zyn, indien men hen. met de vliegende
vernuften der Filofoofen vergelykt, Hun
is zoo-een vroegryp verftand te beurt
gevallen „ -dat -gy> in eenen enkelen
mensch aantreft ‚dat hy alle. waarhee-
den «uitgevonden, in orde gebragt,
ftrikt beweezen, ja zelfs er ftraks eeni-
ge--uitgeworpen, «en andere fchalmen
in -den-fchakel-der waarheeden ingelast,
en. :teffens. alle -de veronderftellinge van
anderen hebbe wederlegd. Zoofchielyk
re voortgangen. van allerhande he-
lendaagfche W ysgeerten: zoo fchielyk
neemen zy ook af : zoo dat men, het zelf.
de van-haar zou kunnen zeggen „’t geen
men van Lodewyk den-Tweeden, Ko-
ning van Hongaryen zei: Zy is te vroeg
geboren, te vroeg met een baard. voors
IVS dk zien,
Ed rn dd
eredas, fi cum volantibus- Philofophorum ingeniis
conferantur. Tam praecox his contigit ingenium,
ut ab eodem fiepe homine,, omnes veritates in=
ventas ; in ordinem redaCtas, rigide demonftratas,
imo mox multas ex kis rejeêtas, novasque illi de-
monftrationum catenae infertas, omniumque alio-
zum-hypothefes refutatas videas. Tam rapida funt
recentioris cujusque. Philofophie incrementa aeque
ac deerementa, ut idem de illis, quod de Ludovi-
col, Hungaria Rege dici posfit: Ante diem natus,
a an
PCERERG
“ VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLKXI, 251
ziens te vroeg getrouwd, te vroeg grys
geweest en te vroeg. geflorven,;> Want
var die voorbarige-verftanderr , zegt het
fpreekwoord : 01: myn jongen!: ik vreeze,
dat gy niet lang leeven zult. Naawelyks
opent eenig’ niew Filofoof zyne fchole;,
of ftraks komen er ontelbare leerlin-
gen;'als uit het“paard van: Troïen ,
onverwagts uit voor den dag fpringen,
die geenzints, in naarvolginge ván Ax
lexarrder. den Grooten, al fchreiende,
maar” met gejuich, “tot hunne makkers
zeggen: De meester heeft ons niets over-
gelaaten, om uit te vinden! Maar voor-
zeker ! de Natuur zou onze luyheid zyn
te gemoet: gekoomen, indien’de waar-
heeden zoo gemakkelyk konden worden
uitgevonden. _ Galileus zou déeze: mis-
3 fchien
ddie
ante diem barbatus , ante diem uxoratus , ante diem tanus,
ante dier mortuus, De praecocibus enim di&tum est:
O! puer ut fis witalis, metuo. Vix novus âliquis Phi=
‘Tofophus Scholam áperit , confeftim prodeunt ex câ,
velut ex equo Trojano, innumero numero -disci-
puli, qui non Alexandrum- Mag. imitati flentes ,
fed eum tripudio illud ad commilitones fuos di-
cunt: Preceptor zibil nobis’ religuit inveniendam. At
profeto! ipfa ignavie noftree natura voluisfet
confulere, fi tam facile veritates invenirt Pe
riad È
282. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE
fchien uitgelachen hebben, die hem had
willen op de proef brengen, met de
moeilykfte voorftellen, die hedendaags
gemakkelyk opgelost. worden ; want het
ys was toen noch niet gebrooken, en
er waren-noch geene hulpmiddelen ‚die
aan zulke: pogingen, geëvenredigd waren,
Veele dingen zyn er; welke de. Meet-
kundigen van onzen tyd nietaanraaken,
maar van. welke ‚zy meenen, dat die
eerst zullen opgelost worden, als men
de grenzen der Analyfis verder zal uit-
brengen,. Maar wat-ie er zoo: verbor-
gen, dat niet fchielyk van de Filofoofen
verklaard ‚kan worden? Hoe zeldfaam
blyven./zy er in fteeken? Wieeten zy,
die den dof hebben van zedigheid onder
„hen ‚wat, men hedendaags zonder. roe-
HIS | ke-
Rifu forte -illum Galileeus: excepisfet, qui ipfum,
difficillimis „que hodie facile folvuntur, Proble-
„matibus; exercere voluisfet; nondum enim glacies
frata erat, nec digna tantis conatibus aderant au-
_xilia. Multa funt , que. Geometre noftro tempore „
ne attingunt quidem , fed-tum demum ea folvenda
fore putant, cum fines Analyfeos longius. profe-
rentur.. .Át quid tam reconditum est, quod a Phi-
lofophis non, posfit fubito explicari?. Quam raro il=
lis aqua heret? An ipfi, qui modeftiee’ laudem. in-
ne ter
VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXI, 253
keloosheid beproeven moetomtrend de
oorzaaken der dingen „en wat men aan
de naarftigheid der nakomelingen moet
aanbeveelen? Neen geenzins! zy wee«
ten niets‘anders, dan dat de hedendaag-
fche alles, en de anderen niets onderneen
men willen.
Maar het grootfte van alle de voor-
rechten, dat de Wiskunftenaars boven
de Filofoofen hebben, is, dat zy, ter
wyl zy in ’tontdekken der waarheeden
bezig zyn, altoos door een zeekeren
draad van. bereekeninge beftuurd wors
den. Hy moet de natuur van de men-
fchelyke ziel niet genoeg doorkeeken
hebben, die niet weet, hoe zeer zy,
door eenige naawkeurige regelen gehol-
pen wordt, Daar een Analyticus zyne
Tes
ter illos habent, fciunt, quid hodie, circa rerum
causfàs, fine temeritate tentari, quid pofterorum
diligentiae commendari, debeat? Non prorfus ni=
fi quod hi omnia, ill nihil, aggredi velint.
Maxima vero omnium , quas Mathematici ,-pree
Philotophis habent, praerogativarum est: quod,
„dum in veritatibus incognitis detegendis verfan=
tur, ce@rto femper calculi filo dirigantur. Natu-
ram mentis humanae non fätis oportet perfpexis=
fe illam, qui ignoret, quantum, eaj.accuratis ali-
quot
254 Js PAP DE FAGARAS ANT WOORD OPDE
regels ‚in het zoeken eener onbekende
grootheid volgt, bekleeden deeze alleen
het ampt van een Filofoof: zy -over-
weegen de ofnftandigheeden van het ver-
fchynzel: zy leiden-het een uit het ‚an-
der af, en daar wy ’tniet merken, koo-
men zy door veele redenkavelingen tot
de oplosfinge van het. vraagftuk, Laat
iemand het vierkant van de,Parabola,
door Archimedes bewerkt; leezen , en
laat-hy-er by voegen, *t geen Pafchalius
alleen, door de krachten van zyn ver-
ftand, ontdekt nopens de vierkanten
der-kromme lynen; laat‚hy dit alles ver-
gelyken met de -bereekeningen , welke
na het uitvinden-van ‚de-regelen der A-
nalyfes van de oneindigen, «al fpeelende
“worden volbragt; en-dan zal:hy kun-
nen
nt
quot regulis„adjuvetur. Dum Analyticus regulas
fuas, in invenienda quantitate incognita fequitur ,
ille {ole funguntur officio Philofophi, Problematis
circumftantias:expendunt, unum ex altero elici-
unt , et „nobis non animadvertentibus , per multas
ratiocinationes „ad quaefitum perveniunt. „Legat
quis vArchimedeam Parabolae quadraturam: -addat
Allis, que Pafchalius , fola ingenii vi, detexit ; cir-
-€a curvarum quadraturas: conferat cum iis „ que
„post:inventas Amnalyfeos nn
) Cll=
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 255
nen-opmaaken , wat verfchil er is, tus-
fchen hem, die, in het ontdekken van
waarheeden;, alleen zyn vernuft volgt,
en tusfchen hem, die zeekere vaste re-
gelen in acht neemt. Te regt fchynt
Bernouille hun geantwoord te hebben,
die zich over de vaardigheid van New-
ton verwonderden , in de oplosfinge van
zyn voorftel, wegens de allerfnelfte ne-
derdalinge: dat voor iemand, die de
regte manier weet, een uur genoeg is;
daar veele jaaren te weinig zyn, voor
hem die des onkundig is, Voorwaar
het is een oud gezegde: dat een kreupe-
le op den weg eenen looper woorby flreeft,
die buiten den weg geraakt ês. Maar
welke regelen volgen wy in het uitvor-
Íchen van de oorzaaken der dingen? met
welke fleutel openen wy de deuren 05
a-
Kh a ed
dendo abfolvuntur, et quangum interfit inter eum,
qui folum ingenium, et qui certas regulas, in de-
tegendis veritatibus fequitur „deprehendet : Rete
„Bernoullius , Newtoni promtitudinem, in fuo ce=
lerrimi defcenfus Problemate refolvendo , admiran-
‚tibus „„videtur refpondisfe : fcienti -veram- metho-
dum unam horam fufficere „non fcienti nec annos
„Áatis.esfe, Vetus profeto ditum est: Claudum in
„vig antevertere curforem extra viam, Quas vero nos in
-Apdagandis rerum causfis regulas fequimur?. qua
Clan
256 J.PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE
Natuur? Alle die, welke aan hun vers
nuft zyn overgelaaten , en van allen by-
ftand van de regelen der uitvindingen
ontbloot zyn, en evenwel, tot het op-
zoeken der oorzaaken, zich begeeven;,
worden door de moeilykheid der onder-
neeminge afgefchrikt, of buiten den weg
omdolende, befpeuren zy wel haast,
dat zy van de eindpaal zyn afgedwaald,
Die eene onbekende oorzaak van een
gewrocht wil opgeeven , ziet, dater niets
anders voor hem overfchiet, dan dat
hy, na alle de omftandigheeden van
geval, overwoogen te hebben, zynen be-
fchermengel aanroepe, gelyk de Poë-
ten hunne Zanggodinnen, en dat hy
beproeve, of hy door eene gelukkige
gisfinge, na zoo vele vrugtelooze pogin-
gen van anderen, die oorzaak ded
en
clave fores Nature recludemus? Suo ingenio de-
teliëti, omni regularum inveniendi fubfidio defti—
tuti , omnes illi, qui ad perferutandas caufas acce-
dunt, vel difficultate rei deterrentur, vel fine via
divagati, a meta fe aberrasfe deprehendunt. Qui
effeétus causfam incognitam reddere cupit, nihil
fibi reliftum videt, quam ut perpenfis omnibus
fati circumftantiis, faum genium, ut Poëta Mu-
fas invocet, et tentet, an felici quadam conjectu-
ra, eam, post tot-irritos aliorum conatus, dete-
D gee
=_VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXI. 257
ken kan? Maar, recht ter fnee, zegt de
Groote Kanfelier van Engeland: Het is
iets zots en tegen zich zelven flrydende;,
de gelooven, dat die dingen, die nooit ges
beurd zyn, gebeurenkunnen, zonder mid-
een ‚ welke men te voren nooit beproefd
ad,
Maar welke is dan de weg, om iets
uit te vinden, welke te voren noch door
geenen fterveling betreeden is? Waar
zyn die middelen, welke te voren niet
beproefd werden? De kunst om uit te
vinden, dat is, om bekende waarhee-
den uitdeonbekende , om oorzaaken uit
de gewrochten te ontdekken, zou het
eenig en waar middel zyn, tot dit alles,
In het ontdekken van de oorzaaken der
verfchynzelen , is men alles verfchuldigd
IV. DEEL. R aan,
ont
gere posfit? At rete Magnus Angliee Cancellarí=
US: Infanum quiddam est , et in fe contrarium , exiftimare
ea, qua adbuc nunguam falla fuut, fieri posfe, nifi per
modos nunqtam tentatos.
Sed que demum est illa inveniendì via, nullius
antea mortalis veftigio trita? Ubi modi illi nun=
quam tentati? Ars inveniendi, id est, ex cognitis
veritatibus.incognitas, ex effetibus causfas dete-
gendi, esfetr unum verumque ad heec omnia medium,
In detegendis phoenomenorum causfis , omnia con-
jeCturis , verofimilicudinibus , opinionibus, deben»
tur
258 J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE
aân gisfingen, waaffchynelykheeden en
meeningen. Maar alzoo deeze weg;
door veele kronkelpaaden, dan hier
dan daar, zich verdeelt, zyn wy daar
billyk bedroefd over, dat wy geenen
draad hebben (gelyk de Analysten en
Wiskunftenaars), welke wy moeten
volgen. Dat deeze zeer naarby koomt
aan de Aigebraifche Analyfis, is blyk-
baar, en waarom zou zy dan niet op
dezelfde wyze, alsdie beoeffend is, ook
kunnen beoeffend worden? Indien,
voor het uitvinden van de wetten der
Letterbereekeninge, of Algebra, een
Cyfferkundig voorftel, aan iemand van
een verheven vernuft was voorgefteld ,
ter oplosfinge, hy zou gezien hebben,
dat er geen andere weg open ware, om
dat raadzel te ontbinden, dan eene
| | | proef
Odd
tur. At cum hac via fit, mille flexibus an-
ceps, illud merito dolemus, nullum nos (ut Ana-
tyftee) filum cujus duftum fequamur, habere. Af=
finem hanc artem esfe ipfi Analyfi patet, quidni
itaque eadem ratione, qua hec exculta est, perfici
posfit? Si ante inventas calculi litteralis leges,
Problema aliquod Arithmeticum, cuidam erectioris
ingenii fuisfet propofitum, nullam ipfe aliam, ad
folvendumillud ; viam patere vidisfet , quam tenta=
î men
VRAGE VOORT JAAR MDCCLXXIL 259
proef te neemen door fchranderheid,
of mogelyk een zeeker getal, naar bes
lieven genoomen , aan de omftandighee-
den van de vraag voldeede? ‘Toen
derhalven had men alleen alles toete-
fchryven , aan de fcherpzinnigheid van
den oplosfer, van welke men echter;
naawlyks, de oplosfinge van de allerge:
makkelykíte punten verwachten kans
Maar terwyl, by geval, by de voorge:
ftelde kunstvragen , dezelfde ‘werkzaam:
heeden der ziele herhaald moesten wor:
den, fchynen de menfchen daar uit ge-
legenheid te hebben genoomen , om ee:
ne zeekere algemeene manier van ont:
bindinge der vraagftukken op te fpoo:
ren. Zoo zyn er eenige algemeene re-
gelen van ZEguatien uitgevonden, welke
Rs. niets
A N ENOR ZON AN NWN AMI, i ZN
herdr
men ingenio inftitutum, num forte numerus ali-
quis, pro arbitrio asfumtus , queftionis circumf{tan-
tis fatisfaciat ? Soli itaque folutoris fagacitati tum
debebantur omnia, a qua vix facillimorum refoluti=
onem expeftare posfis. At, dum nobis forte quz-
‘ftionibus propofitis, eaedem mentis operationés
denuo esfent repetendae, occafionem videntur
‘fumfisfe homines, ad generalem aliquem, fimiles
quzftiones folvendi modutm, inveftigandum. Ita
invente generales aliquot aequationum. regule,
que
260 J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE
niets anders zyn, dan gevoegelyke uit-
rollingen vande order , welke de ziele, ín
het opzoeken eener onbekende groot-
heid, volgt. Maar gaat dan de ziel al-
leen , op eene zeekere en vastgaande wy-
ze, tewerk, in het ontdekken der groot-
heeden? Voorwaar zy verkeert, op ee-
ne en dezelfde wyze , omtrend allerhan-
de foort van waarheeden: op dezelfde
manier ‘haalt zy uit de eene waarheid de
andere voort, Dan dit valt haar wat
ongemakkelyk, dat zy in het afleiden
der verfchynzelen uit hunne oorzaaken,
juist-altoos gedwongen wordt, denzelf-
den weg op niew in teflaan. Na de uit-
vindinge van de wetten der Algebra,
kunnen oneindig veele vragen, iu
zelf-
Kek eds ed
que nihil fant, nifi ordinis, quem mens in inda-
ganda incognita quantitate fequitur, debitae evo-
lutiones. Át num, in folis quantitatibus detegen-
dis, mens certa procedit lege? Eodem profeêto
modo illa, circa omnis generis veritates verfatur:
eadem ratione ex una colligit aliam: hoc folum ip=
fi incommodum evenit, quod dum in phoenome-
nis, ex fuis causfis,deducendis, verfatur, defici=
entibus regulis , eandem femper viam repetere co=
gatur. Post inventas Algebreleges, infinitae quz-
ftiones, per idem Problema, generalius enuncia-
tum
VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXIL 261
zelfde voorftel in *t gemeen úitgedrukt,
worden opgeloste Ja ieder byzonder ge-
val; wel ontwikkeld; brengt meer aan,
dan-men: verlangd-had,… Want: het ver-
fchaft eenen algemeenen regel „om de ver-
maagfchapte Problemaas op ‘te. losfen.
Voorwaar | zoo wy: ook de. manier en or--
der waarnamen, welke de-ziel volgde,
in ’tverklaaren van-’teen of ander ge-
wrocht uit deszelfs „oorzaaken „ zouden,
wy veele regelen van uitvindinge. kun-
nen ontdekken, welke men, in andere
gevallen, met groot voordeel, in: aan-
merkinge-zou kunnen neemen, „Maar
dan zou men veele genomene waarnee-
mingen noodig hebben, en opmerk-
zaamheid ‘op de byzondere voorbeel-
den. Dit is waar, dat de gevallen, die
3 in
hbe
tum, folví posfant. Imo, cafus quilibet fpecialis,
rite refolutus, plus quam defiderabatur, praftat ;
fuppeditat enim regulam generalem , affinia Proble
„mata refolvendi. Profeéto fi,nos etiam modum
et ordinem, quem mens in eftettu quolibet, ex
fais, causfis explicando, fequitur, obfervaremus,
plures inveniendi regulas in aliis cafibus maena
utilitate obfervandas, posfemus detegere, Sed ad
hoe pluribus obfervationibus captis, et attentionc
ad exempla fpecialia, opus esfet. Illud verum Est,
PY ca-
262 Js PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE
in ’t Heelal gebeuren, ingewikkelder zyn ,
dan die, welke aan de Analysten wor-
den voorgefteld, Maar hier koomt de
regel der Staatkundigen te pas: werdeel,
en gy zult overwinnen, Zy, die de Al-
gebraifche Analyfis behandelen, bewer-
ken, indien de omftandigheeden van ’t
Vraagftuk te veel ingewikkeld zyn, elke
omftandigheid afzonderlyk, wanneer de
krachten van de kunst niet voltrekken
zouden, om allen te gelyk te overmees-
teren. Deezen mogen wy naarvolgen.
Maar: hier zouden wy wederom regelen
van nooden hebben, hoe men de faam-
verknochte deelen, als het noodig is,
van elkanderen zou kunnen fcheuren, en
dezelve wederom by een binden en fa-
menvoegen. —
| Wel
ge
eafus illos, qui in Univerfo eveniunt, intricatio=
res esfe, quam ij funt, qui Analvftis proponun-
tur. At hic obtinet Policicorum regula: divide ef
winces. Analvfte, fl circumftantiae Problematis ni=
mis fint complicatee „ illas feorfim traCtant , quibus
eonjunêtim fuperandis vires artis non fufficerent,
Hos licet nobis imitari, At hic novis iterum regu=-
lis opus esfet , quomodo connexas partes à fe in-
vicem, ubi opus est, divellere , easdemque rurfus
cutiedre posktius, 170) SA rs eenn OA
he Oet Ee RER Ves
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI, 263
Wel is waar, dat de kunst van uitvin-
den niet anders, dan met de uitvindin-
gen te gelyk, tot volkomenheid kan
worden gebragt, Edog ik voor my wil
niet, dat men dezelve aanftonds tot vol-
komenheid brenge, maar alleen, dat
wy eraan beginnen. Want men moet
flegts zoo veel wenfchen „ als men kry-
gen kan, wanneer men zoo veel niet
kan te weeg brengen, als men wel zou
wenfchen, Waarom zouden wy die
dingen, welke wy reeds in onze magt
hebben, niet gebruiken, tot behulp voor
aderen, welke wy van wegens hunne
moeilykheid, noch niet hebben aange-
roerd? Wy zien, dat er veele en ver-
fchillende waarheeden van de W'iskuns-
tenaars zyn uitgevonden, en nog van
dag tot dag uitgevonden worden; en wy
R 4 keu-
onsen
Verum equidem est, artem inveniendi non nifi
‘eum inventionibus fimul posfe perfici. At ego,
„non ut eam abfolvamus, verum ut incipiamus , vo=
lo. Tantum enim velis, quantum posfis, fi tan=
tum non posfis, quantum velis. Quidni ex is,
que jam in poteftate habemus, fubfidia eorum fu-
mamus, que ob difficultacem ne quidem attigimus ?
Multas variasque veritates, a Mathematicis in-
ventas esfe, ac in dies inveniri, videmus et ap-
plau=
264 J. PAP DE FAGARAS ANT WOORD OP BE
keuren het goed , met handgeklap en toe-
juichinge, Maar zoo een fchryver, of
uitfchryver der Redeneerkunde eens
dacht, dat hem deeze taak ware opge-
legd, dat hy onderzoek moest doen ;
hoe zoo veele en zoo verfchillende waar-
heeden zyn uitgevonden? hoe er, vande
eene tot de andere, een overgang ge-
maakt zy? wat, by geval, aanleidinge
tot deeze of die dingen op te fpooren,
gegeeven hebbe? welke drift en luim de
menfchen op deezen weg gebragt heb-
be? hoedit, nuendan, hunin de gedag-
ten kon koomen? dan iser geenzints aan.
te twyffelen, of de uitvindingen en der-
zelver manieren, wel overwoogen zyn-.
de, zouden de beste uitvindings regelen:
aan
ed a et desc
laudimus, Art fi quis Logices fcriptor, vel ex=
criptor, id fibi negotii- datum putarer, ut quaere-
ret, quomodo tot tamque diverfie veritates, fint
inventae? qui, ex tna earum, tranfitus fit faétus in
alteram? quid forte occafionem, ad haec, vel illa
guerenda, dederit? quis genius in hanc viam ho-
mines induxerit? quomodo hoc, vel illud, illis
in mentem veníre potuerit? nihil dubitandum est, -
quin inventiones, earumque modi debite perpenfi,
vptimas inveniendi regulas fuppeditarent. Sed ves
peor ae nimium a plerisque Logicis petierim. Res
ì KN cers
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 265
aan de hand geeven. Edoch ik vreeze ;
dat ik veel te veel van de meeste Rede-
neerkundigen eisfche, De zaak zeeker
is zoo moeilyk niet, dat zy niet zou kun-
nen beproefd worden; want de «eene
waarheid, als ’twaare by de hand ge-
greepen, leidt ons tot de andere; en daar
is niets anders noodig, dan dat wy den
weg, welke onze voorouders hebben af-
gelegd, weer op nieuw inflaan. ‘Op de
eene ftreek zouden wy doorgaande voet=
paden, op de andere, omwegen, langs
welke men heeft moeten gaan, eer de
regte weg in het oog gevallen was, en
wederom op eene derde , kreupelbosfen,
gemakkelyk ontwaar worden, welke wy
dan met veel nut aan anderen zouden
kunnen aanwyzen.. IRO TEL
Maar , nopensde kunst van uitvinden ,
R 5 __wacht
Gd
eerte non ita est difficilis, ut tentari nequeat; una
enim veritas homines, prehenfa quafi manu , duxit
in alteram, nullaque alia re opus esfet, quam ut
viam; quam priores emenfi funt, vellemus relege-
“re. Hic continuos femitarum traëtus, iftic amba=
ges, per quas via reéta nondum in oculos incur=
rente procedendum fuit, illie forte quosdam faltus
facile detegeremus, quos magna utilitate posfemus
aliis commonftrare.
Plurimum vero, circa artem inveniendi, ab ipfis
ju.
266 J,PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE
wacht men met recht zeer veel van hun,
die dikwyls op dien weg gewandeld heb-
ben. Gelykeenoud matroos, die alle de
dagen zyns leevens, tusfchen de golven
der zee, verfleeten heeft, heilzaamen
raad-aan eenen jongeren geeft: zoo zou
hy onder de Filofoofen, die grys ge-
worden is in.’ neemen van proeven, in
“zoeken, in *t gisfen, en die door veele
woelende.zeën van meenigen, gisfingen ,
ja zelfs van dwaalingen, geflingerd is,
veele gefchikte dingen daaromtrend
kunnen berichten. Die wetten zyn ons,
voor het grootst gedeelte, onbekend,
welke ziel en lichaam volgen, in het
voortbrengen hunner gewrochten, De
oogappel verwydert en vernaawt zich,
naar mate, dat het licht fterker is, De
fpic-
rrd
jure expettatur , qui fiepius in hac vía funt verfati.
Ut fenex nauta, quï omnes vite dies, inter flus
Eus maris, confumfit „Bfa'ubria juniori confilia fup=
peditat. Ita ille inter Philofophos, qui in tentan=
do, querendo, divinando confenuit, multisque
epinionum, conjeturarum, imo ctiam errorum
fiutibus jaétatus est, multa hanc in rem accommo-
data monere posfet. Ignote nobisfunt, maximam
partem, ille leges, quibus corpus acque ac
anima fuos effeétus perficiunt, Dilatat et co-
artat fe pupilla, pro majori minorique lucis
Co=
- VRAGE VOOR °T JAAR MDOCLXXIL 267
{pieren worden buiten ons weeten;,
faamgetrokken en uitgerekt, naar dat
het de noodzaakelykheid vordert. Niet
ongelyk fchynt de ziel, in haare wer-
kingen, gefteld te zyn. Wanneer zy
haare krachten befteedt , ter uitvoeringe
van behoorlyke gewrochten, verfterkt
en verflapt zy die, naar dat het noodig
is, enterwyl zy, van onbekende dingen,
tot bekende overgaat, terwyl zy uit de
gewrochten opmaakt, hoedanige de oor-
zaaken zyn, en gist, en de gelykvor-
migheeden onderzoekt; is zy aan zee-
kere wetten onderworpen, zonder dat
wy het opmerken. Maar zoo de uit-
vinders hunne aandacht op die wetten
vestigen wilden, indien zy de wyze in
aan-
dn
copia, _Contrahuntur extendunturque musculi ,
pro ut necesfitas exigit , nobis nefeientibus. Haud
fecus anima, in fais operationibus „ videtur esfe
conftituta. Dum vires fuas debitis effeétibus pro=
ducendis applicat, intendic illas , remittitque , ubi
opus est, et dum ex cognitis, procedit ad incog-
nita, dum ex effeCtibus , quales esfe debeant caus-
fae, colligit, conjicitque , et fimilitudines fcrutatur,
legibus fubjefta est certis , nobis illud non animad-
vertentibus, At fi ad has attendere vellent. inven-
to
268 ; PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE
aanmerkinge naamen , op welke de zie-
le uit het een tot hetander overgaat, en
dikwyls uit de minfte omftandigheeden
alles weet, wat zy zoekt; zoo zou het
gebeuren, dat zy de order , welke de ziel
houdt, zouden zien; en zoo zouden wy,
deeze order kennende, en! dezelve tot
zeekere regelen gebragt hebbende, zoo
dikwerf het ons behaagde , die zelfde
werkinge der ziel herhaalen, welke de
ziel nu, naar haar byzonder goedvin-
den, en niet naar het onze, volvoert,
Misfchien twyffelt gy, of demanier, op
welke de ziel werkt, wel onder zeekere
wetten konne of moge gebragt worden?
Want, gelyk een Poëet, zoo wordt ook
een:Uitvinder niet gemaakt maar gebo-
efusé ren ;
Ort
tores; fi modum,-quo mens ex uno, in alterum
tranfit ‚ex minímis fmepe circumftantiis, omne id
quod-queerit, cognofcit, obfervarent: ita fieret,
ut ordinem , quem illa in inveniendo fequitur per-
fpicerent , quo cognito; in certasque regulas re-
dato, easdem intelle&tus operationes, quas nune
mens fuo, non noftro „ arbitrio peragit, quoties lu-
bitum esfet, repeteremus. Modum tamen, quo
anima operatur, legibus comprehendi posfe, vel
debere „forte dubitas? Uti-enim Poêta, ita Inven=
tor
VRAGE VÒOR °T JAAR MDCCLXXn. 269
ren; en, door een vryen geest zyns ge-
moeds, wordt hy aangezet tot het ont.
dekken van onbekende waarheeden; en
zoo gy hem in voetkluisters van regelen
zoudt willen verwarren, zoudt gy hem
onbekwaam maaken, Waarom zou ik
loochenen, dat my dit zoo voorkoomt?
Want alzoo de weg noch niet ontdekt
is, langs welke de ziele in het uitvinden
der waarheeden, voortgaat; fchiet er
niets over, dan dat elk aan zynen {maak
worde overgelaaten , om derwaards ge-
leid te worden , waar hem zyn noodlot
henen dryft. Dit moet men belyden,
dat de ziel niet altoos in eene bedaarde
en eenparige beweeginge voortfpoedt;,
maar dat zy dikwyls van het een uitter-
{te tot het ander overgaat, dat zy Weg
íchil-
eh de ee
tor, hon fit fed nafcitur, et ad detegendas veritas
tes incognitas, liberiore mentis fpiritu excitatur,
quem, fi regularum compedibus irretire volueris,
inhabilem effeceris, Ita hoc videri quid negem?
Nondum enim deteta illa via, quam mens in inve-=
niendis Veritatibus fequitur; nihil relittum est,
„quam ut fuo quisque genio ducendus, quo fata fe=
rant, relinquatur. Illudequidem confitendum est,
non femper animum procedere motu compofitos
tranfit ile ex uno faepe extremo in alterum, per=
Wlse
90 J. PAP DE FAGARAS ANT WOORD OP DE
fchillende denkbeelden ondereen mengt;
gelyk een kok zyne verfchillende vlees:
foppen. Echter ontmoeten wy in haar
grootere kenteekenen van de Goddelyke
Wysheid, dan dat wy *tzoo zouden op-
vatten, even, of hare werkingen, by ge:
valen zonder eenige order , ondernomert
en volbragt wierden. Voorwaar! indien
die groote verftanden, welke geleerd
hebben; zonder kurk te zwemmen, in
hunnen boezem nederdaalen wilden;
indien zy de wetten van eenen geest-
dryvenden luim, door welke zy dik-
wyls beftraft worden, uit hunnen ei-
genen grond, opdolven; indien zy
den weg naarftig teekenden, welke zy;
op aanraadinge van hunne fmaak, ge-
vonden hebben, enons, die zoo door-
zichtig van vernuft niet zyn, En
zel-
brt
miscet ideas diverfas , ut varia jura coquus: at ma-
jora tamen Sapientiae Divine indicia in ea depre-
hendimus, quam ut ejus operationes, cafu_nullo-
que certo ordine, fufcipi et perfici, arbitremur,
Profe&to! fi magna illa ingenia , que fine cortice na-
tare didicerunt , in finum fuum defcenderent, fi en=
thufiasmi , quo feepe corripiuntur, leges, e proprio
fando , eruêrent , fi viam illam , quam ipíi, fuo genio
admoniti, invenerunt, diligenter notarent, nobisque,
quibus tam perfpicax genius non est, contmon s
rent,
VRAGE VOOR °T JAAR MDCULKXN, 29%
gelven aanweezen; dan zouden zy niet
minder dienst doen aan den openbaa-
ren voorfpoed der weetenfchappen, dan
aan zoo veele Goddelyke uitvindingen.
Maar nu de Geleerden van den eerften
rang, die op dien weg meermaalen zich
bevonden hebben , den arbeid , om dien
zelven weg aan te wyzen, overdraagen
aan anderen, die hem nimmer zagen;
en zy het werk van ’ fchryven eener
Logica, gemeenlyk altoos, gelyk de
Bisfchoppen het prediken op de Bedel-
monniken, op de fchouders van gemee-
ne breekebeenen fchuiven, geeven die
menfchen regelen op, die * verftand
niet bezig hielden in het overpeinzen
maar flegts de hand inhet fchryven; ter-
wyl zy, die nimmermeer eene ef
| ei
rent, non minus de publico fcientiarum bono;
quam detot Divinis inventis mererentur. At,dum
primi ordinis Eruditi, qui in hac via faepius funt
verfati , ejus oftendende laborem aliis, qui nun=
quam eam viderunt, demandant, et feribende Lo=
gices operam, fere fémper in proletarios, ut Epise
copi concionandi munus in fratres mendicantes,
transfefunt, dum de modo cogitandi, ili regulas
fuppeditant, qui non ingenium in meditando, ve=
rum matius in feribendo, exercuerunt , dum quo=
moe
272 J.PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE
heid hebben gezogt, veel minder uit-
gevonden , leeraaren, hoe men iets
uitvinden moet: en zoo zal de kunst
van uitvinden eewig in de wieg moeten
verholen blyven, Waarom volgen de
Letterhelden die Groote Krygsoverften
niet, die het voor fchoon reekenen, niet
alleen het werk van eenen Veldheer, maar
ook dat van een gemeen foldaat te
doen ? |
Maar ondertusfchen, terwyl de Wys-
geeren noch in gebreeke blyven, om dit
alles te voltooien, zouden wy daarom,
dan eens op het een, dan eens op het
ander oorvadzig blyven {laapen? of af
wachten, tot dat de Goden het, buiten
ons weeten , tot volkomenheid bai
aa-
seen
modo aliquidfit inveniendum , illi docent, qui nul-
lam unquam veritatem quefiverunt, tanto minus
invencrunt; ita Ars inveniendi, eeternum, in cu=
nis fuis delitefcet. Cur non Heroes litterarii imi-
tantur magnos illos belli Duces, qui, et Ducis et
gregarii militis munia fungi, pulerum putant?
AtdumPhilofophi haec omnia perfecerint, nose
ne interea fecure in utramque aurem dormiemus?
aut ut Dii hec nobis nefcientibus abfolvant , ex-
pecta=
_ VRAGE VOOR °T JAAR MDECLXXI, 25
Laaten wy liever, een goed gebruik
maakende van ‘tgeen wy reeds verkree-
gen hebben, hulpmiddelen zoeken, ter
erlanginge dier dingen, welke wy , noch
alleen met onze wenfchen, begeeren
machtig te worden. Want eene werk-
tuigelyke verklaaringe van de algemee-
ne wetten der beweeginge kan naawe:
lyks zonder eenige baldadigheid; onder-
noomen worden, voor zoo ver men die
uit het innig geftel der lichaamen afleidt;
voor dat eerst dat gedeelte van de Na-
tuurkunde, ’tgeen , feedert twee eewen;,
met zoo veel drift, van de Filofoofen is
begonnen beoeffend te worden, en dat
zich verledigt tot het brengen van by-
zondere verfchynzelen onder eenige al-
gemeene wetten, tot zyne hoogfte vol-
1V. DEEL. 9 maakt
lk Melee elle ille
Bae ablmnus ? Imo potius is, que jam confecuti
famus, bene utentes, queramus fubfidia eorum,
que folis adhuedum votis concupiscimus. Vix
enim antea mechanica generalium motus legum ex-
plieatio; ex interna corporum ftruêtura repetita,
fine temeritate aliqua tentari potest; quam ea Sci-
„entiae Naturalis pars, tanto Philofophorum ftudio
-aduobus fere feculis excoli coepta, que, in phoeno=
„menis fingularibus ad generales aliquot leges redu-
cendis, occupätur, ad fummam-perfeétionem per-
ib, dug=
174J-PAP DE FAGARAS ANT WOORD OPDE
maaktheid gebragt zal zyn. Maar het
is bekend, dat in het zelve zich noch
eenige hinderpaalen voordoen , die weg-
geruimd moeten worden, Wy moeten
van de wyze, op welke dat gefchieden
moest , noch iets weinigs zeggen.
_Daar zyn drie voornaame Leidslieden,
welke wy volgen moeten, willen wy,
vit de verfchillende gewrochten der Na-
tuur; voortgaan tot de algemeene wet-
ten. De Bereekeninge, de Waarnee-
ringen en de Proefneemingen, ook de
Gisfingen en de veronderftellingen, Hoe
men de Bereekeninge gebruiken moet,
zullen wy niet zeggen; want dit zou bui-
ten ons beftek loopen. Alleen zullen
wy iets van de Waar- en Proefneemin-
gen berichten.
bk | Men
edp
duéta fit. At in hae quedam adhue oceurrere ob-
ftacula notum est, que, quomodo tolli debeant ,
de eo jam pauca dicenda funt.
Tres funt praecipui Duces, quos , ex variis na=
turae effettibus ad generales leges progredientes,
fequithur. Calculus, obfervationes et experi=
menta, itemque conjeéturae, ac hypothefes. Quo=
modo calculo utendum fit, de eo agere, esfet ex-
tra oleas evagari, Nonnifi de iftis, ac his, que
dam monenda funt, A
Wb Aut
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLEXI. 295
Men is de Proefondervindingen fchul:
dig of aan ’t Geval, of aan de Naarftig-
heid. Het Geval kan wel aan geene re.
gelen onderworpen worden , maat men
kan nochtans met opzet herhaalen, ‘
geen, by geval, gebeurd was. PICART
zag gevallig, dat de Kwik licht van
zich gaf; maar de fchranderheid van
BERNOULLI echter werkte uit, dat
de ligtende Merkurius, die men te vo«
ren alleen bygeval gekreegen had, naar
welgevallen kon worden toebereid. De
vermaarde proefneminge van de Leid-
fche Fles is men ook, zoo wel aan
geval, als aan de behendigheid verfchul-
digd, Gelyk het altoos de pligt van ee-
nen voorzigtigen veldheer geoordeeld
is, aan de Fortuin wat toe te geeven,
S 2 ZOO
han ac
Aut cafui debentur experimenta, aut induftriae,
Cafus equidem regulis fubmitti nequit, ut tamens
dees catu evenit; confilio repetatur, fieri. potest.
ortuito Picartus Mercurium lucere vidit, ut ta-
men Lucifer Mercurius, qui antea nonnifi-cafu ha-
bebatur ; pro arbitrio parari posfit , Bernoullii Saga-
citas effecit. Celebre eciam lagenae Leydenfis rex-
perimentum , cafui aeque; «ac induftriae-debetur.
Ut prudentis belli ducis femper ‘habitum fuit; lo -
cum fortunae dare, ita folertis naturae fcrutatoris
bp Est,
276 j-PAP DE FAGARAS ANT WOORD OP DE
zoo is hetook de pligt van eenen fnedí-
gen Natuuronderzoeker , gebruik te
maaken van ‘tgeen ’ Geval hem van
zelfs: aanbiedt. *tGeluk hadt den ou-
den. reeds ettelyke verfchynzelen der
EleCtriciteit aangeboden , en nochtans
hebben, zelfs in onze dagen,de menfchen
dezelve ter naawer nood opgemerkt.
Edog, indien wy eenige zeldfame geval-
len niet ftraks tot onder de uitzonderin-
gen der ‚Natuurregelen bragten, of uit
deze. of die oorzaken gereedelyk ver-
klaarden, om niet te fchynen van iets
onkundig te zyn, maar liever op de her-
halinge- derzelve, met naawkeurige in
acht neminge van alle de omftandighee-
den, bedagt ‘waren „ behoefden wy niet
te-twyffelen „of -wy zouden, door de ge
hi Gal
onned
est, illis quae cafus-fponte obtulit, in rem foam
uti. Multa cletricitatis phoenomena jam vetc=
ribus fortuna obtulerat , vix tamen noftro tempore,
haec ad animum homines revocarunt. At; fi rario-
res quosdam cafus, non ftatim vel inter excepti-
ones referremus, vel-ex-causfis quibuscunque ; ne
aliquid nefcire videamur „ explicaremus, fed de eo-
dem repetendo, perpenfis accurate facti-circum-
ftantiis , vellemus cogitare, nil dubitandum-est,
quin „ eventibus fortuitis,-ad magni-momenti ve-
2 Ïl=
VRAGE VOOR ’T JAAR-MDCCLXXIL' 277
vallige’ gebeurtenisfen „ tot’ het ontdek.
ken van zeer gewigtige waarheden, zyn
gebragt geworden. -Dikwyls ís men’het
overwinnen niet. verfchuldigd: aande
wakkerheid- van eenen veldheer „maar
altoos is men het er: aan verfchuldigd;,
zoo er een goed gebruik van de over-
winningegemaakt wordt. Waarom zou
een Natuurkundige niet> even “zoo veel
kunnen doen, als ‘eer oplosfcher van
Wiskunftige Vraagftukken? ’tGebeurt
hem dikwerf , vooral in Diophantifche of
ingewikkelde vraagftukken „dat hy „door
de kunst,” geen een: bekend getal “kan
uitvinden , *twelk aan de vraag voldoet,
maar zoo hy er gevallig-een ‘gevonden
heeft, dan wordt het hem gemakkelyk ,
om ‚daaruit, oneindig veele -anderen
afte leiden, welke aan de Vrage voldoen,
9.3 _Even-
Re Ta Ct EEN Pa
hei he de ded
‘ Ì { Á ) pe
ritates., perduêti fuistemus.. Saepe non belli-ducis
induftriaesdebetur „ vincere.„at femper illi „ viéto-
ria bene uti7Cur non tantum facere posfit Phyfi-
eus, quaatunr Analytieus? Contingit illifaepe, in
problematibus. praefertim Diophanteis, ut nullum
numerum arte invenire posfit; qui quaeftioni fa-
tisfaciat, at ‚fi unum forte repererit , facile ei est,
ex illo „ infinitos alios,-quaeftioni fatisfacientes
deducere, ian.
Plus
278 J.PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE
Evenwel moet men veel meer van
die Proefondervindingen verwachten,
welke, met rp ak raade , wor-
den in: ’t werk gefteld, Wel hoe „ zou-
den menfchen ‚die iets anders bedoelen
en op den regten: weg niet gefteld zyn;
zoo veel kunnen uitvinden, als er van
anderen, die er zich op toeleggen, en
ophet regte fpoor voortgaan, kan wor-
den uitgevonden? „Hunne arbeid is ge-
lykedan de omtâstingen by nachte, die
flegts van de eene proefneminge , zon-
der eenige orde, waar te nemen, tot de
andere: overgaan. Gy moet een getrou-
wen leidsman volgen , wanneer gy in een
vreemd land verkeert, Maar gy vraagt;
welken gids ik zou raaden te volgen in
het maken van Proeven? ik antwoorde,
E6-
endet
Plus tamen longe expeétandum est, ab experi-
mentis, certo confilio inftitutis. Quid enim?
homines aliud agentes ‚ neque in via reéta confti-
tuti posfenthe tam maulca reperire , quanta, ab aliis
huie negotio intentis, veramque femitam ingres-
fis, inveniri posfunt? Paipitationibus noéturnis fis
miles funt corum labores , qui ex uno experimen-
to in aliud, nullo ordine obfervato, tranfeunt. Fis
dum ducem fequaris oporter, fi in regione igno=
ta verferis. At quem, in experimentis,- ducem
Teguendem fuadeam, quaeris? Veritatem aliquam;
vR en tet 4 ink eek aak quam
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL, 279
eenige waarheid, welke gy door die proef.
nemingen wilt bevestigen of duidelyker
maaken: maar waar fchuilt die waar-
heid? Zy is niet verre van uaf, zoo
gy oplettend toeziet,
Men kan alle de Experimenten, wel-
ker oorzaak onbekend is, brengen tot
twee hoofdfoorten: want of wy zien de
uitkoomtte niet, welke wy meenden dat
er by moest zyn, of wy zien de uit-
koomfte zoo, dat ons de Oorzaak on-
bekend blyve, door welke dezelve wordt
voortgebragt, Daar de uitwerkinge, wel
ker oorzaak aanwezig is, niet gezien
wordt, is het natuurlyk te befluiten , dat
Zy, door de bewerking van andere oor-
zaken, weggenomen is, Derhalven. moet
men, door niewe Proefnemingen, on-
0 S 4 der:
dd
quam per illa vel confirmare, vel manifeftiorem
reddere velis: at ubi latet ea veritas? non longe
a te abest, fi animum advertas.
In duas clasfes , omnia illa experimenta, quorum”
Causfa incognita est, revocari posfunt; aut enim
effettum non videmus, quem adesfe debere putaba-
„mus , aùteventum confpicimus, ita ut causfam „per
„ quam fit produétus, ignoremus. Ubi effetus, cu-
jus causfa adest, non confpicitur, naturale est
colligere „eum aliarum causfarum operacione, fu-
blatum esfe, Harum itaque , quas adesfe fuspica-
oud ‚mur
280 j. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE
derzoek doen naar de gewrochten dier
Oorzaken, welke wy vermoeden, dat
er by aanwezig zyn. Dus wanneer de
kwik, tegen de regel der Zwaarte, in
de buis van Torricellius hangen blyft,
is het gevoegelyk de uitwerkinge aan
de zwaarte der Lugt toe te fchryven,
Men moest derhalven weeten, hoeda-
nige en-hoegroot die Zwaarte zy; en
om dat zy, alleen befchoud , niet altoos
fcheentoe te reiken tot het voortbrengen
vanditgewrochte , moest men voortgaan
toteeneandere eigenfchap van de Lucht,
namtentlyk hare veerkragt, welke ge-
legenheid gegeven heeft tot het toerter
len van de Lugtpomp , door welker hul-
pe, alle: die eigenfchappen naawkeurií-
ger konden onderzocht worden dan te
ki 4 Vvg-
Gede
mur effe@tus , novis experimentis examinandi funt.
Ita cum , in tubo Toricellii, mercurius contra gravie
tatis legem fufpenfus haefit, rei conveniens erat,
hune eftettum aëêris gravitatí adfcribere, -Ea itaque,
qualis, et quanta fit ?scognoscendum erat , et quias,
fola, huic effe&tui producendo non femper futfice-
re videbatur, ad aliam ejus proprietatem , feilicet
elafticitatem erat procedendum, “quae occafionem
dedit, ad antliam Pneumaticam conftruendam, cu-
jus ope, omnes aêris proprietates, accuratius adr
hug
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI, 28r:
voren , ja zelfs de kragten der Lugt wor-
den opgewogen. | kaisdin
“Op verfchillende wyzen gebeurt het,
dat wy de gewrochten verdweenen zien,
daar zy behoorden aangetroffen te wor-
den. ‘Somtyds worden zy in ’t geheel,
fomtyds ten deele, weggenomen, Dan
eens maken de Oorzaken tegen elkan-
deren een gelyk evenwigt, dan eens is
de eene zwakker dan de andere, en: be-
lemmert dus een gedeelte van haar ge-
wrocht, - Zou de uitwerkinge wel weg-
genomen zyn, door de Werkeloosheid
van een andere ftoffe ?-of door de Zwaar-
tekragt?of door de Aantrekkinge? Alle
die bedenkingen leiden ons op tot nie-
we Proefnemingen. De Oorzaken, die,
famenwerkende, elkanderen in den weg.
î „95 Zyn,
inttrin
hue quam antea, examinari ejusque vitres ponde=
rari potuerünt. an
_Variis modisevenit, ut êffe&tus, qui adesfe debebant,
adesfe videamus. Saepe illi in totum , faepe'in parte,
tolluntur,. Nunc enim causfae inter fe aequilibri-
um tenent, mox una altera debilior, illius partem
impedit. Ad omnia haec'attendendum est. Num
effectus fublatus fit, per materiae alterius inertiam ?
vel per gravitatem? aut attraétionem? Haee om-
nia ad nova experimenta nos ducent, * Causfae’,
quae
282 J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE
zyn, moeten dan gefcheiden worden,
op dat wy weeten, wat er van de ee-
ne, en wat er van de andere voorko-
me, Straks moet men wederom meer
dingen, zoo ’t noodig is, famenvoegen,
Gelyk, wanneer de gekoleurde ftralen
onderling elkanderen , de verwen fchee:-
nen weg te neemen of te verdooven;,
raadde ons de natuur der zake, dat zy
op niew van een moesten gefcheiden en
elke dier ftralen afzonderlyk behandeld,
en ftraks wederom met andere faamge-
voegd worden, Dikwerf fchynen de
vloeiftoffen aan de Wetten der Water-
weginge niet te gehoorzaamen, en de
Experimenten. aan de Befchouwende
kundigheden niet juist te beantwoorden,
In dat geval moet men onderzoeken,
EEEN
quae conjunêtim feimpediunt, feparandae, ut quid
ab unaquaque proficifcatur, cognofcamus. Mox
plura iterum, wbi-opus est, conjungenda. Ita
cum radii colorati, fuos mutuo colores tollere vi-
debantur, ipfa rei natura fuadebat „ utii a fe invi=
cem iterum feparentur, ut unusquisqueeorum
feorfim tratetur „ et mox cum aliis conjungatur.
Saepe fluida legibus hydroftaticis non obedire, et
experimenta theoriae, non accurate respondere vi-
dentur., In illo calu experiendum est „ an forte at-
tra=
4
of
VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXX1, 283
of misfchien de aantrekkinge of de af-
ftootinge van eene andere vloeiftoffe,
hare byzondere zwaarte te boven gaa?
In dezen moet men toezien wat er ver*
anderd zy door de wryvinge , de weer-
ftandbiedinge van de middelruimte, de
aanftootinge der deelen op elkanderen,
en. door de famenkleeving? Zoo zullen
de Experimenten niet alleen verftrek-
ken tot bevestiginge der Theorie; maar
zullen ook aanleidinge geeven tot het
uitvinden van niewe Proefnemingen.
Meermaalen gebeurt het, dat wy een
gewrocht - zien te voorfchyn komen,
van ’t-welk de oorzaak geenzints blykt,
Barnfteen of Glas krygen, door wryvin-
ge „eene kragt , om ligte lichaamtjes naar
zich te trekken en van zich af te ftoo-
ten.
Kd de
tratio, vel repulfio altérius fluidi gravitatem hu-
jus fuperent. In hoc difpiciendum, quid per fri-
ctionem, refiftentiam medii , partiumin fe invicem
impulfionem , tenacitatem, mutatum fit? ira expe-
rimenta non ad confirmandam folum theoriam fer-
evi verum novis etiam occafionem fuppedita-
unt, ê |
Evenit faepe; ut effetum adesfe videgmus , ita
ut causfà ejus non appareat. Succinum, vel vi-
trum, afriéta, vim aquirunt corpora. levia. ge
he Jen=
284 JPAPDE FAGARAS ANTWOORD OPDE
ten. In ’t begin fcheen ’t als of de wege
ftootinge op de Aantrekkinge, en deze
wederom , op hare beurt , de Wegftoo-
tinge volgde, zonder eenige zekere. wet-
ten in acht te neemen, Maar: de Na-
tuur volgt eene fraaiere orde, dan dat
iets by geval „of zonder eenige vaste re-
gels, gefchieden zou, gelyk wy anders,
met de vuile leerlingen- van: Epikurus;,
zoude:moeten vastftellen, Eerst en voor-
al moet men er zich dan op toeleggen,
dat..wy deze of geene hoofdwet ont-
dekken; volgens welke zulke-uitwerk-
zelen opkoomen.: Deeze zal--ons «tot
eenen leidsman: verftrekken, -dierons tot
niewe Proefnemingen, ja zelfs“tot het
uitvinden der oorzake van het gewrocht
zal op leiden,: Zekerlyk nimmermeer
1153 zou
oost
hehdi-repellendique. Nulla certalegeattrationem
repulfio ; ethancilla „initio , excipere videbatur, Sed
elegantiorem natura fervat ordinem , quam.ut aliquid
cafu , vel fine certis regulis fieri, cumsEpicuri de
grege porcis. ftatuamus. Primo itaque omnium id
agendum:est ‚… ut-principalem aliquam legem dete-
gamus, qua effeêtus ifti oriuntur. Illa erit inftar
ducis,-quae-nos adsnova experimenta, imo faepe
ad causfam effeétus , -ducet. Nunguam Certe tam
diverfi in: ele&ricitate-efiegtus detetti:esfent, ze
ADA a
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXxI, 285
zou men. zoo vele verfchillende ge
wrochten van de Electriciteit ontdekt
hebben, hadden de Natuurkundigen niet
gelet op de wyze der verftoringe van
het evenwigt, In de beweegingen, wel-
ker Oorzaak wy niet zien, is het bil-
lyk, dat, zoo de Lucht ter verklarin-
ge derzelve niet volftrekt, dat wy het
aanwezen van eene fynere ftoffe ver-
__„moeden. ‘Nochtans moet men dit hier
opmerken, dat niet allerhande bewee-
ginge van de fynere hemelftoffe, naar
welgevallen aangepakt, genoegzaam zy,
om allerley. gewrochten voort te bren-
gen. Er kan geene beweeginge opkoo-
men , indien de verfchillende deelen der
fynere hemelftoffe in evenwigt ftaan!
%* Is derhalven de vrage , wat toch dat
evenwigt hebbe weggenomen? of hf
e
dd
ad aequilibrii turbati modum attendisfent Phyfici.
In motibus, quorum causfam non videmus, ae=
quum est, ut fi aêr illis explicandis non fufficiat,
„praefentiam fubtilioris alicujus materiae fuspice-
mur. Illud tamen hic obfervandumest , non quem-
libet aetheris motum, pro arbitrio asfumptum,
„cuilibet effeétui producendo, fufficere, _Nullus
„motus oriri potest, fi diverfae fubtilioris materiae
„partes, fint in aequilibrio, Quaerendum-itaque
“quid
286 nPAP DE FAGARÁS ANTWOORD OPDE
de veerkragt zy? de zwaarte? of-de
aantrekkinge? hoe het by gekomen zy:;
dat het één deel der {toffe meer faam:
gedrukt zy, dan het ander? volgens
welke wet zy zich poogt uit te zetten?
In de vloeiftoffen, welke onder elkande=
ren vermengd zyn, moet de werkeloos-
heid , ftootinge der deelen , verfchillen-
de famenkleevinge, en afzonderlyk en
te famen, in overweeginge koomen,
Daar de gewrochten, ten fterkften , van
elkanderen verfchillen, moet men zyn
best doen , dat men eenige betrekkinge
van de eene op de andere ontdekke:
en men moet beproeven , of misfchien
verfchillende uitwerkingen onder eene
wet kunnen gebragt worden? De fa-
menhang tusfchen dezelve, wel waar-
genomen , zal ons vele dingen leeren.
Die,
wierd
quid illud fuftulerit? an elafticitas? an gravitas?
an attractio? qui evenerit, ut una pars matertiae ,
magis compresfa fit quam altera? qua lege, illa,
fe expandere nítatur? in fluidis, feeum invicem
permixtis, inertia, impattio particulafum, diverfa
cohaefio, feorfim , conjun&timque funt-confideran-
da, Ubi effeCtus maxime funt diverfi, opera dan-
da, ut aliqua inter ea relatio detegatur, tentan-
dumque, an effeftus diverfi, eaedem forte legi
fabjici posfint? connexio, inter ea obfervata;, ee
ä
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL, 2829
Die, welke ons toefchynen, van de
voornaamfte wet, welke wy ontdekt heb-
ben, af te wyken, of zonder orde af
te loopen, moet men naarftiglyk optee-
kenen. Mogelyk zal men, door niewe
proefnemingen, welke men naderhand
maken zal, reden van hun beftaan kun-
nen geven, of ten minften hunnen fa-
menhang met de overigen leeren ken-
nen.
’ Geval, de waarnemingen, de proef-
ondervindingen, de gisfingen worden
dikwyls, by het uitvinden van niewigs
heden, onder elkanderen vermengd, De
verbazende uitwerkzelen van den blix-
em hebben reeds de vernuften der ou-
den gepynigd. Dat de dieren daar door,
zonder eenig uitterlyk teeken van kwet- .
zin-
ed sd
ta nos docebit. Ea, quae a principali, quam de-
teximus , lege recedere, vel nullo ordine procedere
videntur, diligenter connotanda, Forte novis ex=
perimentis, in pofterum inftituendis , eorum eti=
am vel ratio reddetur, vel faltim cum reliquis
connexio cognofcetur.
Cafus , obfervationes, experimenta, conjettu-
ra@ „ fecum invicem, in novis detegendis „faepe per-
mifcentur. Stupendi fulminis effettus, jam vetc-
rum torferunt ingenia, Quod, eo, amimalia, abs-
que
288 j.PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE
zinge, gedood worden, daar van. zogt
PLUTARCHUS de reden hier in, dat
de ziel door vreeze verfchrikt, uit het
lichaam wegvliegt; en dat het zwaerd
fmelt, zonder dat de fcheede benadeeld
wordt , is menigwerf uit de natuur van het
gemeen vuur verklaard geworden. Maar
voorzeker , het verbazend. geval dat; in
de ftad Lany gebeurd is, hadt genoeg
kunnen leeren, dat zwavel- en joden-
lymdampen niet in ftaat zyn , om zulke
verfchynzelen te verklaren. Middeler=
wyl, nu de Electrifche Proefondervin-
dingen, by geval, zyn uitgevonden en
door vlyt en behendigheid, tot eene ze-
kere volmaaktheid gebragt, zou iemand
gemakkelyk kunnen bevroeden, dat de-
zelve met de uitwerkzelen van den blix-
em
ee
bd
que ulla-laefionis nota intereant, quaefivit Plutar=
chus in eo rationem, quod. anima, metu pertersie
ta, e corpore avolet; et quod, illaefa vagina, col-
liquefcat gladius, ex natura vulgaris ignis faepius
explicatum est. At profecto, vel ftupendus, qui
in urbe Lanyi cafus contigit, poterat @docere ,
vapores “fulphureos et bituminofes;, ad haec ex-
-plicanda , non fufficere, » Interea cafu deteétis, et
induftria perfeCtis experimentis ele@ricis, «facile
haec. cum fulmineis'effetibus affinivatem haber
- u=
*
_ VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXxm, 289
em eenige gemeenfchap hebben; - Dit
was genoeg, om de Natuur te onder-
vragen, welke, door deze lichtvaar-
digheid der ftervelingen gefard, den al
te niewsgierigen onderzoeker Richman
fneuvelen deedt ; maar zy kon echtef niet
beletten, dat men al wat ef noch ge-
heims in fchuilde, wel haast wist te
ontdekken, Men was reeds zeker we-
gens de waarheid der zake; maar de
wyze, hoe de Electriciteit in de Lugt
wierde voortgebragt, bleek niet, Er
was eenige grond van vermoeden, dat
mogelyk door de warmte, zoo wel als
door de wryvinge, de Electriciteit zou
kunnen aan ’t gaan geholpen worden;
alzoo dit uit hare algemeene wet fcheen
voort te vloeien, Derhälven niewe’po+
17. DEEL. Éà gin:
Beet
fufpieari aliquis poterat, Hoc ad interrogandatt
_ näturam fatis erat, quae hac mortalium temericate
quafi irritata, curiofum nimis perctún&atorem
Richmannum occidit, neque tameh, quo minus
hoe quicquid est fecreti detegatur, impedire po=
tuit. Jam de veritate tei conftabat, fed modus,
quo in aêre eleCtricitas excitetur, non patébar.
Sufpicioni locus erat, forte calore, aeque ác af-
friCtione, ele&ricitatem excitari posfe , cum hoc
ex generali ejus lege fluere videretuf. Novis ita-
que
200 Je PAP DE FAGARAS ANT WOORDOPDE
ingen-doende om dit te weeten, ont»
Kelne men ‚ dat eenige Lichaamen. (ge-
lyk, de Turmalynfche fteen of Asfchen-
trekker) alleen door de warmte. Elec-
trisch konden gemaakt worden; waar
uit dan verklaard.kon worden, hoe door
de warmte van,de Zon de Electrici-
teit inde. Lucht wierde. voortgebragt.
Maar, ondertusfchen , dacht iemand
aan het. dwaalligt en andere vuurver-
hevelingen ; en dus moest men beproe-
ven, of ook niet de dampen, welke wy
weeten., dat, in menigte, uit de aarde
opklimmen, door eene Electrifche vonk
konden worden aan brand geftooken:
Men beproefde het, en ’gelukte. Op
deze wyze worden. wy, door toevallen
en „waarnemingen, gebragt tot, proef
rie on-
GED.
que-ad hoc cognoscendum tentaminibus fais, de=
teetum est, quaedam, corpora (ut lapidem turma-
linum) folo calore ele@&rica reddi posfe, ex quo
explicari poterat, quomodo calore folis eletricitas
in aêre excitetur. At, interea, aliquis ignis fatui
et reliquorum meteororum meminit; tentandum
itaque erat, an non vapores, quos copiofe ex terra
afcendere fcimus, fcintilla eleêtrica accendi posfint,
quod tentatum fuccesfu non caruit. Hac ratione ,
gafibus et obfervationibus, ad-experimenta, ed
7 a
VRAGE VOOR °T.JAAR MDCCLXXI. 20Y
ondervindingen , en door deeze) tot vers
moedens ; en, om dezelve te bevestigen,
gebruiken wy wederom niewe proefne«
mingen: ja de Natuur-zelve brengt er
ons toe, als zy, in de aardbevingen en
andere verfchynzelen, zekere aanwy-
zinge doet van de ftoffe „ welke zy ge-
bruikt, en daar door ons, als ’t ware;
noodigt, om hare werkingen dòor’ on=
ze proefnemingen opte volgen.»
_ Laat het my geoorloofd zyn noch
iets aante merken, Wy zynvaan de
Experimenten, nu federt twee eewerì
genomen, verfchuldigd, dat. wy.beter
geleerd hebben over. de Natuur te fid
lofopheeren:. dan wy hebben flegts: cérv
bloot geraamte van die Proefnemingen.
Maar hoe men uit dezelve ,zoo-als zy:
n EN door
U DSD NMDDU
ad fufpicionesdeducimur jet, ad;eas confirmandas;
novis iterum ecxperimentis utimur: imo‚ipfa faepe
naturanosad ea ducit , cum, in terrae motibus alis=
que phoenomenis „certa materiae „qua utitur , indie
cia praebet, ect hoe ipfo' nos quafiinvitat, ut-ejus
operationes. noftris experimentis imitemur.
Aliquid adhuc monere liceat, Experimentis, in=
tra: duo fecula inftitutis , debemus, quod-desrerum
_natura-melius- philofophari didtcerimus:: at nndum
plerumgue, eorum fceleton habemus, _ Quomodo
ven
%
KA
02J.PÄRDE FAGARAS ANT WOORD OPDE
door «°° Geval ontdekt zyn, meer din»
genchebbeáafgeleid? hoe men van de:
eene, tot; deandere zy overgegaan ? wat
aanleidinge’“totzeenige gelukkige -gisfin-
gen:gegeven hebbe? en hoe dezelve na-
derhand door -miewe Proefnemingen zyn
bevestigd? daaromttend zyn wy meest-
akonkundig. . Maar waarom volgen zy „
dies of,hunne eigene proefnemingen, of
die van aridere; verhalen , die deftige
Hiftoriefchryvers niet naar, dewelke
daar::zy de veranderingen: van: {taten
en koningrykén, hun: toe en afnemen.
vertellen, dezelve zoo levendig vuitdruk-
ken, dat, zy. de, gebeurtenisfen onder
elkanderen famenfchakelen „en kortbon-
dig , dog welfprekende, uit hare oorza-
ken afleiden , zoo zelfs , dat niet flegts de.
zoob Te-
veror ex iis, cafu'detettis, plura deduêta fint?
quomodo ex unoeorum icum fic-in aliud? quid oc-
cafionem felicibus quibusdam conjeêturis dederit?
guomodo ille deinde per nova experimenta con=
firmatae fint? plerumque ignoramus. At cur non
ii, qui fua, vel aliena, experimenta enarrant
imitantur graves illos hiftoricos ‚qui dum mutatio-
nes regnorum, incrementa ac decrementa eorum
enarrant, ita ad vivum illa exprimunt, et eventus
intere conne&ant „ex fuisque causfis , wind 2
-e e
VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCL XXII, „293
redenen’ van zoo vele” veranderingen
„door anderen begrepen worden, maar
dat men er ook «de: ware regelen der
voorzigtigheid, welke men , met groot
voordeel, in foortgelyke ‘gevallen moet
waarneemen, uit opmaakt, Deze is de
egte wyze, om met de daden van-an-
deren winst te doen, zoo zy de-eenig-
fte niet-is: zoo zelfs. dat wy, ook-uit de
verrigtingen, weeten., wat ons verder te
doen ftaat,
Nu moeten wy noch iets zeggen ter
ophelderinge van deze Vrage;, in hoe
verre wy, in het kennen der Nature,
door Vooronderftellingen en Gisfingen
geholpen worden. Veele houden ftaan-
de, dat deeze de appelen van Atalante
13 Zyn,
EE EE)
fed diferte deducunt, ut non tantum rationes
tot mutationum, ab aliis cognofcantur, fed et
verae prudentiae regulae , magna utilitate, in fimi-
bus cafibus obfervandae, colligantur. Ea vera,
ex faétisaliorum , proficiendiratio est, fi non ea fo-
la, ut etiam, ex iis, quid nobis faciendum fit,
_ cognofcamus, ' BOS
Dicendum jam de ea est aliquid, quantum hypo-
thefibus, vel conje&turis, in natura cognofcenda
adjuvemur. Poma Atalantae esfe illas „quae ad cer-
tam
A04 JePAP DE FAGARAS ANT WOORDOP DE
zyn, „welke’ ons ophouden in onzen
loop naar eene zekere endpaal der waar-
heid ; veelen daarentegen zyn van «een
geheel ander begrip, welke, terwyl zy
in dezelve, als in tenten onder weg op-
geflagen, vertoeven, zoo door derzel-
ver.fraaïheid bevangen worden, dat zy
met Petrus zeggen: het is goed hier te
blyven woonen. Ja, door eene wonder-
Lyke dwalinge, meenen zy, al ftraks in
de binnenkameren der Natuur toege-
laten te zyn. Cartefius en anderen ver-
tellen ons, even of zy in den derden
hemel waren opgetrokken, zulke zaken,
welke bet oog niet gezien, nog het oor
geboord beeft ‚ nog in °s menfchen. gedach-
ten ooit gekomen is. Daarentegen ande-
ren, op dat zy niet te wys fchynen
zouden, hebben dit zeggen van THO-
MAS
ososnob
tam veritatis metam contendentes, remorentur,
asferunt multi: in alia omnia eunt plures, gui dum
in his, velut tabernaculis in via pofitis, conqui-
escere volunt, ita eorum elegantia capiuntur, ut
illud Petri dicant: bozum est hic habitare. Imo , miro
errore, mox in ipfum naturae conclave fe delatos
putant. Enarrant nobis Cartefius aliique, ac fi in
tertium eoelum rapti esfent , ea, quae zec oculus widit
nec auris andivit , mec homo cogitavit. Contra alii, ne
nimium fapientes videantur , illud Thomae dicunt:
in
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLX%I 295
„MAS in den mond: indien ik het lidtee-
ken niet zie, indien ik het- met mynen
winger niet aanrake, of met myne hand
betaste, ik zal geenzints gelooven, Maar
ik oordeele, dat men in de Natuurkun-
de voornamentlyk moet opgeeven, %
geen wy zelve gezien of gehoord hebben ;
maar echter ook, dat er geloof plaats
moet hebben. Gewisfelyk alle de New-
tonianen zouden hunne eigene glazen
uitfmyten, indien zy, in de Natuur-
kennis, geene plaats aan de Vooron-
‚ derftellingen wilden verleenen, Nooit
heeft de groote NEW TON, noch door
Wiskunde, noch door Proefnemingen,
beweezen, dat elk deel der ftoffe door
een ander deel wordt aangetrokken ;
maar toen hem zyn vernuft dit inlui-
fterde, gaf hy er geloof aan, en nam
T 4 het
pd
zrifì widero weltigium , nifi dizito tetigero, vel manu palba-
vero, neguicquam credam. Ego vero exiftimo, ea ma-
xime in Phyficis enarranda esfe , gwae vel ipf? vidimus ,
wel audivimus; fidei tamen etiam locum esfe, Sua
certe vineta finguli Newtoniani caederent, fi nul-
lum hypothefibus locum , in Scientia naturali asfig-
nare vellent. Nunquam magnus Newtonus, vel
per mathefim, vel experimentis, demonftravit,
omnem materiae partem attrahi ab"alia, fed admo-
nenti hoe genio fidem adhibens, illud ad ene,
â
296 J;PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE
het aan, ter verklaringe der Sterre:
loopkundige Verfchynzelen; en toen de
uitkoomfte aan zyne pogingen beants
woordde, ontdekte hy de wetten der
hemelfche bewegingen, Evenwel om
dat de waarnemingen niet, dan by ver=
loop: van tyd, konden genomen wor-
den, was het noodig, dat de Gisfinge ,
fchoon zeer waarfchynelyk, eene zit-
plaats kreeg onder de zekere waarhee:-
den, Wy zouden al te onregtmatig met
de Vooronderftellingen handelen , zoo
wy uit het voordeel, dat de meeste
verfchaffen , over het noodlot van alle
zouden willen beflisfen, Want hoe zeld-
faam het ook gebeurd zy, dat zy niet
dezen of genen van het regt fpoor der
waarheid hebben afgeleid ; nochtans zou
dit genoegzaam zyn, om haar het bur-
GED
da motus aftrorum phoenomena asfumfit , et, eventu
conatuì refpondente, leges motuum coeleftium
detexit. Obfervationibus tamen non nifì fuccesfu
temporis inftitutis,opus erat, ut conjectura, licet
valde verofimilis, locum, inter. veritates certas obti=
nerêt, Inique nimis cum hypothefibus ageremus,
fj ecxutilitate, quam pleraeque praeftant, fata om-
nium vellemus decidere. Ut ut enim raro conti=
gerit, ut non illae aliquem a reto veritatis tra=
mite abJuxerints illud tamen, ad eas, civitate phi
oe
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL, 29%
gerregt in de Wysgeerte op te draa-
gen, om dat door haar dees en die tot
de waarheid gekommen is,en dat zonder
haar niemand dezelve heeft kunnen uit-
vinden. De Natuur heeft ons met zul-
ke fcherpziende oogen niet begifted,
dat wy aanftonds, by het eerst aanky-
ken, den weg, welke naar eene zekere
wetenfchap heenenleidt, zouden. zien,
en in geenerleye bypaden van gisfin-
gen vervallen. En voorwaar, % is be-
ter, dat men, door het zoeken van
de waarheid, in eene dwalinge vervalt,
dan dat men die in ’t geheel niet zoe-
ken zou; want eene dwalinge kan mert
kennen en verbeteren, maar de waar-
heid kan men niet vinden, zoo men
haar niet opzoeke, Ik betuige, dat zoo
dikwerf ik de Newtonianen tegen de on-
| T 5 mas
bea
lafophiea donandas, fufficeret, per illas aliquem,
ad veritatem pervenisfe, et fine illis neminem po-
tuisfe. Non ita acutis nos natura donavit oculis,
ut primo ftatim intuitu, viam, qua ad certam
cognitioncm itur , videamus , et in nulla conjeétu=
rarum diverticula incidamus. Et profeéto, praeftat
quaerendo veritatem in errorem incidere, quam
eam non quaerere ; error enim cognofci et emen-
dari , fed veritas nifi quaefita inveniri nequit, Ego
fateor, me, quoties Newtonianos contra me
Our le
-
298 J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE
matige vryheid der Vooronderftellingen
veele dingen hoore waarfchuwen, ik
hun geloof geeve; maar terwyl ik overs
fegge , hoe ons ligt in eene zware duis-
ternisfe zou omzwachteld zyn, indien
Newton geenerhande Voorondertftellin-
ge gebezigd hadde, zoo betuige ik ook,
dat men een graantje zout gebruiken
moet, om die Newtoniaanfche verma=
ningen behoorlyk te verduwen.
Nochtans zou het flegt met ons ge-
fteld zyn, zoo wy gedrongen wierden,
om alle Vooronderftellingen , welke de
verwilderde inbeeldingskragt zich voor-
ftelt, te aanvaarden. Hier is een ern-
ftige keuze noodig. Waarom zou ech-
ter een Wysgeer zyne Vooronderftel.
lingen zoo niet kunnen gebruiken, als
eene Wiskunftenaar de regel der zaet
val-
Ohe
dicam hypothefium licentiam multa monentes au-
dio, illis fidem adhibere; at dum illud perpendo,
quanta fab note jaceret noftra dies, fi nulla Newtonus
hypothefi-ufus esfet, ea cum grano falis accipien=
da esfe arbitrari.
Male tamen nobifcum ageretur, fi omnes, quas
luxurians effingit imaginatio, hypothefes, admittere
cogeremur. Deleétu hic, eoque fevero, opus est.
Qüidni tamen Philofophus ita fuis hypothefibus,
ut Arithmeticus regula falfi, uti posfit? Sumit ille
pro
VRAGE VOORT JAAR, MDCCLXXIL, 299
valfche pofitien? In plaats van een on-
bekend getal neemt hy onverfchillig
de eene of de andere hoegrootheid , en
hy overweegt, of deeze aan de omftan-
digheeden van het vraagftuk voldoe?
en alzoo dit zeldfaam gebeurt, gebruikt
hy de dwalinge zelve ter bevorderinge
der Oplosfinge, Dat zoo ook een Na-
tuuronderzoeker, in plaats der onbe-
kende oorzaak van °t Verfchynzel , deze
of gene oorzaak aanneme, die hem het
gefchikfte toefchynt; en laat hy toe-
zien, welke gewrochten er uit moeten
ontftaan, als hy die voor de ware oor-
zaak aanneemt; welke dan, indien zy
met de ware gewrochten overeenko-
men, een blyk opleveren, dat wy op
de ware reden van het gewrocht geval-
len zyn ; maar zoo niet, dan moet men
be-
LED
pro incognito numero, quantitatem quameunque,
et expendit, an illa quaeftionis circumftantiis fa=
tisfaciat: quod cum raro contingat, ipfo errore ad
veram folutionem utitur. Ita Phyficus, pro incog=
nita phoenomeni causfà fumat aliquam, Quae. vide
tur convenientisfima, et difpiciat, quales effettus.,
illa pro vero asfumta, oriri debeant, qui fi cum
veris conveniant, indicio est, nos in juitam even-
tus rationem incidisfe; fin minus, de hypothefi
vel emendanda, vel abjicienda, vat
a
300 Je PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE
bedacht wezen op het verbeteren; of het
verwerpen der Vooronderftellingen , of
wel op het uitvinden van eene andere,
Wie zou derhalven zulke Vooronder-
ftellingen verwerpen, die zoo zyn in-
gericht, dat zy zekere kenteekenen in
zich bevatten, om door den tyd, dui-
delyk te weeten, of zy al of niet met
de Natuur overeenftemmen. Wy wee-
ten, dat zoodanig Newtons Vooron-
derftellinge is, wegens de Algemeene
Aantrekkinge, uit welker wet, door de
bereekeninge alleen, kan ‘worden: be-
paald, hoe de bewegingen der Planee-
ten moeten gefteld zyn, welke dan, om
dat zy met de Waarnemingen overeen-
komen, veroorzaken, dat niemand lan-
ger hare waarheid in twyffel trekt. On-
der die foort kan ook de Copernicaan-
fche
Oirinddt
da cogitandum est. Quis itaque tales hypothefes
rejiciat, quae ita funt comparatae , ut certa in fe
contineant criteria, evidenter fuccesfu temporis
cognofcendi „ an illae naturae fint conformes, nec
ne? Talem este Newtonianam , de univerfali attrac-
tione, hvpothefin, fcimus, ex cujus lege, folo cal-
eulo definiri potest, quales planetarum motus esfe
debeant , qui quia cum obfervationibus confentiunt ,
nemo amplius.de veritate illius dubitat. In hanc
etiam clasfem referri potest Copernicana rd
ls,
VRAGE VOOR °T'JAAR MDCCLXXIL, 30E
fche Vooronderftellinge gebragt worden ;
aan welke „als zynde door zoo vele waar-=
nemingen bevestigd, eene plaats onder
de Wiskundige waarlteden gegeeven is,
„Zoo nu de Voorondertftellingen naar
dat rigtfnoer gefchikt worden , zullen
zy niet alleen onfchadelyk, maar ook
zelfs zeer nuttig zyn; want zy zullen
ons opleiden tot waarheden, tot wel-
ke wy anders nimmermeer zouden ge-
koomen zyn. ‘Want zoo wy uit deze
Vooronderftellingen gevolgen trekken,
zullen wy aanftonds-bedagt worden,
om dezelve naderhand. uit de onder-
vindinge te bevestigen. Zoo zal de
Vooronderftellinge gelyk zyn aan eenen
getrouwen leermeester „die ons leert,
hoe wy de Proefnemingen voor ons zel-
ven tot voordeel moeten aanleggen.
Maar
Mende
fis, cui tot jam obfervationibus confirmatae, locus
inter veritates mathematicas adfignatus est. í
Quodfi ad hane normam hypothefes exigantur ;
erunt eae, non tantum innocentes, verum etiam
utilisfimae, ducent enim nos ad veritates , ad quas
fine illis nunquam pervenisfemus. Cum enim ex
his confe&eria elicimus , mox de illis „a pofteriori
confirmandis, cogitamus. _ Ita hypothefis eric in=
ftar magiftri fidi, qui, quomodo experimentis ad
noftram utilitatem utamur , edocebit, Q
ua
302 PAP DE FAGARAS'ANT WOORD'OP DE
„Maardenkelyk zaliemand vragen, hoe
moet men de overeenkoomfte der Voor-
onderftellinge met de Natuur orderzoee
ken? Hier meene ik , dat deze “Fheolo-
gifche zetregel kan te {tade komen, dat
men een onderfcheid make, tusfchen het
geen boven , en het geen tegen de'Reden
is, Indien er eenige Verfchynzelen niet te
gemakkelyk uit kunnen verklaard wor=
den , ener evenwel niet tegen fchynen
te ftryden, denke ik, dat men zooda-
nige Vooronderftellinge dulden mag
(zoo zy voor ’t overige gemak” aan-
brengt). Want dikwyls zyn die-dingen,
die uit de Vooronderftellinge niet fchy-
nen te volgen, noodzakelyke- gevolgen
derzelve; maar. verre af, zoo dat wy
die niet eerder kunnen befpeuren,-voor
dat wy verderen voortgang gemaakt
heb-
etende
Qua vero ratione „ examinanda fit hypothefeos
cum natura’ convenientia? quaeret aliquis. Illud.
Theologorum hic obtinere putem, difinguendum
esfe inter id, quod est fupra, et quod est contra
rationem.… Si quaedam phoenomena non fatis com=
mode ex eaexplicari „neque tamen illi repugnare vi=
deantur „ferendam eam esfe, (ficetera-commoda fit)
puto.. Saepe enim ea, quae non fequi videntur ex
hypothefi, funt fequelae ejus necesfâriae , at remo=
tiores , quas non nifi ulterius progresfuri obfërva=
mus 3
Koreaan
VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXIL, 303
hebben; en fomtyds zyn zy zelfs zoo
naby,dat zy, door hunne al te groote na«
byheid, onze oogen verbyfteren. Maar
het is niet noodig, dat ik waarfchouwe,
dat als maar een zeer gering gewrocht
met de Vooronderftellinge ftrydt, men
dezelve, even daarom,aanftonds verwer-
pen moet; want hier heeft de zetregel
plaats, die in iets gezondigd heeft „is fchul-
dig aan alles, Dusalhoewel het W aereld-
‘ftelzel van Ptolemaeus ook fcheen te
voldoen aan de waarnemingen van zy-
nen leeftyd, zoo volftrekten nochtans
de bewegingen van Venus en Mercuri-
us, die tegen dit ftelzel {treeden, om
het zelve geheel en al te verwoesten en
over hoop te werpen. |
Maar wie zal ons leeren, hoe en waar
wy zulke Vooronderftellingen zoeken
MOE
Gete
mus; faepeita propinquae, ut ipfa vicinitate ocu-
los eludant. At fi vel minimus effetus cum hy-
pothefi pugnet, eam protinus rejiciendam esfe,
non opus est ut moneam; obtinet enim hie regula:
…_ qui in uno peccaverit , reus est omnium. Ita licet fyitema
Pcolemaicum reliquis ejus temporis obfervationi-
bus fätisfacere videbatur, foli tamen Veneris, et
Mercurii motus, illi repugnantes, ad illuddeftruen-=
dum, fuffieiebant,
Quis. vero nos docebit, ubi- tales hypothefes et
qug=
304.J: PAP DE FAGARAS ANT WOORD OPDE
moeten ? of wy die alleen in de binnenka:
meren van ’smenfchen ziele, dan of wy
die in ’ geheelal zullen vinden? Onge-
lukkig voorwaar zyn alle die Gisfingen
geweest, welke de Filofophen uit de
voorraadkas van hun vernuft. gelangd
hebben. Derhalven moeten wy; in de
ruimere waereld , de oorzaken der din-
gen opfpeuren , de deelen van ’t geheel:
al onderzoeken, de werkinge der oor-
zaken, die wy weeten dat aanwezig zyn;
uitvorsfchen , en uit dezelve, volgens
de billyke wet der overeenftemminge ;,
gisfinge maken, tot het uitvinden van
dingen, welke ons hoch onbekend zyns
Dus, alzoo het zeker is, dat het Ge-
Juid ontftaat, niet uit deeltjes, welke
uit een -klinkend lichaam -uitvloeien ;
maar uit de lucht, welke in beweginge
5e
Grete
quomodo quaeramas?. an. in folis mentis humanae
cellulis, an in univerfo eas reperiemus? Infelices
profecto, fuerunt omnes conjeéturae, quas ex in-
genij fuí penu deprompferùnt philofophi. In ma=
jore itaque mundo , rerum causfae funt.quaerendae „
examinandae univerfi partes „caustàrum , quas-adesfe
fcimus , operatio indaganda, et ex iis, juíta analo=
giae lege, conjeêturae adilla, quae ignoramus „ fä-
ciendae. Ita cum conftet, fonums; non particu=
lis ex corpore fonante emisfis, fed aëri in motum
con=
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI 305
gebragt is, heeft Cartefius met rederi
kunnen vermoeden, dat ook de deeltjes
van het licht, niet uit het lichtend. lic«
haam, voortvloeien „maar dat het licht ;
beftaat, in eene zekere beweginge der
fynere ftoffe, Dus moest men de ei<
genfchappen van het licht en deszelfs
uitwerkzelen, naawkeuriger onderzoe:
ken; op dat het bleeke, of er iets of
niets van de waarheid, in die gisfinge,
ware opgewonden. Zoo verre is heter
van daan, dat men den Geest zou mo-
gen bedwingen en uitblusfchen, die uit
de gelykvormigheden gisfingen vormt,en
het een uit het ander, zonder tegenzeg-
_ gen der overeenftemminge, afleidt, dat
wy liever met reden daar over bedroefd.
zyn, dat de uitvinders in eene algemeex
“IV. DEEL. V ne
obese
Concitato, deberi, jure Cartefius fufpicari poterat;
lucis etiam particulas, non ex ipfo corpore lucide
emanare, fed , in certa materiae fubtilioris agiratio=
ne, confiftere, Erant itaque lucis proprietates,
effeétusque accuratius examinandi, ut appareret ,
num fua conftet conjeêturae veritas, aut minus,
Tantum profetto abest; ut liberior, ex fimilibus
aliquid conjiciendi,-unumque ex alio, non invita
analogia, colligendi fpiritus, coerceri debeat; ut
‚potius merito doleamus, inventis naturae non re=
pug=
306 J„PAP DE FAGARAS ANT WOORD OP DE
ne gelykheid berust hebben, by het
maaken van natuurlyke uitvindingen,
daar: de overeenftemminge niet tegen
aanliep; en dat zy die uitvindinge, als
eene -aaneengefchakelde Allegorie ; niet
hebben vervolgd. DESCARTES hadt reeds
vermoed, dat er eene overeenftemmin-
ge was tusfchen het licht en ’ geluid.
Maar: ’t is nog niet lang geleden, dat
EULER; de voornaamfte Wiskunftenaar
onzer eewe , die overeenkoomst verder
uitftrekte; en er ook de manier uit ver-
klaarde ‚op welke de duistere lichamen
licht kunnen - voortbrengen ; en er de
groote verzwageringe tusíchen de ko-
leuren en de klanken, die tweeledige
zangkunde der fpeelende Natuur, in
ontdekte, Voorzeker! indien men eene
dr juis-
Se
pugnantibus analogis, in generali aliqua fimilitu=
dine, inventores ejus fubftitisfe, neque illam , ve-
lut continuam quandam allegoriam , longius profe-
quutos esfe. Analogiam, inter lucem et fonum,
jam Cartefius fufpicatus erat. At non diu fatum
est, ut ulterius eam extenderit „ et modum etiam,
quo corpora opaca lumen producere posfint, ex
ea explicaverit, infignemque , inter colores et fo=
nos, affinicatem, geminam naturae ludentis mufi=
cam, detexerit, princeps feculi noftri DRE
Á cus
VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXIL 30
juiste gelykvormigheid befpeurt onder
de dingen welke met elkanderen ver-
knocht zyn, zal er niets Zyn, dat ons
zou kunnen affchrikken van het verder
uitftrekken derzelve: want de Natuur is
aan haar zelven gelyk.
Zelfs de eenvoudigheid der Natuur,
wel overwogen zynde, zal ons veel, no-
pens de oorzaken der dingen, leeren.
Zoo wy naar haar luifteren, zullen wy
niet te verre henen loopen, om de re«
den van een Verfchynzel uit te vinden
want wy zullen haar in het Verfchyn-
zel zelf, en in zyne omftandigheden,
wel overwogen, zoeken, Ook zullen
wy dan de oorzaken niet vermenigvul-
digen, naar onze zinnelykheid. ’ Was
den ouden wel zeer gemakkelyk, tot
het verklaaren van alle niewe waarne-
EA. min=
ed
cus Eulerus. Profeto, fi jufta videatur, rerum
inter fe connexarum, fimilitudo , nihil est, quod
nos, ab ea longius extendenda, deterreat; natura
enim fibi conftat.
Ipfa nature fimplicitas , rite perpenfa , multa nos,
de causfis rerum edocebit. Hanc fi audiamus, ad
Phoenomeni rationem inveniendam, non longe
nimis, procedemus, fed eam in ipfo, et ejus cir=
cumftantiis, rite perpenfis, quaeremus. Neque caus=
_Áäs pro lubituw multiplicabimus, Facile equidem erat
N Vve=
308 PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE
mingen kringen en kronkels en, niewe
krystalynen hemelen teftichten; en ’%
was BULFINGER niet ongemakkelyk, het
getal der draaikolken te verdubbelen;
fchoon die van Cartefius alleen reeds
tot een zwaren last voor de Natuur-
kunde begonnen waren te worden, Maar
de Natuur is eenvoudiger, dan dat zy
zoo vele oorzaken te gelyk zou kun-
nen dulden. By gevolg, onder zoo me-
nigvuldige Vooronderftellingen, moet
men die, aan eene andere, voortrek-
ken ‚dewelke verfchillende uitwerkzelen
door eene. eenige werkinge, ter uitvoer
brengt. Derhalven moet men eerst
beproeven, of de Electrifche Gewroch-
ten niet kunnen worden verklaard, uit
de bewerkinge van die hemelftoffe, in
welke het Licht beftaat ; en men moet
te
PED
veteribus, ad novas quasvis obfervationes expli=
candas novos Epicyclos, novos que coelos cryítal-
linos condere; nec difficile Bulfingero, vorticum
numerum, (licet foli Cartefiani oneri fcientiae na-
turali esfe jam inceperant) duplicare. Sed fimpli=
cior natura est, quam ut tot causfas ferre posfit.
Inter plures itaque hypothefes, ca alceri praeferen-
da, quae diverfos effeétus eadem operatione prae=
ftat, Ira primo tendandum est, an non, ex illius
aetheris, in qua lux confiitit, operatione , effeétus
ele&rici expligari posfint; neque antea aliae caus-
ed laea
VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXII, 309
te vooren geene andere oorzaken te hulp
roepen , om een verfchillend gewrocht,
dat men, zoo’ zyn kan , onder eene en
dezelfde wet. moet zien te brengen, te
verklaaren , maar liever zyn best doen,
om het uit eene en dezelfde werkzaam:
heid, uit te leggen. |
_—_ “Zou noodig zyn, om den aard van
eenige Verfchynzelen naawkeuriglyk te
doorzien, dat de inwendige gefteldheid
der lichamen, in welke zy voorvallen
ons bekend ware. Men moet -derhal-
ven zyn best doen, om te zien, of
men die niet, of door eene Gisfinge,
of door andere gewrochten, ontdekken
kan, en door de wetten der overeen-
ftemminge, by wettig gevolg , bepaalen?
Of men misfchien niet, door het wil-
lekeurig aanneemen. van eene gedaante,
V 3 of
suse
fae ad hoe advocandae, ut diverfi effe&tus, ad
eandem fi fieri posfit legem revocandi , eadem ope-
ratione explicentur.
Ut Phoenomenorum quorundam ratio accuratius
perfpeêta esfer, oporteret, ut interior corporum,
in quibus eveniunt,ftruêturanota esfet, Tendandum
itaque, num forte ea, vel conjeêtura detegi, vel
ex effectibus aliis, per leges analogiae , colligi pos-
fit? Num forte, ex asfumta pro arbitrio figura
ftru&turaque,-phoenemenon explicari posfit? aut
fi
3IO Je PAP DE FAGARAS ANT WOORD OP DE
of fimenftellinge, het verfchynzel zou
kunnen uitleggen? Of, zoo dit niet
gelukt, zal dit echter tot troost ver-
ftrekken, dat men door proefnemingen,
op grovere deelen der ftoffe toege-
past, aantoone, hoe die uitwerkinge,
uit de algemeene wetten der Natuur,
kon geboren worden, offchoon-wy de
geheele manier, op welke dezelve ver-
oorzaakt is, niet dridelijk genoeg kun-
nen doorzien, Waarom zou ook de
Natuurkunde. hare nadernisfen niet mo-
gen hebben? |
_ Dikwyls worden wy op eenen twee-
Íprong van Vooronderftellingen gezet,
alzoo de eene, naar het fchynt zoo veel
alsde andere, voldoet, Maar *kan niet
zyn , dat dezelfde uitwerkingen uit ver-
fchillende oorzaken , met het zelfde ge
en
nt
ry, MIP Mr, Nr DAN N
omni
fi id minus fuccedat, illud faltim folacii loco erit,
experimenta, in crasfioribus materiae partibus in=
fticuta, oftendere, quomodo effeétus ille, ex ge=
neralibus naturae legibus procreari potuerit, licet
omnaem rationem , qua exortus fit, non fatis per-
fpeétam habeamus. Quidni fuas etiam fcientia na-
turalis habeat approximationes @ Tk
Ín bivio faepe hypothefinm, conftituimur, hac
acque, ac illa, in fpeciem fàtisfaciente. Sed fieri
nequit, ut iidem effv&tus, ex diverfis causfis part
a
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXII. 31E
mak,zouden verklaard worden. Men moet
by gevolg de Vooronderftellingen met el-
kanderen en met de Verfchynzelen ver-
gelyken, van alle kanten befchouwen,
en op de fchaal der waarfchynelykheid
weegen , zoo er de zekerheid aan ont-
breekt, Men moet allerhande foort van
beweginge, ter verklaringe der gewroch-
ten, aan de fynere ftoffen niet toe-
fchryven, maar men moet er altoos de
reden bydoen, waarom dat gewrocht,
en wel op zoodanige en geene ändere
wyze ‚voortgekomen zy. In geene Voor-
onderftellingen byna, door welke men
de opbruifchingen en _opklimmingen
der vloeiftoffen in de hairbuizen, uit
de bewegingen der fynere ftoffe, ver-
klaard heeft, isdit waargenoomen. Men
moet ook toezien, of eene al te groo-
V 4 te
Mr, Ma, iz Us
PEPE
facilitate explicentur, Ipfae itaque hypothefes fe-
cum invicem, et cum Phoenomenis conferendae,
ex utreque latere fpeftandae, et ad bilancem vero=
fimilitudinis, fi certidudo deficiat, exigendae. Ne-
que ad.effectus explicandos, qualiscunque fuberili
materiae motus adferibendus, fed ratio femper ad-
fignanda, quareille, et cur hoe potius modo, quam
alio exortus fit? In nullis fere hy pothefibus , qui=
bns effervefcentiae et afcenfiones fluidorum in tu=
bis capillgribus , ex motu fubtilis materiae, unt ex=
pli-
312 J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE
te getrouwheid der Vooronderftellinge
geen achterdocht moet geeven? Men
moet dan die uitwerkzelen veranderen,
men moet omftandigheden verzinnen,
ftrydig met die, welke gebeuren, wel-
ke, zoo-zy uit die Vooronderftellinge-
gemakkelyk verklaard kunnen worden,
ten bewyze vertrekken , dat de Voor-
onderftellinge niet naawkeurig is … Men
moet ook zyn best doen, dat de Voor-
onderftellinge het Vraagftuk opgeeve,
op dat wy niet duizendmalen genood-
zaakt, zyn met het zelfde antwoord het
zelfde -Vraagftuk te gemoette gaan. Dit
fchynen zy niet opgemerkt te hebben,
die loochenen, dat er een ydel is: want,
in het opgeeven van de reden der vloei-
baarheid, gaan zy voort tot in het on«
kt ein=
DN PDA DAN PDN
Br cao sio a> cha saken sako Soho Cf
Be ST GT Sl
p'icatae , hoe obfervatum est. Videndum etiam,
an non nimia hypothefeos fidelitas fufpecta esfe
debeat? mutandi itaque effeétus, fingendae contra-
riae illis, quae evéniunt, circumftantiae , quae , fi
commode ex ea explicari posfint, indicio est, hy-
pothefmn non esfe accuratam. Danda etiam opera,
ut bypothefis quaeftionem fignat, ne, millies ean-
dem repetenti, toties eadem refponfione cogamur
eceurrere, Non videntur ad hoc attendisfe, qui
vacuum exiftere negant, in ratione fluidicatis ex-
pli=
_VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 313
eindige, en zy hebben telkens niewe
vloeiftoffen noodig, om de porien der
vorige te vervullen: (want men kan
geene vloeiftoffen zonder porien begry-
pen.) Men moet ook den Cirkel my-
den, in welken de Cartefianen verval-
len zyn, toen zy de mogelykheid der
beweginge, zonder ydele ruimte, ver-
klaaren zouden, De uitzonderingen,
welke in de natuur voorvallen , moet
men naawkeuriglyk onderzoeken, of
zy ware uitzonderingen zyn? dan alleen
in fchyn?. Zoo kan men voor geene
uitzonderinge houden, dat de Electrí-
fche toffe, gewoon den kortíten weg te
kiezen, indien er meer wegen te gelyk
zyn, langs den weg van metaal, hoe
wel die langer is, voortgaat ; want die
V weg
ee ad
plicanda, procedunt enim in infinitum, et novis
femper fluidis, ad poros prioris. complendos, (ne=
que enim fluida fine poris concipi posfunt) opus
habent. Vitandus etiam circulus, in quem incide=
runt Cartefiani , in posfibilicate motus, fine vacuo
fpatio, explicanda. Exceptiones, quae in natura
contingunt, accurate examinandae , an fint verae ?
an apparentes? Ita pro exceptione haberi nequit,
quod materia ele&rica, breviori viae eligendge as+
fueta, fi plures fimuladfint , metallicae , licet longiori,
in.
314 J.PAPDE FAGARAS ANTWOORD OPDE
weg is haar de gemakkelykfte. Dik-
wyls hebben de wetten, welke de Na-
tuur anders gemeenelyk. volgt, geene
plaats. Tot een voorbeeld is de wet
der gedurige aanvoeginge, welke in de
famenwryvinge van harde lichamen, ge-
fchonden wordt, na dat deeze de on-
mogelykheid van zoodanige lichamen,
anderen de deelbaarheid der {toffe tot
in “* oneindige, en wederom anderen
de valschheid van die wet begreepen
hebben. Misfchien heeft elk hunner
daar in. te voorbarig gehandeld: want
men moest uit den eigen aard der wet
bepaald hebben, in welke gevallen zy
ftand grype, in welke gevallen zy uit-
zonderinge lyde, Voorwaar de Regts-
geleerden hebben hunne regelen, we-
| gens
Bnn
infiftat; haec enim ipfi est commodisfima. Saepe
Jeges , quas ut plurimum natura obfervat, non ob-
tinent. Exemplo est lex continuitatis, quae in
collifione corporum durorum violatur, ex quo, hi
imposfibilitatem talium corporum, ifti divifibilita=
tem materiae in infinitum, illi legis falfitatem col=
legerunt. Jufto forte praecipitantius finguli; ex
ipfa enim legis indole, determinandum esfet, qui=
bus in cafibys obtineat, quibus fuas exceptiones
pa
VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXIL 315
gens. de tegenftrydigheid der wetten;
beweezen,
„In dezen moet men; noch te roeke-
loos, noch te vreesachtig, te werk gaan.
„En voorwaar! er is eene groote ver-
fchillendheid van Natuurlyke Gewroch-
ten. Maar is zy wel grooter, dan die
der Differentiaal Formulieren? Blykt
het niet aanftonds, hoe zoo vele ver
fchillende Verfchynzelen, uit de. alge-
meene wetten van beweginge, kunnen
verklaard worden? Het fcheen even on-
doenlyk, om de oneindige differentiaal
formulieren, welke ons voorkomen ; tot
zekere hoofdfoorten te brengen. Een
Algebraisch Oplosfer moet hier denzelf-
den weg betreeden, welke een Natuur-
onderzoeker betreeden moet ; door be-
, proe-
atiatur. Juris confulti profecto, fuas de, collifione
egum regulas habent demontftratas. É
__Nee temere in his, neque tamen nimis timide,
procedendum. Est profeéto. ingens naturae effec-
tuum varietas. At num major, quam formularum
differentalium? non ftatim apparet, quomodo tot
diverfa phoenomena, ex generalibus aliquot motus
regulis explicetur. Aeque arduum videbatur, in-
finitas, quae occurrunt „ differentiales formulas , ad
fuas glastes, referre, Eadem hic analyftae, quae
° nâ=
316 J.PAP DE FAGARAS ANTWOORDOP DE
proeven, gisfen, in plaats ftellen „ moet
eene ingewikkelde formule tot een een-
voudigere, eene moeilykere tot eene ge-
makkelykere, worden gebragt; Dikwyls
moet er eene in veelen verdeeld ,en dan
weer eens moeten er veele faamgevoegd
worden, om er een geheel uit op te
maaken. Maar de Analytifche Cyffe-
raars hebben, uit hunne proeven, ja
zelfs uit hunne dwalingen , uitmunten-
de regelen van Integratie gevonden, en
hunne ‘kunst, die veel meer, dan de
Wetenfchap der Natuurlyke Oorzaken,
door beproevingen alleen fcheen te kun-
nen bevorderd worden , onder vaste re-
gelen gebragt, En waarom zouden de
Filofophen het zelfde niet kunnen doen,
door het vergelyken en famenftellen van
| ver-
heee
naturae fcrutatori via emetienda erat, tentando ,
conjiciendo, fubftituendo, formula complicata
ad fimpliciorem, difficilior-ad faciliorem revo-
canda; faepe úna in plures dividenda, mox plures
conjungendae, ut integratio fuccedat. At ipfi
analyftae, ex fuis tentaminibus, imo faepe errori=
bus, egregias integrandi regulas invenerunt, ar«=
temque {uam, quae longe magis, quam cognitio
causfarum ,folis tentaminibus perfici posfe videba=
tur, regulis comprehenderunt. Quidni idem pin
O=
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLEXI, 317
verfchillende gewrochten met elkande-
ren en door dezelve onder algemeene
‘regelen te brengen ?
Ondertusfchen moet men dit altoos
in zyn gemoed overweegen, zoo lang
wy dit deel van Gods werk, dat de
Befchikker der Natuur, voor onze oo-
gen heeft opengelegd, befchouwen, dat
er vele dingen in de Natuur zyn, wel-
ke door fterfelyke oogen niet kunnen
bezien worden, en dat er niet alleen
een fchouwtooneel geopend is voor de
menfchelyke fchranderheid, maar ook
voor onze zedigheid en ingetoogenheid.
Derhalven vergenoegd zynde hier me-
de, dat wy dag by dag der waarheid
nader koomen, waarom zouden wy het
zelfde van dit geheelal niet zeggen kun-
| nen,
eddie
lofophi, in effetibus variis inter fe combinandis,
et ad generales leges reducendis prereftare posfint
Illud interim, dum hanc operis divini partem,
naturae Arbiter , noftris fubmifit oculis , contempla« :
mur, animo femper volvendum est; dari multa in
natura, quae mortalibus oculis cerni nequeant, et
non foli induftriae humanae, verum etiam mode-
ftiae, theatrum apertum esfe. Contenti itaque hoc
ipfo,-fi veritati propius in dies accedamus, quid-
ni idem, de hac rerum univerfitate „ quod er
EE
318 J.PAP DE FAGARAS ANTW OORD enz.
% geen SOCRATES zeide vandefchrif.
ten van Heraklitus: de dingen, welke _
ik begreepen heb, zyn fraai, en zoo
denke ik ook dat die zaken zyn, welke
ik niet begreepen heb.
Mallada! NDSS ZE
de Heracliti fcriptis, dicamus: quae intellexi pulcra
funt, talia etiam esfe puto , quae non intellexi.
VRAAG
VR A A G:
Mag een Natwuronderzoeker uit de reeds gea
maakte waarnemingen en proefondervindin=
_gen verdere gevolgen trekken ter uitvorfchinge
wan de nog onbekende oorzaken der verfchyn-
felen? zoo ja, hoe verre mag hy daar in
‘_woortgaan, en welke regelen moet hy daar-
omtrent in acht nemen ?
BEANTWOORD DOOR
PHILIPPE FERMIN.
HAIER
De Waarnemingen en_Proefonder-
vindingen van een Natuuronder-
; ZOE-
SSSSSSSSSSSSSSSSSS
QUESTION:
Un Naturalifte, peut-àl tirer des obfervations
EF des expériences déja faites, des confé=
guences ultérièures qui fervent à découvrir
bes caufes encore inconnuës des Phénomenes s
fu le peut, jusqwou le peut-il; & quelles
règles doit-ib obferver en ce cas?
Nunc alio, nune rurfum alio fit obvia Vultu.
HOM.
B kk kak kad
Les Obfervatians & les Experiences d'un Natu=
ras
320 P. FERMIN ANTWOORD OPDE
zoeker zouden van minder nuttigheid
zyn, indien men zich aan de enkele ge-
volgen hieldt, die uit dezelve rechtftreeks
voortvloeijen, of aan een bepaald. getal
van hunne zamenfchikkingen, al ware
men fchoon verzekerd dezelve wel ge-
trokken te hebben; wyl het blykbaar ís,
dat zelfs in zulk een geval, (dat waarfchy-
nelyk ’er niet is) deze waarnemingen
en ondervindingen, by nieuwe waarne-
mingen en ondervindingen gevoegd, of
zelfs flechts by nieuwe bedenkingen,
nog andere meerdere en meer ophel-
derende gevolgen zouden verfchaffer,;
van verdere waarheden , die dienen zou-
den ter ontdekking van de nog onbe-
kende oorzaken der verfchynzelen, zon-
der dat het echter mogelyk is, vooraf
juist te bepalen, tot hoe verre zulks
InO-
SSSSSSSSSS ES
ralifte{eroient moins utiles, fi Ponfeborhoit aux
fimples conféquences qui en derivent.diretement ,
ouà unnombre limité de leurs combinaifons , quand
même lon feroit certain de les avoir toutes bien
faifies; puisqu Evidemment même dans ce cas qui
vraifemblablement n’exifte point, ces obfervations
& ces expériences recombineës avee-de nouvelles
obfervations & de nouvelles expériences ou feule-
ment avec de nouvelles reflexions , pouroient four-
nir
VRAGE VOOR °T JAAR MDECLXXIL 32%
mogelyk is, wyl die eindpaal noch te
onzeker is, om er zich duidelyk om-
trent te konnen verklaren. ,
__ Ik hoop, dat wanneer men de moeite
wil nemen van den voortgang van on-
‚ze kundigheden, en de regels van waar-
nemen in onze nafpooringen nategaan,
men zich meer ten vollen van myn
gezegde zal overtuigen. 5
_ Alle onze kundigheden vloeïen uit
twee bronnen voort; ondervinding en
redenering: De eene kan zonderde
andere van geen nut zyn, Redene-
rèn zonder op ondervindingen te {teu«
nen, is in de lucht fchermen, en zich
AV, DEEL. X met
SSSSSSSSSSS
fNir encore d'autres faites & plus nombreufes &
plus lumineufes de vérité ulrérieures qu: ferviroient à
detouvrir les caufes encore inconnnues des Phenomenes; fans
neanmoins qu'il foit posfible de déterminer d'avan=
ee avec précifion gusqu’où cela fe peut; ce terme cant
encore trop incertain pour en pouvoir parler per=
tinemment.
Jefpere qu'en daignant examiner la marche de
nos connoistances & les règles a obferver dans nos
recherches, on pourra fe convaincre plus intimg=
ment de ce que je viens d’avancer.
Toutes. nos connoisfances derivent de deux
fources, Pexpérience & le raifonhement: L’un-ne
fert- à rien fans laucre: Raifonner fans fe fonder
fur des experiences c'est raifonner en lair; c'est
donner dans la chimère.
Faire
322 P, FERMIN ANTWOORD OP DE
met hersfen fchimmen bezig te houden,
Proeven te nemen zonder te redene-
ren, is het werk van een opperman,
die onbekwaam is om ooit bouwmees-
ter te worden,
Men kan nooit weten wat ons de
proefnemingen leeren, dan na dat men
dezelve genomen heeft. Men heeft geen
denkbeeld van het geen gefchied is,
en men kan het ook niet hebben, voor
dat een onzer zintuigen door het zel-
ve aangedaan is. |
Indien de kundigfte wysgeer, uit de
wolken op een kloot nederviel, op wel-
ken alle de gebeurende zaken (\facta) voor
hem nieuw waren, zoude hy geen een
van dezelve konnen gisfen: Men Ee.
e
SSSSSSSSSSS:
Faire des experiences fans raifonner, c'est le
mêtier d'un manceuvre incapable de devenir jamais
architecte. Ô
Tout ce que expérience nous enfeigne ne peut
être connu qu’après qu’on la expérimenté. On
n'a & l'on ne peut avoir aucune idée des chofes de
ied ‚ jusqu'à ce quelqu’uns des fens foit affeété par
elles,
Le plus grand philofophe qui tomberois des nuês
fur un globe dont tous les faits feroient nouveaux
pour luy, n'en pourroit deviner aucun; Il faudroit
qu'on
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 323
de het van dezelve moeten onderrich=
ten, hem de eigenfchappen der zaken
leeren, en de betrekking tusfchen de
oorzaken en uitwerkingen; hy zoude
zelf dezelve moeten ondervinden, of hy
zoude ten minften dezelfde zaken een
zeker getal reizen in achtervolging van
andere moeten zien en herzien weder-
komen; Dit is het geen men waarne«
ming noemt.
Men kan de waereld aanmerken ;
als iets enkel eenfoortigs (individu).
De duuring der eeuwen, als een enkel
leven. Van ’s waerelds eerfte jeugd af
aan heeft men waarnemingen gedaan:
men is met dezelve tot heden toe be-
zig, De eerfte voortgang was traag;
het oordeel der menfchen was nog niet
X 2 ges
SSISSSISSSSSS
qu'on Pen inftruifit, qu’on luy fit connoitre les
proprietés des chofes, les relations entre les cau=
fes & les effets, ou qu'il les Éprouvát lui même,
ou du moins, qu'il vier & revit un certain nombre
_de fois les mêmes chofes arriver à la fuite d’autres,
C'est ce qu'on appelle obfervation.
Le monde peut etre confideré comme un feul
individu. La durée des fiecles comme une feule
vie. Dès l'enfance du monde on a obfervé: on a
continué jusqu'à ce jour. Les progrès ont d’abord
èté très lents, Le jugement des. hommes n’étoit
pas
324 P. FERMIN ANTWOORD OP DE
gevormd; hunne lichtgelovigheid deed
hen deonwaarfchynelykfte berichten gre-
tig omhelzen ; en hunne verbeelding gaf
er de vreemdfte verklaringen van. Het
ontbrak hun vooral aan werktuigen,
De uitvinding van die werktuigen,
en de volmaaktheid tot welke zy ge-
bracht zyn, hebben eene geheele om=
wenteling gemaakt ; en in de konst van
waarnemen een beflisfend tydperk ge-
fkelearan s
De werken van veele groote Natuur-
kundigen, en de verhandelingen van de
voornaamfte Academien dragen hier van
getuigenis.
De. verzameling der waarnemingen;
word dagelyks grooter en bsten s
en
SSSSSSSSSSS
pas formé 3; Leur erédulite les portoit à adopter les
recits les plus fabuleux, leur imagination en for-
moit les explications les plus bizarres; fur tout
les inftrumens leur manquoient.
L'invention de ces inftrumens & la perfetion à
la quelle ils ont été conduits ont fait une révolu-
tion totale, une époque decifive dans l'art d’ob-
ferver.
Les ouvrages d'une foule de phyficiens illutres,
5 mémoires des principales Academies en font
Oy. -
Le dépot des obfervations grosfit & Pépure de
jour
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 325
Men ziet oneindig beter, en oneindig
meer dan de ouden zagen. |
Maar heeft men met dit alles groote
voortgangen gemaakt in de kennis der
oorzaken! en kan men zich vleien van
er in het vervolg aanmerkelyker te
doen? Dit is de ftaat der voorgeftelde
vraag, | 1
Eene oorzaak in den juisten en {trike
ften zin genomen, is de verborgen flag-
veer der Natuur, in de voortbrenging
van eenig uitwerkzel. Men heeft nu
geen van deze flagveeren kunnen ont-
dekken, en zy kunnen ook nooit ont-
dekt worden.
Laten wy met de grootfte van allen
beginnen ‚met die „welke het beweegrad
X-3 van
SSSSSSSSSSS
jour en jour: On voit infiniment plus et infini-
ment mieux que n'ont vû les anciens.
Mais avec tout cela a t'on fait de grands progrès
dans la connoisfance des caufes & peut-on fe pro=
mettre d'en faire encore de plus confiderables dans
la fuite? C?est là Pétat de la queftion propofëe,
Une cauf? dans le fens precis & rigoureux, c?est
le resfort fecret de la nature dans la produCtion
d'un éffet quelconque, Or il n’y a aucun de ces
mear qui ait jamais été appercû ni qui puisfe
tre.
Commengons par le plus grand de tous, par te
u
326 P. FERMIN ANTWOORD OP DE
van het Heelal is, Dit is zegt men
de zwaarteweging en aantrekking,
Hoe naauwkeurig de rekeningen ook
zyn mogen, die op deze onderftelling
fteunen, vraag ik echter of het moge-
lyk is een denkbeeld aan de fpreekwy-
ze te hechten, van zich lichamen te
verbeelden, die op elkander wegen,
en zich onderling aantrekken, En het
is immers een befliste zaak, dat men
nooit verder zal kunnen komen, en de
ontzichtbare banden ontdekken welke de
groote lichamen, op verfcheiden afftan-
den hangende, en die in loopkringen
bewogen worden, van welke zy nooit
afwyken; ophouden? Hoe maakt de
Natuur fteenen en metalen? Wat is de
voortteeling? Men grave vry in my-
nen
luy qui fait aller la machine de univers. C’est
dit-on la gravication , latcraétion. Quelque juftesfe
qu'il y ait dans les calculs fandés fur cette fupofi-
tion, est-il posfible d’actacher une ideé au terme,
de fe repréfenter des corps qui gravitent & f’acti=
rent? Et m’esr-il pas decide que jamais on ne fera
en état d'aller plus loin, & d’obferver les liens in-
vifibles que tiennent les grands corps fufpendus à
des diftances & müs dans des orbites dont ils ne
Pecartent jamais. Comment la nature fait= elle les
metgux & les pierres? Qu'est-ce que lg génera-
ti=
_VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 327
nen en fteengroeven, men opene den
buik der hinden, en men befchouwe
den tred van het ei, zo lang het ge-
broeid word: Wat heeft men gezien 2
en wat zal men zien? een Aheetval ng
van gebeurde zaken, maar geen íchyn
van oorzaak,
Men verzamele alle de verfchynzelen
der electriciteit; verkrygt men daar
door beter kennis van. de electrifche
ftoffe: hoe zy werkt, en waar van daan
het verfchil harer uitwerkzelen beoor
deeld word? |
Al het tegenswoordig en aanftaand
nut der waarnemingen derhalven, ‘om
de kennis der gewrochten uit te brei-
den, en te verbeteren, en dezelve de
eene aan de andere te onderfchikken,
X 4 Zoo
SSSSSSSSSSIS
N
tion? on a beau fouiller dans les carrieres, ouvrir
le ventre des biches, confiderer le. germe de loeuf
pendant incubation: Qu’a t'=on vû? que verra-
ton? une fuite de faits, pas l'ombre d'une cauftc.
Rasfemblez tous les phénomenes de lelectrici-
te, en fggqurez vous mieux ce qu’est la matière
electrique: comment elle agit & d'où vient la dif-
ference de fes effets ?
Tous les fruits préfens & futurs de lobfervation
fe reduifent donc à étendre & rectifier la connois-
fance des faics, 8 à les fubordonner les uns aux
au-
328 P, FERMIN ANTWOORD OP DE -
zoo dat het eene verfchynzel door het
ander verklaard word, en dit weder
door een derde;-en deze rei voortzet-
tende zoo ver zy gaan kan, terwyl men
altoos a priori verzekerd is, dat zy ftil
zal ftaan eer men de oorzaak vindt,
Onderftellingen zyn wysgeerige {pe=
lingen, kaarten-huisjes , die ligt om ver
geblazen worden. Men moet redene-
ren over het geen men ziet, zoo lang -
En ‘Ziet, PEW 00 d
Hoe zùllen wy het werktuigelyke van
het binnenfte der andere voorwerpen
ontdekken, daar ons eigen innerlyk ge-
ftel niet verklaard, ja zelf niet nage-
gaan kan worden?
… Het fchouwtooneel der Natuur, ver-
2,57 toond
SKS SSSSSISSS
autres, de facon, qu'un Phénomene foit expliqué
par un autre; celui-ci par un troifieme; en pous-
fant cette progresfion ausfi loin qu'elle peut aller,
avec la certitude a priori, qu'elle f'arrêtera toûjours
avant qu'on ait trouvé la cauft. 3
Les hypochêfes ne font que des jeux pbilofo-
phiques, des chateaux de cartes qu’un fouffle ren-
“verle, Il fart raifonner fur ce qw’on voit, tant
qu’on voit„ &5pas au delà,
Comment dézouvrirons nous le mechanisme in-
tericur des autres objets, puisque le notre propre
est inexplicable & même inobfervable ? dike:
Le fpeétacle de la nature offie une complication
Ed Dd À vee sn ……… ‘ vs & ke -_ .t < x des
WRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 320
toond ons een ingewikkeld zamentftel
van raadzelen, die. aan ons vernuft
voorgefteld worden; ieder onzer heeft
evenwel recht om het zyne te zeggen,
De wyzen, onze voorgangers en mees-
ters, hebben vryelyk van dit voorrecht
gebruik: gemaakt. Hun voorbeeld noo-
digd ons om van die onfchuldige vry-
heid gebruik te maken. Die ons vol-
gen, door dezelve drift weggefleept , zul-
len zich nog bezig houden, met de
befchouwing der voorwerpen, die maar
ter helft bedekt fchynen, om aan de
geleerden van alle eeuwen het uitgezoch-
te vermaak te gunnen, hunne nieuws-
gierigheid te oefenen, en de bedrieg-
lyke hoop te ftreelen van dezelve te
voldoen,
X5 In
SSISSSISNISISSSS
denigmes livrges à notre fagacité. Chacun de
nous a un droit pareil de dire fon mot. Les fages
nos predecesfeurs & nos maîtres, ont ufé libre=
ment de ce privilège. Leur exemple nous invite
a prendre cette innocente liberté. Ceux qui nous
fuivront, entraînés par la même démangeaifon de
deviner, fgmuferont encore à contempler des ob-
Jets qui ne femblent à demi-voilés, que pour
menager aux fcavans dans tous les âges le plaifir
exquis d'exercer leur curiofité et l'efpoir trompeur
de ja fatisfaire, en
Dans
330 P. FERMIN ANTWOORD OP DE
In de verklaring der natuurlyke ver-
fchynzelen, kan het vernuft alleen van
eene onderftelling beginnen: Men ga
dan voort met gisfen , tot dat het geval,
vruchtbarer dan het vernuft, eene on-
derftelling aan de hand geve, die alle
de uitwerkingen by elkander fchikken-
de, buitengemeenste niet uitgezonderd ,
dezelve ten eersten tot een algemeen
uicwerkzel brenge, en alle de byzon-
derheden, uit dezelve afleide,
Niet is meer te achten, dan een goed
oordeel , en juist vernuft, in het onder-
fcheiden van waarheid en valfcheid,
Alle de andere eigenfchappen van het
verftand , hebben een bepaald gebruik,
maar eene naauwkeurige reden is van
een
SSSSSSSSSSS
Dans lexplication des phénomenes naturels, le
génie ne peut que partir d'une fuppofition quel-
conque: Qu'il ne fe lasfe donc pas de fuppofer,
jusqu à ce que le hazard, plus fécond que le genie
lui prefente une hypothèfe qui en combinant tous
les effets; je n'en excepte pas les plus extraordi=
naires; les reduifent d’abord à un feul éffet gene-
ral & derive enfuite de celui-ci tous les details
particuliers.
Il n’y a rien de plus eftimable que le bon fens &
la juitesfe de lefpric dans le discernement du vrai
‚& du faux, Toutes les autres qualites de Vefprit
ont des ufages bornes, mais lPexaCtitude de la B
on
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL. 331
een algemeen nut, in alle de deelen en
bezigheden des levens, Het is niet al
leen in de wetenfchappen, dat men
moeite heeft om het ware van het val-
fche te onderfcheiden: maar ook in de
meeste onderwerpen over welke de men-
fchen fpreken, en in alle de zaken die
zy behandelen.
Byna alom vindt men verfchillende
wegen, van welke fommige waar en
andere valsch zyn, en hier moet de
rede kiezen; die wel kiezen hebben een
goed oordeel, en die kwalyk kiezen
een valsch vernuft; dit is het eerfte
en gewichtigfte verfchil tusfchen de hoe-
danigheden van het vernuft der men-
fchen,
Het
fon est généralement utile dans toutes les parties
& dans tous les emploits de la vie. Ce n’est pas
feulement dans les fciences qu’il est difficile de di=
ftinguer la véritg de erreur; c’est ausfi dans la
plupart des fujets dont les hommes parlent & dans
les affaires qu’ils craitent.
Il y a presque par tout des routes differentes,
les unes vraies, les autres fausfes, & c'est à la rai=
fon d'en faire le choix, Ceux qui choifisfent bien
font ceux qui ont lefprit jufte: ceux qui prennent
le mauvais parti, font ceux qui ont lefprit faux
& est la premiere & la plus importante differen-
ce qu'on peut mettre entre les qualités de Vefprit
„des hommes, Ain
3352 P. FERMIN ANTWOORD OP DE
Het voornaamfte derhalven, waar
voor men moest zorgdragen, zoude
moeten beftaan in zyn oordeel te vor-
men, en het zelve zoo naauwkeurig te
maken als het mogelyk is; en hier heen
voornamenlyk moeten zich alle onze
verrichtingen. richten.
De grootfte mannen, zy die het
meest in de wetenfchappen uitmunten,
aan welke zy. zich gewyd hebben, be-
kennen openhartig, dat ’er veele zaken
boven hun begrip zyn, en tot welke het
menfchelyk vernuft nooit kan reiken.
Het is zeker, dat zy door dit getuige-
nis veele zwarigheden wegnemen, die
anders bekwaam waren,,om hen, die
dezelve doorgronden wilden, nutteloos
op
sssssssssss
Ainfi la principale application qu’oú devroit
avoir „ feroit de former fon jugement & de le ren—
dre. ausû exact qu’il le- peut: être; & c'est à quoi
devroient tendre principalement nos études.
Les-plus grands hommes, ceux qui fe diftingu-
ent:le plas dans les-{giences auxquelles ils (’appit-
quent, avouent naturelement qu’ii est un grand
nombre de chofes au desfus de leur connoisfance &
aux quelles lefprie humain ne fgauroit jamais at-
steindre. Il est certain que par cet avcu, ils abré-
gent un nombre.de- difficultés propres a arreter
inutilement ceux qui veulent les apetofondis ait
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 333
op te houden; en die, naar langen tyd
zich geöeffend te hebben, meenen, dat
zy wat weten, daar zy flechts het ver-
mogen hebben, van hunne denkbeelden
te verwarren, en ‘hunne onwetendheid.
en verwaandheid ten toon te ftellen , by
degenen die zoo ongelukkig zyn, van
door hen onderricht te worden.
Zulke menfchen hebben waarfchyne-
lyk nooit begrepen, dat het volftrekt
noodzakelyk is, of in dwalingen te ver-
vallen, of alleen aan blykbare zaken
eene volkomene toeftemming te geven.
“In de gemeene wysgeerte heerfchen
> valschheid en verwarring” zegt Vader
MALLEBRANCHE, ”om dat de wys-
> geeren, met eene lichtelyk te vinden
> gelykenis, die zoo gemakkelyk voor
bh | hun-
SSSSSSSSSSS
qui après avoir étudië longtems croyent fcavoir
quelque chofe, lors qu’ils n'ont acquis que le ta-
lent d’embrouiller leurs idées , & de communiqter
leur ignorance & leur prévention à ceux qui font
asfez malheureux pour recevoir leurs inftruétions,
Ces gens n’ont apparemment jamais compris
qu’il est abfolument nécesfaire ou de tomber dans
Yerreur, ou de n’accorder un entier confente-
ment qu’à des chofes evidentes. La fausferé dit le
„‚ Pere MALEBRANCHE,& la confufion règnent
2) dans la philofophie ordinaire, à caufe que les
22 phi=
334 P. FERMIN ANTWOORD OP DE
hunne verwaandheid en voor hunne
„ belangens is, zich te vreden houden;
s vindt men niet alom eene oneindige
» verfcheidenheid van gevoelens over de:
zelve onderwerpen, en derhalven ee-
ne oneindige menigte dwalingen? Een
„zeer groot getal van leerlingen laten
zich intusfchen misleiden , en onder-
» werpen zich blindeling , aan het ge-
> zag van die wysgeeren, zonder hun-_
» ne gevoelens te begrypen.” (a) _
| Licht-
(a) Ter behandeling vaneen onderwerp van dit gewicht,
beb ik geen zwarigheid gemaakt, gebruik te maaken van
hetgeen de wysgeeren, die men als meesters in de kunst
van waarnemen kan aanmerken , ten dezen opzichte geleerd
hebben, en zelfs fomtyds hunne uitdrukkingen te gebruiken,
Ik hoop, dat deze verklaring my buiten verwyt van let=
terdievery flellen zal,
SISI SIEN
„‚ Philofophes fe contentent d'une resfemblance
„, fort facile à trouver & fi commode pour leur
»» vanité & pour leurs interêts, N’y trouve=t’on
„> pas presque partout une infinie diverfité de fen-
», timens fur les mêmes fujets & par confequent
‚‚ une infinite d’erreurs? Cependant un trés grand
», nombre de disciples fe laisfent féduire, & fe fou-
> mettent aveuglement à l'authorite de ces philo-
„> fophes fans comprendre leurs fentimens. (a) E
a
(a) Poar ztraiter un fujet de cette importance, je n'ai pas
difficulté de m'approprier, ce que les philofophes, qu'on peut ree
garder comme maîtres dans l "art d'obferver, ont enfeigné à cet
égard @ d'emploier même guelque fois leurs expresfions. Fefpere
que vette déclaration me meitra à labri du reproche du plagiat,
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL. 335
Lichtgelovigheid en verwaandheid van
alles te willen weten, zyn de twee bron-
nen van dwaling en onwetendheid. Ver-
ftandige lieden fpreken van twyffelach=
tige zaken, twyffelachtig, en bekennen
hunne onbekwaamheid, in zaken die
boven het menfchelyk vernuft gaan,
Het is waar, zy geloven veel minder te
weten dan zulke, die alles meenen te
kennen: maar het geen zy weten, we-
ten zy ten minften zeker , en kennen de
trappen van de waarfchynelykheid der
andere ; terwyl diegene, die zoo ftellig
fpreeken, zelf onkundig zyn van die
ingen, die zy meenen grondig te we-
ten,
Er zyn ‘er, die door hoogmoed of
vers
SSSSSSSSSS&
La facilité à croire & la vanité de vouloir tout
connoître font les deux fources de lerreur & de
ignorance. Les gens eclairés parlent douteufe-
ment des chofes douteufes & avoùüent leur incapa-
cité touchant celles qui pasfent la portée de lefprit
humain. Il est vrai qu’ils croient fcavoir beaucoup
moins de chofes que ceux qui prétendent les con-
noître toutes: mais du moins ils font certains de
celles qu’ils fravent, & connoisfent le dégré de
probabilité des autres, tandis que les dogmariques
‚ignorent celles mêmes qu’ils croient le mieux
Cconnoitre,.
ll en est qui fouvent par orgüeil ou ee
Tas=
336 Ps FERMIN ANTWOORD OP DE
verwaandheid dikwerf gevoelens omhêl:
zen en {taande houden, die zy weten
dat bezyden de waarheid zyn, en die
zy maar: voorftaan, om dat zy zich on-
gevoelig tot dezelve verbonden hebben,
en de fchande niet willen dragen van
zichzelven tegen te fpreken, of iets te
ontkennen, dat zyin den yver van eene
redentwist gefteld hebben , of dat zy te
ligtvaerdig gewaagd hebben in hunne
fchriften te {tellen. Zy begrypen niet,
dat het hun tot oneindig meer eere
ftrekken zoude, te bekennen, dat zy
misleid zyn in eene dwaling te willen
goed maaken, door een groot getal an-
dere. Zy maken verfcheiden onders
ftellingen, en door middel van een groot
getal drogredenen, komen zy eindelyk
Zoo
SSSSSSSSSSE
brasfent & foutiennent des opinions qu’ils ne def=
fendent que. parce qu’ils f’y font infenfiblement
engagés & qu’ils ne veulent point avoir la honte
de fe contredire, ou de désavouer ce qu’ils ont
avance dans la chaleur, de la difpute, ou qu'ils
ont hazarde trop légerement dans leurs &crits: Ils
ne comprennent pas qu’il leur feroit infiniment
Plus glorieux d’avoüer qu’ils fe font trompés que
de vouloir juftifier une erreur par un grand nom-
bre d'autres. Ils forment plufieurs hypothèfes & à
Paide d'un nombre de fophismes, ils vie à
out
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI, 337
zo ver, dat zy de waarheid verduistes
ren. Deze feilen zyn te duidelyk, dan
dat men dezelve niet zoude aanzien,
als tegen de vordering en voortgang on=
zer kundigheden ftrydende,
De ftyfhoofdigheid van fommige
geleerden voor de famenftellen , die zy
aangenomen of van hunne meesters ge:
leerd hebben, vermindert het gezag
hunner gevoelens ook grootelyks,
De Wysgeeren vallen dikwyls in zeer
grove dwalingen, door al te fyn te wil
len redeneren. Door geheimen, die on-
doorgrondelyk zyn; te willen zoeken en
ontdekken, vallen zy in gevoelens, die
zichzelven tegenípreken, en worden
IP. DEEL. Y ‚door
SSSSSSSSSSS
bout d'obfeurcir la veritg. Ces défauts font trop
fenfibles pour ne pas les regarder comme conrrai=
res à lavancemenrt & aux progrès de nos connois=
fances.
_ L’entêtement de quelques fgavans pour les fy-
ftêmes qu’ils ont adoptés , ou qu’ils ont appris de
leurs maicres diminuê encore beaucoup |’ autoricé
de leurs fentimens., \ d
Les Philofophes donnent fouvent dans des erreurs
monftrueufes pour vouloif trop fubcilifer. A force
de chercher à découvrir des fecrèêts qui font impé-
nétrables , ils donnent dans des fentimens contra-
/ di=
338 Py FERMIN ANTWOORD OPDE
door hunne eigen verhitte vérbeelding
misleid, |
Indien men met een Cartefiaan {preekt
van «een voorftel, dat niet overeenkomt
met de gevoelens die hy koestert, zal
hy veel minder denken, Om te Over-
teggen,„ of %* gene men hem ts
overeenkomt met de reden, dan om
bewyzen te vinden, om het tegen te
gaan. Andten men een navolger van
afriftoteles wan enige dwaaling wil
dvertuigen ‚ meent hy ten eerften, dat
zyne roem aan dien van Ariftoteles ver-
bonden is; hy verweert zyn eigen be-
langens, in het voorftaan van die van
zyn meester, en verre van zich moei-
te te geven , om nategaan, of ‘er ook
waar-
sssSSsSsSsSsSsS
ditoires & deviennent la dupe de leur imagination
Echauffée.
“Si Ton parle a un Cartéfien d'une propofition qui
ne f' accorde pas avec les principes dont il est pré
ocupé, Ïl penfera bien moins a examiner fi ce
qu’on lui dit, est conforme à la raifon , qu’à trou-
ver des argumens pour le combattre. Si Pon veut
convaincre un Peripatéticien de quelque erreur, il
_fonge d'abord que fa gloire est attachée à celle d’
Hrifbote: il defend fes interêts en défandant ceux
de fon maître & loin de fonger a pénétrer ce qu’il
pourroit y avoir de vray dans les argumens wien
jie ad-
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI. 836
waarheid in de redenen van zynen tes
genftrever is, houdt hy zich alleen bes
zig, met antwoorden te zoeken, om
dezelve te ontwyken of te verydelen 5
hy gelooft, dat men in de Peripate.
tifche wysgeerte niet kan dwalen; en
trekt niet eens in twyflel, dat hy nooit
_ongelyk gehad heeft; hy ontflaat zich
ook van den grond der vrage te bes
fchouwen ; en houdt zich geheel en al
op met bewyzen: op de bewyzen, die
tegen hem zyn, geeft hy geen acht,
en ftelt zich, door zyne verwaandheid,
buiten ftaat om zich van de waarheid
te verzekeren,
Verfcheiden wysgeeren, en de na-
tuuronderzoekers in de eerfte plaats,
Y 2 zyn
SSSSSSS SEE
adverfaire, il n’est occupé qu’ à chercher des re«
ponfes pour les éluder: il eroit qu’on ne peut er=
rer dans la philofophie Peripatéticienne et ne met
point en doute qu’il n’ait toûjours cû raifon: il fe
difpenfe ausfi d’ examiner le fond de la queftion: il
@st tout occupeé de fes preuves: il ne donne aucu=
ne attention à celles qui lui fofict contraires & il fe
met dans l'imposfibilité, par fa prévention de pou
voir jamais f’ asiurer de la vérité.
Plufieurs philofophes & fur tout les naturaliftes
font très fujets a ces defauts. Aveuglament dn
le
349 P., FERMIN ANTWOORD OP DE _
zyn aan deze feil zeer onderhevig. De
verblindheid fchynt hun eigen, en een
noodzakelyk gevolg van hun beroep:
_ dit goed gevoelen van hun eigen wy-
ze van denken, en die wonderbaare
{tyfhoofdigheid voor hunne famenftel-
len, zyn het, die Bayle de onzeker-
heid van zo veele grondbeginzelen , die
men voor ontbetwistbaar hieldt, deed
aantoonen. Hy bewees zeer gaarne dat
veele zaken , die men voor klaar en dui-
delyk hieldt, van alle kanten met zwa-
righeden omringd zyn, die haar ten
hoogften twyffelachtig , en dikwyls te-
genítrydende tegen de reden en eerfte
kundigheden maken.
Ten allen tyde hebben gevoelens de
overhand gehad, en zy zullen ik ted
di
SSSSSSSSSSS
ble être leur attribut, & une fuite de leur profes-
fion: c'est cette bonne opinion qu’ils ont de leurs
fentimens & cet entetement prodigieux de leurs
fyfièmes, qui avoit porté Bayle à démontrer lin-
certitude de tant de principes qu’on regardoit com=
me inconteftables. Il aimoit à faire connoître que
bien des chofes qu’on donne pour évidentes font
environnées de difficultés qui les rendent très dou=
teufes & quelquefois contraires à la raifon & aux
prémieres notions.
Les opinions ont regné & rêgneront de tout
tems.
VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXIL -34T
altoos hebben. Hunne heerfchappy is
zo uitgebreid, als volftrekt. Ik tarte een
ieder, een eenig befchouwend voorftel
te voorfchyn te brengen, omtrent za-
ken die gebeurd zyn, die niet in het
geval van gevoelens zyn. Konnen wy
met grond zeggen, dat wy iets, (wat
het ook zyn moge) ftelligs van de
ziel, van het lichaam, van het geheim
der voortteeling weten? Noch afge-
trokken kundigheden, noch rekenkun«
dige of meetkundige waarheden. enz.
‚konnen eenige hersfenfchimmen wee
zenlykheid byzetten. Dus konnen wy
de gevoelens, in welke wy eenigszins
verzonken zyn, vergelyken met de
lucht die wy inademen; een grove
OE ANN lucht,
SSSSSSSSSSE
tems. Leur empire est ausfi étendû, qu’abfolû. Je
defie qu’on produife une feule propofition théoréti=
que fur des chofes de fait qui ne font pas dans le
cas des opinions. Pouvons nous dire avec fonde=
ment que nous fachions quoyque ce foit de pofitif,
fur Pame; fur le corps, fur le myftère de la géne-
ration ? Les notions abftraites, les véritgs arithmd=
tiques , géométriques ete. ne fgauroient convertir
des fantômes quelconques en réali:ks, Ainú lon
peut comparer les opinions dans lesquelles nous
fommes en quelque forte plongés, à l'air que nous
refpirons, air grosfier & chargé de toutes fortes
d’im-
342 P. FERMIN ANTWOORD OP DE
lucht, met allerley foort van uitwaas:
feningen bezwangerd, maar die wy
echter niet konnen misfen , en die indien
zy tefyn was, ons nadeelig zoude zyn.
Hoe belagchelyk ook {ommige ge-
voelens zyn mogen , vallen de genen die
dezelve trachten te ontgaan, fchoon met
grond ,„ in een niet wel begrepen by-
zonderheid , in eene volkomen dwaas-
heid, en in eene ware uitzinnigheid.
Laten wy ons dan veel eer bepa-
len, om die gevoelens uit onze ziel te
verbannen, en onze hersfenen van de-
zelve te zuiveren, indien wy ons in
omftandigheden bevinden ‚om dit werk
te ondernemen en ter uitvoer te bren-
Ben,
| Maar
sssssssssSs st
d'impuretes , mais dont nous ne pouvons néan-
moins nous pasfer , vu même qui trop fubtil , nous
deviendroit nuifible.
Quelgues ridieules que foient certaines opinions,
ceux qui prenent à tache de les fronder, quand
même ils auroient raifon , donnent dans une fingu-
laritg mal entenduë, dans un pur travers, dans
une vraie folie, Bornons-nous plutôt à bannir ces
opinions de notre efprit, à en nettoyer notre cer=
yeau fi nous nous trouvons dans des conjonétures
propres à entreprendre & a exdcuter, ce Ene ì
ais
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCERxI 345
„Maar laten wy de algemeene“gevoe>
haan daar laten, en ons toeleggen-om
de waarheid te zoeken , om “onszelver
wille,-om dezelve als een fchat te-bet
zitten, daar het gemeen misbruik van
zoude maken, UE, 8
_ Onze kundieheden würden: alleen 3
door de vergelykingen, die wy-tusfchen
onze gevoelige denkbeelden malen, vit
gebreid en volmaakt. -
Wy vergelyken verfchbiden zakiade van
hetzelfde foort met elkander , ‘en wy
zien, tgene uit die vergelykirfgvolgt, en
indien zy alle in hetzelfde punt famen-
loopen, befluiten wy , dat het waarfchy-
nelyk kan zyn, dat dit punt eene waar:
heid is; daar plaatfen wy onze’ ' aati-
Y 4 —_ Idacht
RN
Mais laisfons les Salnians steg en paix, &
appliquons=nous à la recherche de la vérité pour
amour de nous-mêmes , pour la posfeder en pros
pre comme un tréfor dont le vulgaire abuferoic.
Nos connoisfances ne f'etendent & ne fe pers
fetionnent que par les comparaifons que nous éta-
blisfons entre nos idées fenfibles. Nous comparons
entr'eux plufieurs faits de même genre , nous voy-
ons ce qui refulte de cette comparaifon , &fitous
convergent vers le même point, nous en inferons
qu’il est probable que ce point est une vérité: nous
y concentrons notre attention, & nous en voyons
ded par=
„
344 Re -FERMIN ANTWOORD OP DE
dacht als in een middelpunt,en van daar
zenden-wy nieuwe ftralen, die het voor:
werp, van alle zyden licht byzetten. Dus
komen wy zo ver, dat wy nieuwe ge-
yalgen trekken , (die meer of min alge-
meen zyn) uit onze eigen waarnemin=
gen;/of uit die van anderen, Op deze
wyz@-komen wy fomtyds, tot. de ont-
dekking van verfchynzelen, die aange:
merkt als eenvoudiger, oorzaken konnen
genoemd. worden „-na dat men dezelve
aandachtiger befchouwd , en de uitwer-
kingenvof reingelele verfchynzelen
trapsgewyze ontbonden heeft, ;
Zodra men maar-de Natuur wat aan-
dachtig. nagaat, ziet men welhaast, dat
hare verfcheiden deelen, door verfcheiden
overeenkomften naauw verbonden zyn:
| het
SSSSSSSSS SS
partir de nouveaux-rayons qui éclairent divers cô-
tés del'objet. Ctest ainfi que nous parvenons à
tirer. des refultats plas ou moins generaux de nos
propres obfervations ou des obfervations d’autrui,
C'est ainfi que nous arrivons quelquefois à la de
couverte des phénomènes qui en:tant que plus
fimples-peuvent êcre appellgs-caufes, après un ex-,
amen rèfléchi & une, décompofition graduelle des,
effets, ou phénomènes plus compofës.
> Pour peu qu?on -écudie la nature ‘on f’appergoit.
bientôt que toutes fes parties font Etroitement lin,
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI, 345
het is het werk van den natuuronder-
zoeker dit verband en deze overeenkom-
ften na te gaan; dewyl hy weet, dat
de oorzaak, die hem onbekend is, en
die hy zoekt, door eenige geheime
overeenkomst verbonden is aan het-
gene hy kent, klimt hy langs den fcha-
kel der zaken, zo ver het hem moge-
lyk is, weder op, hy hecht zich aan
dezelve, en volgt met geduld alle de
omwegen, hy dringt tot ín derzelver
diepfte fchuilhoeken, en indien hy niet
langs dien moeilyken weg zyn. oog-
merk verkrygt, zelfs indien hy ‘er niet
zeer naby komt, loopt hy ten minften
geen gevaar van in een nacht van gis-
fingen te verdwalen, Kobi
Y 5 Hoe
SSSSSSSSS SE
ges par divers rapports: c'est la recherche de ces
liaifons de ces rapports qui doit oecuper le phyfi=
cien: comfme il fgait- que la caufe qu’il ignore &
qu'il cherche, tient par quelque rapport fécret à
__ge qu’il connoit, il remonte autant qui lui est pos-
fible, le long de la chaîne des faits, il fy cram=
poue, il en fuit patiemment tous les détours, ilen
parcourt tous les plis & replis, & fi par cette mar=
che laborieufe il n’arrive pas au but, fi même il
n'en approche pas de bien près , au moins ne court=
il pas le rifque de f’egarer dans la nuit des conjec-
_ tures. be
Plas
346 .P.-FERMIN ANTWOORD OP DE /
„Hoe meer het getal der gemeene be-
kende betrekkingen aangroeit, hoe meer
zekerheid, juistheid, en uitgeftrektheid,
onze natuurkundige kennisfen verkry»
gen. Ik verfta hier onder het woord
besrekkingen, die hoedanigheden en be;
palingen , “uit krachte van welke ver-
fcheiden wezens tot hetzelve oogmerk
femneriltopeino it vil sqo Toba
Indien wy alle de foorten van bet
trekkingen kenden, die de planten ver-
binden: aan. de aarde, het water, de
lucht „het vuur, en alle, de licha-
men ;-die op hetzelve werken, of aan
derzelver werking anderworpen” zyn,
indien=wy verder,de overeenkom{ten
kenden, dewelke verfcheiden wezens
a … on-
SSSSSSSSSSE
Plus le hombre des rappefts eonnûs f’decroîrra
& plus nos connoisfances phyfigues acquéreront de
certitude, de précifion & d'etenduë. Je nomme
ici wapports, ces qualités, ces dérerminacions, en
vertus desquelles differens êtres confpitent au mê-
me but general.
Si nous connoisfions les rapports de tous genres,
he lient la plante à la terre, à Veau, à Pair, au
us êrà tous les corps qui agisfent fur elle, ou
qui font foumis à fon ation, fi neus eonnoisfiens
encore-les rapports qui lient entr'eux ces divers
êtres, notre théorie de la végetation feroit complet-
va BE»
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIk 347
onderling verbinden, zoude de befchou-
wing der groeiïng volkomen zyn, dan
zouden wy zo duidelyk zien, hoe:eee
ne „plant groeit, als wy zien hoe de
wyzer van een horloge zich beweegt ;
wy zouden niet door reden, maar door
een zeker inzien oordeelen, en de kunst
van gisfen zoude op het voorwerp geen
toepasfing meer vinden. 59 0 ON
„Maar zo ver zyn wy in de’ Natuur-
kunde niet; de wetenfchap der. natuur-
lyke betrekkingen: is nog zo onvol-
maakt, dat ’er geen een voortbrengzel
der natuur is, zelfs onder die allerge-
ringst fchynen , dat zyne duistere zyde
niet heeft, en het vernuft van den be-=
kwaamften natuuronderzoeker wel haast
uit-
SSSSSSSSSSS
te „„Snous verrions ausfi diftin&tement comment la
plante végête , que nous voyons comment l’aiguille
d'une montre fe meûr;s Nous ne jugerions pas par
raifonnement ; nous jugerions par une-forte d'in=
tuition & l'art des conje@utes ne trouveroit plus.
fon application dans cet objet. artan
Nous n’en fommes pas là en phyfique: la fcience
des rapports naturels est encore fi imparfaite „qu'il
n'est pas une feule produétion.de la nature parmi
les plus chétives en apparence, qui ne nous pre=
fente des côÔtés obfcurs ê-n’épuife bientôt la faga=
cité du plus habile phyficien, ‚Une molécule de
4e terre
348 P.-FERMIN ANTWOORD OP DE
uitput, Eene kluitje aarde, een korrel
zout, een mosplantje , een wormtje,
worden doolhoven voor hem, in welke
hy zich zoude verliezen, indien hy een
ogenblik maar het gulden koord der on-
dervinding losliet, Het hoe is dat zo van
eene zaak te zoeken, is dan eigenlyk
de geheime overeenkomften te zoeken,
die de eene zaak met andere heeft: Het
is geen enkel verbeelden, en nog veel
minder gisfen ; ine is, de zaken van den
zelven aart en die ‘er mede overeenko-
men tot elkander te brengen; dezel-
ve te ontbinden tot in hare -kleinfte
deelen ;- nategaan, wat zy onderling
gemeen hebben, wat haar byzonder ei-
gen is, wat zy ftandvastigs hebben, en
| waar
SSSSSSSSSSS
terre ‚, un grain de fel, un lychen, un vermisfeau;,
deviennent pour luy de vrais dédales, où il fe per-
droit, f’il abandonnoit un moment le fil précieux
de lexpérience. Chercher le comment d'une chofe ,
eest done proprement chercher les rapports fecrêts
qui tient cette chofe ad’autres: ce n'est pas fimple-
ment imaginer, bien moins encore deviner; c'est
rapprocher les faits de même genre & de genres
analogues; les décompofer jusques dans leurs
moindres parties, examiner ce qu’ils ont de com- .
mun & ce qu’ils ont de conftant & ce qu’ils ont
de variable; donner toute fon attention aux réful=
tats
S
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI, 349
waar in zy veranderen: alle zyne aan-
dacht aan de uitkomften te koste te leg-
gen, zich dus door eene agtereenvolging
van elkander voortbrengende gevolgen
opte heffen ‚tot een algemeen beginzel ,
dat het middelpunt moet zyn tot alle
die byzondere waarheden, of als de
fleutel van het verwulf.
Indien onder alle de zaken, die men
onder het oog heeft, ’er eene is, die ge-
wichtiger is of meer gevolgen heeft ‚dan
eenige andere, is het op deze zaak, en
de meer onmiddelyke gevolgen, dat
men vooral zyne aandacht vestigen
moet, Ik zeg de meer onmiddelyke ge-
volgen , om dat naar mate zy zulks wor-
den, de keten zo veel te minder krachts
ver.
SKNSSSSSS SSS
tats eux-mêmes, percer dans les réfultats de ces
rélultats, & f’elever ainfi par une fuite de confé-
quences génératrices à quelque principe général
qui foit comme le centre de toutes les vérités par-
ticulieres ou comme la clef de la voute.
__ Si parmi les faits qu'on a fous les yeux, il en
est un qui paroisfe plus important ou plus fecond
en conféquences que tout autre, c’est fur ce fait
& fur fes conféquences les plus immédiates , qu’on
doit fur tout porter fon attention. Je dis fes con-
fequences les plus immédiates, parcequ’à mefure
qwelles le deviennent, moins la chaîne perd de fa
orce
356 PD. FERMIN ANTWÖORD op DE
verliest, de fehakels zoeken zich vart
de vreemde ftoffen aftefcheiden, die
tusfchen twee derzelver inglyden, en
de keten breekt, zodra men denzelven
gebruiken wil,
Niets ís ’er in de Natuur hoe gering
het ook fchynen moge, tgene aan een
oplettend oog, dat het zelve zoekt te
doorgronden , geen wonderen toont: ver-
re van dat dit beneden de waardigheid
van éen mensch zyn zoude, is deze
oeffening hem zelfs nuttig en noodzake-
lyk, om dat zy hem zo veele gelegen-
heden &an de hand geeft, om zynen
fchepper te loven, als hy voorwerpen
vindt, die hem toebehooren. Hoe meer
de mensch dezelve befchouwt, hoe
meer
sssssSsSssSSr
force, les chainons tendent à fe féparer des matië-
res héterogènes qui fe glisfent entre deux chaînons
& la chaine romp au moment qu'on veut f'en
fervir.
Il n'est rien dans la nature quelqu’abjet qu’il
paroîsfe qui ne foit une merveille aux yeux de ce-
lat qui f’attache à le connoître; loin d'être indig=
ne de l'homme cette application lui est aucontraire
utile & nécesfaire, puisqu'elle lui fournit autant
d'’occafions de loüer fon Créateur, qu’il trouve
d'objèts qui luí appartiennent, Chaque efpèce a
fes beautés naturelles: plus l'homme les be 2e s
plus
:
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI. 35T
meer hy door dezelve tot verheerlyking
van den grooten fchepper der Natuur ge-
noopt wordt. Hy ziet dat die alles met
wysheid gemaakt heeft, dat alles aan
zyne macht onderworpen is, en hy al-
les met goedheid regeert. Hy ontdekt
dien groten Maker in de geringlté
diertjes, die door hunne natuur ge-
fchikt zyn, en welker ontbinding ons
verbaast: Het is waar, zy zyn klein,
maar de tederheid en de fchikking hun:
ner deelen zyn wonderbaar, Indien wy
eene vlieg in hare vlucht met aandacht
befchouwen, zal hare vlugheid ons
wonderbaarder voorkomen, dan van
een voortgaand lastbeest; en met de-
zelve aandacht zal de kracht van een
5, ke-
sssssssssest
plus elles Vengagent à loücr l'auteur de la nature,
Ilf'appercoitqu’il a tout fait avec fagesfe ; que tout
est foumis à ton pouvoir & qu’il gouverne tout
avec bonté. Il le découvre jusquês dans le plus
vil des animaux deftines par leur nature à perir,
& dont la disfolution nous éffraye: ils font petits
H est vray , mais la delicatesfe & l’arrangement de
leurs parties font admirables. Si nous examinons
avec attention une mouche qui vole, fon agileté
nous paroîtra plus furprenante que la grandeur d'u-
ne bête de omme qui. marche „ 8 avec la même ate
ten=
352 P. FERMIN ANTWOORD OP DE
kemel ons minder verwonderlyk voor:
komen , dan die van een mier.
Indien men van een vloo, van een
mier, van een mug, van een bye
fpreekt, ziet men in dezelve de macht
niet van hem, die hen gemaakt heeft 2
Want het vernuft van een werkman
blinkt meest in het kleinfte werk uit,
Hy die de Hemelen uitgebreid heeft;
en de zee een bedde bereid, is dezel-
ve, die den angel van een bye door-
boord heeft, om doortocht aan het ver-
gift te geven. Van de andere zyde,
het is niet alleen door de fchepping
van den hemel, de aarde, de zon,
de maan, de zee, den olyphant, den
kemel , het paard, den os, den tyger 8
eer
SSSSSSSSSSS
tention la force d'un chameau nous paroîtra moins
admirable que le travail d'une fourmi. ‚
Si vous parlez d'une puce , d'une fourmi, d'un
houcheron , d'une abeille , n'y voit-on pas la puis-
fance de celui qui les a formés, car, la fagesfe de
Pouvrier fe manifefte pour Pordinaire dansce qui .
est le plus plus petit. Celui qui a Etendu les cieux
& qui a creufé le lit de la mer, n’est point diffe-
rent de celui qui a percé l'aiguillon d'une abeille,
afin de donner pasfage à fon venin. d’Un autre
côté, ce n'est pas uniquement dans la création du
ciel, de la terre, du foleil, de la mer, des ele=
phans,
VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXIL 353
beer of leeuw, dat zich de Schepper
wonderbaar vertoont, Hy is niet min-
der groot in de fchepping der kleinfte
dieren, gelyk muggen; wormtjes en an«
dere gekorvene, die wy zo by naam
als by gezicht kennen; …_ _…
Indien de historie der dieren van
Ariftoteles met grooter naauwkeurigheid
en juistheid befchreven was, zoude men
‘er zonder twyffel meer voordeel mede
gedaan hebben, Zy bevat zeker een
groot getal zaken: en die hy beweert
zelve gezien te hebben, ‘zouden nog
geloof verdienen, maar hy heeft ons
niet in ftaat gefteld van dezelve te on-
derfcheiden van andere; alles wordt op
IV, DEEL. Z de.
SN SSIS SESSIES
phans, des chameaux, des chevaux, des beeufs,
des leopards, des ours & des Iyons, que le Créa-
teur fest rendu admirable, il ne paroit pas moins
grand dans la prodution des plus petits ánimaux
tels que les moucherons , les vermisfeaux & les au-
tres iniectes que -nous connoisfons tans de nom
que de vuë,
Si Phiftoire des animaux d’ Ariffote eût été écrite
avec plus de juftesfe & de précifion, on auroit fans:
doute beaucoup plus profit: elle contient à la vé-
rité une très grande quantité de faits; ceux qu’il
auroit asfuré avoir vû lui même, mériteroient en-
core croyance; mais il ne nous a point mis en état
… de les diftinguer des autres; tous y font rapportes
de
354 Ps FERMIN ANTWOORD OP DE
dezelfde wyze verhaald , behalve eenige,
welke hy maar voor een men zegt opgeeft,
Dezelve feilen vindt men in de histo-
rie der dieren van Plinius: die van Ari-
floteles trekt dezelve ten grondflag. De
order welke Plinius in de fchikking der
zaken gebracht heeft ‚is ook de bekwaam-
fte niet om dezelve te doen onthouden,
zo door de langwylige optelling der die-
ren; als door gebrek van gelykenis.
Geduurende dien langen reeks van
eeuwen, in welke de barbaarscheid de
overhand hadde, had de natuurlyke
historie hetzelfde lot, als de andere
wetenfchappen. Zy is ook behandeld
gelyk de andere, wanneer de fmaak
van wetenfchap begon te herleven. Men
meen=-
SNISISISNISISISISISEHS
de la même manière excepté quelques-uns qu’il ne
donne que comme des oz dit,
Les mêmes défauts fe trouvent dans l’hiftoire
des animaux de Pline; celle d’ Ariffote en est la
baze: ordre que celui-cy a fuivi dans l'arrange-
ment des faits, n'est pas ausfi le plus propre à les
faire retenir, tant par rapport à la longue énume-
tation des animaux, que par rapport au défaut de
resfemblance.
Pendant cette longue fuite de fiecles ou la barba=
rie a regné, l’hiftoire naturelle a eu le même fort
que les autres fgiences, Elle a ausfi eté traitée com=
me les autres, quand le goût du fgavoir a a je
c
VRAGE VOOR °T JAAR MDOELXxú, 355
meende dat men in de oude fchryvers
alle de waarheden vinden moest, dat
zy alles geweten en gekend hädden,
Het is voornamentlyk in Ariftoteles ,
dat men de historie der dieren gezocht
heeft. Indien Aldrovandus, Gesnerus en
veele anderen, zich zo yverig op de ha-
tuur toegelegd hadden, als op de oude
natuurkenners, zoude de geduurige ar
beid van zo veel goede vernuften fchie-
lyker en grooter voortgang in deze we-
tenfchap gemaakt hebben, Men nam
toen alleen de natuur waar, om ‘er in
te zien, hetgene men by de ouden
gelezen had, Indien hun werk.verder
niet beter ingericht was, moet met
zulks, niet zoo zeef aan hun vernuft
E23 wy-
SSISIDISNISISISEIES
cé àrenaitre; on a crû que toutes les véritds de-
voient êrre retrovees dans les anciens; qu’ils avoi-
ent tout fcû, tout connû, C'est principalement
dans Ariffote qu'on a cherche l’hiftoire des animaux,
fi Aldrovande , Gesner & bien d'autres auteurs eûsfent
autant &tudië la Nature elle même „ qu’ils ont étu-
dié les anciens naturaliftes, le travail asfidû de tant
de bons efprits eût fait faire de plus grands & de
plus prompts progrês à cette frience. On n’obfer-
voit alors la nature, que pour y voir ce qu’on a-
voit lû dans les anciens. Au reíte fi leurs travaux
n'ont pas été mieux dirigés, il ne faut pas tant
Pen
356 P, FERMIN ANTWOORD OP DE
wyten, dan aan de eeuw, in welke
zy leefden, Men achtte toen niets dan
*gene men by de ouden vondt; het
fcheen, dat men de hedendaagfchen on-
bekwaam rekende om te denken en zelfs
om iets te zien, ten minften wat nieuws.
Indien ’er echter wetenfchappen zyn,
waar in wy hen konnen, en moeten
overtreffen, zyn het die der waarne-
mingen. De natuur eindelyk opende
zelve de oogen aan hun, die er niets
in zochten , dan het geen zy in dristote-
les en Plinius gezien hadden: zy toon-
de hen opmerkenswaardige zaken, die
Zy te vergeefs in die boeken zochten,
die alles moesten behelzen; zy toonde
‘er hen ook andere, die hen een recht-
mna-
SSS SISISIEISISISS
fen prendre à leur genie qu’a celuy du fiecle où
ils ont vécû: on ne faifvit cas alors que de ce qui
fe trouvoit dans les anciens; il fembloit que lon
a crû les modernes incapables de penfer & même de
voir au moins rien de nouveau.
S'il est pourtant des fgiences dans les quelles
nous puisfions & nous devioris l'emporter fur eux ,
ce font celles d’obfervations. La Nature enfin ou-
vrit les yeux à ceux mêmes qui ne cherchoient à y
voir que ce qu’ils avoient vù dans Ariffote & Pline :
elle leur montra des faits dignes d'être remarques,
qu’ils cherchoient inutilement dans ces livres qui
devoient tout contenir: elle leur en fit voir d’'au-
tres ,
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 357
matig mistrouwen moesten inboezemen,
omtrent de waarheid van die geene, die
hen overgeleverd waren.
Na dat men trapsgewyze en misfchien
in ten grooten mate, de achting verlo-
ren had, die men aan de ouden ver-
fchuldigd was, begon men te gelooven,
dat men zich op nieuw op de natuur
zelve moest toeleggen , alles wat gezegd
was bewyzen, en meer zoeken te we-
ten. Dus handelden Malpighi, Zwam-
merdam, Redi, en zo veele andere
doorluchtige oude en nieuwe fchryvers,
Indien het lezen van Ariftoteles en
Plinius een grooten fmaak voor het be:
oefenen der natuurlyke historie geeft,
moet men bekennen, dat deze fmaak,
ie in
SSSSSSSSSES
tres, qui leur donnerent de juftes défiances fur la
véritë-de ceux qui leur avoient été transmis,
Après avoir perdu par degré & peut être trop ,
du refpeêt qu’on devoit aux anciens, on est venu
à penfer qu’il falloit Etudier de nouveau la nature
elle même, vérifier tout ce qui a été rapporté &
chercher à apprendre d’avantage, C'est ainfi qu'en
ont ufé Malpighi, Swanmmerdam, Redi, & tant d’au-
tres auteurs illuttres foit anciens, foit modernes.
Si la le&ture d° ariftore & de’ Pline donne un
grand goût pour etude de l’hiftoire naturelle , il
faut avoùer que ce goût n'est plus le même dans
í les
359 P, FERMIN ANTWOORD OP DE
in de werken, die na hen gefchreven
zyn, veranderd is, door de duisterheid.
in de zaken, en het valfche dat onder
het watre gemengd is. Hier van daan
de moeite en het geduld , dat men oef-
fenen moet, om het eene dier van het
andere te onderfcheiden, en deszelfs
levenswyze en zeden na te gaan, Dit
is nog niet alles: de Grieken gaven,
aan de dieren die zy kenden, gepaste
namen, Plinius bracht dezelve in het
latyn. De fchryvers der latere eeuwen ,
en de reizigers hebben ’er, na de lan-
den in welke zy fchreven, andere byge-
voegd, en door de vermenigvuldiging
der namen , hebben zy dikwyls hetzelf-
de dier vermenigvuldigd , hetwelke mon
Lal
les ouvrages &crits depuis eux, par Pobscurité
dans les faits, l'inexaêtitude dans les deferiptions,
& le faux qui f’y trouve mêlé avec le vray. De là,
la peine & la patience qu'il faut esfuyer pour di-
ftinguer un animal d’'avec un autre & en connoître
la vie & les mceurs. Ce n’est pas tout: les Grecs -
ont donné aux animaux qui leur €toient connûs
des noms convenables. Plize les a latinifs. Les
ecrivains des derniers fiëcles & les voyageurs, fui-
want les pays où ils ont Ecris, y en ont ajoutés
d'autres, & en multipliant les voms, ont fouvent
ausfi mulciplië le même animal, & lont repréfenté
ou
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI, 359
dan onder verfcheiden namen en ver-
fcheiden kenteekens opgeeft.
De eerfteftap en eene der gewichtig-
fte die men heeft moeten doen in de
hiftorie der infecten , was het denkbeeld
te hervormen, dat de ouden ingeboe-
zemd hadden, nopens de wyze, op
welke de meeste van die diertjes voort-
teelen. Zy meenden dezelven uit ver-
rotting van verfcheiden lichamen te
konnen doen geboren worden. Deze
ftap fcheen zo moeilyk niet, zy was
het echter, en niets bewyst meer, dat
alles in ftaat is om ons op te houden ;
maar om alle ongerymdheden uit den
weg te nemen, had men veele waarne-
mingen en redeneringen noodig,
B Ook
N SSSSISSISSSISS:
ou fous differentes formes, ou fous differens carac-
têrcs.
Le premier pas est un des plus importans qu’il a
fatlu faire dans lhiftoire des Infetes, a été de défa.
bufer de l'idée que les anciens avoient donneée, de
la maniere dont f’engendroient une grande partie
de ces petits animaux. Ils avoient crû les pouvoir
faire naître de la pourriture de corps de differentes
efpèces. Ce pas ne fembloit pas bien difficile il
Va été cependant & rien ne prouve mieux que tout
est capable de nous arrêter, mais pour détruire
toutes les. abfurdites il afallu bien des obfervations
& bien des raifonnemens. On
460 P, FERMIN ANTWOORD OP DE *
Ook kan men niet in twyffel trekken,
dat het vernuft der waarneming toont
het geen aan anderen ontfnapt is. Dit
doet de overeenkomften vatten, die ’er
tusfchen zaken is, die geheel van elkan-
der verfchillen, of het toont verfchil-
len, tusfchen zaken, die dezelfde fchy-
nen, Men loscht de zwaarfte voorftellen
der wiskunde niet op, dan na dat men
de overeenkomften liefe weten te vat-
ten , die zich niet ontdekken, dan aan
een wezentlyk waarnemend en oplet-
tend vernuft, Zonder tegenfpraak zyn
het de waarnemingen, die ons in ftaat
ftellen , om de voorftellen der natuurkun-
de, zo wel als die der natuurlyke hiftorie-
op te losfchen ; want de natuurlyke hifto-
fe,
On ne fauroit non plus revoquer en doute que
Pefprit d’ obtervarion fait appercevoir ce qui a
Echappé aux autres; il fait faifir des rapports qui
font entre des chofes qui femblent être differenres,
ou 1l fait trouver les differences qui font entre cel-
les qui paroisfent femblabies, On ne refout les
problêmes les plus Epinenx de la géometrie, qu’
après avoir fcû obferver des rapports qui ne fe dé-
couvrent qu’à un efprit véricablement obfervateur
& attentif.. Ce font fans contredit des obfervations
qui mettent en état de refoudre les problêmes de
phyfique comme ceux d’hiftoire naturelle; car l’hi-
ftoire naturelle a fes problêmes à refoydre & elle
hi 0e en
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 361
rie ‚heeft ook hare voorftellen om op te
losfchen , en zy heeft ’er zelve te veel, die
niet opgeloscht zyn. Een gekorven dier
toont ons een werk van cen byzonder
famenftel, en fomtyds is het een voor-
ftel gelyk die der wiskunde, om uit te
vinden, hoe dit werk kan gemaakt wor=
den, en het zyn gemeenlyk zulke voor.
ftellen, die het dier zelf ons moet op-
losfchen.
_Dewyl de natuurlyke hiftorie thans
zeer in zwang is, hebben zich verfchei-
den fchryvers toegelegd , om het een of
ander van deszelfs deelen op te helde-
ren. ‘Eris, die het geheel algemeen
famenftel der natuur bevat hebben ; ee-
nigen, alleen voor hun land fchryvende,
As heb-
SISI ENIEISIEIEN
en a même que trop qui ne font pas encore refolus.
Un infeéte nous fait voir un ouvrage d'une con-
ftraêtion finguliere; c'est quelquefois un problême
tel que ceux de mathéematique, que de trouver
comment cet ouvrage a pû être conftruit & ce font
ordinairement des problêmes dont il faut que l’in-
fette lui même nous donne la folution.
Comme letude de l’hiftoire naturelle est de nos
jours fort à la mode, une multitude d’ecrivains fe
font appliqugs a Eclaircir lune ou l'autre de fes par-
ties: Il en est quiont embrasfé tout le fyftème gêne-
ral de la nature, Quelques uns travailiant pour leur
Pays
362 P, FERMIN ANTWOORD OP DE,
hebben zich in den kring van deszelfs
voortbrengfelen befloten, Maar hier ge-
fchiedde hetzelfde als in de kruidkunde;
deder noemde de zaken na zyne onder-
{telling ,of na zynewyze van verdeeling ,
ja dikwils volgens zyne zinnelykheid.
De verfcheiden benamingen der ver-
fchillendefchryvers, en verfchillende vol-
keren te verzamelen, de geflachtskentee-
kens en verfchilsmerken der foorten,de
verdeelingen en onderverdeelingen te ver-
minderen, de zaken, die elkander gelyken,
by elkander te brengen, de rangfchikkin-
gen te verkorten, en de namen der by-
zondere wezens vast te ftellen, zoude
zonder tegenfpraak, de oeffening der
natuurlyke hiftorie veel verlichten, daar
zich
SSSSSSSISSSEH
pays fe font renfermes dans le cercle de fes pro-
ductions. Ici il est arrivé comme dans la botani-
que, chacun a nomme les chofes felon fon hypo-
thèfe on fa methode diftributive;s fouvent même
felon fon caprice.
Rasfembler fimplement les divers fynonimes des
divers auteurs & des differentes nations, faifir les
caratères génériques & les principales differences
fpecifiques; diminuer les divifions & les fubdivifions;
rapprocherles chofes qui fe resfemblent ; abréger les
methodes & fixer les noms des individus, ce feroit
fans contredit faciliter de beaucoup l’étude de Y'hi-
ftoire. naturelle , à la quelle tant de gens f’appli-
quent
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 363
zich zo veele menfchen op toeleggen,
en over welke zy klagen, zo veel af-
keers en moeilykheden daar in te vinden,
__ Hoe veele geleerden bedrogen door
waarfchynlykheid, hebben onderftel-
lingen aangenomen, wanneer zy hun-
ne verbeelding boven de ondervinding
en redeneering ftelden. Dikwerf zien
zy de zaken niet, dan volgens hunne
onderftelling. Zich aan de zaken te be-
palen, die te bewyzen, zich aan geen
party te binden, zich niet te houden
aan de voortbrengzelen van een land,
dat is het oogmerk van eenen natuur-
kenner te bereiken, die de aarde als zyn
heerfchappy aanziet, en de zuivre waar-
heid, op vaste gewrochten waa ad 4
als
SSSSSSSSSISS
quent & dans laquelle ils fe plaignent de trouver
tant de dégoûts & de difficultés.
Combien de fgavans n’ont pas adoptés des hypo-
thèfes trompés par la vraifemblance, parce qu’ils
ont econfulté leur imagination préferablement à
Pexpérience & aw raifonnement. Ils ne voyent
bien fouvent les chofes que conformément à Íeurs
fuppofitions. Se borner aux faits & à les vérifier,
ne f'actacher a aucun parti, & ne pas fe fixer aux
produêtions d'une feule contre; c'est remplir le
but un naturalifte qui regarde toute la terre com-
me (on domaine, & la verité feule écablie eerd
aits
364 P. FERMIN ANTWOORD OP DE
als waardig hem bezig te houden. Proef-
nemingen te doen zonder redeneren,
is het rechte middel om niets te weten.
Indien wy nooit gedacht, indien wy nooit
geredeneerd hadden, zouden wy niets
weten, ja zelfs niet in {taat zyn, om iets
te leeren, en onze domheid zoude ons
byna aan die der dieren gelyk ftellen,
Door denken leeren wy fpreken, le-
zen en fchryven, voordeel doen, het-
gene onze gezondheid voordeelig of na-
deelig is onderfcheiden, een onderfcheid
te maken tusfchen goed en kwaad,
waarheid en dwaling, deugd en ondeugd;
de rede was onze eerfte gids, het is aan
haar, dat wy de meeste kje
SISI SIESISISISISIENS
faits certains, comme digne de loccuper. Faire
des experiences fans raifonner c'est le moven de
ne rien fgavoir,. Si nous n’avions jamais reflechi,
fi nous n’avions jamais raifonné , nous ne faurions
rien, & nous ne ferions pas feulement en état
d'apprendre quelque chofe; notre ftupiditeé egalc-
roit à peu près celle des bêtes. C'est en refiechis-
fant que nous apprenons à parler, à lire, a écrire,
à profiter, à diftinguer ce qui est propre à con-
ferver da fanté d’avec ge qui laltêre: a mettre la
difference entre le bien & le mal, entre la vérité
& lerreur, la vertu & le vice. La raifon a été
notre prémier guide; c'est a elle que nous avons
nos premieres obligations: la quitterons nous dn
un
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 365
hebben: zullen wy haar dan eensklaps
verlaten, om eenen anderen weg in te
flaan, dien wy by haar licht zien, dat
zo vol gevaren is,
Hoe veele ontwyffelbaare waarheden
ontdekt het menfchelyk vernuft niet
door redenering? De rede ontdekt en
betoogt het beftaan van een Opperwe-
zen. De rede doet ons de uitmuntende
fchoonheid van zyne werken zien; zy
is het, die er ons de wonderen in toont,
zy ontdekt van tydtot tyd ‘er de grond-
beginzelen van; en hoe verre breidt zy
onze kundigheden niet uit in de getal-
len, gedaanten en evenredigheden? zy
toont ons onze plichten, en noopt ons,
door verheven beweegredenen , om de-
zelve te vervullen, en helpt ons door
ha-
ENEN ENEN
dun coup pour prendre une autre route „ où tou-
tes fes lumieres nous font voir tant de dangers?
Combien de vérités indubitables l'efprict humain
‚ne decouvre t'ìl pas par le raifonnement? la raifon
découvre < démontre lexiftence de VEtre fuprême.
La raifon nous fait connoître lexcellence de fes ou-
vrages, elle nous en fait de plus remarquer les merveil-
les: elle nous en developpe peu à peu les principes &
jusqu’où ne pousfe-t’elle pas nos connoisfances fur
les nombres; fur les figures, & fur les proporti-
ons? elle nous manifefte nos devoirs; elle nous
follicite de les remplir, par d’auguftes motifs &
nous
366 P, FERMIN ANTWOORD OP DE
haren raad, om ’er de uitvoering ge-
makkelyker en zekerder van te maken,
Waarom dan een gids geweigerd,
die ons zulk een groot aantal van waar-
heden aantoont? Dat een mensch hem
geftadig volge, dan zal hy nooit gevaar
van misleiding loopen : dart de liefde tot
waarheid in zyn hart heerfche: dat het
hem tot wezentlyk vermaak zy, dezel-
ve te zoeken, en haar alle aandacht te
verleenen. Hy zy vooral op zyne hoe-
de tegens zyne driften; hy geve zich
alleen aan de duidelyke blykbaarheid
over, en alle andere beweegreden zy
hem verdacht. |
Sommige wysgeeren hebben in hun-
ne onfterftelyke fchriften, ons de rie
en
SSSSS ESSE
nous aide de fes avis pour nous en rendre la pratí—
que plus aifée & plus fure.
Pourquoy donc renoncer à un guide qui nous
conduit dans un fi grand nombre de vérités? Ou’un
homme fuive conftamment ce guide il'ne fera pas
expofé à fe tromper: Quel’ amour de la vérité do-
mine dans fon cceur; qu’il fe fasfe un vray plaifir
de la rechercher & de lui donner toute fon atten-
tion: Qu’ il foit fur tout en garde contre fes pasfi=
ons, qu'il ne fe rende qu’à Pévidence & que tout
autre motif lui foit fufpett.
Quelgues philofophes nous ont tracés dans leurs
crits
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI 367
len der konst van waarnemen en proef:
nemingen te doen nagelaten, zy hebben
ons teffens het voorbeeld en de les gege-
ven: zy hebben ons aangetoond, met
welke wyze omzichtigheid, men de wy-
zen van onderftellen moet gebruiken,
en hoe zeer men zich moet toeleggen
op het nagaan der gewrochten, zy heb-
ben zich hier over verwonderlyk fchoon
uitgelaten, ’tgene men niet genoeg kan
overdenken. Ook bedienen ‘er zich
veelen van deze wysgeerige grondlesfen ,
zy keeren, wenden en herhalen dezelve
met vermaak, maar maken ’er niet al-
tyd eene naauwkeurige toepasfing van.
Men zoude niet konnen ontkennen,
dat de wysgeeren zich niet zee d
wa-
SSSSSSSSSSIE
Ecrits immortels les régles de l'art d’obferver &
d'expeérimenter: ils nous ont donnés à la fois l'ex-
emple & le precepte: ils nous ont montrés avec
quelle fage circonfpeétion l'on doit ufer des mé=
thodes hypothetiques, & combien l'on doit f’atta=
cher à lerude des faits, ils ont dit fur cela des
chofes admirables qu'on ne peut trop meéditer,
Ausfi, bien des gens fe faisfisfent de ces maximes
philofophiques, les tournent & les retournent,
les repètent même avec complaifance, mais n’en
font pas toûjours une application exate.
On ne fgauroit disconvenir que les philofophes
ne
368 P. FERMIN ANTWOORD OP DE
dwalen in de gewesten der gisfingen;
en dat ’er niets zekerder is, dan de blyk-
baarheid van zaken; die wel gezien en
herzien zyn, | | BET?
Het echte middel om tot de kennis der
waarheid te komen, is zaken in handen
te hebben, die fterk bevestigd zyn; en
zeer bepalend, Men moet dezelve ont-
binden, ontleden, onder elkander ver:
gelyken met reeds bekende zaken; de
gevolgen aandachtig nagaan, die uit dit
diep onderzoek volgen: waarna men den
rei der gevolgen net opmaakt; en aan
elkander verbindt, of liever dan verbin-
den zy zich onderling.
_ De overeenkomst ontlast ons van de
moeite van nieuwe dingen uit te vinden,
en
SSISISISIESISIEESS
ne f’egarent fouvent dans la région des conje&ures
Sz qu'il n’y a rien de plus certain que Vévidence
des faics qui ont &té bien vû & revûs.
Le veritable moyen de parvenir à la connoisfance
de la vérité, c'est d'avoir en main des faits très
conftatés & très décififs; il faut les analvfer, les
anatomifer, les comparer entr’eux aux faits déja
connûs, être attentif aux conféquences immediates
qui refültent de cet examen approfondi. Après
quoy, on expoft avec neteté la fuite de ces con!é-
quences, on les enchaîne les unes aux autres, ou
plutôt elles fenchaînent d’elles mêmes, ;
L’analogie nous délivre de la peine d’imaginer
des chofes nouvelles, & d'une peine encore plus
grande
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL, 369
en van eené nog grootere moeite, nas
mentlyk van in het onzekere der zaken
te blyven; zy behaagt aan ons vernuft;
maar behaagt zy aande fiatuur?
Er is zonder twyffel eenigé overeen=
komst inde middelen, die de dieren ge-
bruiken om hun geflacht voorttezetten.
Want niettegenftaande de oneirdige
verfcheidenheid die in de natuur plaats
heeft, gefchieden de veranderingen in
de natuur nooit op eenmaal, maar in
de onzekerheid, in welke wy ons bes
vinden, loopen wy altyd gevaar, van
voor nabykomende foorten, zulke ver-
re van elkander afftaande te nemen,
dat deze overeenkomst „die van het eéne
foort tot het andere, alleen door on-
IP, DEEL. Aaot: > merks
SSSSSSssSssss
grande, qui est de demeurer dans lincertitude des
faits. Elle plait à notre efprit, mais plait elle à
la nature?
Il y a fans doute quelqu’analogie dans les moyens
que les differences efpêces d'animaux employent
pour feperpétuer ; car, malgré la varicté infinie. qui
est dans la nature, les changemens n’y font jamais,
fubits. Mais, dans lignorance où nous fommes,
nous coutofis tofijours risque de. prendre pour des
efpèces vaifines, des efpèces fi éloignèes, que cer
te analogie, qui d'une efpêéce à l'autre, ne change
que par des nuances feufidles, fe perd ou dumoins
ESE
872 Pe FERMIN ANTWOORD OP DE
merkbaare ineen{meltingen overgaat;
niet kennelyk is, in de foorten die wy
willen vergelyken, :
Onder alle onze vermogens is de aan-
dacht, zonder twyfiel, die, by welke
wy het meeste belang hebben, om ons
toeteleggen. … Zy is de moeder van
het vernuft, en indien het geval, dat
men voor den eenigen bron van zo vee-
le ontdekkingen aanziet, niet door de
aandacht vruchtbaar. ware, gemaakt,
zouden de ontdekkingen in haare ge-
boorte, gefmoord geweest zyn en geene
gevolgen gehad hebben. |
__Het is van de aandacht, dat het na-
zoek der waarheid afhangt: zy is-nood-
zakelyk om de blykbaarheid in onze
kundigheden te houden, Die meester van
zyne
SSSSSSSSSSS
est meéconnoisfable dans les efpêces que nous vou=
ons comparer.
De toutes nos facultés , l'attention est fans con-
tredit celle que nous avons le plus d’interêt à cul-
tiver: elle est la mère du génie & fi le hazard qu’on
regarde comme unique auteur de tant de décou=
vertes, n’avoit pas été fecondé par l'attention ,
ces découvertes auroient péri en naisfânt & n’au=
roient eu aucune fuite.
_C’st de lattention que dépend la recherche de la
vérité; elle est nécesfaire pour conferver belas
dans
VRAGE VOOR * JAAR MDCEEK XN. 35%
zyne gedachten wil blyven, moet de:
zelve op een onderwerp bepalen. Zon=
der een zekeren trap van aandacht, kan
men geenen voortgang hopen ; men ziet
de waarheid niet altoos met den eerften
opflag , zy vertoont zich niet altoos even
fchitterende ; dikwyls heeft men tyd en
onafgebroken aandacht noodig, omtotde
blykbare duidelykheid te komen’, en het
is by gebrek van genoegzame zoófgvul-
digheid ten dezen opzichte , dat men van
duizenden van zaken kwalyk oordeelt,
Men bepaalt zich in haast, op een op“
pervlakkig gezicht, Men geeft zyne
goedkeuring aan gisfingen, door een
enkelen fchyn opgeleverd; en oordeel
vellende, op oppervlakkige en verwar-
Aa 2 de
SSSSSSESSSS
dans hos connoisfances. Celuy ui veut fe rendre
maître des fes penfêes doit f’accoûtumer à les fixer.
fur un objet. Sans un certain dégré d'attention
point de progrès à efperer. La vérité rie fe-mani-
feste ed toûjours au premier. coup d’oeil & ne
vous frappe pas toûjours du mêtne éclat; il faut
fouvent du tems & une application foutenüe pour”
artiver à l'évidence: & c'est faüte de fe donner uu:
föin fufifant à cet égard qu’on juge fi mal de millé
cltofes, On fe.hâte de fe déterminer fur une vüe
faperficielle., On. approuve des conjeétüres qu’une
fiinple appärerice a függerées. Et portant ur ju-
| je
372 „Pe FERMIN, ANTWOORD, OPDE
SSSSSSSSSs
gement „„tandis. qu'on n’a encore que des notions
vagues & confufts du fujet, on fe plonge comme
ihfailliblement dans Perreur, Tel ur homme qui,
marche dans un broüillard épais, ou qui est encore.
à utie,diftance confiderable d'un objet„en diftingue.
mal -la couleur, la, fituation ou la figure, & prend’
quelque fois une chofe pour lautre; erreurs, qu'il
aùroit gvitées (’il avoie fufpendu fon jugement,
jüsqu’à ce qu’il eût &tÉ dans un jour plus favorableg,
on-plus à portée de bien discerner ce qu’il voyoit.
„Pour acquërir plus de facilitg à fixer fon atten—
tion, il faut commencer par, cahuilla Shot gok,
kknd AARD a á aa ea en ed we bieindher or Sed ede hed
VRAGEÉ YÓOR *TJAARMBCCLE sn 873
hebben? willen , te befchöuwen ,°madr
voor af; ‘moet ‘tien salleés it den we
ruimen, wat de aandacht kan hi ,
ren; “en “daarna náar niiddelenroimdien
Ótm) dezelvete hulp te kömefig se 105
«Zórider möcite” kan" ten zyne aan!
dacht áän Zäken' geven tôt welker ken:
nis “men! groete ‘begeêrtd’ Heeft vöoral
indien het is vöorwerpen zjn’,
óf defikbeelden ,"die-de werbeeldingttef-
fen: Terwyl wyonze°aandaëht óp ee
nie zaak vestigen, möeteten’ alles-döën
verdrjmien 5! dàt onze ziëlvreenide dek.
beelden kaninboezemen, ‘omtfen het
soorwerp’ dat meù*onder hander’ tieeftg
Ey“ vooral ""îndietr ° deze’ vdenkbeelde
rieuw “zyn. '““Tot «dit foört” behooren
„1oorov svissob iehAgnegioov Jed 1agie
SNN ISIN
ENEN Nn KNN NL
est hors de nous & dont nous voulons avoir une
idée: mais: ib-faut dvant\tout écarter ce qui-pour-
roit:troubler l'attentiong.; enfuice il faut chercher
des-fecòurepaurolaiders vo Brinsv al an oderordsar
voOn n’avaucune peine à.donner {on attention.aux
chofes que l'on défirebeaugoup de connoître:. fur
eut fisce) font, des objets,fenfibles ou des-idées qui
rappent Pimagination.: Pendantogque,nous (ommes
attentifs &ùne :chof8 „il; faut ‚éviter, tout, ce qui
peut coMmùuniquer,À notre ame-des idées Étrangè-
res au/fajewdont il Pagic,8 partieulieremene.fice5
idées font nouvelles, „Dêvce genre, font tous is
1 ob«
f
jl
nd
874 Bs-FERMIN ANTWOORD. OP-DE
alle de tot dien tyd „onbekende. voor:
Werpen, die onze gäptuigen fterk aan?
„Wanneer men zich in het onderzoek
der waarheid. wil inlaten, en zich toe:
leggen; „om zyne rede te. volmaken ,
moet, men ‚nooit door eene te. fterke
verbinding aan de zichtbare dingen be:
heerscht. worden, …
„Een mensch, door liefde, vreeze,
toorn, of knagende zorgen „of hevige
pynen overmeesterd, is zo weinig mees-
ter „over zichzelven, dat hy zyne ge-
dachten niet kan-by- elkander houden
ophet. tan. zyner - „overdenking,
De drift, die hem. overheert, zal hem
geduurig. wegflepen,, «en, zelfs. ontydig,
agr het voorwerp;dat dezelve je
zaakt
vn nn
essscesssen
gtje ts zisqu rato inconnûs qui frappent nos 5 ns
Ine faut pas quand. on veut fengager: dans Ja
echerche de la vérité ou travailler: à perfectionner
B raïfon , êcre doming par aucun attachement trop
fort, our les chofes fenfibles, tl
“Un homme qu’agite , ou l'amour, ou la crainte,
ou la colére , ou des foucis rongeants , où une vive
douleur „ est fi peu maître de lui même qu’il ne
peut tenir fes penfées recücillies fur le fyjet de fa
meditation; la’ pasflon qui le domine entraînera
fâns cesfe' $% avec importunité vers Pobjet qui l’au-
ra
VRAGE VÓÓR °F JAAR MDEEL KEN. 395
zaakt heeft; en indien fen zich dikwyls
aan dergelyke aftrekkingen toegeeft, en
zyne driften niet breidelt, zal meén een
luchtig carater krygen, en onbekwaam
tot aandacht. oNEPE
Het is tmoeilyk voor een mensch;
vooral wanneer hy ‘er niet aan gewoon
is, om zyne aandacht ter zelver tyd
op verfcheiden afgetrokken denkbeel:
den te vestigen, en vooral wanneer men
dan de eene en dán de andere fatnerì
moet vergelyken, en zich telkens die
herinnefen, die hy befchouwen moet;
het geen dikwyls noodzaäkelyk is. — …
_ In zulk een geval moet men doot eet
nige teekens de voornaamtfte denkbeelf
den aanduiden, over welke men trede:
Âa 4 ne-
ra excite; & fi Pon fe permet fouvent de pareilles
diftraétions en ne tenant pas fes pasfions en bride,
on deviendra d'ún caraétère léger & incapable d’at=
tention. Ad PI
„Hest difficile à un homme, fur tout quand il n'y
est pas accoûtumeé de faire attention en même tems
à plufieurs idéés abftraites , particulierement quand
il faut comparer enfemble, tantôt les unes, & tan-
tôt les autres & fe rappeller à chaq’inftant celles
qu'il doit eonfiderer; opération qui est très fou-
vert: méeesfaire “> rh be
En ce casil faut défigner par quelques marques les
dk prin-
376 ;P‚ FERMIN- ANTWOORD-OP:DE »
neren moet,‚en deze kentekens op het
apier-zetten ‚-om dezelve, dus onder
ie oogen hebbende, zo veel te gemak-
elyker te herinneren, wanneer.men de:
zelve nodig heeft, Het is ook-noodza-
kelyk van zich, aan die letteroeffeningen
te bepalen „ die een-natuurlyk en naauw
erband hebben ;-tusfchen- de verfcheis
ht se der „onderwerpen; die-men
behandelt ; zodat het eene zonder moei,
te, uithet ander: voortvloeit, …, - hb
3;-Dit -is-eene,eigenfchap: van, verfchei,
den der wiskundige weteníchappen, zo
niet van alle, „Deze famenhang. en achs
tereenvolging behagen aan eenredelyk
vernuft, en vestigen de aandacht fterk
door. het vermaak zelve „dat men in dash
IA
priacinele idees fur lesqueiles on doit raifonnerg
T tracer, ces, marqu@s fur le papier, afin que les,
ayant par ce moyen toutes devant les yeux,; on
puisfe fe rappeller fans peines celles dont on a be»
foin.. Il est ansfi.nécesfaire de fattacher aux €tu-
des qui mettent une. líaifon naturelle & étroite en,
tre les diverfes patties des fujers traïtes, enforte.
que, Pune, découlg fans peine d’ l'autre, C'est là
le propre de plufieurs d'entre les fGiences mathéma-,
tiques, fi ce n?est de toutes, „Cet,enchaînement,
cette fubordination plairont à un efprit raiton=,
nable &fixeront puisfamment fon attention, Dai
Hr PE grs
VRAGE VOOR °T:JAAR. MDCCLXXI. 377
oefening: vindt, die. zó natuurlyk is‘aan
onze vermogens; … ‚tE A
„Men verhaaste -zich: ook niet» met
een befluitende bepaling temaken in
moeilyke len gewichtige ftukken ; men
denke datde waarheid‘werdient „dat men
moeite doêt om dezelve te vinden; men
fchorte zyn oordeel-op ;:tot. dat de trap
van duidelykheid genoegzame bewyzen
aande hand geeft „ voor het een of
voor! hetander, soin besb vab ni nom 305
„Al waremen met een volkomen-door-
zicht begaafd, zoude -de aandacht: al:
leen niet, bekwaam zyn-om ornis de voor«
werpen „die voor ónze oogen verborgen
zyn te-ontdekken; indien wy; by-on-
geluk,- van. ons gezicht beroofd waren;
roi} Aa 5 ; Al-
grement même qu’il trouvera dans cet exercice fi
naturel de fes facultés. Ne vous précipitez pas
non plus d'en venir à une détermination fidale fur
les „points difficiles. & importans. Penfez-quê la
vérité. merite-que vous':vous- donniez (lä'‘peine de
la trouver. Sufpendez votre jugement jusqu’à ce
que le degré de evidence vous ait fait trouvef des
preuves fuffifantes, foit pour Pun foit pour l'autre,
Quand même on. fetoitsdoùë d'une intelligence
parfaite „ attentionsfeutem?est pas-scapablede
nous faire appercevoir les objets qui fort cachés à
nos „yeux; fi, par malheur-nous fommés privés de
iik Ds Roti ae
la vùes ze
ALDE out
378 -P, FERMIN ANTWOORD OP DE
„Alles hangt derhalven van de hulp
der aandacht af, en van het vernuft,
en-dewyl de laatfte dezer vermogens
de noodzakelyk{té is van alle voor den
mensch, moeten wy ons tot‚het onder-
zoek. bepalen, wat weg men moet in-
{laan :om dezelve te doen geboren wor-
den, -&n:te doen aangroeien.
‚Het VERNUFT is een vermogen,
dat men in der daad niet dan door konst
kan verkrygen. Wy hebben in het al-
gemeen geen vermogen, ’twelk zyne
volkomenheid niet verfchuldigd is «aan
konst én oeffening. De dagelykfche on-
dervinding leert ons ‚dat hetgene ons
in het begin moeilyk fchynt,-en mis-
N - EN fchien
__ SSSSSSSSsSn
Tout dépend done‚du concours de l'attention &
de Pintelligence ; &comme la derniere.de ces fa-
cultes est la: plus nécesfaire de toutes à Phomme,
attachons nous à examiner comment il faut f’y
prendre. pour la faire naîcre & lui procurer dés ac=
croisftmens, shanog 310 gt
L’-intelligence estotne- faculté qui ne peut à la
veritë f’acquerir quêspar lart, Nous f’avons en
éneral aucune faculté,qui ne doive toute fà pers
etion.à Vart-& à Vekercickt, …L'expériencesjours
naliere nous enfcigne que ce qui au commencé
1:0T ment
z
NRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 399
fchien „onmogelyk, door oeffening; ges
makkelyk wordt. nos |ea
„Ik:beken , dat ?er natuurlyke bekwaam:
heden vereischt worden, en wanneer
deze. ontbteken , doet de kunst: niets;
maar de vermogens, die de natuur ons
eft, konnen zeer vermeerderd “wor:
en door de oeffening, hetgene in kor-
ter tyd gefchiedt, indien deze oeffening
gefchikt wordt naar zekere regels, dat
is volgens de kunst. |
„Om ons vernuft “wel uittebreiden;
moet men-beginnen-met een klein’ getal
denkbeelden te gelyk te befchouwen ;
wanneer onze ziel de gewoonte gekregen
heeft, vande denkbeelden te befchou-
wen; en dezelve onderling te Ka
ment nous paroit difficile & peut être imposfible,
devient aifé à force d’exercice.
Javoüe qu’il faut des difpofitions naturelles,
quand: ces dernieres manquent, l'art ne fert de
rien; mais-les talens que la nature nous donne,
peuvent être prodigieufement augmentés par. lexe
ercice; ce‚qui fe fait & en moins de tems, fi cet
exercice est dirigé fuivant certaines règles, c'est
à dire avec art. Hótc
Pour bien étendre notre intelligence, il faut
commencer par examiner un petit nombre d’idées
àla fois:,quand notre ame-aura pris l’habitude de
confiderer cesidees & de les comparer enfemble;
on
380 Ps FERMIN/ ANT WOORDCOP-DE “7
ken „zoude men-dezelve een grooter ge:
tal konnen aanbieden „ om ten hunnen
opzichte dezelve: ‘gewoonte. ‘te verkry-
gen;en dus fteedsvervolgens;7 «
«eiWy brengen dezen regel ino oeffe-
ning 3 wanneer ‘wy ons toeleggenbop ee:
ne wetenfchap::die “ons geleerd is, in
zulk eene order , at de-gemakkelykfte
zaken -ons-hetreërfte. geleerderworden;
er naderhands-de andere ;die moeily:
ker zyn, en dat opeche°wyze; die
niet:totseen voorftel- overgaat, “voor
datrdeiwaarheid:der“voorgaande voor:
ftelten owel>begrepen: is. otor bisadareb
ssDoórrdit middel ‘breidt men zniet: al:
leen/‘het, vermogenduit vanbveele denk?
beëldenvte:gelyk te befchouwen; maar
cod ook
SNS SSS SSESSS
of potrra'lui en offrir un-plus grand nombre , afin
qu'elle prenne à leúr égard la même habitude &
ainfi toûjours-de fuite.” t APOP IUONEE
SNóüs ‘réduifons- cétte règle en pratique’ lorsquê
nòùs mous. appliquons à une fgienee , qûï Hous est
ehfeigùëe “dans untel‘ordre que les chófes faites
nous foïënt propofées les premieres & enfuite d’aus
érös” phús' difficiles Se “cela: de maniere; “qu'on he
asfe jamais à une propofition avant qúe d’avoit
ien. compris la vérité ‘dê”toutes les propofitions
qì Pónt 'précedeé, 7 KEES 1 36 ed epen 23
SL Par ce “moyen of! wetend pas feulement la faculs
té A8 cónfiderer enfemblesplufieurs -idéés ; ‘mais Pas
no me
VRAGE. VOOR °T JAAR MDCCLXXIL, 385
ook vestigt-zich de ziel in de bekwaame
heid van; zich niet. dan-aan de-blyke
baerpelderorteBeven.n tr _issaosW
„In der daad „de natuur heeft aan de men
{chen geen vernuft gefchonken ;-*t gene
iemand;bunner , hoezeer, hy zich ook
toelegge , in ftaat ftelt „tot een algemee-
ne kennis ; yder moet zich voornament-
lyk toeleggen op die wetenfchap;, door
welke hy. zich kan vleien het. meeste
nut aan de, menfchelyke. famenleving;
toetebrengen, … . Maar behalven … dat,
moet, men:,…-zo- veel : men kan „ook.
trachten, andere ‘kundigheden ‘te, wer-
krygen. Eene zaak echter moet men.
hier, aanmerken, en het is goed ’er:
een byzondere aandacht op te vesie
Ben;
SSISSIS SISSI
me f’affèrnift ausfi dans la difpoftion de nefe ren=
dre qu’à evidence. gep n
A la vérité, la nature n’a point donné aux hom-,
mes une intelligence qui puisfe mettre aucun d’eux
quelque diligence qu'il y employe, en état’ d’ac=
qüêérir un fcavoir univerfel; chacun doit f’applie
quer principalement à la fcience par laquel e il
peut fe flatter de procurêr le plus d’utilité au gen-_
re humain, . Mais outre cela il doit autant qu’il lui
est posfible tâcher d’acquérir d'autres connoisfan= ’
ces. Il ya cependant une chofe à remârquer ici &-
il est bon d’y faire une attention’ patticuliere, :
er ' AJAERS VAR Jow J gea ld alai ed b ijd « Test’
982 HK FERMIN ANTWOORD óp Di”
gen, namentlyk onzen geest te geweris
nen aan afpetrokherd befpiegelingen,.
Wanneer men denkbeelden — moet
vergelyken, konten wy nooit meer
voordeel trekken, dan wanneer wy die
denkbeelden van elkander fcheiden , omt
dezelve te beter te befchouwen,
_ Hoe meer wy ons vernuft en Onze
aandacht aankweeken, hoe meer wy de
blykbaarheid ín het nazoeken der za-
ken vinden zullen, door een vérband:
wan overeenkomften, dat- ons “begrip
ontwinden zal. In der daad, de blyke
baarheid is het-onderfcheidend ken-
merk van waarheid, of om beter ‘te
zeggen, het is eene onderfcheiding in
de wyze, op welke zich de ies
| en
c'est, que nous devons -accoûtumer notre efprit à
des confidérations abftraites.
Lorsqu’il est queftion de comparer enfemble des
idées nous ne tirons jamais plus d’avantage de ces
förtes de comparaifons, que quand nous féparons
ces idées de toutes les autres pour les mieux exa-
miner. fs
Plus, trous cultiverons notre intelligence & no-
tre. attention, plus. nous apperccvrons l’évidence
dans. la recherche des faits par une liaifon, de rap=
ports que notre entendement developpera. En ef=
ët. lévidence est la. marque caraêtériftique, de la
vérité, ou pour mieux dire, c'est une mie
ans
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI 383
den aan ons verftand vertoonen, die
ons eene volkomen of ten minfte- ge-
noegzame kennis verfchaft, om ons te
overtuigén, dat hetgene wy kennen,
wel kennen, en dat wy ons hetzelve.
verbeelden, zo als het in der daad is,
De moeilykheid nu beftaat, in zich te
verzekeren van hetgene ‘er is, en ‘er
zich zo volmaakt van te verzekeren , dat:
het niet mogelyk is, dat, men. zich be-
driege, want die verzekering die: vol-
komen gerustheid, is het geen men blyk.
baarheid noemt. |
Men moet derhalven zoeken te: bes
alen, waarin eigentlyk de blykbaarheid.
helaas, wanneer men dit woord voor
eene „zo volmaakte kennis neemt, dat
et
U
dans la maniere dont les idées f’offrent à notre
efprit, qui nous en procure une connoisfance com
plette, ou du moins fuffifante pour nous convain-
cre, que nous connoisfons bien ce que nous con=
noisfons; que nous nous le repréfentons tel qu’il
est.
La queftion maintenant est de f’asfürer. de.ce quù
est, & de f'en asfurer fi parfaitement, qu?il ne-
foit pas posfible qu’on fe trompe: car, c'est cette:
asfurance, cette certitude parfaite, qu’on appelle
Evidence, BOM
‚ Déterminer donc en quoy confifte précifement:
Evidence en _prenant. ce terme pour une: ee
an=
394: PSFERMIN ANTWOORD OP DE “7
het onmogelyk: is; dat men’ dwale in
hetgene dusdanig gekend wordt,
Men noemt de onmiddelyke ‘bemer-
king blykbaarheids Deze blykbaarheid
is” het onderfcheidend ‘kenteeken- van
waarheid voor de:denkbeelden, die wy
onmiddelyk bemerken , dat is te zeggen,
dat zy genoegzaam is, om ons -volko-
men te overtuigen, dat het denkbeeld ,
dat: wy: verkrygen „overeenkomt met
hetgene’ wy onmiddelyk bemerken,
Deze waarneming’ kan men op alle za-
ken, die wy onmiddelyk bemerken;
toepasfen , want indien de zaken niet
metde denkbeelden zelve overeenko-
men, konnen zy niet onmiddelyk ge-
dab «demoon chrtod. od: | zien
A: SSSSSSSSSSE
fance fi parfaite, qu’il foit imposfible d'être dans
Perreur-alegard de ce qui est ainfi connu; c'est
ce qu’ilfaudra chercher.
„On appelle Evidence, la perception immédiate.
Cette évidence est la marque diftin&ive de la veri-
té, pour des idées que nous appercevons immédi-=
atement. C'est à dire, qu’elle fuffit pour nous
convaincre plainemênt, que l'idee: que nous ac=
quérons convient avec ce que nous appercevons
immeédiatement.
Cette obfervation peut f’appliquer a toutes les
chofes que nous appercevons immeédiatement, câr
fi les-chofes ne conviennent pas avec les idées méê-
mes; €lles-ne pourroient pas être appercuês sea
\ mé-
«
VRAGE VOOR °T' JAAR MDCCLX XII: 385
zien. wòrden „ om -dat.‚órze ziel,-niet
dan. denkbeelden. befchouwts … os +:
„Uit het;-gezegde kan -men: ook-af-
leiden , dat alle beoordeeling recht: is
zodra ten, de, overeenkomst, der; denke.
beelden „die, aan’-onze' ziel zich „voors
doen, onmiddelyk ziet ; én hierom; ver»
toont ons „deze benierking „> deisware
overeenkomst , tusfchen deze denkbeel«
den „ wantiop. denzelfden;:tyd;, dat ik
zulk eene overeenkomst gewaar, worde’,
kan. het» denkbeeld „niet: afgefcheiden
zyn, vande denkbeelden’, die ik ver,
gelyk. „Hier van däan/ásshet, dat-men
rede kan’ geven ,,waarom:de-blykbaar-
heid, onze stoeftemming;;op- zulke, ee:
ne. onweerftaanbare wyze boyerhaalt,
1.) DEEL. Mei, Alom
SSSSSSSSSSS:
Die ov UOTS Ok Sanobivs tl go Wor wA old: gTk
médiatement, puisque notie Ame m’appergoit que
des idees. … 4
ovmintn sl binn3 395 Baster emonlig
„On peut déduire ausfi de, ce qui, vient d'ctre dit,
däfice entraine, notre cónfentément ‚ d'une maniere
Cn. < ad … a k Th j Jae ed de ah 4 & ir=
wid
335: PICFERMIN ANTWOORD OP “DE
Alom!swaar-blykbaarheid. ís, doet zy
zich zo klaär:bemerken , dat het niet
mogelyk is; dat zet tér onzen opzichte
de: e twyffeling overblyft, . Yder
dikriëts: -bedry pt; gevoelt; datchy dat
begrip heeft; “dat: het aan zyn ziel te:
genswoordig “is ; én “hoe “kan ‘hy in
6wyffel trekken; dat hy ziet; hefgene
ogitepb svob.nodokeu) Jemodasoidve
Wy konhete óns: volftrekt niet. bez
dieper „zodra ‘deo blykbaarheid ots
hebt bybet indien Pér,dwaling ás in on
ze defikbeelden‘efin ons oordeel „ kan
ditrpèen -oofzaale ‘hebben ; dan in het
| keván- blykbaarheid; de blykbaar:
eid Au Ontbreëkt ;wânneer wy beves:
tiger dat-dingenr, van welke-onze ziel
MOLE qd ann geën
irréfiftible, Par tout ou l'evidence fe trouve, elle
fé fait féritir: fi-clatrement qu'il n'est pas posfible
qu’il nous refte à cet égard le moindre doute. Ce-
Tui qüï a une perception , fent qu’il a la perception
qui est ‘prefente á foname; & comtnent pourroit-il
revoguêr en ‚doute, qu’il appergoit, ce qu'il ap-
percoit, ee ies tn enting je
“Nous rie faurions abfolument nous tromper, dès
que Pévidence ‚nous éclaïre, fil PEA de lerreut
dans nos idées ou darts nos jugemens, cela r
peut provenir que du défaut de V'evidenice, or 1'é-
vidente manque quand nous affirmons qùé les €
fes dont notre ame n’a point acquis la connoisfar-
d. ce
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXH. 387
geen kennis gekregen heeft door eene
onmiddelyke gewaarwording ‚waar zyn,
Waar vit men kan befluiten , dat-wan-
neer men op de. blykbaarheid- acht
geeft, men in alle wetenfchappen;, die
op denkbeelden fteunen, de dwaling
kan ontgaan, zonder op de ‘zaken
zelve acht te geven; gelyk in de zuives
re wiskunde, Vindt men in dit foort
van wetenfchappen eenige dwaling,
dezelve kan echter nooit de denkbeel-
den raken, «Men onderftelt de. denk:
beelden, en de gevolgen worden ’er ‘uit
afgeleid, zo dat indien:?er. dwaling zis,
kan men dezelve alleen in de gevolgen
zoeken. Maar alle: gevolg is een oor-
deel, waar van de zekerheid: -afhangt
| ba van
SSS
ee par une perception immédiate, font vrayes,
D'où Pon peut conclure qu'en faifant attention à
Vévidence, on peut éviter erreur dans toutes les
fciences qui ne-roulent que fur des idées, fans
qu’bn aît égard aux chofes mêmes; telles-que font
les mathématiques pures. S'il fe trouve quelqu’
erreur dans ces fortes de fciences, elle ne peut ja=
mais regarder- les idées. On fuppofe ces idées &
des contéquences f’en déduifent, de forte que fil
y a de erreur ; c'est dans ces conféquenees feules
qu'elle peut fe trouver. “Mais toute conféquence
est un jugement dont la certitude dépend de l'évie
388 P, FERMIN ANTWOORD OP DE
vanode blykbaarheid, Ik zeg, dat men
in alle deze wetenfchappen denkbeelden.
onderftelt,. Hierom nen de gevol-
gen niet tot de zaken zelve overgebracht
worden ;; dan onder die voorwaarde,
dat de denkbeelden ons die zaken we-
zenlyk moeten vertoonen— Hier uit
leert men , dat de blykbaarheid;ons voor
dwalingen in alle die wetenfchappen be-
hoeden moet; die denkbeelden ten on-
derwérpe hebben, welke onze ziel ver-
krygt, wanneer zy op haar zelve acht
flaat,"dat is, wanneer zy acht flaat op
hetgene:zy doet-en gevoelt, .
„„Eindelyk. moet men in de blykbaar-
heid „de waarheid van alle oordeel zoe-
ken, dat-wy vormen in het nagaan der
oorzaken en uitwerkfelen, ï
| n
S SIS ie 8 E
dence. Je dis que dans toutes ces fgiences on fup-
pofe les idees; c’est pourquoy les conclufions ne
peuvent être rapportées aux chofes mêmes, que
fous cette conditiôn „ files idées nous reprefentent
véritablement ces chofes, On déduit de là, que
Pévidence doit nous garantir de l'erreur dans tou-
tes les fgiences qui ont pour objet les idées que
notre ame acquiert en faifant attention à elle même,
c'est à dire à ce qu'elle fait & à ce qu'elle fent.
Enfin il faut chercher dans lévidence la verité
de tous les jugemens que nous formons dans la
recherche des caufes & des effets. Dans
VRAGE VOOR °T.JAAR MDCCLXXII, 389
In deze gevallen en in alle-andere
foortgelyke ; kan ’er gene dwaling zyn,
dan voor zo ver men verwaarloost acht
te flaan op de blykbaarheid.
Dewyl nu de onderfcheiding der denk-
beelden, waaruit de duidelykheid der
voorftellen geboren wordt, het eenig
middel is, om de waarheid te kennen,
konnen onze kundigheden niet van el-
kander verfchillen, dan door hetgene
‘er het voorwerp van is; en niet door
de wyze van het voorwerp te kennen,
Yder mensch, die eenige kundighe-
den zoekt te verkrygen, kan alleen als
een rekenaar handelen, famenvoegen,
aftrekken ,de waarde van een denkbeeld,
of hetgeneeen denkbeeld beteekent, be-
Bef ideal ylovoafshow
SSSSISSSISSSS
Dans ces occafions comme dans toutes les autres
il ne peut y avoir de Perreur qu’autant qu’on née
glige d'avoir égard à l'évidence.
Or, puisque la diftinttion des idées d'où nâît
Pévidence des propofitions, est le feul moyen de
connoître la vérité, nos connoisfances ne peuvent
differer entr’elles, que parce qui en est l'objet,
„mais non pas la maniere de le connoître,
Tout homme qui veut fgavoir quelque chofe ne
peut faire que ce que fait un arithméticien , ajoûù-
ter ou retrancher, confiderer la valeur d’une idée
ou d'un mot qui la fignifie comme un arithmeticien
57 con=
900 P. FERMIN' ANTWOORD OP DE
fchouwen , gelyk een rekenaar het denk-
beeld van een getal of van een cyffer-
letter, die ’er het teeken van is, be-
fchouwt; geen van beiden bedriegen
zich, “wanneer-zy duidelyke denkbeel-
den hebben van de voorwerpen, die zy
befchouwen , en de bewoordingen wel
kennen, die zy gebruiken om die uit te
drukken; ten ware men gebrek aan aan-
dacht, hebbende of zich te fterk op zy-
ne bekwaamheden verlatende, zich de
moeite niet gave om de juistheid van
zyn onderzoek naar te gaan , en deklaar-
heid van zyne denkbeelden. Gelyk nu
de famenvoeging van cyfferletters, zich
door de aftrekking laat bewyzen, zo
wordt ook de noodzakelykheid , door
de onmogelykheid bewezen, en van de
an-
SISSSSSSSSESE
confidère lidée d’un nombre ou d'un chiffre qui
en est la marque, alors ni lun ni lautre ne fe
trompe , quand il a des idees diftingtes des objets
qu'il examine , & qu’il connoit bien les termes qu’il
employe pour les fignifier, à moins que lun man-
que d’attention , ou que fi fiant trop à fon. habileté,
il ne fe donne pas la peine de vérifier Ja juftesfe de
fon examen & la clarté de fes idées, Or de même
que l'addition des chiffres fe Vérifie par la fouftrac-
tion & que reciproguement l'addition fert.de preu-
ve-à la fouftraêtion , de même la nécesfitg. fe verifie
par
VRAGE VOORT JAAR MDCELXXI, 391
andere-zyde {trekt het-onmegelyke' tot
eene proeve - van het neodzakelyke;,
waar uit-.dan de-blykbaarheid “voort-
Wpeeitsoss roorol allah, stebns
„Even als ik-ten eerfte de-blykbaarheid
van een rekenkundig. voorftel-bemerk;,
wanneer dit voorftel zeer eenvoudig is,
gelyk wanneer ik zeg tweemaal twee is
vier enz, en in tegendeel ik geene, dui-
delykheid zie, wanneer-het voorftel wat
famengefteld is, gelyk wanneer ik
honderd zevenenveertig en. honde
__drieënenzeventig, maken driehonderd
en twintig enz, fchoon dit voorftel niet
minder op de duidelykheid fteunt „dan
het eerfte; dus ook konnen de. voor-
rset or Bhoag nodoten: eihiftél-
SSSSSSSS ESE
par l'itmposfibilité & reciproquement l’imposfible
dert de preuve au nécesfaire, d'où refülte. l'évi-
dence. nors rs
… De même que jappergois dabord l’evidence d’u-
sne propofition arithmétique quand elle est extre-
„mement fimple , comme quand je-dis deux & deux
font quatre &c, & qu’au contraire je n’appergoive
pas l'évidence dès que la propofition est‚un peu
‘compofte ‚comme quand-je-dis, „cent quarante
sept & cent foixante & treize font trois cent &
vingt &c. quoy que cette derniere propofition ne
foit pas moins fondée fur evidence queda premie-
1e; de même ansfi ‚dans, les-aurres-fgiences „ les
HT gf pro=
302 Ps FERMIN ANTWOORD OP DE
ftellen in andere wetenfchappen, wan-
neer zy wat uitgebreidt zyn of famen*
gefteld, of de duidelykheid van eenige
andere veronderftellen, fchoon zeer blyk-
baar ín zich zelven, echter niet duidelyk
voorkomen, endus kan zich de blyk-
‚baarheid niet vertoonen, ten zy mende
duidelykheid der veronderftelde voor-
ftellen kenne. 5 |
verDe rede, waarom hetgene voor den
eenen ‘klaarblykelyk waar is, het ook
zo-voor anderen niet is, is niet alleen,
‘datde voorftellen meer of min’ konnen
famengefteld zyn, hetgene meer of min
verbeelding vereischt, maar behalven
dat; om dat ’er een aanmerkelyk ver-
fehil is, tusfchen hetgene in zich An
ui-
_ sssssesssss:
propofitions un peu etenduës ou compofées, ou
qui fuppofent l'évidence de quelqu’autre, peuvent
oft bien,quoy qu’evidentes en elles mêmes, ne le
pas-paroître & par conféquent levidenee ne pas fe
faire fentîr) à moins qu’on ne connoîsfe l'eviden=
ge des propofitions fuppofëées, :
La raifon pourquoy , ce qui est évidemment vray
pour les uns ne.Pest pas pour les autres, est non
feulement-que les propofitions peuvent être plus
ou moins compofées , ce qui exige: plus ou moins
d'imagination ‚ mais encore parce qu’il y a une
difference notable entre ce. qui est evident en 8
mé.
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 393
duidelyk is, en hetgene duidelyk is by
gevolgtrekking. _Wyl het laatfíte foort
van voorftellen niet duidelyk kan bly-
ken, dan alleen aan hen, die de blyk-
‘baarheid der grondbeginfelen zien, en
de blykbaarheid van het verband van
die beginfelen uit de gevolgen, die ‘er
duidelyk uit voortvloeijen, hetgene ee-
nig vernuft vereischt, Men neme, by
voorbeeld, dit duidelyk voorftel, dat
driemaal 3: ro zyn „ en het : vooronder«
ftelt deze redenering, om dat alle de
deelen van een geheel famengenomen,
klaarblykelyk gelyk zyn aan een geheel,
of aan de eenheid, en dat de eenheid
klaarblykelyk niet meer dan 3 bevat ; het
is derhalven klaar dat driemaal : één
b 5 maakt,
même & ce qui est confquemment évident: vû
que les propofitions de’ ce dernier genre ne fcau=
roient paroître Evidentes, qu'à ceux qui fentent-
Pevidence des principes & l’évidence de la liaifon
„de ces ree avec les conféquences qui‘en re-
fultent Evidemment; ce qui requiert quêlque faga-
cités Prenois par exemple cette propofition évi-
„dente que 3. fois 3. $ font ro. Et le 4 préfupofe
ce raifonnement; puisque toutes les parties dun
entier font enfemble Evidemment égales à un entier
ou à unité, & qu’ videmment unentier ne con-
tient que 35-il-est évident que 3,fo + font r, done
= il
394 P. FERMIN ANTWOORD OP DE
maakt, en het is dus ook klaar „ «dat
men om driemalen 3: tej hebben ‚ men
1 moet voegen by driemalen 3, die ten
duidelykften 9 maken, en dat derhalven
zo klaarblykelyk gelyk is aan driema-
len 3: wyl deze fom beftaat. uit driema-
len 3, en driemalen 3, hetgene hetzel-
ve is als driemalen 3 en :, of driema-
Jen 3: en
_ Men ziet, dat dit ftuk fchoon wat
verdrietig, opleidt, om de natuur in de
verfchillendheid der duidelykheden te
toonen.
By gebrek van. deze kennis, zyn ’er
voorftellen , die my zeer valsch zouden
voorkomen, om dat zy ftryden zouden
tegen eenig gevoelen, door het Hoeren,
s ee
SSSSSSS SSS
il est evident que pour-avoir 3. fois-3, 4. il faut
ajoûter 1, à 3. fois 3. qui font Evidemment 9..& par
conféquent la fomme 1o. est évidemment égale à
„3 fois 3.{. puisque cette fomme est-compofëe de 3
fois 3. & de 3. fois 4 la même chofe.que-3 fois 3 &
$ ou 3. fois 34. jo ebt
On voit que ce detail. quoyqu’un peu ennuyeux
conduit à connoître plus-diftinttement la nature &
les diverfités de l’évidence. ; eemtanr .
Faute de.cetee connoislance il ya telle ‚prapofi-
tion qui -pourroit me ‚paroître très fausfe parce
‚quelle feroit contraire àquelqu’opinion que le pré-
ju-
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIk 395
deel ingeboezetmd, en die echter voor
my ontwyffelbaar waar zyn zouden, in-
dien myne onwetendheid de waarheid
niet bedekte; hier uit volgt, dat ik niets
voor waarheid moet aannemen , dan dat
de duidelykheid my dwingt toe te ftaan;;
ook moet ik niets als valsch verwerpen,
dan dat de duidelykheid my dwingt te
verwerpen. Zo lang ik geen blykbaar«
„heid hebbe, is de zaak niet noodzake-
lyk; het tegendeel is niet onmogelyk;
het is dan mogelyk dat zy valsch zyn
_ kan, gelyk het ook mogelyk is, dat zy
waar kan zyn, en deze mogelykheid,
die de zaak waarfchynelyk maakt, moet
my beletten te befluiten, dat zy waar
is, gelyk zy my moet beletten te beflui-
ten,
SSSSSSSSS SS
jugé m’auroit fait adopter & qui feroit cependant
indubitablement vraye pour moy-même, fi mon
ignorance ne m'en voiloit la vérité; d'où il refulte
que fi je dois ne rien admettre pour vray , que ce
que l'évidence me force d'admettre, je dois de mé-
me ne rien rejetter comme faux, que ce que l'évi-
dence me forcera de rejetter. Tant que je n’ay
point d’évidence la chofe n'est pas nécésfâire, le
contraire n’est pas imposfible: il est donc posfible
quelle foit fausfe comme ilest posfible qu’elle foit
vraye , & cette. posfibilicé qui le rend probable
doit m'empécher. de décider qu'elle est vraye,
com-
396 P, FERMIN ANTWOORD OP DE
ten, dat zy niet waar is. Men moet
dan onderfcheid maken, tusfchen de
duidelykheid op haar zelven genomen,
als eene trap van kennis, in welke het
onmogelyk is te dwalen, en tusfchen
een duidelyk voorftel, De duidelykheid
aangemerkt op zich zelven, kan in een
voorftel plaats hebben, zonder dat (zy
ten eerfte blykt. ’Er wordt aandacht,
‘er wordt oeffening vereischt, ’er wordt
eene voorgaande duidelykheid gevor-
derd, daar integendeel de waarheid van
een duidelyk voorftel, zich noodzakelyk
ten eerfte doet zien; het zy dat de kun-
digheden, welke zy onderftelt zo een-
voudig zyn en zo duidelyk , dat zy zich
byna zonder overdenking Speen
| ier-
ssssssssss
comme elle doit m'empêcher de décider qu'elle est
fausfe. Il faut done diftinguer levidence confide-
rée en elle même, comme le dégré de connoisfan-
ce où erreur est imposfible , d'avec une propofiti-
on evidente. L’évidence confiderée en elle mé-
me, peut être dans une propofition fans f’y faire
dabord fentir: il faut de la refiexion, il faut de le-
tude; il faut une évidenee antecedante; au lieu
‘qn’une propofition évidente est une propofition
ont la vérité fe fait dabord & necésfairement fen-
tir „ foit parce que les connoisfances qu'elle fuppo=
fe font fi fimples & fi préfentes, qu'elles fe mani-
in if
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL, 397
Hierdoor is het, dat yder voorftel „ yde-
re redenering, ydere vraag, in: welke
de waarheid duidelyk. betoogd is, de
blykbaarheid tot eenen noodzakelyken
grondflag hebben zal, fchoon dezelve
zich niet ten eerfte vertoont, of laat
zien; hier vandaan is. het, dat men in
eene betooging, die men zo klaar en zo
gemakkelyk om te begry pen wil maken,
als zy waar is, moet opklimmen tot
aan die grondbeginfelen, die men axio-
ma's of grondregels noemt, uit hoofde
van hunne eenvoudigheid, en op wel-
ker kennis die waarheid, die men vast-
ftellen wil, gevestigd is, Anderszins kos-
ten de beste betoogingen veel moeite om
te verftaan en uitteleggen. e
a
SSS SSESISISIE
feftent presque fans reflexion, … C'est ce_qui fait
que toute propofition, tout raifonnement, toute
queftion ou.la vérité fera évidemment démontree,
aura pour fondement necesfairel évidence „quoyque
‚Pévidence ne f’en fasfe pas dabord fentir:. Et c’est
pour cela que dans une démonftration &qu’on veut
rendre ausfi claire & ausfi facile concevoir quelle est
vraye, il faut quelquefois prendre la peine de re-
monter jusqu’à ces principes qu’on nomme Axiomes
àcaufe de leur fimplicité „ & fur. la connoisfance. des.
quels la vérité qu’on veut établir est fondée: autre-
ment les meilleures démonftrations coûtent beau-
„coup a entendre & a expliquer, Après
398 P. FERMIN ANTWOORD: OP DE-
… Na ‘dus de middelen aangewezen te
hebben, van welke-men. ziclr- bedienen
moet, om het vernuft aandachtiger en
uitgebreider te maken, en die alleen
bekwaam zyn: om het meer te volma-
ken, dat is, meer lichts en:doorzichts
by te zetten,’is het:tyd, om tot de re-
gels overtegaan, die volftrekt noodza-
kelyk zyn waartenemen in de oplos-
fching van alle vraagftukken, hetgene ik
door verfcheiden voorbeelden zal trach-
ten te. verklaren, om ’er des beter de
noodzakelykheid van te doen kennen,
en-het vernuft aan derzelver gebruik te
gewennen : om dat het zo noodzakelyk
niets, dezelve wel te weten als wel te
gebruiken. 2089: >
wi Of
SSSSSSSSSES
Après avoir indique les moyens dont il faut fe
fervir pour rendre lefprit plus attentif & plus
étendû , qui font les feuls propres à le rendre plus
parfait, c?est à dire-plus €clairé Sz plus pénétrant,
il est tems de pasfer aux rêgles qu'ilest abfolument
nécesfaires d’obferver dans la refolution de toutes
les queftions: c'est ce que je tâcherai de bien ex-
pliquer par plufieurs exemples, afin d'en faire
“mieux connoître la nécesfite , & d'accoûtumer le-
fprit de les mettré en ufage: parce que le plus né-
“eesfaire & le plus difficile n'est pas-de les bien fga-
“Voir, mais de les bien pratiquer.
Sid „iiD j Quoy
VRÁGE VOOR ’T jAAR MDCCLXXií. 399
— Offchoon het woord waarnemen; in
den eigenlyken zin, en voor ‘zoverre
het eene werking van onze ziel aanduidt,
afgefcheiden van overdenking: en. oeffe-
ning',- geen denkbeeld influit van rede-
nering ovér de zaken die men ‘waar-
neemt „ of van eenig”gevolg, dat men
er van aflêidt, is ons vernuft zo leven-
dig en zo fchielyk in zyne bewegingen,
dat het niet mogelyk is, dat een mensch,
die ‘derikt, proeven en. waarnemingen
doen’ kán, zonder dezelve van eenige
korte en geheime overdenkingen té ver-
De eerfte regel ‘orizer waarnetningen
is dat: men altoos de blykbaarheid in
onze tedeneringen ‘moet behouden, om
19 de
SSS NN
Quoyque le mot d'obferver dans fon fèns le plus
propre & entant qu'il define une operation de
notre ame, diftinéte de la meditation & de letude
ne renferme Vidée d’'aucun raifonnement fur les
“chofes que l'on en déduife; notre efprit est fi vif
& fi prompt dans fes mouvemens, qu’il n'est‘ gud-
res posfible qu'un homme qui pent, fasfe des ex-
perientes & des obfervations, fans lesaccompagner
de quelques reflexians du moins courtes & fecrè-
ee PN mtr a De dte
La premiere règle de nos obfervations „ est qu’il
fame toûj ours‘conferver evidence dans nos raifon=
ia nes
400 P. FERMIN ANTWOORD OP-DE „ ,
de waarheid te ontdekken, zonder; vrees
van zich-te bedriegen; van, dit „eerfte
grondbs infel hangt. deze ondergeftel-
e „regel, die op het, onderwerp; van
onze letteroeffeningen: ziet, namenlyk,
dat wy;niet moeten redenkavelen, dan
over zaken, van-welke. wy.klare ‘denk-
beelden „hebben, «en, door een. noodza-
kelyk gevolg, dat wy altoos.moeten be-
ginnen, met de eenvoudigfte ‚en, gemak-
kelykfte zaken ‚en daar lang op-blyven
fil ftaan, eer wy. het.nazoek van moei-
lyker en famengeftelder. zaken beginnen,
De regels, de wyze rakende, op-wel-
ke men de vragen moet oplos{íchen „„han-
gen ook van dezen grondregel af; dat
men den, {taat der.vraag ,-die men. wil
op-
SSSSSISSISISSS:
nemens , pour découvrir la vérité (ans crainte-de
fe trromper. De ce premier principe dépend cette
règle fubordonnée, qui regarde le fujet de nos étu-
des, favoir, que nous ne, devons raifonner que
fur-des chofes dont nous avons desidges claires: &
ar une fuite nécésfaire, que nous devóns toû-
jours commencer par. les. chofes les plus fimples 8
ies plus faciles & nous y-arrêter fort longtems a-
vant que d’entreprendre la recherche. des chofes
plus compofées & plus difficiles, _
Les règles qui regardent la maniere. dont, il faut
fy prendre, pour réfoudre les QRENODS a JEDE
ent
‘
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXT got
oplosfchen , zeer duidelyk. moet begry-
pen, en de denkbeelden der leden: duik
delyk bevatten, om dezelve te konnen
_ vergelyken „en dus de gezochte betrek-
king te konnen vinden, Maar wanneer
men de betrekking , welke de zaken on«
derling hebben, niet kan vinden, door
dezelve onmiddelyk te vergelyken,
moet men door de kracht van zyn ver-
nuft, één of meer middeldenkbeelden
ontdekken „ die tot gemeene maat kon-
nen dienen, om door-dezelve de onder-
linge betrekking te vinden. ssd
Men moet altoos wel in acht nemen;
dat deze denkbeelden duidelyk en klaar
IV. DEEL. Ce zyn
SSSSSSSSSSS:
dent ausfi de ce même principe; qu'il faut. conce-
voir très diftingtement l'état de la queftion qu’on
fe propofe de refoudre, & avoir les idées des. ter=
mes asfés diftinétes pour les pouvoir comparer &
pour reconnoître ainfi les rapports que l'on cher=
che. Mais lorsqu’'on ne peut reconnoîrre les rap-
ports que les chofes ont entrelles en les compâ-
rant immédiatement, il fauc, découvrir par quel=
qu’effort defprit une ou plufieurs-idées moyennes,
qui puisfent fervir comme de. mefùre commune,
pour faifir par leur moyen les rapports qui font
entrelles, … … djh mgf
On doit obferver inviolablement que ces idées
foient claires & diftindes, à proportion que Von
je tâ=
499 P, FERMIN ANTWOORD OP DE
zyti moeten ,- naar mate men meerder
en naauwkeuriger denkbeelden tracht te
ontdekken, - nieesh d |
Maar wâanneer“de vragen. te moeilyk
zyn'ente lang, kan men zorgvuldig al-
les van het onderwerp. affcheiden „ dat
niet -noödzakelyk is, om de ‘gezochte
wâarhieid te‘ontdekken. rlr
» Wanneermen de geheele vraag tot haa-
fe juiste bepälinge gebracht’heeft, moet
men Het onderwerp onzer overdenking
vérdeelen , vér “de verfcheiden deelen;
het een na het’änder befchouwen, vol-
gens eene nâtuurlyke order, met de een-
voudigfte , dat ismet zulke „-die-de mine
fte“betrekkingen“op de menen |
Ce
ssssssssesE
che de’ découvrir des rapports plús exacts & èn
plus'gräid nombre. |
‚Mais lórsque“les queêftions font trop difficiles &
tfop longues „on peut retrancher avee-foin du fú-
jet “qu Pon doit confiderer, toutes les"chofes qu’il
mest point necesfaire d'examiner: pour découvrir
B verte dherchee 1419, AHO COH q
Quaid on a redùit la queftion entiere à fes ter-
mes précis, il f’agit.de divifer le fujet fur lequel
“doit roùler notre méditation par parties, de les
“Confidefer toutes les unes après ‘Iés autres felon
„ordre naturel, en commencant par les: plus fifm-
plies, C'est à dire, par celles qui'renferment moins
“de rapports & ne pasfer jamais‘aùx plus compofées,
ik avant
VRÄGE VOOR ’T JAÁR- MDCCEXxi. Ho3
beginnende, en niet tot de meer amen:
geftelde overgaan, voor dat men-duide:
Iyk de eenvoudigfte begrepen, en-zich
dezelve’ gemeenzaam “gemaakt ‘heeft;
vervolgens moet men. dezelve alle; wol-
gens den regel van famenftelling, beur-
telings „of door een opflag van het ver-
nuft, of door redenering, de eene na
de andere vergelyken. >
Wanneer men-de oorzaken van fom«
mige uitwerkzelen, of van een byzon-
der verfchynzel , het zy in de natuur,
het zy in andere omftandigheden, na«
zoekt, moet men eerst-zien, of nagaan,
of men geen uitwerkzel of verfchynzel
in de natuur kent, -dat hier naby komt;
en naauwkeurig nagaan, welke de ze-
' Gc 2 ke<
avant que d'avoir reconnû diftinftement les. plus
fimples & fe les être rendu famtlieres. Enfuite il
faut les comparer toutes felon-les règles de combi
maifon , alternativement les-unes après les autres,
ou par la feule vuêde lefprit ou parle raitonne=
« Quand on recherche lascaufe de quelques effets
oude quelque phénomène, particulier, foit dans
la nature, -foit dans d'autres circonftances, ‚il-faut
dabord voir ow examiner fi on n’a pas connûù quel-
qu'ettet „ ou quelque phénomene d'une, nature-ap-
prochante & examiner fcrupuleufement,-qu’elles
í en
404 P. FERMIN ANTWOORD OP DE
kere en bekende oorzaken van het zelve
geweest zyn, Want gelyke uitwerkze-
len hebben gemeenlyk gelyke oorzaken,
vooral in voorwerpen van dezelve foort,
Men ga ook na, welke de-mogelyke
oorzaken van de uitwerking zyn, over
welke men handelt, en men trachte uit
omftandigheden af te leiden, welke van
deze oorzaken geen plaats konnen heb-
ben in het byzonder geval, hetgene men
behandelt. Men ga van daar allengs-
kens trapsgewyze tot de waarfchynely-
ke: oorzaken „ tot dat eene rypere be-
fchouwing nog eenige van deze oorza-
ken uitfluit, en men dus ongevoelig tot
de waare en zekere oorzaak gebracht
wordt, dart
e | Men
SSSSSSSSSSS
en ont été les caufes certaines & averées; car des
ffets femblables , ont géneralement des caufes fem-
blables, furtout quand il f'agit d'objets du même
ordre. Voyez ausfi quelles font les caufes posfibles
de léffet en queftion & tachez de déduire des cir-
conftances , les quelles de ces caufes n'ont pûavoir
lieu dans le cas particulier dont ilf’agit. Delà,
pasfez infenfiblement par degrés jusques aux cau-
fes probables, en attendant qu’un plus mürexamen
donne encore lexclufion à quelqu’unes de ces cau—
fes-là & vous conduife ainíi peu à peu à la caufe
véritable & certaine,
On
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL. 405
Men moet verder nagaan, of hetgene
het geval of verfchynzel voorgegaan is,
geen invloed op hetzelve had konnen
hebben ; want fchoon men daar uit alleen,
datde eene zaak voor de andere gaat, niet
kan afleiden, dat de eerfte de tweede
voortgebracht heeft, is het ondertus-
fchen waarfchynelyk „dat onder verfchei-
den voorgaande zaken van een geval,
eene meer naauwkeurige befchouwing
ons de waare oorzaak ontdekken zal.
Men lette op, of eene oorzaak genoeg
zy ter voortbrenging van de uitwerking,
dan of ‘er een famenloop van verfcheiden
oorzaken noodig zy om dezelve. voort-
tebrengen; en in dit laatfte geval zoeke
men zo naauwkeurig als het mogelykis,
Cc 3 den
SSSSSSSSSSS
On doit de plus examiner fi ce qui a précedé l’é=
venement ou le phénomêneen queftion, ne pour=
roit pas y avoir influe, Car, quoyque de cela
feul , qu'une chofe en précede une autre, on ne
puiste pas inférer que la prémiere a produit la fe-
conde, cependant entre les divers avant-coureurs
d'un evenement, il est probable qu'un examen
plus attentif , nous fera découvrir la caufe réele.
Confiderez fi une feule caufe fuffit pour la -pro-
duêtion de-l’éffet, ou fi le.concours de plufieurs
caufes n'a pas eté necesfaire pour le produire, &
dans ce dernier cas, tachez de déterminer d’ausfi
Tt A N prés
406. P,-FERMIN ANTWOORD OP DE
den-trap van invloed te bepalen, die
yder oorzaak hebben kan, en de eigent-
lyke ven byzondere werking van yder
derzelver in het voortbrengen van het
uitwerkzel, Wor onssabis
Indien men devuitwerkzelen moet na-
gaan van een of meer oorzaken, moet
men de-natuur van yder oorzaak ín het
byzonder naauwkeurig onderzoeken , en
nagaan, wat uitwerking -yder-deel of
yder-eigenfchap van deze oorzaak tracht
uittewerken. | ajrst nsi
‚Men fla ook de verfcheiden vereenig-
de oorzaken gade, in haare natuur en
wyze’ van werken, «Men onderzoeke,
tothoe verre de eigenfchappen of uit-
werking van dereene oorzaak die van
ab ee-
SSSSSSSSSSS
près qu’il fera posfible le-dégré d'influence que cha-
que caufe peut avoir eû & l'activité propre & par-
Seniste de chacune d'eiles dans la produêtion de
Peffer; er dif hik dd El Ah EEA 0 OAK GEEN OE BE
“S'il-f’agit de rechercher les effets d'une ou de
plufieurs caufès , il faut confiderer attentivement
la nature de chaque caufe à part „en obfervant quel
efter cltaque partie ou chaque proprieté de cette
cauft tend naturelletment à produire, *
“-Confiderez dans leur nature &-dans leur maniere
d'agir les differentes cauftsreunies, examinez jus=
du'où I'cfficace ou les “proprietés’ de Pune, pj va
Ue PED Ten eter 2: prmtgsdentn 5 ROER Fe “tens
VRAGE-VOOR °T JAAR MDCCLXXI, 407,
eene andere. begunftigen of tegenftaan,
en men overwege de evenredigheden.
van haaren invloed. naauwkeurig. ……
__Men befchouwe verder, welk het on-
derwerp is, op het. welk, de oorzaak,
werken moet, want. op verfchillende
onderwerpen, geeft dezelve oorzaak dik-
werf verfchillende uitwerkingen. Dus
ziet men, dat de brandende geest van
falpeter , die de oliën. verwarmt-en in
vlam zet, echter de koude van de fneeuw
niet alleen zo vermeerdert, dat zy wa-
ter, zelfop het vuur {taande, doet bevrie-
zen, maar de quik doet ftollen en hard
worden , zelfs dan, wanneer de.natuur-
lyke koude maar omtrent opo ftaat,op
den thermometer van Aabrenheit,…
Ce 4 ‚… Men
fent ou traverfent les éffets de l'autre, & balancez
prudemment ‘les proportions de leurs influences
refpettives. ERA nd
Confiderez de plus quel est le fujet fur lequel la
caufe doit âgir; car fur des fujets differens la même
caufe produit-quelquefois des éffets tout divers.
C'est ainfi que Vefprit de nitre qui echaufte & en-
flame les huiles augmente neamoins le froid de la
neige , non feulement au, point de lui faire conge-
ier eau; fut-ce fur le feu; mais ausfi de lui faire
coaguler & endufcir le mercure même, lorsque le
froid naturel n'est qu’aux environs de, Zero au
Fhermometre de Fahrenheit, 0 4de
Â08 P, FERMIN ANTWOORD OP DE
Men doe dikwerf en met alle noodige
zorg bekwame proefnemingen, en men
ftelle alle de oorzaken in het werk, wel-
ker uitwerkingen men begeert te weten,
en alles wel overwogen hebbende, voe-
ge men die by elkander , die bekwaamst
fchynen, om eene voordeelige uitwer-
king te geven.
Men fla met aandacht alle de uitwer-
kingen gade, die gefchieden door den
gevalligen famenloop van verfcheiden
verfchillende oorzaken, of door de toe-
pasfing en het vernuft van bekwame lie-
den, en wanneer men eenige uitwerking
zeker en ftandvastig voortgebracht ziet,
ftel dezelve met de erkende en gevonden
oorzaken, onder het getal van uwe ver-
{tandelyke overwinften, Men
SSS SSS
Faites fouvent & avec foin toutes fortes d'expé-
riences convenables, mettant en aftion les caufes
dont vous déefirez connoître les éffets, & joignant
avec intelligence celles qui tout bien pefé vous
paroisfent les plus propres à produire quelqu’éffer
avantageux. ’
Obfervez avec attention tous les évenemens qui
arrivent, ou par le concours occafionnel de plu-
fieurs caufes differentes ou par application, ou
par linduftrie des habiles gens; & lorsque vous
verrez quelqu’effet certainement & conftamment
produit, mettez-le avec ces caufes reconnues au
rombre de vos acquifitions intelleétnelles, Fat
® : als
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 409
Men make ook een naauwkeurig over-
flag van alle de omftandigheden, die de
werking der oorzaak vergezellen, en uit
welke eene byzondere uitwerking ont-
ftaat, en men trachte te ontdekken,
tot hoe verre yder dezer omftandighe-
den ftrekke, om de werking te beletten,
voorttezetten of te veranderen, en in
hoe verre zy derhalven invloed hebben
op de uitwerking.
Dusis het, dat een bekwaam genees-
heer zyne behandeling fchikt en tot vol-
komenheid brengt. Hy begint 1. met de
kennis van het menfchelyk lichaams
2. Met de kennis der oorzaken die het
veranderen konnen. 3. Zoekt hy de uit-
werkingen dezer oorzaken, die of kwa-
Ges len
SSSSSSISSS SE
Faites ausfi une revuê exaête de toutes les cir-
conftances qui accompagnent l'aétion des caufès ,
d'où refuite tel effet particulier, & tachez de dé-
couvrir jusqu’où chacune de ces circonftances tend
à empecher , à favorifer ou à changer cette action,
À jusqu’où par conféquent elles influent fur lef
et /
C'est de cette manière qu'un habile medecin
dirige & perfeétionne fa pratique, Il commence
par connoître zr. le corps humain. 2. les caufes
qui peuvent l'alterer, 3. les éffets de ces caufes,
qui font nécésfairement des maux ou des remedes;
puise
410 B/FERMIN ANTWOORD OPDE.
len.of geneesmiddelen zyn, wyl die uit-
werkingen niet dan nadeelig of voor-
deelig konnen zyn. Hy gaat met aan-
dacht na, welke-de natuurlyke gefteld-
heid van den zieken, en de tegenswoor-
dige {taat der ziekte is, zo wel als de
omftandigheden , in welke hy zich be-
vindt, en de uitwerking ‚die zulk of zulk
een. geneesmiddel op de ziekte doen
moet, en in alle gemeene of buitenge-
meene. gevallen doet hy, met verftand
en voorzichtigheid, waarnemingen op
de uitwerkingen der geneesmiddelen in
verfchillende geftellen en in verfchillen-
de ziekten; zich dus eenen fchat van
waarhemingen verzamemelende , die
naauw keurig en wel bevestigd zyn, kem)
sssssssssss
puisque ces éffets ne peuvent être que nuifibles ou
bienfaifans: Il obferve avec attention qu'elle est la
conftitution naturelle & la difpofition préfente du
malade, ausfi bien que les circonftances dans les
quelles il fe trouve & Veffet que tel remede doit
naturellement produire fur {a maladie: & dans tous
les cas, foit ordinaires ou extraordinaires ; il fait
avec fagesfe-& prudence-des-expériences & des ob-
fervations „fur les effets que les remedes produi-
fent fur des differentes conftitutions & dans les dif-
ferentes maladies. Eten fe faifant ainfi un trefor
d'obfervations exactes & bien conftatées il par-
vient
$
Î
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 41E
hy eindelyk:tot de kennis der oorzaken
en’ uitwerkingen, die noodzakelyk on-
derling verbonden zyn ‚en zelfs tot die,
die ‘ef maar een gevallig en bykomend
verband: mede hebben. Indien, de uits
werking zuiver toevallig is, kan men ’er
met veel waarfchynelykheid de oorzaak
van bepalen, maar nooit zal men ’er
eene volmaakte zekerheid van hebben;
die men- heeft, wanneer de oorzaken
door eene natuurlyke en klaarblykelyke
noodzakelykheid werken, en dus haare
uitwerking volkomen zeker voortbren-
gen. ER oh
‚De geest der waarneminge, die alge:
meene ziel van konften en wetenfchap-
pen, is niets anders, dan eene: wg sd
, ef ÎS VOL
vient à connoître les caufes & les éffets qui font
naturellement “&-nécésfairement liés entr’eux, &
même ceux qui n’ont qu'une connexion acciden-
telle &% fortuite. Lorsque leffet est purement
contingent, on peut fouvent en déterminer la
caufe avec-beaucoup de:probabilité ; mais Ja certi-
tude n’en est sjamais vparfaïte.; comme elle lest
quand les caufes-agisfent par une nécésfité maturel-
le & évidente, “& produifent- immanquablement
deur eet: c arn. 4 nagxasee!
…_ Wefprie: d'obfervation, «cet efprit univetfel des
fciences & des arts, n'est -qu’une attention bien
et dT uie
412 P. FERMIN ANTWOORD ÓP DE
volgende aandacht over verfcheiden on:
derwerpen. Een wysgeer, die ons alle
de byzondere regelen van de kunst van
waarnemen zoude opgeven, zoude ons
dus de waare middelen aan de hand ge-
ven, ter beftuuring en leiding van on-
ze aandacht. |
Hy zoude de gelukkige uitwerkingen
van die kracht aantoonen, in die fchoo-
ne ontdekkingen, welke zy in verfchei-
den geflachten voortgebracht heeft, Hier-
uit zoude de. uitgebreide kunst voort-
fpruiten, van de natuurte kennen, door
de waarnemingen en ondervindingen te
toetzen, aan de verfcheiden regels, wel-
ke myne iever, als op onze onderzoe“
kingen in het algemeen toegepast, heeft
doen voorftellen,
Edoch,
sss
fuivie fur differens objets. Un philofophe qui
nous traceroit toutes lesrègles particulieres de Part
d'obferver ‚ nous enfeigneroit par là les vrais moyens
de diriger & de fixer notre attention.
Il nous montreroit les heureux effets. de cette
force , dans les belles découvertes qu’elle a produit
en differens genres. De là naîtroit l'art détaillé de
connoître la nature en examinant les obfervations
& les experiences par les differentes règles que
mon zèle m'a fait propofer ; commèé generalement
appliquëes à toutes nos recherches. rd
Ll ais
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL, 413
Edoch, alle uitweiding in dezen
fmaak zoude van eene verdrietige wyd-
loopigheid zyn ; het is genoeg voor het
vernuft den draad te vatten, en aan te
merken , dat in den keten der gefchapen
wezens , oorzaken en uitwerkingen, zo
wel als in onze welgegronde ontdekkin=
gen, alles door eene onafgebrokene aan-
eenfchakeling. verbonden is, overeens
komftig met dat oneindig -wonderbarer
verband-der tweede met de eindoorzaken,
Een verband,dat onze bef piegeling geduu-
rig opleidt tot dat oneindig vernuft „dat in
eenen opflag dit gantfche geheel.bevat,
waar van het minfte gedeelte in den eer-
{ten opflag ons verbaast, en doet weg-
zinken in verwondering „ tot dat de over-
| een-
SSISSSSSIS SSS
Mais tout détail dans ce: goût feroit d'une pro-
lixité accablante: il fuffit-au génie d'en: faifirle fit
ër de remarquer , que dans la chiaîne des êtres, des
caufes & des éffets; ainfi que -devnos découvertes
bien fondeges, tout est lié par une concaténation
non interrompue, analogue à celle de ce Nexus;
infiniment merveilleux des caufes fecondes avec les
finales. Nexus qui ramène fans cesfe notre contem=
plation vers lintelligence ‘fuprême , qui faifit d'un
feul coup tout cet enfembie-immenfe, dont la
moindre partie au premier afpet nous étonne&
nous confond , jusqu’à ce que les rapports de Ket
) e=
AIÀ PU FERMIN ANTWOORD Óf: DE” »
eenkomst van hetzelve met aridere dee:
len opgehelderd “wordt, doorde ftra:
len wanveene meergevestigde aandacht;
die' meer geoeffend is, zo wel als door
andere overeerikomften, “die aar eente
Ongewoon en’ te et pe se ont:
friapten;
„Welk aangenaam voorwer! woor eens
bepaald vernuft, -is deze oef Ening, die
vatbaar is voór eenen geduutigen aan=
wâsch; en de ongevoelig verlichte ziel;
flap voor ftap opleidt; tot'de kennis van
den onbegrepen bron ‘van-zo o veele
worideren. Ig OPEN hen
Maar (er ‚die is ary he Jae: aanmer:
king) het is van een wezentlyk belang,
zich niet te miïisgisfen if “de gevol:
ed gen,
SSSSS SSS SIS
lezcy vavee d'autres partie. (eclaircisfent: par Jes
tayons:d’une attention-plus reflechie-&-plus exer+
cee, ainfi que. par d'autres rapports, evet ern
ä une vuê trop reftreinte & tropsnöviees …
"Quel delicieuw: objet lspoursunerintelligence hoi
nee) que cette étude fi fusceptible: d'umaccroistes
mént-perpétuel,: & qui comme. ‚pas-à-pas: guide las
mevinfenfiblement> éclairée „r versla: coïnoisfancê
de la fourceringfable:de tant de pradigeses « vetg
= Mais , & c’estrmaderniere remarque: il est très
ésfentiel de nepas fe méprendrezaux conféquences
tirgesdes obfervatioris &rdes experiences dejafaites;
en
VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXK, 15
gen, die men uit de waarnemingen sen
reeds gedaane vondervindingen:= trekt
waarin. men op: twederlei -wyzerickan
dwalen; want deze gevolgen. kondenvof
te verhaast zyn geweest, of maar de
fchynbaarfte en-deonvruchtbaarfte van
allen, die men uit dezelve waarnemingen
had konnen en moeten trekken, eer men
zich liet wegflepen om andére te be-
fchouwen, die dikwyls zo moeielyk niet
fchynen , dan alleen in eene misleidende
meening, dat men geen verdere gevol-
gen kan trekken, uit die welke men
reeds onderzocht heeft, die dienen kon-
nen om denog onbekende oorzaken der
verfchynzelen te ontdekken. È
en quoy l'on peut fe tromper de deux manieres;
car ces conféquences pourroient avoir €té trop
precipitees, ou n’être fimplement que les plus évi=
dentes & les plus fteriles de celles que l'on auroit
pû & du inferer de ces mêmes obfervations & de
ces dernieres expériences avant que de fe laisfer
entraîner à en examiner d’autres: qui bien fouvent
ne paroisfent fi difficiles que dans la perfuafion ér=
ronée, que l'on ne fgauroit tirer de cellesque Pon
avoit deja examinges des conféquences ultérieures
qui puisfent fervir à découvrir les caufes encore
inconnuês des phénomènes,
CEA, HEN L’In”
416 P. FERMIN ANTWOORD OP DE enz,
« De navorfching dezer verdere gevol-
gen, kan natuurlyker wyze geen andes
re palen hebben, dan het ik % welk
men moet bereiken. :
"esssssssses
Ivinveltigatied de. ces antiaudiens ne)
ne fcauroit naturellement avoir d'autres bornes que
celles du in méme be ’il f'agit d'atteindre,
le
pe
VERHANDELINGEN
_ BERICHTEN,
ZEEUWSCH
GENOOTSCHAP
D ER
WETENSCHAPPEN
Tk
VLISSINGEN.
Blad: 418
BER ICH T
VAN EENE TALRYKE VERZAMELINGE
VAN GRIEKSCHE, ROMEINSCHE
EN ANDERE OUDE
PENNINGEN:
aide
PIETER VAN DAMME.
‚ BERSTE AFDEELING.
Ee is den mensch als aangeboren ;
dat hy, onder het wel beftieren
van zyne gewoonlyke bezigheden, het
een of ander tot zyne uitfpanninge en
verlustiginge verkieze„ om ’% {poor van
zyn beroep met des te meer yver te
konnen achtervolgen, maar ook teffens
om zyne vuren van uitfpanninge, of
voor zich zelven, of voor de geheele
maatfchappye , nuttig te doen zyn.
en Dd 2 Hier
uz
{20 P. VAN DAMME BERICHT
Hier aan heeft men toetefchryven;,
dat Nederland zich thans moge beroe-
men op de uitmuntendfte verzamelingen
van alles, tgene de natuurlyke hiftorie,
oudheden, kunften en geleerdheid be-
treft, Deze verzamelingen doen den
vreemdeling opgetogen (taan, en ftellen
de geletterden in ftaat om in hunne wer.
ken daar van, ten algemeenen welzyn,
een groot gebruik te maken. Van my-
ne jeugd aan, na dat ik eenige be-
vattinge van wetenfchappen verkreeg ,
ftrekte zich myne genegenheid vooral
uit tot de aloude Penningkunde, welke
my, in de tusfchenpozinge van myn
eroep, is bygebleven, en zoodanig is
vermeerderd, dat ik naar waarheid en
met alle vrymoedigheid kan zeggen,
dat myne Penningkasfe, door den by-
ftand van kundige vrienden in alle lan-
den, tot die volmaaktheid is gekomen,
welke men misfchien te vergeefs in eeni-
ge byzondere verzamelinge, op zich
zelve befchouwd, door gantsch Europa
zoude zoeken.
Het Zeeuwsch Genootfchap, hier van
wel onderricht zynde, en. geene gele-
genheid latende voorbygaan, om ‘tgene
eenigzins tot nut en ophelderinge ee
d e
VAN EENIGE OUDE PENNINGEN. 421
befchaafde wetenfchappen dienftig is,
_aan ’ gemeen in deszelfs verhandelingen
medetedeelen , heeft my verzocht, om
aan hetzelve te doen toekomen een
Profpectus van myne Penningkasfe, ter
ophelderinge van eenige wetenswaardige
en tot heden min bekende zaaken. Ik
heb my aan dit verzoek niet willen ont-
trekken, en make daar van, by dezen,
een begin, met byvoeginge van fommi-
ge nieuwe ontdekkingen in de oude Pen-
ningkunde, aan weinigen bekend, en
waar van men een nuttig gebruik zal
konnen maken. De vermelding der
Romeinfche penningen, hier te lande
gevonden, doch tot nu toe niet behan-
deld of verkeerdelyk uitgelegd, zullen
{trekken tot ophelderinge der Hiftorie
van Nederland, Voor het overige on-
derftelle ik, dat myn Lezer bedreven
zy in de gronden, welke noodig zyn tot
de kennisfe der oude penningen, en die
elders genoeg behandeld worden (a).
Het beloop van myne Penningkasfe
beftaat in ruim twintig duizend Gedenk-
Dd 3 pen-
… (a) Men vergelyke in ’tbyzonder La Sfience des
Medailles, par Louis Jobert; avec des Remargues Hiftori-
ques & Critiquespar JOSEPH BIMARD, Baroz de la
Baftie , Paris 1739. 2 Vol,
422 P. VAN DAMME BERICHT
genk behelzende de opvolgingen
er Griekfche Koningen, Steden, Co-
lonien. der Roomfche Keizers, de Ro-
meinfche zoo Burgemeesterlyke als Kei-
zerlyke penningen in alle metaalen, enz.
Ik make een aanvang, om van fommige
verflag te doen.
EUROP A,
Koningen wan Macedonien,
De Koningen van Macedonien behou-
den, als de oudften, onder de opvolgin:
gen van alle Koningen den eerften rang,
De eerfte der Macedonifche Koningen,
aan wien voornaame Oudheidkundigen
(b) den oudften gedenkpenning toefchry-
ven ‚is Amyntas, deeerfte van dien naam ;
zynde een kleinen penning van koper,
berustende in ’t kabinet van den Koning
van Pruisfen. Doch over weinige jaaren
heeft de kundige wise (c), uit foortge-
ly-
(b) EL. BEGERUS Thef. Brandenburg. Tom, AI.
Pag. 4) Ee SPANHEMIUS de U. ef P, Numismatum
antiguorum Tom, 1. pag. 17, 374. & feqg. edit. Londi=
zenfis 1706.
(C) In Catalogo nummorum antiquorum feriniis Bodlei-
axis veconditorum pag. 112) 113. Owirii 1750. Conf. E‚
FROELICH aznal. vegum & verwm Syriae Prolegom,
Part, IL. cap. Ó, pag. 3I. p
VAN EENIGE OUDE PENNINGEN 233
Iyke penningen in de verzamelinge van
den Heer Bofanquet te Londen, ontdekt,
dat de waare lezing van gemelden pen=
ning niet zy B AMIMTGr. M: des Konings
„Amimtous der Macedonieren, gelyk ges
melde fchryvers gedacht hebben, maar
BAMEMTG@TM, waar door zekere Koning
Memtes bedoeld kan worden. gen
_De eerfte en oudfte Penningen van de
Macedonifche Koningen zyn dan, met
volle zekerheid , die van Alexander ,den
eerften van dien naam, en zevenden
Koning (d) van Macedonien, Deze
penningen zyn van zilver , en zoo zeld:
zaam, dat het den fehryveren genoeg:
zaam aan gelegenheid ontbroken heeft
om dezelve naauwkeurig en breedvoerig
uittegeven., De Heer N, PE LLERIN,;
zoo beroemd door de uitgave der“Onge-
meenfte penningen van een der ver-
maardfte kabinetten, heeft allereerst
pen daar
_(d) Ik houde Amyntas I voor den zesder Koning
van Macedonien , in navolginge van HERODOTUS
en JUSTINUS, by welken zich ook sPANHEIM
voegt de U. & P. N. Tom, I pag. 17, en derhalven
„Alexander I, voor den zevenden Koning, fchoon
EUSEBIUS , PETAVIUS, LLOYDIUS en anderen Hem
den tienden Koning van Macedonien noemen.
Vergelyk sPANHEIM Tom. I. pag. 371380, WESSE=
LING {* VALCKENAER ad Herodotum pag, 684, 686, °
424 -P. VAN DAMME BERICHT
daar van eenige meldinge gemaakt (e);
behalven den geleerden Jefuit ALEX,
XAVIER PANEL, die, by het opma-
ken van de verkoop-notitie der munt-
kasfe van den Prefident Le Bret, dezel-
ve mede in het korte befchryft en op-
geeft. Onlangs is ’ my gelukt eenen
Ongemeenen zilveren gedenkpenning
van Alexander , met noch verfcheidene -
andere, uit het Oosten te bekomen,
door toedoen van den Hoog- Edelen
Geft. Heer Mr. Ar. Fagel, Griffier van
den Staat der vereenigde Landen, wiens
aangeboren goedheid en liefde tot de
wetenfchappen en Oudheidkunde in %
byzonder, my vele gunstbewyzen van
Hem heeft doen verwerven , en Wiens
vroegtydigen dood ons Gemeenebest en
alle lieheb bers der letteroefeningen nooit
zullen. ophouden hertelyk te betreuren.
Op de voorzyde van dezen penning
ziet men den Koning Mlexander in de
gedaante van een Macedonifchen ruiter,
met een hoofddekfel, by de Grieken
Kuuoia
(€) Recueil des Medailles de Rois pag. 3— De Pro=
fesfor HAvERKAMP heeft, in zyne Algemeene Hi
ftorie, van dezen penning ook eenige meldinge
gedaan,
VAN EENIGE OUDE PENNINGEN, 425
Kaveie genaamd (f), ftaande neffens zyn
paard, De andere zyde vertoont een
vierhoek met den naam des Konings
AAEZANAPOT:
Myne Penningkasfe levert vervolgens
in orde op alle de zilveren Pronkpen-
ningen , als van Koning Archelaus den I,
Amyntas den III (g),en als men komt
Dd 5 aan
(É) Vid. POLLUCIS Onamast, Lib. X. $ 162 cum notis
HEMSTERHUSII, &£ HERODIANUM Hift. Lib. I cap. 33
IV cap. 8.
(8) HUBERTUS GOLTZIUS, die by velen verdacht
ftaat, als of eenige penningen „door Hem uitge=
geven, verdicht zouden zyn, ontfangt nu na ver-
loop van tweehonderd jaaren, wanneer zyne wer=
ken in ’t licht kwamen, zeer veel van zyn gezag
wederom , en verkrygt een beter vertrouwen door
de geduurige ontdekkinge van penningen, die
van tyd tot tyd worden gevonden en fomtyds uit
den fchoot der aarde opgedolven, gelyk noch on-
langs gebleken is in den zilveren Pronkpenning
‚van Perdiccas- den III, Koning van Macedonien, in
den omtrek van de Stad Salonique gevonden, cn
door GoLTZIUS te voren uitgegeven, doch tot de=
zen tyd voor verdicht gehouden. De ongunftige
denkbeelden omtrent dien eerften uitgever van een
ouden penningfchat heeft men hier aan veel toe=
tefchryven, dat hy zyn werk ten grooten deele
heeft opgemaakt uit de penningkasfen van dien
tyd, beftaande in ruim negenhonderd verzamelin=
gen, volgens eene gefchrevene lyst daar van onder
„my berustende , doch waar van wel de voornaamtfte
door den tyd, en byzonder die in Nederland, be-
ftaande alleen in tweehonderd, door de beroerten
in de zestiende eeuwe zyn vermist geworden.
Dus
426 _P. VAN DAMME BERICHT
aan den tyd van Philippus den II, va:
der van Alexander den Grooten, ziet
men aan de verfcheiden gouden, zilve-
ren en koperen munten, hoedanig het
Macedonisch ryk is toegenomen. Niee
mand der Koningen heeft zyne groot-
heid en roemruchtige daaden in de over«
geblevene gedenk{tukken meer doen
zien, dan de evengenoemde Alexander,
Alle de plaatfen van zyn uitgeftrekt ko-
ningryk , de fteden door Hem overwon-
nen, en welke Hy op zyne tochten
doorreisde, leveren zeer heerlyke ge-
denkpenningen van denzelven in ’ fyn-
fte goud en het fchoonfte zilver, Be-
halven de gouden, zilveren en koperen
munten van dezen grooten Vorst , wel-
ke myne Penningkasfe bewaart, bevindt
zich by my een fchat van tweehonderd
ftuks zilveren Pronkpenningen (h). pn
[onl
Dus is ’t mede met PLINIUS onder de Natuurkun=
digen gelegen, die, door langheid van tyd, in
verdenkinge is geraakt wegens ’t verhaal van eenií=
ge wonderen, die evenwel ten onzen tyde in de
Natuurlyke Hiftorie ontdekt worden, Ook heeft
de geleerde HÁRDUINUS in zyne Commentarien
getoond, wat gezag de aloude penningen aan
PLINIUS byzetten, waar door die Schryver in groo-=
ter licht gefteld en in meer vertrouwen gebrachtis.
Ch) Om de Nederlandfche Lezers, die zich pen
en
VAN EENIGE OUDE PENNINGEN, 427
dezen voerraad kan men nieuwe voor-
deelen trekken, zoo om verfcheidene
naamen der Magiftraaten of Overheden,
die op de Penningen van de Griekfche
Vorften zeer ongemeen zyn, optehel-
deren, als om eenige nadere ontdekkin-
gen nopens de taal der Pheniciers, wel-
ke noch aan zoo veele duisterheden on
derhevig is, te doen en aan % licht te
brengen,
Alexander is de eerfte van alle Konin:
5 gen;
den wiilen toeleggen op de aloude Penningkunde,
eenige ophelderinge te geven van het noch dikwerf
te herhaalen woord Pronkpenningen, merke ik kort=
lyk aan, dat wy dezelven, naar ’ Fransch, Me-
daillons noemen , welk woord oorfprongelyk is van
het Italiaanfche Medaglioni. Zy zyn gedenkftukken
by de Grieken op de grootte en zwaarte geflagen
van wel viermaal en fomtyds noch meerder, dan
de gewoonlyke munten. De goudene, die zoo zeld=
zaam zyn, dat men maar twaalf of ten hoogften
vyftien verfchillende in alle penningkasfen van ge-
heel Europa famen gerekend zal aantreffen , hebben
doorgaans het gewigt van een once van de onge-
mengdfte fpecie, die bekend is. De zilveren, die
de volmaak{te opvolginge der Griekfche Koningen
opleveren, wegen doorgaans een halve once van
het allerbeste zilver. In myn kabinet zyn meer
‚dan duizend Griekfche zilveren Pronkpenningen.
De koperen Pronkpenningen komen onder de Ko=
ninglyke weinig in aanmerkinge, en zyn genoeg-
zaam alle, behalven die van Egypten, gewoone
munten— Over de Romeinfche Pronkpenningen
zal in ’ vervolg gelegenheid zyn te fpreken,
428 _P. VAN DAMME BERICHT
gen, van wien, zoo veel men tot nu
‚toe, met volle zekerheid, weet, een
gouden Pronkpenning bekend is. De-
zelve is in myne Penningkasfe te vinden,
als mede in het Koninglyk Trefoor in
* Escuriaal te Madrid (i), en in het
Vorftelyk Kabinet van den Groot- Her-
tog te Mlorence (k).
Lyfimachus is de voornaamfte van de
Macedonifche Vorften, die, in navol-
ginge van dlexander , zyne uitmuntende
nagedachtenis in zyne overheerlyke
penningen, waar van een groote voor-
raad is, vereeuwigd heeft. Buiten de
gouden , zilveren en koperen munten
van dezen Koning, ís myne verzame-
ling voorzien van twee gouden (l) en
omtrent honderd alleruitmuntendfte zil-
veren Pronkpenningen,
Eer ik van de Macedonifche Konin«
gen
(i) ALEX, XAVIER PANEL disfertacion fobre una Me=
dalla de Alexandro Magno. En Valencia 1753.
(Kk) Vide Mufeum Florentinum , cum obfervationibus
ANT. FRANC. GORII, Vol. I Tab. IV. /
(1) De zwaarfte gouden Pronkpenning , die bee
kend is, is van Lyfimachus, wegende één en een
vierde once. Deze is in myn kabinet, en de weer-
gade daar van is te vinden in de Penningkasfe van
den Hertog d'Effrées, welke omftandig wordt be=
fchreven door B. DE MONTFAUCON, fupplement de
Pantiquité Expliqué Tom, IKL. pag. 121
VAN EENIGE OUDE PENNINGEN. 429
gen affcheide, dient noch wel gezegd
te worden, dat de overgeblevene zilve-
ren Pronkpenningen van Antigonus Go-
natas grooter en zwaarder zyn dan van
alle voorgaande Koningen, ’t welk ook
de reden is, dat zy de tanden van den
tyd hebben konnen verduuren,- en in
eene uitmuntende fchoonheid tot ons
zyn overgekomen. Vier verfcheidene
daar van zyn reeds uitgegeven, maar in
myn Kabinet alleen worden ’er zeven
ftuks ter befchouwinge en tot nuttelyk
gebruik bewaard.
Koningen van Epirus, Dalmatien
en Creta.
Van de Koningen der Zpiroten, Dal-
matiers en Cretenfers zyn zeer weinige
en byna geene muntftukken voor han-
den. Van Pyrrhus, Koning van Epirus,
dien grooten verdediger van zyn vader-
land, is in myne verzameling een fchoo-
ne zilveren penning overgebleven, waar
op de Koning, in de gedaante van de
rygsgodinne Minerva , met haar fchild
en helm, byde oude fchryvers zoo naauw-
keurig opgegeven, vertoond wordt (m),
| ’ Be-
(m) Men vergelyke PLUTARCHUS iz Pyrrho.
430 _P, VAN DAMME BERICHT
Betreffende de Cretenfers, ik bewate
een heerlyken zilveren Pronkpenning
met de afbeeldinge van hunnen Ko-
ning Minos, en de vertooninge van den
bekenden Labyrinthus of doolhof, Het
woord KNOEI)N toont, dat deze pen-
ning Zy geflagen te Cnosfus , de hoofd.
ftad van Creta, | |
Koningen van Sicilien,
De Koningen en Vorften van Sicilien
en Syrakufen leveren aan ons eene aan-
eenfchakelinge van hunne overgeblevene
muntftukken. Dezelve beginnen met
die van den eerften Koning Gelo. My-
ne Penningkasfe bewaart een gouden
penning van denzelven, waar op de
Vorst verbeeld is, Het ruggeftuk ver-
toont hem voerende den zegewagen;,
door twee paarden getrokken, met het
byfchrift TEAQNOE wan Gelo. |
Onder de verfcheidene Penningen;
die ik van Hiero, den eerften van dien
naam en tweeden Koning van Sicilien,
bezitte, munten uit twee onderfcheide=
ne van goud, beftempeld met het hoofd
van Ceres, Op de rugzyde ziet men
den Koning, in navolging van dis
; | broe-
VAN EENIGE OUDE PENNINGEN, 43ï
broeder Gelo, den zegewagen mennen:
de, met het byfchrift iEPONoE wan Hie.
10, De Koningin Pbiliflis, van welke
de oude fchryvers geene meldinge ma-
ken, en die evenwel met alle reden tot
_Sicilien geacht wordt te behooren (n),
levert aan myne verzamelinge een zilve-
ren Pronkpenning, en een kleinen zil-
veren penning, als mede een koperen
van de eerfte grootte; van welke de
twee laatstgenoemde tot op heden door
geene Schryvers zyn uitgegeven, by
welken geene andere dan eenige weinige
zilveren Pronkpenningen van deze on-
bekende Koninginne bekend ftaan,
Van den geweldigen Siciliaanfchen
dwingeland Agathokles-zyn zeer weinige
gedenk{tukken voor handen. Onder de
gene, waar van myne Muntkasfe voor-
zien is, zyn. twee heerlyke zilveren
Pronkpenningen, van malkanderen on-
derfcheiden, met het hoofd van Profer-
pina, dochter van Ceres, met koornai-
ren
(n) Eenige nieuwe Schryvers zyn van gevoe=
len, dat Damarata, de vrouwe van Geko, fomtyds
ook den naam van Philistis gevoerd heeft, en dat
deze penningen tot haar moeten gerekend worden
te behooren, om dat by properus sicuLus Lib. XI
van gedenkpenningen, ter gedachtenisfe-van de
Koninginne Damarata geflagen, wordt gef) proken.,
432 _P. VAN DAMME BERICHT
ren gekroond, en beftempeld met het
woord KoPAr. De ruggeftukken toonen
aan de overwinningen van .Agathokles ,
met zynen naam ATAOOKAEOE:
Koningen van Peonien.
Van het Koningryk van Peonien is
ons, ter ftavinge van deszelfs Hiftorie
door de overgeblevene gedenkftukken,
weinig nagelaten, behalven van den
Koning Audoleon, van wien ik een zil-
veren Pronkpenning bezitte, met het
gelaurierde hoofd van Jupiter beftem-
peld, De andere zyde vertoont den
Koning zelven in de gedaante van een
Peonifchen ruiter, ftaande naast zyn
paard ‚ met het byfchrift ATAQAEONTOS.
e eenige weêrgade, welke tot heden
van dezen penning bekend is, wordt
bewaard in de heerlyke verzamelinge
van den Heere Jofeph de France te
Weenen, (o) |
Koningen van Tbracien.
De Koningen van Zbhracien hebben
hun-
(O) Vid, ERASMI FROELICH Notitia elementaris Nue
gaismatum antiguorum Tab, VIII zo. E pag. 43.
VAN EENIGE OUDE PENNINGEN. 433
hunne gedachtenis op koperen munt-
ftukken genoegzaam nagelaten, en wel
voornamelyk Rhoemetalces de eerfte van
dien naam, gevende als Leenman van
het Keizerryk de eere aan den Romein-
fchen Keizer Augustus , door zyne mun-
ten, ten bewyze van onderdanigheid,
met het hoofd van dien Keizer te be«
ftempelen, Ik bezitte die alle, zoo met
de afbeeldfels- van den Keizer alleen,
als te gelyk van de Keizerinne Livia.
Tot nu toe heeft men by de oudheid-
kundigen noch geenen volkomen ge«
denkpenning van den Koning Rhoeme-
talces den II ontmoet, doch dezelve is
thans in myne penningkasfe, met des-
zelfs afbeeldfel, en dat van den Keizer
Cajus Caligula, wiens Leenman hy
was (p).
IV. DEEL. Ee Het
(p) Dezen zonderlingen gedenkpenning, den ee=
nigen die volkomenis, zoo veel bekend is, heb ik
bekomen uit de penningkasfe van den Heer Herman
van der Horst, in zyn leven Bedienaar van het God-
Iyk Woord te Schoonhoven, die, te Smyrna ver=
fcheidene jaaren den Predikdienst waarnemende, en
zeer wel bedreven zynde in de Griekfche oudhé=
den, aldaar een goeden voorraad van penningen
hadt vergaderd, welke Hy, by zyn leven, aan my
heeft overgelaten. ter vermeerderinge van myne,
Muntkasfe.— De Heer HAVERKAMP maakt, in
Zzyne
434 — P. VAN DAMME BERICHT
« Koningen wan. Bosphorus.
Het is zeer moeilyk de volledige op:
volginge der Koningen van. Bosphorus
door de overgeblevene gedenkpenningen
aan te wyzen, De Koningen van dat
ryk; onder % juk van ’t Romeinfche ryk
gebracht zynde, hebben, even als die
van ‘Fhracien, hunne munten beftem-
peld met de beeltenisfen van de Keizers,
waaf onder zy regeerden, Ik bezitte,
agen sro nij en ge-
kpenning van « oning Ahefcu-
poris, die onder den Keizer Hadrianus
regeerde, met het jaargetal FM®‚, zynde
het jaar 545 naar de tydrekeninge van
dat ryk, Deze penning, van yzerach-
tig zilver geflagen „is door de voornaam-
fte Schryvers over de Bosphorifche Ko-
hingen nooit uitgegeven geworden (q).
AFRI-
zyne Algemeene Hiftorie , daar Hy handelt over
de Koningen van Thracien, van dezen zelfden
gedenkpenning eenig gewag— Men vergelyke _
M., CARY Hiftoire des Rois de Thrace (à Paris 1752) pag.
70 Pl. HT no. 11. f
_(q) Onder die Schryvers moet vooral geteld wor=
den Mm. CARY, Hiftoire des Rois. du Bosphore Cimmerien
Ge. à Paris 1752.
í
VAN EENIGE OUDE PENNINGEN, 435
AFRICA.
Koningen van 4Egypten.
_ De Gedenkpenningen der Koningen
van ZEgypten, welke in alle de drie
metaalen zyn overgebleven, leveren ons
eene fchoone opvolginge van dezelven,
Van de weinige gouden pronkpennin=
gen, die aan ons zyn nagelaten, en van
welken reeds gefproken is in de aantee-
keningen onder de detter (h), zyn wel
de meesten tot de Zgyptifche Konin«
gen behoorende, In myn kabinet be-
rusten, onder andere, vyf ftuks onder«
fcheidene gouden Pronkpenningen, be-
treffende de Koningen van Agypten.
JOH. FOY VAILLANT heeft, ín zyne
Hifloria Ptolemaeorum , maar eenige
daar van konnen uitgeven. Dus is ’
ook gelegen met de overige Schryvers;,
waarom ik de noch onuitgegevene hier
benevens late volgen.
_ Tot nu:toe zyn twee onderfcheidene
gouden pronkpenningen wan de Konin-
ginne drfinoë , bygenaamd Philadelpbi,
_ bekend; de eenemet de jaarrekeninge®,
zyhde het negende jaar «der :regeringe -
van Ptolemaeus Philadelphus,, vd liihee
met de jaartellinge «, aanduidende het
| Ees twin-
436“ P, VAN DAMME BERICHT
twintigfte jaar, In myn kabinet bevin-
den zich noch twee onderfcheidene gou-
den Pronkpenningen van dezelfde Ko-
ninginne, met de jaartellinge A, ’twelk
is het dertigfte jaar der regeringe van.
gemelden Koning. Ik heb goedgevon-
den eenen van dezelven door eene kun-
dige hand te laten afteekenen en op de
Penningtafel No. IL aftebeelden,
Noch bewaart myn kabinet den on-
uitgegevenen gouden Pronkpenning van
den Koning Ptolemaeus Philopator , be-
nevens de gemelde {tukken van de Ko-
ninginne Arfinoë, overheerlyk bewaard,
en. met andere over korten tyd van
Conftantinopelen overgezonden. De-
zelve is mede op de -Penningtafel int
koper gebracht No, II.
Koningen van Numidie en Mauretanie.
Onder de Koningen van Numidie zyn
de penningen van den ouden Juba by
alle Schryvers- wel bekend geweest;
doch van Koning Juba den jongen be-
zitte ik een zilveren penning, die tot
heden onbekend is gebleven. Opide-
eene zyde is deszelfs borstbeeld #€ zien,
en op de rugzyde een olifant, - if
| | 0
VAN EENIGE OUDE PENNINGEN, 437
Ook berust in myne muntkasfe een
penning van den Moorfchen Koning
van. Mauretanie, door den beroemden
G. CUPER (r) uitgegeven.
GROOT ASIEN.
Koningen van Syrien.
De Koningen van Syrien geven niet
alleen eene volkomene opvolginge: van
hunne overgeblevene gedenkpenningen,
maar deze vertoonen teffens de volmaakt.
fte fchoonheid, teekening en pracht,
die ons van de Grieken is -nageble-
ven (S). „APO
In myne verzamelinge bevinden zich
elf ftuks onderfcheidene zilveren pronk-
penningen van den eerften Koning Se-
“Leucus , van welken wpa ea
niet zyn uitgegeven ; en vyfenvyftig
EMail van de drie terite Konin:
gen, die den naam van „Antiochus ge:
Ee 3 voerd
«_(r) Iz Disfert, de Elepbantis in Nummis obviis , inferta
Novo Thefauro Antiguitatum Romanarum A.H. de Sa-
lengre, Tom. Ill pag. 134.
… (s) In myn kabinet is eene zoo volledige en wel
bewaarde opvolging van de Syrifche Koningen , eri
wel inzonderheid van de fraaijfte zilveren Pronk-
penningen, als men misfehien t@ vergeefs in eenig
ander zal konnen aantreffen, es
433 _ P. VAN DAMME BERICHT
voerd hebben. De liefhebbers der pen-
Bingkunde hebben veel moeite gehad
om de gedernkpenninger vam deze drie
Koningen te onderficheiden, De zwa-
righeid kan nu merkelyk worden opge-
lost, nademaal onlangs drie ftuks: even-
gelyke zilveren pronkpenningen ontdekt
zyn, op welke de eerfle Antiochus met
zynen bynaam zeruPoz, Behouder, be-
{kem peld, wordt en. dus van de anderen te
onderkennen is: (t). De twee volgende
engen van dien naam kunnen mede
door den voorraad van myne verzame-
linge hunne nadere onderfcheidinge be-
komen. -
De drie voornaamfte Schryvers, die
de penningen der Syrifche Koningen
befchreven. hebben (u), geven alle fa-
men ee fluks Wd eermmage eh sagen
ronkpenningen op- van Seleucus den
enten heki de le ‚ Callinicus by-
genaamd, _Myne -muntkasfe bewaart
zeven verfchillende ; alle met het ftaan-
de beeld van Apollo met den ve
an
Ct) Deze drie zonderlinge Pronkpenningen zyn
thans te vinden in de Muntkasfen van. D, Fawkener ,
N. Pellerin en van my. DA >
Cu) JOE. FOY VAILLANT , ERASM.. FROELICH „ En
NW, PELLERIN,
VAN EENIGE OUDE PENNINGEN, 439
Van den Koning „Antiochus den IF,
die de bynaamen GEOT, EHIPANOTE, en
ook NIKHPOPOT (v) draagt, zyn tien ver.
fchillende zilveren pronkpenningen in
myne verzamelinge, waar van de voor-
naatnfte door niemand zyn uitgegeven,
De penningen van Antiochus den V;
toegenaamd &upator , zyn de ongemeen.
fte van alle Syrifche Koningen (w), Tot
dezen tyd heeft men van dezen jongen
Vorst, die maar elf jaaren geleefd en
twee geregeerd heeft, flegts eenen en-
kelen zilveren pronkpenning gekend,
die van alle gemelde Schryvers is úitge-
geven, Behalven dien, bezitte ik, in
myn kabinet, noch drie andere, die
my uit Syrien, met eenige andere pen:
ningen by één gevonden, zyn toege-
Be4 zon-
(v) Dat de penningen, waar op Antiochus Ni-
cepharus gemeld ftaat, tot Axtiochus den IV, zeer be-
kend onder den bynaam van Epiphanes, behooren,
is bewezen door den Abt BrrLEY dans !'Hiffoire de
P Acad, des Tafcriptions Tom. XXIX pag. 200 È fdiv.
CW) NIC, FRANC. HAYM, del Tefsro Britanvico,
Volume primo Fogl, 48. °’Non o ancora rincontrato alcuna
Medaglia di quefto Re (Antioco V detto 'ETIIATOPOE)
che non fia fofbetta d'alterazione; esfendochè qualche volta
i falfari, cangiando la parola PIAOIIATOPOE ch’ ap-
„partiene ad Antiaco 1X ne formano quella di ETIIATOPOE
zis maniera tale, ch’ è quaf? imposfible a diftinguere Vingau=
no, ond’ € necesfario d'esfere cauto,
440 « P. VAN DAMME BERICHT
zonden, Ik heb dezelve zorgvuldig la-
ten afteekenen, en, ter befeliadwinge)
op de Penningtafel brengen No. III, V
en V. Van den Koning Antiochus den
Vlis in myn kabinet, behalven ver-
fcheiden’ andere, een ongemeene zilve-
ren pronkpenning met de afbeeldingen
van Castor en Pollux, in het achtíte
jaar van ’t leven van dezen jongen on-
gelukkigen Koning geflagen.
Men heeft nooit in eenige Muntkasfe,
of by de Schryvers, gevonden pennin-
gen van den geweldenaar Zryphon, dan
van het kleinfte foort in koper, en de--
wyl de eenigfte (x) van zilver, die be-
kend is, myne verzamelinge verfiert,
heb ik niet willen nalaten denzelven in
afbeeldinge te brengen, op de Tafel
No. VL ik
Uit deze weinige voorbeelden kan elk
nagaan, hoe veel tot ophelderinge van
de Syrifche Koningen kan worden afge
leid uit hunne veelvuldige penningen,
welke onder my berusten, ” hk
0
“ (x) In het vermaarde kabinet van den Hertog
van Pembroke vindt men eenen zilveren penning
van Fryphor; doch die is, by goed onderzoek, be=
vonden nagemaakt te zyn. «
VAN EENIGE OUDE PENNINGEN. 44E
Koningen wan Commagenes
„De gedenkpenningen der Koningen
van Commagene, voor zoo veel zy over-
gebleven en bekend zyn, zyn alle van
koper, en in myne penningkasfe ge:
noegzaam alle te vinden, en daar onder
eenige, welke VAILLANT En PELLE-
RIN nief hebben in * licht gegeven,
Koningen van Parthien.
De Parthifche Koningen leveren ons,
door hunne overgeblevene munten ; ee-
ne tamelyke opvolginge van dat ryk.
Die penningen zyn genoegzaam alle van
zilver en van een klein foort, uitgeno-
men eenige zeer weinige pronkpennin-
gen, waar van myne verzameling ook
voorzien is, De bynaamen der Konin-
__gen en de jaarrekening, welke op eenige
te vinden is, {tellen ons in ftaat-om de
opvolginge van die Koningen op te ma-
ken (y). —
Koningen van Perfien,
Tot ophelderinge der Koningen van
| Ee 5 Pers
(y) Vergel. Memoires de! Acad, des Tufériptions Vol.
XXII pag. 671684.
442 P. VAN DAMME BERICHT
Perfien zyn zeer weinige penningen
overgebleven , terwyl dan noch het
grootte gedeelte behoort tot Koningen,
je geduurende de tweede Monarchie
gerend hebben. Hunne zilveren en
operen gedenkpenningen, die voor
handen zyn, zyn tegenwoordig een ge-
deelte van de oplettendheid der heden-
daagfche geleerden en verzamelaars van
oude penningen geworden, gelyk de
kabinetten van Weenen (z), van den
Heer MM. Duane te Londen (a), als me-
de van de Heeren MN. Pellerin en M. d’
Ennery te Parys (b) doen blyken. Ook
myne Penningkasfe bewaart eenige van
_ deze munten, Fenl
Koningen van Edesfa en Osrhoëne.
De Koningen van Edesfa en Osrhoëne
leveren ons, onder de Romeinfche
Keizers: Commedus, Septimius Severus,
Gordianus Pius enz, verfcheidene ko-
pere
CZ) Vid, B FROELICK, zotitia clementatis Numismatum
Tab, XIV pag. 177-
Ca} Conf. TH. HYDE Hifdoria Religionis veterum Per=
farum , edit. fecunda Londini 1760. k
bi) N. PELLERIN troifieme fapplemeut de recueil des
Medailles de Rois, de Peuples & de Willes „ Planshe Ip. 4Q.
VAN” EENIGE OUDE PENNINGEN. 443
munten, welke meest alle in: myn
arr ire vinden zyn (cX
Koningen van Arabien.
Van de oude Arabifche Koningen
heeft men geene gedenkpenningen tot
nu toe ontdekt, dan van Aretas.
_ Koningen van Palmyre.
Onder de munten der Koningen van
Palmyre heeft men voor handen gedenk-
ftukken van de bekende Koninginne
Zenobia,. In myn kabinet is een zon-
derlinge gedenkpenning (d) van die Kos
ninginne, in °t vyfde jaar van haare re-
geeringe geflagen, van koper van de
middelmatige grootte, welke over eeni-
e jaaren in den omtrek van het oude
almyre is gevonden,
Koningen van Judaeca,
__ De overgeblevene gedenkpenningen
der Koningen van. Judaea:, die noch vaor
CC): Men zie hier over het fehoone werk van
THEOPH. SIGEFR, BAJERUS, Hifforia Osrhoena et Edesfe-
na, ex _Numis illuftrata , Petropoli 1734.
(d) Dezelfde penning is afgebeeld by sEGuINus,
Select, num, Antig. pag. 75. Edir. I684.
444 -P. VAN DAMME BERIBHT -
handen zyn, zyn van koper, waar van
een redelyk aantal in myn kabinet be-
waard wordt.
KLEIN ASIEN,
Koningen van Afien.
Van Antigonus, Koning van Afien,
werden van tyd tot tyd eenige zeer wei-
nige heerlyke zilveren pronkpenningen
ontdekt, Ik heb het genoegen drie ver-
fcheidene daar van in myne verzame-
linge te bewaren. By SPANHEIM (©)
en anderen vindt men eenen enkelen
penning van dezen Koning. PELLERIN
heeft de meeste, dat is twee. FROELICH
heeft ?er ook twee opgegeven , doch van.
welke alleen de eene wezenlyk van de-
zen Koning is, zynde de andere van.
Antigonus Gonatas.
Koningen of Vorften van Karie,
De Vorften van Karie hebben, naar
t klein getal der genen die geregeerd
hebben, eenige opvolginge in meest
kleine zilveren munten aan ons wa
a-
(e) De U & P. Num, Tom, I pag. 438.
VAN EENIGE OUDE PENNINGEN. 445.
laten. Behalven meer andere, bewaart
myne Muntkasfe eenen zilveren Pronk-
penning van den vorst Mausfolus met zy-
nen naam en het ftandbeeld van Jupiter,
en met het lettermerk ME. Alzoo deze
penning by de fchryvers onbekend is
gebleven, heb ik denzelven, naar het
oorfpronglyke, laten afteekenen. Zie
de Tafel No, VIL,
Koningen van Pergamus.
Alle de Koningen van Pergamus heb-
ben op hunne penningen den naam van
Philetaerus, die de eerfteftichter van dit
ryk was. Behalven de koperen munten
van deze Koningen, zyn in myn kabi-
net veertien onderfcheidene zilveren
Pronkpenningen, waar van men de
weergade in eenig käbinet, of by de
fchryvers die over dezelve gehandeld
hebben, vruchteloos zal zoeken,
_ Koningen wan Bithynie.
De Koningen van Bithynie hebben
hunne nagedachtenis bewaard op gou-
den, zilveren en koperen gedenkpen-
ningen, onder welke vooral in aanmer-
kinge komen die van Nicomedes, den
eer-
446 P. VAN DAMME BERICHT
eerften, tweeden en derden van dien
naam, als mede van Prufias den 1 ena13
waar van een goed gedeelte door my
bewaard wordt,
Koningen van Pontus.
Van de Koningen van Pontus zyn
zonderlinge en zeer zeldzaame zilveren
Pronkpenningen bewaard gebleven met
hunne jaarrekeningen; welke genoeg-
zaam alle zyn van den grooten Mithri-
dates, den zesden van dien naam en
laarften Koning van het Pontifche ryk.
Drie onderfcheidene van dezen Koning
worden in myne verzamelinge gevon-
den (f).
Koningen van Kappadocie.
De Koningen van Kappadocie, en wel
voornaamlyk zy, die den naam van
Ariarathes (2) en Ariobarzanes gevoerd
hebben, geven ons , door hunne gedenk-
penningen, eene redelyke opvolginge
| van
(f) Op-alle-deze Pronkpenningen wordt de naam
van den Koning Mithridates gefchreven MIOPÁ-=
AATOT:
(s) Men begint, met âlle zekerheid, met den
Koning Ariarathas Eufebes V.
VAN EENIGE OUDE PENNINGEN. 44
van hunne regeringe, Vyftien zilveren
penningen, alle van malkanderen onder-
fcheiden, zyn in myn kabinet, als me-
de de zonderlinge zilveren en-
ning van den Koning Archelaus, in het
twintigfte jaar van deszelfs regeringe ge-
flagen (h).
… Eer ik van de Koningen affcheide,
moet ik noch kortelyk melden, dat men
noch verfcheidene gedenk penningen van
andere ryken heeft, als van de Wanda-
len in Africa, van de Koningen van Ga-
latien in Afien, van de Gosbhen in Ita-
lien, en meer andere, Van de -4rabi-
Jehe munten en de gedenkpenningen van
de Vorften en Califs van Arabie is een
goede voorraad in myn kabinet voor
—handen , waar onder ook de ongemeene
gedenkpenning van Saladin gevonden
wordt, en welke mede berust in de ver-
maar-
(HI) EZ. SPANHEIM, JOH. FOY VAILLANT en y.
HARDUIN, die over dezen zeldzaatnen gedenk pen-
ming gefchreven hebben, zyn vergist in de lezinge
van denzelven, want in plaats van den bynaam
PIAOTIATOPOE leest nen SIAOTIATPIAOES zyn-
de die misflag veroorzaakt door het groote om-
Schrift, ’twelk op dezen penning gevonden wordt,
weshalven de letters, als te fterk in één gedron-
gen, wegens het klein beftek, by de bovengemel=
de Schryvers op kwalyk bewaarde penningen, al=
dus verkeerd gelezen en uitgelegd. zyn,
448 _P. VAN DAMME BERICHT
maarde Penningkasfe van den Koning
van Frankryk (i), Behalven veele an-
dere, berusten, in myne verzamelinge,
de voornaamfte penningen der nieuwe
Arabifche Vorften , welke in de befchry-
winge van Arabie door C‚ NIEBUHR als
onleesbaar gevonden worden en door
dien fchryver op zyre geleerdereize ver-
zameld zyn ; maar die door behulp van
myne muntkasfe ten vollen kunnen op-
gehelderd worden. |
Op de Koningen late ik volgen de
vermaarde Vorften, als mede de be-
roemde- Mannen en Vrouwen.
Vermaarde Vorflen.
| Annibal, |
Onder de eerstgenoemden bevindt
_ zich „Annibal, zoo berucht in de onlus-
ten van Karthago. Deze penning is
van zilver met een Punisch opfchrift,
Deze zeldzaame gedenkpenning is, met
eenige veranderinge , mede te SED
et
(D Deze ongemeene gedenkpenning is uitgege-
ven door den Heer AND. MORELL in deszelfs Speci=
sen rei Nummariae antiquae Tom. 1 Tub, XXIII pag. 239
et feq. edit. Lzpfiae T695.
VAN EENIGE OUDE PENNINGEN. 44
het beroemde kabinet van den Hertog
wan Pembroke te Londen (k).
Beroemde Manten en Vrouwen,
Pythagoras.
Onder de beroemde en geleerde Man:
nen, van welken genoegzaam geene o
zeer weinige gedenkpenningen voor han-
den zyn, bewaart myne Penningkasfe
eenen van den bekenden Wysgeer Py=
thagoras, welke tot zyne gedachtenis
door die van Samus is geflagen. De-
zelve is van koper van de eeríte groottes
Ovidius.
De penning van den vermaarden Dich:
ter Ovidius wordt, als eene van de on-
gemeenfte in deze opvolginge, in myne
verzamelinge bewaard, Hy i$ van kos
per, en door de Grieken tot zyne ge«
_ dachtenisfe geflagen (I).
“IV. DEEL, er HE Ik
(K) N. F. HAYMs del Teforo Britannico , volume Pris
mo, fogl. 143. *
(D) Voor den Nederlandíchen Lezer zal het ge=
noeg zyn te melden, dat de oorfpronglyke aftee=
kening van het kopftuk van Ovidius naar dezen
gedenkpenning gedaan is door den beroemden kon=
Te
„
450 Ps VAN DAMME BERICHT
Julia Procla.
Ik bezitte in myn kabinet een kope-
peren -gedenkpenning van Ju/ia Procia,
door die van Mytilene tot haare eer ge-
flagen. Men vindt by de fchryvers gee-
ne volkomen zekerheid, wiezy geweest
is (m). Het is echter genoegzaam op
te maken, dat zy eene vermaarde vrou-
we was, gelyk de rugzyde van dezen
ongemeenen penning, waar op Apollo
met zyne harp is afgebeeld, genoeg te
kennen geeft. De Mytileners hebben
de gedachtenisfe van vele roemruchtige
vrouwen met penningen vereeuwigd, ge-
yk ook verheldert van de geflachten
der eerfte Romeinfche Keizers, als van
Julia, dedochter van Augustus, Aerip-
pina, de vrouwe van Germanicus, Dru-
fillaen Julia, de zusters van Caligula ,
en andere, zò
ftenaar Bersard Picart, en geplaatst is op de titel«
plaat van de heerlyke uitgave van de Gedaantewis-
felingen van dezen Dichter, te Amfterdam in ’t jaar
1732. |
De Latynfche Lezer vergelyke E‚ SPANHEIM de
U. & P. Numism. Tom. I. pag. 53 Ô 54.
(im) Zie SPANHEIM Á c. pag. 711» 712) @* SEGUI=
NUS elect, Num, antig. pag. 73, 74» die ook een pen«
ning van Julia Procla opgeeft, doch welke veríchilt
«yan den door my gemelden,
VAN EENIGE OUDE PENNINGEN. 45f
Indien myne geringe arbeid met eenig
genoegen ontfangen wordt, zal ik eene
tweede afdeelinge van myne Penning-
kasfe laten volgen, behelzende de Grieke
fche fteden, gelyk ook de Keizerlyke
en haare Coloniën. De derde en laatfte
afdeeling zal alleen handelen van de La-
tynfche penningen der Romeinen, zoo
Burgemeesterlyke als Keizerlyke ; welke
laatfte afdeeling voor den Nederland«
fchen Lezer wel het voornaamtfte zyn zal ,
zoo om dat men daar van eenige meere
dere kundigheid over % algemeen ‘heeft,
als om dat ik daar in myne beloften ze
volbrengen omtrent de overgeblevene
Romeinfche penningen, hier in Neder-
land gevonden, waar van de voornaam-
fte door de Hiftoriefchryvers tot nutoe
weinig zyn bekend geworden,
Eindelyk noodige ik alle Geleerden
uit, die eenigen lust en kundigheid be«
zitten, om ten algemeenen nutte ge-
bruik te maken van-mynen Penningfchat.
Hier door zouden meenigvuldige fraaije
zaaken, die noch vabbeend zyn, aan
*licht konnen gebracht worden tot
groot genoegen van alle Geleerden,
niet alleen in Nederland, maar zelts in
geheel Europa, ’t welk in een kort be-
452 -P. VAN DAMME BERICHT Enz.
richt, gelyk dit is, niet gevoeglyk kon
gefchieden. . De Heer N. PELLERIN
heeft in weinige jaaren alle onuitgegeve-
ne of weinig bekende penningen uit zyn
voornaam kabinet laten uitgaan, Ik be-
zitte in myn kabinet duizend en meer
gedenkpenningen, die by alle Schryvers
en den Heer PELLERIN tot heden on-
bekend zyn gebleven: zoo iemand ge-
zind is, in ’tfpoor van dien kundigen
liefhebber der oude penningen te treden,
en daar toe mynen ryken voorraad te
gebruiken, dan zal myn wensch voldaan
Zyn, en ik zal myn oogmerk, in
fchryven van dit Bericht bedoeld, be-
reikt hebben.
PSY:
kap
ze
Deel, bl
Genoolt
zá
e
Ll NSC
van &
Pen
ervtarn
x
fe ns
Se
SN She, ae ct
„Bladz. 453
PSYCHOLOGISCHE
E N
MORALISCHE AANMERKINGEN
OVER HET - VERBAND.
VERSTAND en WILLE,
FW PARIS
Gl He Ke lire ft Re Hp ie Ee
De Volmaaktheid heeft haaren grond
inde Eenheid, Zal ?er Volmaakt-
heid, Order en Harmonie in de Ziele
Zyn, zo moeten alle haare vermogens en
werkingen zich in een grondbeginfel laa-
„ten ontbinden. Men eigend aan de zie-
Je verfcheide krachten toe; zo is de ge-
woone manier van fpreeken, maar zy
ds niet nauwkeurig, Daar is maar eene
kracht in elke zelfftandigheid ; waren
alle veranderingen , die men in haar ge-
Ef 3 waar
454 YW. PARIS OVER °T VERBAND
waar wófd, ván diezelve kracht niet af-
hanglyk, zo zou men meer en van el-
kanderen onderfcheide krachten moeten
ónderftellen , en men had dan niet eene,
maar meer zelfftandigheden, De Ziele
beeft eené kracht óm zich gadken woorte-
flellen. Dit is haare Grondkracht, het
eerfte beginfel van al watze kan en ver-
mag, de brón; waáruit alles kan afge-
eid worden, wat wy van haar door de
ondervinding weeten en zeggen konnen,
met een woord, het Wezen der Ziele.
Alle getalen beginnen van de Eenheid,
en zy konnen tot de Eenheid te rug ge-
trokken worden, Deeze kracht is dat
eene in de Ziele, waaruit de ganfche
fomme van haare vermogens en werkin-
gen kan opgemaakt, en waarin dezelve
wederom kan ontbonden worden, Zy
is âls het middelpunt in een Cirkel, Uit
dit punt loopen alle linien na den om-
trek, en van daar keerenze tot hetzelve
pent te rug.
_Deéze voorftelling van zaaken gefchied
_in de Ziele niet op dezelve wyze, als in
eên fpiegel, De Ziele houd zich hier
meer werkzaam dan lydelyk, Zy
be doot haare eige kracht denkbeel-
den voort, die eene overeenkomfte heb:
en
VAN VERSTAND EN WILLE, 455
ben met de voorkoomende zaaken.-. Zy
begint met begrippen van enkele din-
gen, dieze met elkanderen vergelykt;
zy verbind, zy fcheid, zy verdeeld,
ze maakt foortenen geflachten, ze komt
van byzondere tot algemeene begrip-
pen, ze oordeeld van de hoedanigheden
der dingen, zetrekt gevolgen , ze maakt
befluiten, en diergelyke. Deeze wyze
van doen noemd men het Verftand, en
als het verftand iets voorfteld, dat goed
of kwaad is, zo word eene neiging of
afkeerigheid , eene begeerte of tegenzin
veroorzaakt. Het vermogen der Ziele,
om zich tot iets teneigen, of haare nei-
gingen te rug te houden, iets te verkie-
zen, of te verwerpen, word de Wille
genaamd. Beide Verftand en Wille
hebben in de kracht der Ziele, waar-
door zy zich zaaken voorfteld, haaren
grondflag. Zy zyn niets anders, als ver-
fcheide werkingen, inrichtingen , beftem-
mingen of om een konstterm te gebrui-
ken , die al zo nadruklyk is, modificatien
van de voorftellingskracht der Ziele,
… Dit zo zynde, zo zynze beide ook
zeer nauw onderling verbonden, Inhet
Verftand ligt de wortel, waaruit de
Wille voortfpruit, en de wille fchikt
Ef 4 __zich,
456 J.W. PARIS OVER °T VERBAND
zich, en is werkzaam volgens de denk:
beelden en begrippen, die het verftand
aan de-hand geeft. Zonder het verftand.
kan ’er geen wille zyn, en waareen daa-
delyk willen is, daar moeten verftands
voorftellingen voorafgaan. Hetgeen men
niet kend, kan men niet willen en be-
geeren, Dit behoord tot die pfycholo-
_gifche waarheden, die geen betoog no-
dig hebben; zy zyn klaarblyklyk door
onlochenbaare …ondervindingen, Zgnoti
nulla cupido.
Dit Verband van Verftand en Wille
heeft echter alleen plaats in moralifche
dingen. De wille word niet geneigd en
beweegd door voorftellingen van aller-
lei aard zonder onderfcheid , maar al-
leen door zodanige, die de zedelykheid
der zaaken betreffen, Veele dingen zyn
aan en voor zich zelve voor den wille
onverfchillig ; hoe wel en nauwkeurig
die ook mogen gekend worden, hy
blyft in ruste, werkeloos, zonder ge-
voel en beweeging, zo lang ‘er niets in
gezien word, hetgeen als verkieslyk of
verwerpelyk zou mogen gehouden wor-
den. Maar zo dra eene zaak zich ver-
toond als goed of kwaad, recht of on-
recht, betaamlyk of onbetaamlyk;, nut-
| tig
VAN VERSTAND EN WILLE. 457
tig of fchadelyk, dan raakt de wille in
beweeging , en word bepaald tot zo ee-
ne gefteldheid, die aan de hoedanigheid
van het voorwerp beantwoord, hy ver-
kiest of verwerpt, en heeft meer of min-
der neiging en afkeerigheid , naar maa-
te hetgeen tot het zedelyke behoord in
een meerder of minder trap in de zaake
gevonden word, Deezen zedelyken in-
vloed van het Verftand op den Wille
ziet men in alle moralifche handelingen,
en dewyl hier de werking van den wille
het gevolg en de uitflag is van het voor-
afgaand oordeel des verftands, zo kan
men dit verband een nexus logico-mora-
lis noemen, Daar ligt in elk zedelyk
voorftel, zo niet uitdrukkelyk, ten min-
ften ingewikkeld, eene Logifche fluitre-
den, die „uit voorafgaande of onderftel-
de praemisfen afgeleid word. Het Ver-
ftand geeft de praemisfen,de Wille maakt
de Conclufie, Dit is zo gegrond op re-
deneerkundige wetten en regelen, dat
de Wilie nooit iets begeeren of verkie-
zen zal, of het moet zich op de eene of
andere wyze als goed en begeerlyk voor:
doen, het zy, dat het in der daad zo
is, of dat het ons zo voorkomt. Het
kan zyn, dat zich de Ziel in haare voor-
458 7. W. PARIS OVER ’T VERBAND
ftellingen misgrypt, en van goed en
kwaad niet behoorlyk oordeeld, de
Wille kan doch zelfs het kwaade niet
willen, als onder den fchyn van het
goede,
Die een zeker inwendig Zedelyk Ge-
woel willen invoeren, en hetzelve hou-
den voor het allereerfte grondbeginfel
der zedelyke waarheden en verplichtin-
gen, begrypen de zaaken op eene an-
re wyze: Wat men tot hiertoe ge-
zocht heeft in het erkentenis vermogen ,
en in het oordeel van het verftand en de
reden, dat heeft men federt eenigentyd
willen zoeken in een inwendig, het zy
aangenaam of onaangenaam gevoel , even
als of de Ziel by het eerfte voorkoomen
van zaaken aanftonds gevoelde, wat
goed of kwaad is, en wat wy te doen
en te laaten hebben , zonder dat het ver-
ftand en de reden daaraan eenig deel
hebben, of ons met haare verlichtingen
voorgaan. De vraag is niet, of eene
welgeftelde Ziel, by een redelyk bezef
van het fchoone, edele en betaamlyke
van. voorkomende zaaken en handelin-
gen „eene inwendige , ftille en vergenoe-
gende , en daarentegen op het gezicht
en bezef van het onbetaamlyke , laage
en
VAN VERSTAND EN WILLE. 459
en fchandelyke van ondeugende dingen
en bedryven, eene tegengeftelde , onge«
noegen en afkeerigheid baarende, aan-
doening gewaar worde, en of men dee-
ze aandoening een zedelyken fmaak, of
een zedelyk gevoel zou mogen noemen.
Hierover kan geene bedenking vallen,
Zo een zedelyk gevoel behoorde een ei
genfchap te zyn vanalle Zielen, die wel
denken, en het is een kenmerk van een
teder en door de indrukken van goeden
kwaad levendig getroffen gemoed , alle-
zins dienende, om tot deugdzaame ge-
_zindheden en bedryven behulpzaam te
zyn. De Moralisten konnen geen werk
genoeg maaken, om dit zedelyk gevoel
in de harten aller menfchen te verwek-
ken en levendig te houden. Maar de
wraag iss of ’er een zedelyk gevoel is,
eene inwendige bevindingen als’ waare
zesde zin, die re ene by elk
mensch, in zo ver hy een moralisch
wezen is, gevonden word, die door het
redelicht zyn beftaan niet heeft, en van
alle duidelyke verftands voorftellingen
onafhanglyk is, en waardoor we aan-
ftonds gevoelen, wat zedelyk goed en
kwaad, en wat recht en plicht is, Een
gevoel derhalven, dat, als het eerfte
4 grond:
460 J. W. PARIS OVER °T VERBAND
grondbeginfel van alle zedelykheid zich.
niet verder laat ontbinden , zyn verbin=
dend gezag niet van elders ontleend,
maar in zich zelven heeft, en de eenige
en waare regel is, naar welken wy onze
daaden inrichten, en van haare zedely-
ke goedheid of kwaadheid oordeelen
moeten, ad
Dit nieuw zedekundig gebouw is in
zyne eerfte grondflagen ontworpen door
den bekenden Engelfchen Graaf SCHAF-
TESBURY ; verfcheide zyner Landslieden
hebben het verder willen verbeteren en
volmaaken, en deeze hebben ook hun-
ne navolgers in ons Land gevonden, die
echter geenzins ongemoeid gelaaten wor-
den. De Heer veTscH, Lid van de
Hollandfche en Zeeuwfche Maatfchap-
pyen der Wetenfchappen, heeft de wa-
penen opgevat, om de Begunftigers van
dit Engelsch /yfferma manmoedig te be=
ftryden. De ftryd begint gerucht te
maaken, en. dit fchynt aan de Heeren
Curatoren van het Stolpiaansch Legaat
aanleiding gegeeven te hebben, om. on-
langs deze prysvraag voorteftellen: Si-
ne homini innatus aliquis fenfus, quo di-
vigatur ad dignoscendum „ et impellatur ad
faciendum bonum morale? -dat is, Regt
| e
VAN VERSTAND EN WILLE. 461
de vertaaling in den Boekzaal van Febr,
1772, of in den mensch een ingefchaapen
zin of zedelyk gevoel plaats hebbe ‚ waar-
door hy beftuurd worde ter onderfcheiding,
en aangefpoord ter verrichting wan het
gzedelyk goed? Wy verwachten dan op
deeze uitnodiging, dat dit vraagftuk met
alle nauwkeurigheid onderzocht, en in
een behoorlyk licht zal gefteld worden.
De zaak verdiend het ook, en daar is
veel aangelegen , als het op zedelykheid
en pligt aankomt, dat men weete , waar
men zich aan houden moet, of aan een
inwendig gevoel, waarvan men geene
reden kan geeven, dan dat gevoel zel.
ve, of aan gronden, die uit de natuur
der zaake, en eene beredeneerde Theorie
opgehaald worden,
Na deezen uitftap keeren wy weder
tot den weg, dienwe hadden ingeflagen,
Het Verftand gaat voor, de Wille volgd.
Goed en kwaad zyn dingen, die niet
onder een begrip vallen konnen. Ze
zyn in haar eigen wezen zodanig onder-
fcheiden, dat wy van het eene niet kons
nen denken, hetgeen wy van het ande«
re denken moeten. Het Verftand moet
de uitfpraak doen, en oordeelen wat
goed en kwaadis. De Wille moet zich
| aan
462 J.W. PARIS OVER °T VERBAND
aan dat oordeel onderwerpen, zynenei-
ingen, begeertens, voorneemen en be-
luie daatna fchikken, en zich daadvaer-
dig toonen, om het goede te verkiezen
en te doen, het kwaade te verwerpen en
te laaten, Dit ís de algemeene wet der
waarheid en zedelykheid, Wanneer de
Wille zich in die paalen houd, en onze
daaden en verrichtingen aan die wet ge-
lykformig zyn, dan zyrze gelykformig
aan dereden, zy zyn dan recht en goed,
draagende het merk van eene zedelyke
goedheid , en dezelve in haare echte ge-
daante vertoonende. Naar maate dit ver-
band van Verftand en Wille in goede
order gehouden en bewaard word, zul-
lenwe ook aan onze zedelyke verpligtin-
gen yveriger en getrouwer beantwoor-
den.
Ondertusfchen, als wy de ondervin-
ding raadpleegen , zo gaat het zo niet,
gelyk het behoorde, en wy zien maar
al te klaar, dat op de banden, die den
Wille «onder ‘het gebied der reden ge-
fteld ‘hebben, op menigerhande wyze ge-
weld en inbreuk gedaan word, Wy
‘hooren eene van lieide raazende ME-
DEA by OVIDIUS:
dens
VAN VERSTAND EN WILLE, 463
Mens aliud fuadet. Wideo meliora, proboque,
Deteriora fequor,
Men denke echter niet, dat deeze taal
op zich zelve eene raazerny is; ’t zyn
woorden, die wy allen met een bedaard
gemoed konnen nafpreeken, Op dezel
ve wyze is het by ons gelegen in veeler-
lei gevallen. Wy zelven zynde MEDE-
AAS, die het voorfchrift van ons ver-
{tand zo dikwyls onnut maaken door
de verkeerde neigingen van onzen wil-
le, Waar komt dit van daan, en wat
is de oorzaak van deze wanorder?2 Dit
vereischt een nader onderzoek ‚ Een leid
ons tot de bron en oorfpronk van die
groote verdorvenheid, die Wy in ons
gewaar worden, en waardoor de onder:
gefchiktheid, en alle goede harmonie en
overeenftemming, die in de Ziele en
aare vermogens behoorde plaats te
hebben, wechgenomen en vernietigd
word,
Zou de mensch ook twee Zielen heb:
ben ? eene goede en eene kwaade Ziel,
eene, die hem tot het goede, en eene,
die hem tot het kwaade aandryft, Zie.
len, zo vyandig tegen elkanderen, en
€
464 J. W. PARIS OVER ’T VERBAND
de eene wil, wat de andere niet wil , en
altoos kryg voerende, om elkanderen
het bewind te betwisten , even gelyk de
“twee Godheden van ZOROASTER,
Daar was een tyd, dat men aanelk ver-
fchynzel een byzonder en eigen beginfel
wilde toeeigenen ; men geloofde daarom
ook , dat de zedelyke verfchynzelen , in
welke men zo dikwyls eene tegenftry-
digheid ontwaar word, niet konden ver-
klaard worden, dan door de vooronder-
ftelling van twee zulke Zielen in een en
denzelven mensch, Waren ’er zulke
twee Zielen niet, en moesten zo veele
verfchillige en tegen elkanderen aanloo-
parce zedelyke verfchynzelen uit eenen
etzelve beginfel afgeleid worden, men
dacht, hoe is het mooglyk, dat ‘er dan
zo eene aankanting en tegenzinnigheid
tusfchen Verftand en Wille zou konnen
plaats hebben, Hoe valsch deeze rede-
neering was, heeft de beroemde Philo-
fooph MOZES MENDELS ZOON in
zyne byvoegzelen tot de brieven over de
bevindingen aängetoond , welk werkje de
Heer PE TSH in ’ Hollandsch overge
zet, en in navolging van den Heer Pro«
fesfor ABBT, die het in ’t Fransch had
vertaald, onder den tytel van es
| BIER
VAN VERSTAND EN WILLE. « 465
zoek der zedelyke Gevoelens uitgegeeven
heeft,
Daar waren ’er onder de oude. W'ys-
geeren, die de zaak beter begreepen, Zy
maakten van de Ziele geen twee zelf-
ftandigheden , maar zy verdeelden haa-
re vermogens in twee foorten, dieze de
hoogere en laagere noemden, Facultates
Juperiores et inferiores. Deeze verdee-
ling heeft haaren grond in de perzoon-
lyke vereeniging van de ziele met een
lichaam, De Ziel van den mensch, als
een geest, of enkel als Ziel aangemerkt;
heeft een verftand en vryen wille; hier-
door is zy verhoogd boven de Zielen
der Dieren, aan welke. geen eigentlyk
verftand en wille kan toegeeigend wor-
den , en daarom noemd men deeze Zielss
vermogens haare hoogere krachten, Maar
de Ziel is ook met een lichaam veree-
nigd, dat verfcheide zintuigen heeft,
op welke de voorwerpen, die onder het
bereik der zinnen vallen, zekere indruk-
ken maaken, waardoor. de beelden der
zinlyke dingen tot de Ziel overgebragt
worden, De kracht der Ziele, om door
middel van de zintuigen zinlyke voor-
ftellingen voorttebrengen, die zinlyke
neigingen en begeertens tot een gevolg
IV, DEEL. Gg heb»
466. J.W. PARIS OVER °T VERBAND
hebben, is haare Jaagere kracht, om dat
zy hierin niets vooruit heeft voor de
Dieren „die ook eene Ziel hebben, en
in dezelve zinlyke voorftellingen en nei-
gingen, maar geen vermogen, om zich
redelyke voorftellingen te maaken, en
haare neigingen naar dezelveinterichten,
Dit kan de Ziel van een mensch doen ;
maar: neemtze geene hoogere vlugt,
blyftze maar aan zinlyke voorftellingen
en neigingen hangen, en is deeze zin-
lykheid het Hoofd-Element, waarin ze
leeft en zich beweegd, zo doed ze niet
meer, dan by onvedelyke Dieren gevon-
den word, Deeze konnen niet anders
handelen als naar zinlyke denkbeelden;
in dien omtrek is hun vermogen befloo-
ten, het ftrekt zich niet verder, en
daarom kan het hen ook als geen mis-
flag worden aangerekend, datze alleen
naar zinlyke indrukken te werk gaan;
daar in tegendeel de Ziel van den
mensch, naar de wyze der Dieren han-
delende, zich aan eene ftrafbaare laag-
heid fchuldig maakt , om datzeeen hoo-
ger vermogen heeft, |
De Zinlykheid is echter aan en voor
zich zelve de werkende oorzaak niet van
die wanorder , die wy in de Ziele gie
\ é ; e ded
VAN VERSTAND EN WILLE, 46}
dekken, zy geeft ’er alleen sir
en gelegenheid toe. Daaris geen kwaad:
in gelegen, dat wy aan zinlyke voor-
werpen denken, en ons van dezelve
voorftellingen en begrippen maaken,
Kan niet anders zyn, of de Ziel, die
met een lichaam vereenigd is, moet de
voorwerpen; die op de zintuigen wer=
ken, bevinden, en zo gewaar worden,
als ze zich aan haar vertoonen. Maar
in die gewaarwordingen is noch veele
donkerheid en verwarring. De zinnen
ftellen ons de zaaken niet voor, gelykze
in der daad zyn, ze leveren ons maar
verfchynzelen, welker gedaantens en
vertooningen geene wezentlykheid heb-
ben, dan in onze inbeelding. Willen
wy door dien fchyn niet misleid en be-
drogen worden, wy moeten de zinlyke
bevindingen aan het oordeel des ver-
{tands ter toetfe brengen, alles rype-
lyk en bedaard overleggen, het een van
het andere afzonderen, elk deel op zy-
ne rechte plaats en zynen behoorlyken
rang fchikken, even gelyk men omtrent
zaaker doed, die men uit de verwarring,
waarinze liggen, in order brengen wil;
wy moeten oordeelen, wat goed, wat
kwaad, en. wat het beste is; hetgeen
| Gz 2 waar-
468. J.W. PARIS OVER °T VERBAND
waarlyk goed is, en in zo ver het goed.
is, van het geen maar een fchyn van
het goede heeft, affcheiden, en zo de
zinlyke dingen naar haare waerde of on-
waerde leeren fchatten. Het ver{tand,
opdie wyze zyn licht gebruikende, zo
zoude wille ook het beste kiezen, de
zinlyke neigingen en begeertens zouden
in haare rechte maate en order blyven,
en-daar zouden geene verkeerde hande-
lingen volgen. « |
Maar-wanneer wy by de zinlyke voor-
werpen: geen behoorlyk en genoegzaam
onderzoek aanftellen , zo word het ver-
ftand,- zynen. pligt verwaarloozende,
door het zinlyke verrast, en met zinly-
ke en lichaamlyke beelden aangevuld,
die het verftand verbysteren, benevelen,
en tot-eene duidelyke en onderfcheide
voorftelling, overlegging en beoordee-
ling van zaaken onbekwaam maaken.
Hiervan is het gevolg, dat dan de zin-
lyke bevindingen de wetftellen; zy wor-
den eene regel van den wille en zyne
neigingen en begeertens, en hy verkiest
of verwerpt, naar maate die bevindin-
gen aangenaam of onaangenaam zyn.
De mensch weet dan van geen ander
goed, als hetgeen de zinnen vermaakt,
en
-
VAN VERSTAND EN WILLE,’ 469
en hoe kwaad dat zinlyke ook in zich
zelven zyn mag, in die hoedanigheid
van vermaak vertoond het zich aan hem
onder het beeld van het goede, zelfs
het grootfte kwaad , hoe onnatuurlyk en
onmenschlyk het ook zyn mag, kan
een bemind voorwerp van zyne zinlyke
neigingen en begeerlykheden worden, in
zo ver met het bedryf van hetzelve een
zinlyk vermaak gepaard gaat. Hy zoekt
dat vermaak door allerlei zinlyke bevin-
dingen, waar hy het maar vinden kan,
en geene paalen van redelykheid, mensch-
lykheid en fchaamte zyn zo fterk, of de
zinlyke drift kan’er door heen breeken.
Het is geen wonder, waar het zo ge-
legen is, dat de order en het verband,
dat God en de natuur tusfchen verftand
en wille gefteld heeft, verbroken èn ver-
woest word, Het Verftand moest het
gebied voeren, en het word een flaaf,
die zich in de ketenen der zinlykheid laat
gevangen houden, De Wille moest ge-
hoorzaamen, en de zinlyke neigingen
en driften maaken hem tot een T'yran.
Waar ze de overhand hebben, laaten
ze niet toe, dat zich het verftand een
bepaald, zeker en geduurzaam begrip
van dingen zou maaken, die den zinnen
Gg 3 niet
470 Je W. PARIS OVER °T VERBAND
niet aangenaam zyn, en noch veel min-
der om ’er zo een oordeel over te vel-
len, ’t welk tot een beweeggrond voor
den wille zou konnen verftrekken, om
het goede te verkiezen, dewyl zy zel-
ven de allerfterk{te beweeggrond zyn,
om het niet te doen. Zyn ’er bedaar-
de oogenblikken, dat de ziele begint
natedenken, en ontwerpen wil maaken
tot betere voorneemens en befluiten,
de eerfte aanval der zinlyke drift werpt
die overhoop, zo dra hy maar van bui-
ten verleidende voorwerpen ontmoet,
hy trekt alle aandacht en begeertens der
Ziele tot zich zelven, hy verdicht uit-
vlugten, maakt voorwendzelen en uit-
zonderingen , onderwerpt alle gedachten
en overleggingen onder zyn gebied, en
weet die zo te fchikken en te doen wer-
ken als de zinlykheid begeerd en heb=
ben wil. Zy maakt zich eerst meester
van den wille, daarna folterd ze het
verftand, om zich een fyflena te for-
men, waar in ze meend te konnen be-
rusten, en in het welk het Zheoretisch
en Prafisch deel door een zwaai van
geestige gedachten in zo een nauw ver-
band word gebragt, als ter begunftiging
van die groote hoofdles dienen pr
i aas
VAN VERSTAND EN WILLE. 471
Laat ons eeten, drinken; wrolyk zyn,
doen wat de zinnen vermaakt , morgen
flerven wy; Post mortem nulla voluptas,
„Maart, zo het iemand wat vreemd
mogt voorkoomen; dât de zinlyke voor-
{tellingen zulke geweldige indrukken
konnen maaken, dat ze alle neigingen
en begeertens der ziele door eene over-
heerfchende kracht onder haar bedwang
ftellen, en dat al wât in de ziele rede-
lyk is daartegen geen beftand houden
kan, gelyk de ondervinding leerd ini vee-
le gevallen; zo zou men mooglyk een
{tap verder konnen gaan. De werktui=
gen der zinlykheid zyn in het lichaam,
De vereeniging van ziel en lichaam mag
voor ons eene verborgenheid zyn, gelyk
ze in der daad is, door de ervaaring
blykt het ontegenzeglyk, dat de vermo-
gens en werkingen der ziele zich fchik-
ken en geëvenredigd zyn naar den aard
en gefteldheid van het lichaam; Niet
minder is het door de ondervinding be-
kend, dat in ons lichaam veel onregel-
matigheid heerscht, en dat het onder-
hevig is aan veelerlei onordentlyke en
geweldige beweegingen, die hiet altoos
vân onze willekeur afhanglyk zyn, Zou
dit wel plaats konnen hebben , zo men
Ge 4 niet
472 Je 'W. PARIS OVER ’T VERBAND
niet eene oorzaak zou mogen voorons
derftellen , waar door het lichaamsgeftel
in wanorder gebragt, de grovere en fy-
nere materie buiten haar evenwicht ge-
raakt, en voor min of meer onnatuurly-
ke aandoeningen, fchokkingen en be-
weegingen, die wy zelfs niet altoos ge-
voelig gewaar worden, vatbaar gewor-
den is, Doch hier laat ik my niet ver-
der in, Zo veel is zeker, dat men uit
eene algemeene ondervinding dit gevolg
trekken kan, dat zinlyke voorwerpen
op zo een onregelmatig lichaam een ge-
weldigen indruk maaken konnen, zy
konnen de vloeibaare deelen in eene
driftige en ongewoone beweeging zet-
ten, deeze konnen op haar beurt door
haare aanprikkelingen de verbeeldings-
kracht aan het gaan helpen, de zinlyke
voorftelling, door eene zeer levendige
verbeelding onderfteund, kan hier door
een grooter trap wan fterkte erlangen,
dan ze anders zou gehad hebben, en
dus eene baarmoeder worden van hevií-
ge en vuurige driften, die tot allerlei
ongeregeldheid aanzetten konnen. Dee-
ze uitwerkingen worden echter by allen
niet op dezelve wyze, en omtrent de-
zelve voorwerpen bevonden, De rs
et
VAN VERSTAND EN WILLE. 43
der vloeibaare deelen zyn in alle lichaa-
men niet eenformig gemengeld, … Dit is
de oorfpronk der verfcheide Zempera-
menten, en daaruit ontftaande Zempe-
raments neigingen en driften, die, in het
algemeen aangemerkt, de fterkfte bol-
werken zyn, die het verftand en de re-
den zo menigmaal onder haar geweld
doen bezwyken, aan de poogingen, die
ze doen willen, op allerlei wyze een
krachtigen tegenftand bieden, en dezel-
ve verydelen. De gedachten der oude
W'ysgeeren, zo veel het lichaam aan-
gaat, hoe vreemd ze met den eerften
opflag mogen fchynen, en de byzonder-
heden, die wy in de Goddelyke Open-
baaring onder den naam van het vleesch
vermeld vinden, konnen met de opge-
geeve vooronderftellingen ligt overeen-
dragtig gemaakt worden.
Mooglyk hebben wy van den grooten
invloed der zinlykheid uitvoeriger ge-
handeld, dan het tot ons bepaald oog-
merk was nodig geweest. Doch moet
hierin de grond van onze verdorvenheid
gezocht worden, zo is het naar het be-
loop der zaaken, die wy verhandelen,
zo onvoeglyk niet om daar van een be-
hoorlyk denkbeeld te geeven, Wy ko-
Gg5 men
474 Je We PARIS OVER °T VERBAND
men nu tot een onderzoek, * geen , als
zeer gewichtig, boven al eene ernftige
overdenking waerdig is. Het verband
tusfchen het Erkentenis- en Begeerte-
vermogen is in eene groote wanorder
gebragt, hoe moet het herfteld, hoe
moet de wille tot het goede getrokken,
hoe konnen heerfchende zinlyke neigin-
gen in tegengeftelde goede neigingen
veranderd worden? hoe gefchied dat?
hoe kan dat gefchieden? Wy gaan vee-
le byzonderheden voorby , die hiertoe
„ook haare betrekking hebben, en be-_
paalen ons by algemeene aanmerkingen,
_Myn voorneemen is niet, om dit {tuk
Theologisch te behandelen, Wat ons
de Openbaaring leerd van een bovenna-
tuurlyk Genadebeginfel, waardoor de
mensch. veranderd, zyne krachten en
vermogens vernieuwd, verhoogd, tot
het goede gericht, en daartoe gefchikt
en bekwaam gemaakt moeten worden,
dit zyn waarheden van een hoogeren.
rang ; de reden geeft ‘er haare goedkeu-
ring en toefternming aan, zo dra ze die
verneemt ‚ maar zy behooren eigentlyk
onder haar bereik niet. Doch hoe en
op wat wyze men ook de werkingen der
genade begrypt, en hoe onmiddelyk ee
| Poy-
VAN VERSTAND EN WILLE. 475
phyfisch dezelve ook. zouden mogen zyn,
de natuurlyke zielskrachten worden ‘er
‘niet door “vernietigd, maar verbeterd,
en zal dat gefchieden, zo moeten die
genadewerkingen ingericht zyn naar den
aart, de maate en den faamenhang van
de natuurlyke vermogens en werkzaam-
heden-der ziele, Daarom laat die vraag,
hoe de mensch verbeterd, hoe hy goed.
en deugdzaam moet worden? eene Phi-
lofophifche befchouwing toe, die zich
grond op de natuur en inwendige ge-
fteldheid van de ziele , van haare ver-
mogens en werkingen, en al zulke waar-
heden, die daar uit afgeleid konnen
worden, beef
De Wille kan zich tot het goede niet
neigen en bepaalen , of daar moeten be-
weeggronden zyn, die hem daar toe
dryven en aanzetten. Daar is niets, of
het moet een genoegzaamen grond en
reden hebben, waarom het zo en niet
anders is. Iets willen, zonder dat ’er
eenige reden is, waarom men het wil,
is al zo ongerymd als dat ’er iets zou
zyn, waar niets is. Zonder motiven kan
‘er geene neiging, geene verkiezing,
geen voorneemen en befluit zyn, en die
motiven moet het verftand ee
It
476 J. W. PARIS OVER °T VERBAND
Dit is de order der zaaken volgens de
natuur der ziele,
Maar hoe komt het, dat de wille
niet altyd tot het goede getrokken en
ter uitvoering van hetzelve werkzaam
gemaakt word, niet tegenftaande dat
het noch aan kennis van het goede noch
aan beweeggronden ontbreekt, In din-
gen, die onze tydelyke belangen betref-
fen, doen wy aanftonds, wat wy voor
zen ‚ nuttig en dienftig houden, maar
oe zelden in moralifche dingen? Wy
konnen ‘er verftandig over redeneeren,
en handelen doch alle dagen tegen bete-
re inzichten, vooral als onze heerfchen-
de neiging in het fpel komt. Daar is
dan hier noch een ledig vak tusfchen
verftand en wille, en hoe moet men dat
aanvullen? Dit is de groote vraag, en
is die wel door de Zedeleeraars voldoe-
nend beantwoord? Men vind overvloe-
dige voorfchriften van pligten, die men
volbrengen moet, geheele boeken vol,
Maar hoe die volbrenging mooglyk
word, en wat het eigentlyk zyn moet,
waar door Verftand en Wille faamge-
hecht, en tusfchen geest en hart eene
vriendelyke Eendragt en Harmonie
„moet gefticht worden , wat is dat? in
AE en
VAN VERSTAND EN WILLE, 477
Men onderfcheid eene doode en eene
levendige kennis, de eene blyft werke-
loos, de andere gaat in het begeerte
vermogen over, en brengd daar eene
bepaalde uitwerking voort. Het onder-
fcheid is waarachtig, maar het brengd
ons daar niet, waarwe zyn moeten,
" Hoe word de kennis levendig en werk-
daadig? even dit is het, dat men weeten —
wil, Welke trap van klaarblykelykheid
en zekerheid word tot eene levendige
kennis vereischt? Moetze beftaan uit
louter duidelyke begrippen, daar zich
geene onechte en verwarde denkbeelden
inmengen, moetze haare zekerheid. ver-
krygen door een inzien in den faamen-
hang der zedelyke waarheden, moet ze
de eene met de andere konnen verbin-
den, en dat verband afleiden uit onwraak-
baare grondbeginfelen? Dan waren de
Wysgeeren ‚die de konst van betoogen
verftaan, de deugdzaamfte menfchen,
en men vind eenvoudigen, die in het
beoefenen van hunnen pligt yveriger en
getrouwer handelen, dan de grootfte
Geesten, Hoe dikwyls leerd de onder:
vinding, dat zodanige kennisfen „ die
door redeneering verkreegen worden,
minder werkzaam zyn, dan zelfs de
| zul.
478. J. Ws PARIS! OVER °T VERBAND
zulken, die de zinnen voortbrengen.
Hoe dit komt heeft de reeds gemelde
Heer MOSES MENDELS ZOON in het
te vooren aangehaald boekje door eene
nieuw uitgedachte hypothefe. getracht
begryplyk te maaken. De onderftelling
is den naam van een diepdenkenden
Philofooph, en het onderzoek der
Wysgeerige waereld waerdig, daarom
kan ik niet voorby, om ‘er een kort
bericht van te geeven:
‚Zyne gedachten: komen hierop uit,
dat de. werkkracht der kennisfe in de
Jaamseftelde rede gelyk is
1 met de hoeveelheid van het goede,
het welk wy in een voorwerp ge-
waar worden.
2, met den graad der kennisfe,„ die
wy van dat goede hebben. _ *
3. omgekeerd, met den tyd, die ter
overdenking van het zelve goede
vereischt word,
Hier uit trekt hy dit gevolg, dat eene
kennis, die minder waar, duidelyk en
zeker is dan eene andere, des niet te
min. met meerder kracht op de’ neigin=
gen en-begeertens der ziele kan rf
IS als
VAN VERSTAND EN WILLE, 479
alsze in een voorwerp meer volmaakt-
heden ontdekt, en dezelve fchielyker
befchouwen kan, _-
Dewyl nu de zinlyke gewaarwordin-
gen eene menigte goeds en kwaads ver-
wardelyk voorftellen , en deeze verwar-
de voorftellingen met eene groote fchie-
lykheid gefchieden, zo meent hy, dat
dit de oorzaak is, dat de verwarde ken-
nis der zinnen dikwyls de reden doed
zwichten, en meer kracht en. invloed
heeft op het begeerte vermogen, dan
de duidelyke kennis der reden. Men
had mogen verwachten, dat de Heer
PETSCH, die dit werkje vertaald, en
hier en daar met aanmerkingen voor-
zien heeft, ook zyn gevoelen over dit
gedeelte van hetzelve, dat zeker het
gewichtigfte is, zou hebben medege-
deeld, Zou ‘er geene bedenking kon-
nen op gemaakt worden? Wat my
aangaat, ik heb zo veel eerbied voor
dien Berlynfchen Wysgeer, die onder
zyne Natie een Ster van de eerfte groot-
teis, dat ik meer vermaak heb, zyne
fchrandere gedachten en invallen te wees
7: ies gie ih 5
yn duidelyke begrippen niet altoos,
het middel, om de kennis atis en
rach-
4509 J. W. PARIS OVER ’T VERBAND
krachtig te maaken; zouden veele be-
weeggronden, die op het gemoed drin:
gen, niet eene overwinnende kracht
hebben, om zich meester van den wille
te maaken? Niet altyd. Hoe gewis en
zeker het is, dat de wille niet in bewee-
ging kan gebragt worden als ?er geene
motiven zyn, die hem beweegen en aan-
zetten , zo blykt het wederom by de on-
dervinding, dat noch de menigte noch
het gewicht der motiven een volftrekt,
doorgaand en algemeen krachtig middel
is, daar men altoos eene gewenschte
uitwerking van verwachten kan. Men
kan hier zeggen, wat wy zo even van
de kennisfe gezegd hebben. Die meer
verftand en eene uitgebreider kennis
heeft, kan zich meer en gewichtiger be-
weeggronden voorftellen, dan een een-
voudige, en daarby minder deugdzaam
te werk gaan, en zo pligtmaatig niet han-
delen. De veelheid der motiwen is al zo
min nodig, om den wille tot het goede
te neigen, als de veelheid der bewyzen ,
om het verftand van het waare te over-
tuigen, Een of twee bewyzen, een of
twee motiven , en die in haar foort deug-
delyk en voldoende, konnen het werk
dikwyls beter doen, dan eene ven
. vul
d
‘VAN 'VERSTANDEN “WILLE. © 48E
vüldiging- en opftapeling van meer:dier-
gelyken. Het Zind-oordeel „ ultimum ju-
dictum practicum „ is doorgaans meer de
vrucht van een allernaasten, dan van
een verder voorafgeftelden beweeggrond,
Ook kan het gebeuren, ven het gebeurd
dikwyls, dat terzelver tyd dat ‘zich
krachtige beweeggronden zeer levendig
aan ons: vertoonen „ en: zelfs indruk -be-
ginnen te maaken, » zeer. fchielyk: eene
gedachte van het-tegengeftelde ‘kwaade
in de.zielesopryst;, die de. overhand be-
houd ‚en alle indrukken uitwischt. Zyn
‘er geene voorbeelden; verbaazendevoor«
beelden, dateen mensch van de-nood-
zaaklykheid van zynen: pligt ten aller«
krachtigften overtuigd ; en door die over-
tuiging in zyn binnenfte geroerd en ge-
drongen; evenwel in ‘dezelve oogenblik-
ken verre-daarvan-afwyken , en tot het-
geen. volftrekt daartegen aanloopt, vere
‚Daar ontbreekt dan: hier noch: iets;
dat zich als;in het midden van vertand
en wille plaatzen moet „ als wy tot eene
gereede verkiezing van het goede, en
tot eene .volbrenging-van ónzen pligt
__ zullen beweegd en gedrongen worden,
Zy alleen , die de zedelyke gefteldheid
2dV. DEEL: Hh der
482 J.W. PARIS OVER ’T VERBAND
der >menschlyke ziele met de: -uiterfte
oplettendheid doorzocht, alle haare neí-
gingensen vitgangen: van voet tot voet
nagevolgd, en alte binnenkameren van
hart; tot de gehieimfte hoeken en kan-
ten:toe, als ’t ware befpred hebben, en
dat niet cin „deezen en geenen ‚maar in
allerlei-ftand en betrekking, deeze al-
leen ‘zouden in {taat zyn, om: hier een
licht te ontfteeken; dat in de-donkerheid
fchyneh „en de Zedekunde in „eene
fchoone helderheid ftellen zoude, Ik
beken, dat ik my’ hier zo niet t’huis vin-
de: als ik wel wenschte. «Hetgeen ik
verder te zeggen hebbe , zal alleen die-
net; om eene proef ste geeven, dat ik
gaern ; alsik maat :kon, tot volmaaking
van deeze Edelfte aller Wetenfchappen,
die het wezentlyk belang aller menfchen
raakt, iets zou willen toebrengen, in
hoope, “hoe gering het ook: zyn mag,
dat deeze blyk van myne goedwilligheid
anderen” zou konmen aanfpooren, om
myn gebrek te vervullen, ‘en dit gewich-
tig {tuk met een. gelukkiger uitflag te be-
handelen, zor asv onisordsen S
Zeker en waarachtig is het, dat eene
klaare en duidelyke kennis van het waa-
re en valfche, goedeen kwaade, in zo
rd | „ver
VAN VERSTAND EN WILLE. 483
ver het invloed op den wille maaken
zal, moet voorafgaan. Heeft deeze ken-
nis niet altoos de gewenschte uitwerkin-
gen, ze moet echter de grond{lag zyn ,
waaruit onze zedelyke verpligtingen, en
de beweeggronden, die daartoe behoo-
ren, moeten afgeleid worden,
Eene omftandige, diep en Philofo=
phisch beredeneerde kennis word hiers
toe niet vereischt. Die weg is voor een-«
voudige te moeijelyk, en voor alle ver-
{tanden niet even gebaand, Daarenbo-
ven, wat trap van zekerheid zo eene
kennis ook een tyd lang hebben mag,
ze zal niet lang even zeker en volftandig
blyven; de toevloed van allerlei nieuwe
voorftellingen en denkbeelden in de zier
le zal haare „duidelykheid van tyd tot
tyd min of meer verzwakken ; men zal
ait het beloop der gedachten , waaruit
een volledig betoog gebooren was , dan
het een , dan „wederom het andere kwyt
raaken , «en zo genoodzaakt worden,
om op nieuwde gronden van zekerheid
optezoeken, ‘hetwelk zich vooral niet
doen laat in zulke gevallen, waar. we
miet moralisch redeneeren, maar gaora-
lisch:handelen moeten. oh
Men ‘kan Jrierseen korteren weg gaan;
Hh 2 die
484 J. W. PARIS OVER °T VERBAND
die eenvoudiger, en daarom ter bevor:
dering van het bedoelde oogmerk dien=
ftiger is, Daar zyn zekere grondbegin-
felen , die elk en een iegelyk by de min-
fte oplettendheid in zich zelven ontdek-
ken kan, om dat ze op den bodem van
zyne eige ziele liggen; ’t zyn algemeene,
_ zekere en onlochenbaare bevindingen,
niet nu en dan, maar ten allen tyden,
niet van deeze of geene, maar van alle
menfchen ; van dien aardis het, dat elk
zich zelven lief heeft, dat elk daarom
gaern volmaakt en gelukkig zyn wil,
Daar is toch by alle geestelyke Wezens
eene ingefchaape begeerte, drift of in-
fint, hoe men het ook noemen wil,
tot de volmaaktheid; ’t komt er maar
op aan, dat men eene waare van eene
ingebeelde volmaaktheid onderfcheide,
welk onderfcheid door een weinig be-
daard overleg van hetgeen voor onze
natuur omftandigheden en betrekkingen
dienftig of daarmede ftrydig is „ en dik-
wyls al zo klaar uit eene aanfchouwende
kennis van daaglykfche voorbeelden en
ondervindingen , zonder veel moeite kan
opgemaakt worden, Hieruit volgd dan,
dat de mensch door zyn eige natuur
verpligt word, om te doen, wat hem en
; zyn
VAN VERSTAND EN WILLE, « 485
zyn inwendigen en uitwendigen flaat vol-
maaken kan , en daarentegen niet te doen,
wat zyne volmaaktheid verhinderen, en
zynen flaat verergeren kan, Dit is de
Wet der Natuur, en die ftrekt geenzins
tot een voedzel van eene ftrafwaerdige
en baatzuchtige eigenliefde, maar is
veel eer, wel begrepen zynde, eene
vruchtbaare bron, waaruit alle zedelyke
verpligtingen, het zy die ons zelven;
of God en onzen evenmensch tot een
voorwerp hebben, zeer natuurlyk en
ongedwongen konnen afgeleid worden,
Hier hebben wy dan een eenvoudigen
Regel van alles, wat wy te doen en te
laaten hebben. Hy vereischt geen be-
toog, geen diepzinnig bewys en moeije-
lyk nadenken; onze eige bewustheid,
en de gewaarwordingen aller menfchen
_ fpreeken ’er voor. Wanneer we deezen
Grondregel altoos in het oog houden,
__en onze zedelyke verpligtingen, welke
die ook zyn mogen, tot dit grondbegin-
fel betrekkelyk maaken, en dezelve be-
fchouwen als de rechte middelen tot
onze zelfsvolmaaking, dan worden ze
voor ons gewichtig, ze maaken de op-
merkzaamheid gaande ; het eigenbelang
„dat men ’er in heeft, word dan een van
h 3 de
486 7. W. PARIS OVER °T VERBAND
de krachtigfte motiven, om den wille te
neigen, eni die zyde te kiezen, waar
fnen Ziet, dat een waar geluk efì we-
zentlyk voofdeel voor ons gelegen is,
Niet alle waarheden, fiet alle voorftel-
lingen van orize verpligtingen brengen
het &éffioed in beweeging, en dringen
fot heilzaáme befluiten, zy doen het
däti máaär eerst, wanneer ze ons in haa-
re belängen trekken, doof ons te ver-
Zeketen, dat ’er otize eige volmaaktheid
Bân verknocht is, °Is niet genoeg, dat
men iets als goed en kwaad kenne, en
âl$ zódanig daarvan oordeele, zal de
Willé geneigd worden, en eene verkie-
zifig mäaken, zo moet ’er dat byzonder
oördeel bykomert, dat het goed of
kwaad is in betrekking tot ons zelven,
Wanneer de voorftelling van het ver-
{tand mét dat byzonder oordeel niet
gepaárd gaat, zo heeft de kennis, al is
hef, dát het verftand zich met de
fchoonfte waarheden bezig houd, geen
réchten invloed op den wille,
Dit is het dan; zo als ik denk, dat
aar de kénnis der zedelyke waarheden,
Ên âan de voorftelling der beweeggroï-
den, die daartoe dienen, haar rechte
leven en kracht geeven moet, Niet as
' ze ol
VAN VERSTAND EN WILLE. 497
of ik van begrip ben, dat dit in: allerlei
gevallen en ten allen tyden: een: even
krachtig en werkzaam middel is, maar
dit wilik zeggen, als de wille geneigd
en beweegd word, dat het door deezen
weg gefchied en niet anders gefchieden
zal, Men befchouwd dan de waarhe+
den niet in abflra4o, maar in concreto;
_ men ziet ?er zich zelven in; ze trekken
dan de ziel vit haare onverfchilligheid,
en vestigen haare aandacht: onmiddelyk
op haare eige belangen; hierdoor ver-
Ípreid zich een gansch ander licht inde
ziele, dan eene vlugtige en onzydige
befchouwing werken kan, Fene gezet-
te, flille en bedaarde |
en een indringend en gemoedroeren
nadenken is ’er het gevolg van. Dit
maakt indrukken, die hunne voet{tappen
in de ziele achterlaaten; ieder indruk
gaat gepaard met eene neiging of afkee-
righeid , behaagen of mishaagen , met
een woord, met eene bevinding, die
eene evenredigheid heeft met het goed
of kwaad, dat het verftand voorfteld,
Elke nieuwe voorftelling vermeerderd
de maate deezer bevindingen ; door ee-
ne aanhoudende opmerkzaamheid, door
eene voortgezette en dikwyls herhaalde
| Hh 4 be
488 J.W. PARIS OVER °T VERBAND
befchouwing , en dat altoos met betrek-
king tot-ons zelven, tot onze daaden-
en verrichtingen en tot de gevolgen van
dezelve , worden goede neigingen on-=
derhouden, gevoed en verfterkt ; deugd
en pligt begint dan voor de ziele be-
koorlyk te worden; haare kennis word
hoe-langer hoe levendiger; daar ont-
ftaan welbedachte voorneemens en be-
fluiten, en eindelyk word de fomme
van goede indrukken, neigingen en bes
weegingen grooter, dan de indrukken,
die de zinlyke voorftellingen en tegen-
geftelde bevindingen hebben veroor-
zaakt, Dit geeft aan de ziele eene be-
paalde richting, en eene overhellende
en heerfchende neiging tot het goede;
ieder waarheid, dieze leerd kennen, bee
fchouwdze in geen ander gezichtspunt,
dan die het volbrengen van haaren pligt
tot:een oogwit heeft, haare begeertens
bepaalen ‘er zich by, zy dringen tot
daadelyke uitvoering; zy krygen een
overwicht in de ziele, en hierdoor wor-
den kwaade begeertens t’ondergehou-
den, en tegengeftelde neigingen zo ver-
zwakt, dat zy de kracht verliezen, om
zich lang ftaande te houden,
Door de Oefening verkrygt men a:
Î K X €Js
‘VAN VERSTAND EN WILLE. 489
Hebbelykheid. De hebbelykheid is niets
anders als een vermogen, om eene zaak,
tot welke‘in het begin veel tyds ver-
eischt wierd, daarna met veel vaerdig-
heid te verrichten. Wanneer men dik-
wyls en by aanhoudendheid zyn werk
maakt, om de waarheden, die het ver-
ftand voorfteld, tot zich zelven te rich-
ten, zo word ook de Wille hoe langer
hoe meer vatbaar voor goede indruk-
ken, hy krygt eene hebbelykheid zich
tot het goede te neigen, goede befluiten
te neemen, en dezelve daadvaerdig en
vlug uittevoeren, Ieder daad vereischt
eene rei van denkbeelden, die met el- -
kander verbonden zyn, en waarin de
grond en reden ligt, waarom wy zo
en niet anders doen en handelen, Dee-
ze met elkander verbondene denkbeel-
den, maaken in zedelyke verrichtingen
dat Logisch verband uit, daarwe in den
beginne van gefproken hebben. - Dit
verband, deeze rei van denkbeelden is
in elke verrichting wel opgeflooten,
maar zo dra de vermogens der ziele
door de oefening in hebbelykheden zyn
veranderd, zo heeft men by ieder-daad,
die men verricht, geene klaare “bewust-
heid van-dat verband, het ligt er don-
Kein Hh 5 ker
490 Je. We. PARIS OVER °T VERBAND
ker en ingewikkeld in, zonder dat men
den faamenhang en ontwikkeling der
denkbeelden gewaar word, De gewoon-
te doed dan, wat in den beginne door
voorftelling van redenen en beweeggron-
den gedaan is, Het befluit van waar-
heid tot pligt, van pligt tot daadelyke
uitvoering, gaat dan zo fchielyk voort,
dat men goed doed, zonder. zich tel-
kens de gronden en redenen voorteftel-
len, die ‘er ons toe aanzetten. Men
maakt de Conclufie , zonder aan de prae-
misfen te denken, Men vraagd niet,
wat is myn pligt, wat moet ik doen,
waarom toet ik het doen? maar % heet
dan aanftonds:. dit is myn pligt, dit
moet ik doen, dit wil ik doen, zonden
zich met veele bedenkingen en redewis-
felingen optehouden.
„En hierin beftaat dan de waare en
rechte deugdzaamheid, of die gelukkige
gemoedszin, dle kennis en pligt, ver-
{tand en wille, vlug en vaerdig. faamen-
hecht, de grandregelen van het waare
en valfche, goede en kwaade: niet eerst
opzoekt, of motiven tegen, motiven
fteld.‚-en- zich vermoeid met voor-en te-
gen; eer men tot de zaake- komt, een
belluit neemt „en werkzaam word; ken
| ier
VAN VERSTAND EN WILLE. 491
hier is het zó gelegen, als met een werk-
mah, met een konftenaar en diergely-
ken , die zekere werktuigen, inftrumen.
ten en gereedfchappen behandelen, en
daarmede hun werk verrichten. Wat
zy in den beginne langzaam en met
moeite gedaan hebben, doenze daarna
met eene verwonderlyke vaerdigheid,
als zy zich behoorlyk geoeffend, eén in
hunne konst eene hebbelykheid verkree-
gen hebben. Zy hebben hunne werk-
tuigen by de hand, zy doen met hunne
inftrumenten, watze doen moeten, dan
zo, dan anders, het werk vliegt, om zo
te fpreeken, van hunne handen, het is
in een korten tyd gedaan en het isgoed,
daar is order, wet en regel in naar den
eisch van de konst, zonder dat zy om
order, wet en regel gedacht hebben.
Daar konnen wel eens zaaken voor-
komen, die betrekking tot onze zedely-
ke verpligtingen hebben , en met dezel-
ve vaerdigheid niet konnen gedaan wor-
den ‚, om datze een langzaamer overleg
eifchen ‚doch dit zyn enkele en zeldzaa-
me gevallen, uitzonderingen, die niet
onder den algemeenen regel behooren,
Die zich gewend heeft veel aan zynen
pligt te denken en zynen pligtte aes
492 J. W. PARIS OVER °T VERBAND
zal het dan ook zo moeijelyk niet vin=
den, om de beste zyde te kiezen, Die
een zwaar hoofd heeft van natuur, is
overal zwaarhoofdig ; hy kan zich be-
denkelykheden maaken en verbeelden,
waar geene zwaarigheden zyn, hy ziet
bergen, waar een ander niets dan klee-
ne heuvelen ontdekken kan; deze by-
zonderheid kan hier ook in geene aan-
merkinge koomen. Wil men van Cok
lifien fpreeken, of ftrydigheden tusfchen
wet en wet, pligt en pligt; waare Co/-
lifien zyn ’er niet, fchynbaare zyn ’er
veele, en die zyn niets anders dan eene
Collifie van de reden en zinlyke driften.
Men denke echter niet, dat goede ze-
delyke hebbelykheden in die {chielyk-
heid en kortheid des tyds verkreegen
worden ,alszy , verkreegen zynde, haar
werk verrichten, De zinlyke neigingen,
driften en hartstochten, vooral, wan-
neerze door het lichaamsgeftel eene by-
zondere begunftiging vinden, {tellen
fterke hinderpaalen in den weg , die met
een lichte hand niet konnen wechgefcho-
ven worden, Daar word tyd, moeite
en werk vereischt ‚om de zinlyke voor-
ftellingen, op die-wyze, gelykwe te
vooren:aantoOnden, door het verftand
58 | Wte
VAN VERSTAND EN WILLE, * 40%
te regelen, en uit haare verwarring in
order te brengen, de fterke indrukken,
die zy maaken in bedwang te houden,
de affedten tot groote, gewichtige en ede-
le voorwerpen te richten, en ter vaerdi-
ge beoefening van onzen pligt dienstbaar
te maaken. Deeze lesfen laaten zich ge=
maklyk begrypen, maar wat oplettend-
heid, infpanning en benaerftiging is er
niet nodig, alsze in * werk zullen’ ge-
fteld worden. Wil de zedekunde in.
haar onderwys noch. verder gaan en
leeren, om de zinlykheid geheel ven al
een ftilzwygen opteleggen, en dezelve
te vernietigen, zo leerdze ons onnavolg-
baare meesterftukken, 0ö-sgin
Deeze en geene daaden , door ‘welke
wy toonen, dat wy naar de reden, en
niet naar zinlyke bevindingen. handelen,
zyn ook geenzins genoeg , om een deugd-
zaam beftaan uittemaaken ; daartoe word
een gelykformige, overeenftemmige ‚en
in allerlei omftandigheden en -betrekkin-
gen naar de regelen van waarheid en
wysheid gefchikte handelwyze vereischt,
Men kan veele, en zelfs groote én onge.
meene dingen doen, en nochgeen
deugdzaam mensch. zyn. ‚De. voorftel-
ling van het verftand kan weleens zo
494 J. Ws PARIS OVER °T VERBAND
levendigen krachtig worden, datze als
een blixem in de ziele indringt, door al-
le hindernisfen doorbreekt, en den wil-
le zo driftig maakt, dat befluiten en be-
dryven even groot enwerwonderlyk zyn.
Wat konnen affecten ‚ wat konnen harts-
tochten niet doen? ze werken fchielyk ,
ze werken fterk en geweldig ‚ maar haar
aandrang kan ook fchielyk verflauwen
en krachteloos worden; de eene of an-
dere uitfteekende en glanfige daad kan
%er de vrucht van zyn, maar geen heb-
belyk grondbeginfel, en men word niet
deugdzaam door eene opwellende ‘drift,
of door veen vuur , ‚dat den wille voor
eenige oogenblikken ‚doed blaaken en
branden. Eene zich zelven gelyke en
seenpaarige richting der ziele op een en
hetzelve oogmerk is alleen in ftaat, om
eene heerfchende neiging ten goede te
werwekken, die-dan alle andere neigin-
gen in ‘haar gevolg heeft, en het tegen-
geftelde is van de heerfchende kwaade
neiging, in welker gevolg zich de ande-
re-kwaade ‘begeerlykheden bevinden,
Naar ‘desverfcheidenheid der Zemperg-
amenten is ’er ookeene verfcheidenheid
van ‘heerfchende neigingen, ‘driften -en
‘hartstochten, Hier moet elk zich zzel-
ven
VAN VERSTAND EN WILLE. 495
ven leeren kennen, op dat hy weete;
waar zyne zwakíte plaats is, en wat hy
te doen heeft, om zyne neigingen tot
het kwaade te ontkrachten, ten’ einde
dezelve tot het goede fterker en meer
heerfchende worden. Maaas
‚Is dit niet te verwachten dan na veele,
geduurig herhaalde , ernftige en welmee:
nende poogingen en oefeningen , zo kan
het met het verkrygen van zedelyke
hebbelykheden in het goede niet anders
dan zeer’ langzaam toegaan, en veel
langzaamer, dan by de Philofoophen
en Zedeleeraars gewoonlyk onderfteld
word. Gefchied in de natuur niets door
een fprong, en moet ’er iets túsfchen
beide koomen, waardoor de overgáng
van het eene uiterfte tot het andere
doenlyk en begrypelyk word, zo kan
men zich, volgens de natuur van den
mensch en zyne vermogens, eene ‘plot-
zelyke en als door een {prong gewroch-
te verandering van eene heerfchende
kwaade in eene overweegendeen heer-
fchende goede neiging, niet voorftellen.
Deeze verandering is eene fuccesfive , en
dikwyls ongemerkt voortgaande verbe-
tering der zielsvermogens. Ten aan-
zien van den tyd kan er by den een of
| an-
496 J.W. PARIS-OVER °T VERBAND
anderen in den voortgang der zedelyke
verbetering eenig onderfcheid zyn, en
dit kan van verfcheide oorzaaken afhan:
gen „die niet altoos in eene mindere of
meerdere benaerftiging haaren -grond
hebben. Men vind goede inborften, die
de natuur zelve fchynt opgelegd te heb-
ben tot eene meerdere vatbaarheid voor
moralifche indrukken, en die-door eene
buigzaame gemoedsredelykheid „ door
een edelen. waarheidszin, doof eene by:
zondere tederheid: in hunne bevindingen,
dus gevolglyk dooreen fyner-zedeiyk
gevoel met meer fpoed hunnen weg vor-
deren; doch in-het algemeen, ‘by allen
zonder onderfcheid. zyn. ‘er „trappen;
langs welke zy moeten opklimmen van
het. mindere-tot het meerdere, tot datze
volmaakter en volmaakter worden.
Het einde van de zaake is, die wel
wil voortgaan. en eene hebbelykheid er-
langen ‚moet. eerst „beginnen, …-Elk be-
gin is reeds een gedeelte van-onzen pligt.
Kan het volbrengen. van-onze verplig-
ting niet gefcheiden. worden van een in-
nig „genoegen, hetgeen altoos-een… ge-
„volg-is van de bewustheid,-dat men zy-
nen pligt gedaan heeft, zo word de vol-
“doening, die men daar over in. zyn ge-
| moed
VAN VERSTAND EN WILLE. 497
moed gewaar word , een krachtige fpoor
om verder voorttegaan , zyne vermo-
gens te beproeven, en het gebeel- niet
voor ondoenlyk, of te zwaar te hou-
den. Uit geringe beginzelen worden
groote zaaken gebooren, « Zandem fit
Jurculus arbor. Volgd het uit de natuur
der ziele, dat zelfs de geringfte goede
werking een wezentlyken invloed heeft
op haare verbetering, zo moet het haar
niet onverfchillig zyn, hoe en op wat
wyze haare zedelyke vermogens’ zich
werkzaam houden. Ieder ftap inhet
goede is eene vordering op den weg der
deugd, en ieder oefening en vordering
eene vermeerdering van krachten, die
onze zielsvermogens van trap tot trap
en al verder en verder in gelukkige heb-
belykheden veranderen, en ons tot eene
vaerdige betrachting van onzen pligt
gefchikt en bekwaam maaken, Op dee-
ze wyze en niet anders word de Deugd
gebooren, die een gewrocht is van het
nauw verband, goede order en overeen=
ftemming van Verftand en Wille, van
de hoogere en laagere Zielskrachten
van de Reden en de Zinnen. En hierin
beftaat dan het rechte Wezen der waa-
re Wryheid, die het grootfte voorrecht
“AP. DEEL. li | is
499 Je-W. PARIS OVER °T VERB. Enz.
is der redelyke fchepzelen. De vryheid
is een vermogen van den wille, om de be-
fluiten en oordeelen, die een zuiver en
opgehelderd verftand, na een genoegzaam
overleg, heeft opgemaakt , te gehoorzaa-
men en optevolgen, Ik ontleen deeze
_ befchryving uit het boek van een Man,
die wegens zyne groote geleerdheid,
gezond oordeel, fchrandere denkenswy-
ze en manlyke welfprekendheid de ver-
wondering is van zyne niet alleen, maar
ook van onze Kerke; ik meen den alom
vermaarden MOSHEIM, in zyne Zee
denleer der HS, ID. ze ft, co 1. 6. 9.
TE. A5 erg ETATS „Bladz, 499
OsN-D ER-Z.O B:K …
OF DE ONZEKERHEID OMTRENT DE WAA
RE GEDAANTE DER AARDE BENEN
MEKKELYKEN ENVLOED HEBBE 7
STARREKUNDE
NAVIGATIE.
DOOR Era
JOH FRED. HENNERT.
Te myne voorgaande verhandeling
eene hypotbefe gefteld hebbende,
welke, -myns oordeels, met de gedaane
metingen der meridiaans-graaden naauw-
keuriger overeenkomt, dan de tot no
toe enk hypothefen; zal ik volgens
belofte. onderzoeken, of de onzeker-
heid, die oment de waare gedaanre
BT: 2 er
wis:
1
BOD “JF. HENNERT OVER DE
der Aarde nog -overblyft, zo groot is,
dat daar uit voor de Starrekunde en
Navigatie misflagen van belang kun-
nen voortfpruiten ? “Aangezien den klei-
nen afftand der: maan vande: aarde,
moet haare parallaxis vry groot zyn,
welke de hoek TML is, die onder
(Eig, 3) de halve middellyn TL uit de
maan M gezien-wordt. Dewyl de hal-
ve middellynen der aarde, wegens haare
knolronde figuur, Ongelyk zyn, zo ziet
men reeds, dat daarom de maanspa-
rallaxen by ieder poolshoogte veranderd
worden. Om aan den Lezer het opflaan
van aftronomifche werken te fpaaren,
en -hem-teffens- op de onderwerpen de-
zer verhandeling te ‘vestigen , zal ik de
verfchynzelen van de maans-parallaxe,
uit de knolronde gedaante der aarde
voortkomende, en voornamentlyk die
ene, welke ik „befchouwen zal, kort
ings voorftellen,
_$.1, Het rond: PApE verbeeldt een
meridiaan der,aarde, waarvan de mid-
dellyn des evendars, AE, grooter is dan,
de pools-asP pà De verticaal-lyn ZLC,
door het zenith der plaats L gaande,
ftrekt niet als op eene klootfche aárde ,
ed ) ten LL zyne
WAARE GEDAANTE DER AARDE, 5oË
zyne rigtingnaar; het middelpunt T';
maar maakt eenen hoek ZL z == TLC
met den verlengden traal der aarde T La.
De Aftronomisten nu En ‘zynde
hunne waarnemingen tot het middelpunt
der aarde ‘overtebrengen; moeten’ de
gemetene afftanden der ftarren S tot het
zenith of de-hoekén SLZ; door de hoe-
ken ZL gecorrigeerd worden „ om,den
hoek SL 2 te verkrygen „welke .den ge-
melden: afftand „als: uit -het middelpunt
gezien ,bepaalts, (vx oymo Urd ove
… Verder , dewyl de horizontaale maans:
parallaxe door den ‘hoek. TML, wordt
_ gemeten „zo dat fin“ TML = is3
blykt dus, dat de halve middellyn der
aarde“T'L van den aequator tot.de poo-
len afnemende, de parallaxis of.de hoek
AML allengs ook, verminderen moet,
„Dus doen „zich. by‚den, eerften opflag
twee voorwerpen tot onze onderzoekin-
gen op; namentlyk 1.) de-hoeken ZLz
of CLT , welke, de verticaal-lynen ZLC
„met de, halve middellynen TL maaken;
en 2,).de middellynen zelve, Tot dien
«einde zalik het volgende vraagftuk moe-
ten oplosfen. oi eenor
Le)
€
KE te vaas
Kef
5
Ds
de, graaden
JI OT STIEF 195 1190 ie ar9 jn,
zo ob OPE OSSING, (Fige4),
DE 'Rrotmmië Tyn OEP vertooht den
meridiaan der: Aarde, wiens -braaden
dóót de Aequatie u ie B ve arc #* bepaald
zyn; by P en O zyn de ‘pöolen,. Het
nofrend ait de: orwertelifg -der figuur
EP omt der a8“PO gebören; zal dus
de: gedaante der aarde volgens onze by-
porbéfe voorftellen, PO ís de dard-as er
CE de fEraal desvevenaars; Uitde lengté
Vv een grad -M ms vindt mien de-leng-
te Vanden flfäal'MN des ‘cirkels door
deze’ lt id ded „rar soals 180° X
M °°: MN; dis-is de ftraal:MN =
57-2058. Mm as Mom, ftellende a =
5% 2658, Nu ís de lengte vân ‘een
“graad = abd ext; dus de ftraâl
des citkels,- waartoe de srâad behoort,
gelyk dan a (a bet kt 4 De krom-
“ten def kromme lyneri worden met de
kromte van een cirkel vergeleken, oti-
derftellende op eenen zeer kleinen boog
DAAAY € van
WAARE GEDAANTE DER AARDE, 503
van de kromme lyn drie punten, door
welke een cirkel met dien boog over.
eenkomende befchreven is. De ftraal
van zulk een cirkel noemt men den
{traal der kromte (Radius ecurvedinis,
osculi); dezelve valt lootrecht op den
cirkel, dus ook op de kromme Iyn,
Wetende dat de figuur der aarde weinig
van een kogel verfchilt „zo kan men , zon=
der misflag, de lengte van een graad des
meridiaans voor een graad eenes cirkels
aannemen; dus zyn de ftraalen der
kromte MN des meridiaans, door mid
del van eenen gemeten graad, volgens
de gegevene formule voor ieder poolss
hoogte bepaald.
Vervolgens verbeelde men zich eene
kromme lyn BND, genoemd Zwoluta
of de ontwondene, uit welkers ontwine
ding de meridiaan EMP (involuta) ont-
{proten is .
_ Deftraal der kromte EB by den aequás
tor Eis =ga, terwyl de (inus der breed-
te £ = 0 is. Men verbeelde zich, dat
‘er cen veerktagtige draad langs EB en
de kromme lyn BND gefpannen is, dat
deze draad allengs. losgelaaten worde;
en zich naar de rechte yn, gelyk NM
ontfpanne, en dus de meridiaan EMP
Lil en be-
504 «Je F. HENNERT OVER DE
befchreven worde, De uitgefpannen -
draad ‚NM kan als een ftraal van een
zeer ‘kleinen. cirkelboog Mm, om het
punt N als om zyn middelpunt befchre-
ven, aangezien worden, bygevolg zal
ieder gedeelte NM des ontwondenen
draads den {traal der kromte des meridie
aans voorftellen (a). Dus is de {traal
der kromte gelyk aan den ontfpannen
draad, of anders MN = EB 4 BN =«g.
(at bx +-cx"), Maar EB = «a, dus
is. de- boog der Zvoluta BN = a (bx* +
CNN IC
„Men ftelle. HB lootrecht op EC, en
trekke de ordinaaten RN, rn oneindig
digt by elkander; ook zy gNL parallel
aan HB. Bygevolg zynaN, ga, gN
de elementen van den boog NB, van de
ordindate RN jen der abfcisfe BR , datis,
nNe=d.NB; en gN == d, RB, engn=d,
RN. Dewyl MN lootrecht op den me-
ridiaan by M ftaat, zo isde hoek EKM
= poolshoogte of breedte, wiens /inus
xis, Maar de ftraal der kromte NM is
de raaklyn van het punt N, dus is gn N
= EKM. Bygevolg isg N = Nn, finus
EKM en gn == Nn, cof. EKM, Maar
nN =d BN=z=adx (abx 4Cc4°)
| | Dus
(a) Zie myne Elementa Analyfis Infinitorum. $ 129.
erde nan end aee
WAARE GEDAANTE DER AARDE, 505
Dusisg N= axda(abrd- 4ex°) en
gn=ads(abx + 404) W (1-4). In-
tegrerende de differentiaal-aequatiën der
abfcisfe en der ordinaaten, zal men de
abfcisfen en ordinaaten zelve bepaalen.
abx 4ACHN
Dus is f. q N=e en En 5 j=RB=FC
en fgqN=RN za( lr ' +-4C
EN) ie S 20}
( E ) a Des C, (zie $ 20).
De beftendige grootheid C wordt ge-
vonden, ftellende #=o, dus verkrygt
(ab sBe\ }
men C= al 5 Fe) ; bygevolg is
et
oo RAT zn AAT -
Dn
Ti )). Maar x= fin. go°= 1 zynde;,
2 8BeN.
verandert RN in HD =BC= a Gt)
Bun Mee
5oÓ — J. F. HENNERT OVER DE
Verder is ML = NM vof: EKM =
4(atbrdC4) V(1-x°) en EN=QL=
BC —RN =e( Te) 4
I=? E))es (4 8c aba fcb
9 15
en
NA Cet)
Dus is uús MLP LOS
aat Et Wk) +)
V (1-x).
Eindelyk is NL = FQ = NM in.
EKM = a(aatbat deca) Dus CQ=
ES
ET
3
Arm FC =alardt u
By-
Ld
WAARE GEDAANTE DER AARDE, 50’
Bygevolg verkrygt men tang, CMQ ==
b cx?
Q=axt(G + ee)
QM zb de 4e bd „jer of
[ Cita mera +5) dd
15 reedies
De aequatie voor den graad des meridi-
aans 6 18 gevonden zynde;, 56750+4-237 x°
kh 596x*, iS a= 56750, D= 237; C =596s
AE rt mnd ed
cfbreede (57226 H(238 +1 192")4°)
Door middel van den gevonden hoek
CMQ wordt de afftand CM bepaald =
CQ
=a(s6 hr)s
AR a(5 Tot KAD EE
93. Wy zullen nu met eenige voor-
beelden het gebruik der gevondene for-
mulen toonen. Vooreerst zullen. wy
de halve middellynen des evenaars en
der poolen berekenen, In de formule
voor MQ ftellende x = fin. o = 0, en
dus cof. breedte = 1, verkrygt me
die
508 Je F. HENNERT OVER DE)
halve middellyn des evenaars of EC =
57226 «, maar log. a =1, 7581205 ‚ dus
vindt men log, KG =6, 5157139, en
EC = 3278792 toifes = 1436, 5 franíche
mylen; en de middellyn des evenaars
— 2873 mylen, Ce.
_Stellende #= 1 in de formule voor CQ,
vindt men den halven as CP =56948 z
= 3262863 toifes: = 1429,’ 8 mmyten ;
dus de aard-as = 2859, 6 mylen;:rekes
nende 2282 toifes op eene myl. Het
verfchil der beide asfen bedraagt 12, 4
mylen, of wel=o, 00478 = +; gedeelte,
_Wy zullen tot meerdere opheldering
de berekening van den hoek CMQ en
van den afftand voor de breedte van 52°,
welke de middelbreedte van ons Neder-
land is, ontleden. =
Dus
WAARE GEDAANTE DER AARDE. Ke
Dus is x = fin. 52°
| ere [CAN TAN D
hoi. &£ == 9, 8965321 Flog. #'== log. ren GQ, 7930642 79 ==, 79)
eneen aman mn nn ennn
log. 56750 x= 45 6504980 f Jog. 1194 —= 1, 8686121 | 119 #° J- 19 == 152 9
567504 — 44719 | Jg. 1529 == 2, 1846914
teller == 44793» 9 7459 e= 1, 8742877 |
re dn a a
IIx’ == 739-| /0g- 31159 == 2,4941545 dus.(238 + 1194) s* — 194
238 — 238 Hog. x? == 9,7930642- ____ 5726 = 57226
11g4® J 238 mm 311,9 | og. (2381192) e= 2,2870187 | eze: (238-119 )e®. 151226557420
el
maar Jog. 57420 == 49 7590632 © |
cos 52° »—! == Qs 7893420 | dus CMQ — 51° 43’ ion ‚N
nu is-KMQ == 52° f
ERE en EE Bn aL Pas Ar en
evene
log. noemer == 49 5484052
log. teller == 4» 6512188 | dus KMC == 16! 50
dog. tang. SAR en.O, 1028 136 136
gn ann Gr DE
ed
|
SIO JeF. HENNERT OVER DE.
Om den afltand CM = te vinden , ad-
deere men den Jogar. van den berekenden.
| teller of 4, 6512188
tot … Jog. & == 1, 7581205
<5 6, 4093303
… fin. CMQ = 9, 8948623
ee eee
log. CM-= 6, 5144770
dus CM == 3269467 toifes,
6. 4. Dewyl de Ellips, waar van het
verfchil der asfen D = ;#= 0, 0041133
is, het naaste met de gedaante der aar-
de overeenkomt ($ 14), ftellende den
graad onder den evenaar — 56707, zo
verandert de aequatie der meridiaans-
graaden, a + 3 D « #£° in de volgende,
56707 + 699 «1. Deze aequatie met de
onze, namentlyk, ad-bx: + cx* verge-
lykende , zo heeft men, a= 56707, b =
699, c= 0. Deze waardyen voor a,b,c,
in de gevondene formulen gefteld heb-
bende, verkrygt men
25 ba?
MO =a(at= + eon breede=
a (57113 + 233 #°) caf. breedte,
eik if Dus
arne ear ee de ennn nd rde a rd nn ET en se
WAARE GEDAANTE DER AARDE, 511
Dus EC = 57173 a = 3275753 toifes
= 1435, 5 mylen, dus de middellyn
des evenaars =— 2871 mylen.
Verder is QC == ax (56707 + 233 #°)
en CP = 56940 a 3262406 toiles =
1429, 7 mylen, dus de aard-as = 2859,
4 mylen en het verfchil der beide asfen
= 11, 6 mylen. |
Eindelyk is tang. CMQ =
_(567o7+2334") « 56707
ne nn en tang. bf.
(57173 H 233%) co/: breedse. 57173
voorbygaandede grootheid ee wegens
derzelver kleinheid, |
Nog is de afftand CM =
a (56707 + 233 x2) x: Jin. CMQ.
Vervolgens zal men voor de breedte
van 52° den hoek bevinden CMQ == 51°
46 20", dus den hoek KMC = 13’ 40”,
en den afftand CM = 3267537.
$ 5. Vol:
312 Je F. HENNERT OVER DE
65. Volgens de formulen, in de
twee voorgaande 66. opgegeven , hebbe
ik de hier bygevoegde tafel vervaardigd,
welke de hoeken KMC en de afftanden
CM, tot verfcheidene breedten behoo-
rende, zo wel voor de gemelde ellips
als voor onze hypothefe, behelst,
hoeken KMC | afftand. CM in toif.
Emmen emmen
Poolshoog= | voorde | voor voor de } voor
geo ds Ellips. | onze Ellips. Jonze
| | Hypot. Hypot..
o? | © o 3275753 | 3279792
5e 2’ 287 | 2’ 20" | 3275608 | 3278510
Io 45 50 | 4» 58 | 3275397 | 3278390
20 9, 25 | 937 | 3274235 | 3277286
30 II, 45 | 13, 23 | 3272462 | 3275165
33° 55112 118 I4, 49 | 3271643 | 3274327
40° I3» 5Ó [16 56 | 3270294 | 3273792
48° 50’ 12 | 13’ 56’ | 16, 55 | 3268233 | 3270484
50° 13 56 | 16, 54 1 3267965 | 3260978
52 135 43 | 16, 5o | 3267510 | 3269467
52° 31’ 13” | 13, 30 | IÓ, 50 | 3267393 | 3269320
6o° Il, 45 | 153 32 | 3265788 | 3267298
7o 9, 25 | IIs 2 | 3264011 ( 3264847
So 4, 5o | 6,30 | 3262852 | 3263443
go oan de 3262406 | 3262563
66. Dewyl wy omtrent de volgende
onderzoekingen over de parallaxe der
maan, dienen tafelen op te ftellen ten
Pel U __be-
Dn EE ETEN
WAARE GEDAANTE DER AARDE, 513
behoeve der aftronomifche rekeningen;
zullen wy dezelve tot de Aftronomie van
den Heer de La Lande betrekkelyk maa-
ken, waartoe wy ook kortheidshalve
onze Lezeren zullen verwyzen, zo veel
te meer, dewyl dit uitmuntend werk
van mynen vermaarden vriend in- onze
Nederlandfche fpraak ftaat vertaald te
worden. Aan het einde van het eerfte
deel der nieuwe uitgave vindt men pag.
96. Tuble LXXXIV, op de tweede co
Jom eene tafel van de in de voorgaande 6
berekende hoeken KMC, welke volgens
eene Ellips, waarvan het verfchil der
__asfen + bedraagt, is famengefteld, Het
grootíte verfchil tusfchen die hoeken,
uit de gemelde Ellips en onze hypothefe
ontfproten, bedraagt 2’ 34” onder de
poolshoogte van 6o graaden,.
6 7. De hoeken KMC welke de ver:
ticaal-lynen MK met de afitanden CM
maaken en de afftanden zelve bepaald
zynde, hebben wy den weg tot vinding
der horizontaal-parallaxis gebaand. Men
vindt in Ó$ 16491654 nader onderricht
omtrent de manier, om uit twee waar-
nemingen van de afftanden der maan
tot een vaste {tar , op se verfcheidene
‚AV. DEELe Kk plaat:
SI4 — Je F. HENNERT OVER DE
plaatfen gedaan, de horizontaal-parallake
afteleiden, _
Fig. 5. Men onderftelle twee plaatfen
ten naasten by onder denzelven Meridaan
gelegen by M en m, gelyk te Berlin en
op de Caap, waar de Heeren de La Lan-
de en de la Caille in het jaar 1751 cor-
fesponderende waarnemingen omtrent
de maan gemaakt hebben, Men trekke
de verticaal-lynen ZMK, Tuk, De
maan by L ftaande, worden de waar-
genomene afftanden der maan tot het
Zenith door de hoeken LMZ, Lam tT
aangewezen. |
__ Nu is fin, m LG: mC = fin. tmLs:
LG, en fin. MLC: MC= fin. z ML: LC;
ä fin. mLC mC — fin. tmL
a et Is eN
ie fin. MLC © ME “fin. zML É
in. m LC mC. fin. tmL
fi Eem De hoek
fin. MLC TMC fin. zML °
mLM, of het verfchil tusfchen de af-
ftanden der maan tot eene vaste {tar uit
de twee plaatfen m2, M waargenomen,
iS
WAARE GEDAANTE DER AARDE, 515
is bekend, Maar fin, mLM = fm,
(a LC + MLO) = fin. m LC cof. MLC
cof. mLC fin, MLG = fin, mLC +
Jin. MLC (dewyl de hoeken MLC '
mLC kleiner dan een graad zyn, kan
men cof. MLO, en cof. m LC = 1 aan-
nemen). Dus is fin. m LC — fin, mm LM
— Jin. MLC, Bygevolg |
fin mLM — fin, MLC mC, fin. tmL
Jin. MLC “MC. fin. zML ?
jp fin. mLM _mC. fin. tmL + MC. fin. z ML
fin. MLC ©” ME: (5p, ZM Te,
fin. MLC MC. fin. m LM
mm mn
fin. zML ” mC. fin. tm Lt MC, fin. z ML
= horizontale-parallaxe te Berlin, De:
wyl uit de tweede evengemelde pro:
ortie volst, dat HNE Ee
AL) es
P St: fin. zML EC
horizontale-parallaxe te Berlin is 6 4.
Op eene andere plaats H is de hori-
HC En
zontale-parallaxe = rc * Dus is deho:
Kk2 ri;
516 J.F. HENNERT OVER DE
rizontale-parallaxe te Berlin: tot die op
MC HC
| Et een
een andere plaats by H NAE
dus de horizontale-parallaxe op een plaats
fin. m LM
1 _= | manera man ne nnn vd
elks HC X mC. fin. mLt MC, fin. z ML
De horizontaal-parallaxe gegeven zyn-
de =H, vindt men den afltand van de
Maan tot het middelpunt der aarde =
HC : /in. H.
Men dient op te merken, dat de hoe-
ken tmL, zM L, de waargenomen af-
ftanden van de maan tot het zenith of.
de hoeken Tml, ZML zyn, vermin-
derd door de hoeken KMC, km Cin de
voorgaande tafel bevat.
Tot meerdere opheldering, zal ik de
horizontaal-parallaxe voor de poolshoog-
te-van 52°, uitde waarnemingen van den
24 July 1o* 1752 afleiden (zie Mémoires
de V’Académie des friences de Paris, a”.
2753 PAZs 1Ó3.
j | De
WAARE GEDAANTE DER AARDE, 517
De poolshoogte van Berlin is
52° 31’ 13%
de afftand des Zuidl, rands der
maan tot het zenith van Berlin 71°58’58"
de halve middellyn der |
maan gecorrigeerd, „oe 14/47",
afftand des middelpunt der
_ maan tot het zenith, «= - ear 44 wak
refractie - - 8’ 10",
waare afftand des middelpunt
of hoek zML « - 71° 47 21”
Rek KAMER, SRO
volgens de tafel,
hoek ZML, - jr 30' 31%
fin. ZML == 9, 9769714
bog. CM == 6, 5144574
eee nnee
log. CM, fin, ZML = 6, 4914288
dus CM. fin. ZML = 3100480
Cin, fin. tmL = gorogo
4901510
Kk 3 De
518 5% F, HENNERT OVER DE
__De poolshoogte van de Caap is
333912
de afftand des Noordl, rands der maan
tot het zenith van de Caap 15°57'45''
de halve middellyed Sn at
der maan _- …- « 14'58"
mmm mag mn nt mg vm
afltand des middelpunt der
maan tot het zenith. -« = 16° 12’ 43’
refractie =
e ne ig’
waare afftand des midden
of hoek TML - it RO ETAM
hoek km - ei DE
ans DNG
hoektmL -
15 58 22’
fin. tmL =9, 4396177
log. Cm _=6, 5151221 volg.de
Gn ee en een a
Jog. Jg. Cm Xx fin tmL=5, 9547398 taf, $ 5,
Uit
WAARE GEDAANTE DER AARDE, 519
Uit de waarnemingen
is afgeleid de hoek m LM =
Jin. mLM == 8, 2814212
voor de poolshoogte van
52° is log. CH = 6, 5144770
4» 7958980
log. 4001510 = 6, 6022239
Jog. fin. parall, = 8, 1036741
“dus de horizontale-parallaxe op de
poolshoogte van 52°, voor den 24 July
We S= 53 A2.
Op deze wyze heb ik de Colom met
p geteekend, van de tafel in de 5 g.
berekend, |
Kk 4 6 8. Men
920 JF. HENNERT OVER DE
6 8. Men maakt in de maan-tafelen
gebruik van eene beftendige Parallaxe,
welke tot den midden afftand der aarde
van de maan behoort. De horizonta-
le parallaxe wordt niet alleen verander-
lyk door de verfchillende afftanden der
aarde van de maan, maar ook wyl die
afftanden op dezelfde plaats der loop-
baan van de maan niet altyd dezelve
blyven, zo is de perigaeifche afltand
kleiner, wanneer de plaats der nieuwe
maan in het Perigaeum valt. Om de-
ze reden heeft men verfcheidene aequa-
tien of corredien van nooden, om uit
eene beftendige Parallaxe de verander-
lyke of waare Parallaxe voor een gege-
venen tyd afteleiden. Stellende de fom
der aequatien = + a, de beftendige Pa-
rallaxe =P ‚de waare= p, zo heeft men
P4a=p, dus P =P 4 Waaruit
blykt, dat men die beftendige parallaxe
verkrygt, wanneer men die voof een
gegevenen tyd berekende aequatien met
die uit de waarnemingen afgeleide paral-
laxe in eene fomme brengt. Breedvoe-
riger heeft de Heer de La Lande 9 1711—
1715 daarover gehandeld, zi
WAARE GEDAANTE DER AARDE, Sat
Ik zal door een voorbeeld toonen,
hoe men die aequatien volgens de maan-
tafelen van den Heer Clairaut voor den
24 July ro' 17’ in ’tjaar 1752 moet be-
rekenen, waarvoor de waare parallaxe
= 5342’ =p gevonden is, Men dient
te weten, dat ik van de tyden der waar-
nemingen, volgens den Meridaan te
Berlin in de Mémoires de V’Acad. de Paa
ris a. 1752, 1753 door de La Lande
aangeteekend , 33’ afgetrokken hebbe,
„om dezelve op onze gewesten overtes
brengen. De Heer Clairaut heeft de
14 aequatien, bladzyde v11 opgegeven,
in tien tafelen famengevat, waar van de
argumenten Zyn, namentlyk z = de
middel anomalie der zon, y = die van de
maan, en = het verfchil tusfchen de
middellengten van zon en maan,
Men behoeft de plaatfen der zon en
maan maar voor minuten te berekenen,
dewyl men voor de argumenten meeren«
deels de graaden maar van nooden heeft.
De middellengte der zonis = 4° 2° 59’,
de plaats van het apogaeum = 3° 8° 40’,
dus de middel anomalie of z=0* 24°19’,
De middellengte der maan=g® 16° 52’
duss == 5? 13°-53.
| Kk 5 De
522 Je F. HENNERT OVER DE
De plaats van het apogaeumis= 9° 5°,
dus de middel anomalie of y= 0° 11° 52’,
AEquatien:
TI Argum. ofy= is je 252" 7
UI Arg. oft—y= 5 = 0,2
IV npt ó as’ 4
Vmdij= 9) pe gond
VIII z= 1, — © 7
IX — — 2f-2= 10, : — 9
K—-2ity=i, 9 In 28
Som =— 321,9 21,9
AEquatien,
+237
} 1,2
Il Argum.oft= 55, m3 13’
VII —— yam ij
XI —a2ij-z= 9,22 _ 0,6 ‚6
Som=+257,5|
rek 21,9
Som der aequatien = =—=2 56”,4 4=G
dus is de beftendige parallaxe
of Pp 4-4=53'42"42'56";4= 5638”, 4
S 9, Men zoude kortheidshalve de ar-
gumenten III, V‚, VIII, IX, XI kun-
nen
WAARE GEDAANTE DER AARDE, 523
nen weglaaten; nogthans heeft my de
verdrietige moeite niet wederhouden de
rekeningen volgens alle de’ argumenten
uittevoeren,
tyd der p. zie$7| Som der | beftendige
waarneem. ín aequatien | Parall, of
1751) 1752. of « P= pe
eanmesdet
3 Dec. zakt | IJ 4m/Ól 57 2 5
6 — IsShi{ 59’ Oo” ar si 3{ 5717 7
Bers 02 5| 327" 2|56 59" 3
go Jan. rm& [59 IL — 47 S|56 23 5
3 i2hil5g 2 BD 347 ES
23 Febr. 6£ }59 32 I|—®15/”9(57 16 2
26 — Gi [> I2 IEEE 52 4
6 Maarti7i | 54 44 j-…2.40! …b57 24
24Juny zo |54 6 vd rde ie
25 —- Ik | 53 34 sE Bir Ë 37 5
2oJuly 7 154 54 8tt 37’ 1157 31 9
28 Oi | 53 35 AE A MG lk
24 — TOE | 53 42 T 2’ 56’ (55 38 4
30 —= 14% [56 17 7 o’ 40! 56 58 I
24 Aug.rik |55 3 tr 38/6|56 4I Ó
3E 17 [58 36 —I 542156 41 8
Som OII’ 9/9
De
Indien men de fom van alle P door
het getal der waarnemingen of door 16
deelt, verkrygt men 56’ 57’, voor de
beftendige horizontaal-parallaxe, bee
hoorende tot de poolshoogte van 52°;
Rn en
524 Je F. HENNERT OVER DE
en tot een meridaan 11 minuten oostly-
ker dan Parys.
Dewyl de horizontaal-parallaxen ons
der verfchillende poolshoogten tot el-
kander ftaan, als de afftanden der plaat-
fen tot het middelpunt der aarde, 6 1,
zo zal de beftendige parallaxe voor
Parys 56' 58’, bedraagen, voor welke
de La Lande 57’ 2: aangenomen heeft,
dus bedraagt het verfchil 4: feconden,
„9 ro. Dewyl de horizontale-paral-
laxen of derzelver finus, onder verfchil-
lende poolshoogten met deafftanden tot
het middelpunt der aarde, in 6 5 bee
paald, veranderen , zo volgt, dat die pa-
rallaxe onder den Evenaar de grootíte,
en onder de poolen de kleinfte is, Stel-
lende met den Heer de La Lande de
horizontaal-parallaxe onder de poolen
== 6o', vindt men die onder den aequa- —
tor door de proportie
… 3262863: 3278792 =fin. 60’: fin. 60'17'',5.
Op dezelve wyze vindt men die paral
laxe voor de breedte van 40° door
middel van de proportie
3262863: 3270294= fin. 6o': fin, 6o' 12",
Dus moet men tot de parallaxe onder
den pool 17’, 5 en 12” addeeren ed
f e
WAARE GEDAANTE DER AARDE. 525
de parallaxen onder den evenaar en de
breedte van 40° te verkrygen. Op zul-
ke wyze hebbe ik de vermeerderingen
der pools-parallaxe , in de volgende tafel
begrepen, volgens onze hypothefe bere-
kend, naast welke ik de derde colom der
LXXXIV tafel des Heeren de La Lande
gevoegd hebbe,
Poolshoögten. Vermeerderen Verfchile
der Hor. parall, len.
onder den pool.
| de La Onze En
Lande, | Hypothefe.
| 19/8 17, 5 |t ee zi
5e 155 7 | 175 3 6
Io I5s 3 I7 7 7
20 I3, 9 I5s 9 2
30 Ii, 8 13 5 Is 4
40 9 2 I2, 2,
5o | 6, 5 72 9 | I, 4
52 ds 9 Zo 3 Is 4
6o 4» O 4 9 0, 9
7o LS, | 28 ©51/0
8o ee OR 7 0,72
Neemt trn voor de pools-parallaxe
een ander getal, by voorbeeld #’ in de
plaats van óo’, zo behoeft men maar de
Se:
526 J.F. HENNERT OVER DE
gevondene getallen door à te vermees
nigvuldigen.
GS 11. De Heer de La Lande heeft in
de S 1698 en 1699, de veranderingen of
correétien, aan welke de breedte der
maan wegens de gedaante der aarde on=
derworpen is, volgens de formule
Pp fin. a cf. 235°
cof: poolshoogte.
aangenomen pools-parallaxe = 60’, en
a= de hoek, die de verticaal-lyn met
den afftand maakt (6 5). Volgens deze
formule hebbe ik de correétien der maan-
breedte ook bereekend , en de vyfde co-
lom der Lxxxiv tafel daar nevens ge-
voegd,
Pools:
betoogd, waar p = de
WAARE GEDAANTE DER AARDE. 329
Poolshoogte. Correétien der Verfchile
Maan-breedte len.
de La onze
| Lande. Hypothefe, |
o o o
5 Bie 5 als 3 — 0 2
Io° SA 4 8 A O, 2,
20 9, 8 9’, 8 o
30 Val ze [to 4
40 I8, 5 21, 2 T 2 7
50 22, I 255 2 dgk
52 22, 7 26) 3 3, Ó
6o 24, 9 | 2 8 4 9
7o | 27» | ‘32 | 53
80 28, 2 35» 9 lol 4
6 12. Eindelyk zullen wy volgens
k Bee -
elke X cofin, leng-
cof. poolshoogte.
de formule
te der maan, in de 6 1700—1703 be-
toogd, de correétien van de lengte der
maan berekenen,
Wegens de twee veranderlyke groot-
heden, namentlyk de lengte der maan
en de poolshoogte, in de formule be-
vat, worden die correétien door twee
argumenten bepaald,
Poolsi
Je Fe HENNERT OVER DE
528
a
-
5
EGI De orft ‘orfs Cils priv rl Srl og
Ee Z 6 |E 6 FE: BT SIPE “Er ln Ct o£
6 “rig 6 lo Cis ZL lo tg FL Gab rit trilt ar og
OL lhe Een One Zit 8 FS G|E torlg tor II{ of
DA |B Berlo EIO: G- [6 GAG LIB 6- [a #0 op
ofg old IIS sis EE |6 SE |Y t |g cp ee le}
BIE OP TITS tel EL BIG tE Fz Wp |E op cO5
BIO IL HOT Or | ot Fem ió6 er 16 \x °i3 oor
se | 09%53 | OI st s3 | o@3 sI[ eOI sl sI| 005 KE; OI sO| o9 5O
“Ua2800Y
VEEN Jop UoIdUoT =SJ00d
WAARE GEDAANTE DER AARDE, 529
_Índien men deze tafel met die van den
Heer de La Lande pag. 97 vergelykt,
zal men vinden, dat het grootfte verfchil
omtrent de poolshoogte van 80° flegts
3; 4 bedraagt,
6 z2, Uit de onderzoekingen, die
Wy, hiet zonder lastigen arbeid, om.
trent de maans parallaxe voltooid heb.
ben, kan men thans met gerustheid be-
fluiten, dat ’er geene dwaaling van ge-
wicht uit de overblyvende onzekerheid
omtrent de gedaante der aarde voor de
de Theorie der maan kan voortfpruiten.
Men kan zich dus met gerustheid van
de tafelen des Heeren de La Lande be:
dienen , behalven in de alletnaauwkeurig-
Îte rekeningen, die de bedekkingen der
{tarten door de maan, en de taaningen
tot voorwerp hebben; in deze behoorde
men op onze correétien der maanbreedte,
die anders in onze gewesten by de 5 fec.
verfchillen, agt te {laan ; byzonder wyl
men thans zo keurig valt in het berekenen
er maanplaatfen. Ook vereischt het -
verfchil van 4fec, omtrent de beftendige
parallaxe eenige bedenking. Indien men
Een middelgetal tusfchen de tafelen van
de La Landeende myne neemt, zal men,
Zoo veel mogel yk is,de waarheid naderen.
IV. DEEL, Ll T WEE-
530 JF, HENNERT OVER DE
TWEEDE DEEL
9 13, Met eenen goeden uitflag de
theorie der Maan tegen de gevolgen we-
gens de onzekerheden van de gedaan-
te der aarde beveiligd hebbende; zal
ik hetzelve ten dienste der Navigatie
pogen uittevoeren. Het bekwaamfte
middel daartoe komt my voor te we-
zen, dat men eene vergelyking maake
tusfchende platte kaarten, famengefteld
volgens de klootfche gedaante der aar-
de, en volgens onze hypothefe. Omde-
ze vergelyking des te naauwkeuriger te
doen, zal ik de graaden der lengten of
parallel-cirkelen voor een kloot en voor
een knolrond, volgens onze onderftelling,
in franfche mylen van 2282 toïfen,bereke-
_ nen, waar van 25 een graad des evenaars
uitmaaken, Laat de boogen Emp, en
EMP de Meridiaanen (Fig. 6.) der kloot-
fche en knolronde aarde voorftellen, De
ftraalsg van een parallel-cirkel is gelyk
aan den {traal des evenaars EC vermee-
nigvuldigd door de co/inus-der poolshoog-
te EM, of 1g= EG Xco/, poolshoogte,
_ De reden van den ftraal tot den hal-
ven omtrek des cirkels zy als 1: 3, 14159
of als 1 : p, zo is de halve omtrek, van
een
WAARE GEDAANTE DER AARDE, S$Ì
een parallelcirkel op een kloot = p. EG,
cof. poolshoogte, welke door 180, en
door 2282 gedeeld zynde, verkrygtmen
de grootte van een graad des parallel:
cirkels in franfche mylen, namentlyk
p. EO |
Sorb oate cof. poolshoogte.
Kortheidshalve dient ren de logarith:
men te gebruiken, dus EC == 3278792;
verkrygt men Jo tE ved 3992654
vEt MEN 15e 780 Xx 2232 °
Bygevolg is,log. vaneen graad des parallel:
cirkels = 1,39926544-log.cof. poolshoogte.
De {traal QM van een parallelcirkel
op de knolronde aarde is — CM X cofin.
CMQ. Nu hebben wy in 65 eene tafel
van de afftanden CM en van de hoe-
ken KMC opgegeven, dus zyn ook de
hoeken CMQ == poolshoogte EKM of
KMQ — hoek KMC bekend, bygevolg
kan de ftraal van een parallel-cirkel ge-
vonden worden, Dus isdelengte van een
graad eens parallel-cirkels in mylen be.
el Een
paald = EE Xx CM coin. CMQ.
De Jog. de Je = 4» 8835515, dus
180 X 2282
Ll 2 Jog.
532 Je Fe HENNERT OVER DE
log. van zulk een graad is = 4, 8835515;
log. CM +4 Jog. cofin. CMQ.
Door middel van deze twee formulen
hebbe ik de volgende tafel berekend.
Tot meerdere opheldering zal ik de
lengte van een graad des parallelcirkels
onder de breedte van 52° op het knol-
rond volgens onze onderftelling uitvoe-
rig berekenen. De hoek KMC is = 16’
50’, dus CMQ = 52° — 16/50’ = 513
43' 10”, bygevolg
Jog. cof. CMQ = 9, 7920502
logs CM == 6,5144770
dezen pa-
P
log. —= 488355 15) rallelcirkel
180 X 2282 |
log. vaneen gr.= 1, 1900787 Erie hi
Verlchillen.
dus is een
graad van
Poolshoog-
ten,
Graaden der parallel-
cirkelen in franfche
mylen.
op her
fphere, | knolrond, ;
5 | 24, 98 24) 98 | o
Io° 245 Ó9 24, CO o
20% 23, 56 233 57 Oo, Or
30° 2r, 71 21, 74 0, 03
40° | 19, 20 IQ, 25 O, O5
50 | 16, 11 Ió, IÓ O, O5
IE I5) 44 15) 49 Os, O5
6o I2, 54 I2, 59 Os O5
7o 5 58 8, 62 Os 04
80 | 4534 | 4,38 |_ Oo, 04
WAARE GEDAANTE DER AARDE, 523
GS 14. Om de Paskaarten, volgens
de fphere en onze hypothefe famenge-
fteld, te kunnen vergelyken ; zal ik een
vraagftuk oplosfen;, tot welks toeberei-
ding ik de volgende grondlesfen , die ans
dere fchryvers en ik in myne Zlementa
artis nauticae betoogd hebben , den Lezer
onder het. oog zal brengen. Om rede-
nen, die in’t vervolg zullen blyken, be-
doele ik maar kleine boogen in de vol-
gende ftellingen,
1.) Volgens de 647. 6 van: myne
Elementa art. naut,, is een boog op de
Spherifehe paskaart: een gelyke boog
van den Meridiaan der Sphere = fec.
poolshoogte : 1 = 1: cofin, poolshoogte.
2.) Kleine boogen zyn tot elkander
in omgekeerde reden van de ftraalen
der kromte. «De ftraal des evenaars of
der fphere is = 57226 a= A a ftellen-
de 57226 = A. 6 3. Verder is de ftraal
der kromte des meridaans van onze
Jpberoide=a (a + bx? 4 cx). 6 2, Dus
is een boog van den meridaan der fphe-
te: een gelyke boog op de {pheroide
zat Ox + ext: A, hi
LI 3 3.) De
934 Je Fc HENNERT OVER DE
3) De boog des meridaans op de
fpheroide is: een gelyke boog op de
fpbetoidifche paskaart = MQ: CE,
NuisMQ =2(57226 + (238 + 119 £°)4°)
sof. v=alA +(BHC r°) #°) caf. w, ftel-
lende B == 238; C=119 en cof. v — cofs
der poolshoogte. Dus is de boog des
Meridaans op de fpheroide » een gelyke
boog op. de fpheroidifche paskaart =
(Arte (B Cx) w° Joof, v: A.
_ Deze drie evenredigheden door elkan-
der vermeenigvuldigd hebbende, ver-
krygt men, deze proportie:
_ ‚Een boog des meridaans opde fphe-
rifche paskaart: een gelyke boog op de
fpheroidifche paskaart = _
Caba ter) (AH(BHCe)ee): Ar,
VRAAGSTU Ks
Han 5 De lengte van een deel des
metidiaans op de fpherifche paskaart
egeven zynde „die lengte. op de fphe-
roidifche paskaaft te vinden,
OPLOSSING, —
Laat Z én:z, voor de lengten der
deelen van de meridianen; op. de fphe-
roidifche en {pherifche paskaarten ld,
| | len;
WAARE GEDAANTE DER AARDE. ‘535
len, zo is bekend, dat En — is,
(Zie 6 650 van myne Zlementa art. naut.)
dus dz = en. Men weet, dat door
deze formulen de wasfende breedten
(Latitudes croisfantes) bepaald worden.
gee volgens de voorgaande 6, is de:
=(atb ser (AH(BHCH) #5):
A: zet AT aj ed
Duid: A, ellende 22 boe
Donk zone Dus vers
krygt men f TLE 0
weglatende de hoogere saca van %
_ Door de deeling zal men vinden
A ME (1D (DE) «0.
Ll 4 Nu
536 Je F. HENNERT OVER DE
5 dier
Nu is dz = Ie dus JZ =
| kk EIT
Em HE lm? I= x?
eh de Dede Pr)
„Deze aequatie integrerende, zal men
vinden (zie $ 21). |
Zer -D4(D:—E) e+
DD LEE 7 Or E)
Maar Dis = 0,0083, en E=o,0123.
Dus1r =D +D: — E =0, 9793, en
— D: + E = o, 0206. e eerfte
term, die z onthoud , is veronderfteld
met 57, of met 3448’, vermeenigvul-
digd te‘zyn, dus met de volgende door
3448 gemultipliceerd te worden om
‘de deelen des meridiaans in minuten te
bepaalen. (Zie $ 65oen 651 van myne
Elementa art. naut.)
Dus verkrygt men
L=0,9875 8 71’, 74 + 14,34) Of
LEE O, 0125 ZF 71 KH IJ
Waaruit blykt, dat de correctie van
een deel des meridiaans op de fpheri-
fche paskaart bedraagt
== Q, 0125 ZF TI XI A
| | 9 16, De
a
dn SE nt teen nn a de
WAARE GEDAANTE DER AARDE. 537
9 16. De grootheden z, zyn dus de
wasfende breedten of de lengten der ver-
deelingen van de meridiaanen op de
fpherifche paskaarten, Voor deze groot-
heden z zyn ’er tafelen berekend, hoe:
danige men in de la Caille, traité de.Na-
wigation, pag. 32. en by anderen ont=
moet.
Ik hebbe in de bygevoegde tafel de
waardyen van z uit de tafel der wasfen=
de breedten genomen, en daarby ge-
plaatst de wasfende breedten of de waar-
dyen vanZ, volgens de gegeveneaequa-
tie berekend. j
Poolshoogten. | z | 4 | Verfchillen,
gf? 300 302, 4 Ì 2 4
10° 603 607, 8 4, 8
20° | 1225 1234, 5| 1-95
30 1888 1899, 6 Ì II, 6
40 2623 2639, 8 T 16, 8
50 | 3474 | 34915 I | T 17E
53 3764. | 3780, 8| tT 16,8
6o 4527 45409, 7 T 135 7
70 5966 5969, 7 125, 2
75 ‚6970 | 6964 rr8 dirid
So | 8375 | 8351, 3| — 23» #
82 9145 9114, 7} =— 30, 3
84 IOr37 | 10093 — 4
86 11533 14733 51 593 5
538 Je F, HENNERT OVER DE
-6 17. By den eerften o mag het
fchrynen, dat het verfil vette de
fpheroidifche en fpherifche paskaarten
vry aanzienlyk begint te worden met
4ó’ poölshoogte ; maar om over dit ver-
fchil- te. kunnen oordeelen, dient men
op te merken, dat men in het berekenen
der fcheeps-courfen niet de lengten der
meridiaans-deelen, maar wel haare dif-
ferenten’ gebruikt, Om dit {tuk op te
helderen , zal ik het volgende geval op
beide — paskaarten voor verfcheidene
poolshoogten toepasfelyk maaken.
1) Zen fchip uitgezeild zynde onder
40° breedte, W‚N. W. „komt tot de hoogte
wan 50°. Men vraagt, hoe bet verfchil
der lengte op beide Paskaarten moet be-
paald worden?
Het is bekend (zie 6704 vanmyne Z/e-
menta artis nauticae), dat het verfchil
der-meridiaans-deelen onder de twee ge-
gevêne namentlyk 851 = 3474 — 2623
op de fpherifche paskaarte, en het ver«
fchil- 851, 3 = 3491, 1 2639, 8 op de
fpheroidifche' paskaarte met den zangent
van de ftreek W‚‚N. W. of met den tan-
gent van ó7° 30' moet vermeenigvuldigd
worden, om het verfchil der zee-leng-
(Ea GQ € ten
WAARE GEDAANTE DER AARDE. 539
ten. te vinden, Aangezien het verfchil
der meridiaans-deelet op beide paskaar-
ten hetzelfde is; zo volgt, dat de ge-
woonlyke paskaarten den courstusfchen
49 en 50 graaden breedte zeer wel be-
paalen , of fchoon de meridiaans lengten
op zich zelf op beide kaarten merklyk
verfchillen,
2) Zen ms drdie zynen cours onder
go’ breedte W.N. W., en komt tot
de hoogte van 6o°; hoe groot is bet ver-
Schil der zee-lengten, op beide Raartên ?
Op de fpherifche kaart is het verfchil
der meridiaans-deelen
= 4527 — 3474 = 1053’, dus het ver-
fchil der zee-lengten
== 1053’ Sung. 67° 30' = 2542 = 42° 22',
ven vin peins: paskaarte is het
meridiaans-verfchil =4540= 3494==1049"’,
dus het verfchil der ae en id
= 1049’ tang. 67° Zo! == 2533 = 42° 13',
Dus ontítaat uit de fpherifche kaar:
ten eene dwaaling van g' of 3 deel van
een graad der lengte; nu is een middel-
graad der lengte tusfchen 5o en 6o graa-
den breedte omtrent 14 mylen 6 13, dus
zoude de dwaaling maar 2,3 myl bedraa-
3.) Hoe
549 —_ Je F. HENNERT OVER DE
3) Hoe groot is het werfchil der zee-
lengten op beide Paskaarten, wanneer een
fchip. onder 6o° breedte W‚ N.W. uit=
gezeild, tot de hoogte van 7o° gekomen is?
Op de fpherifche paskaart is het vere
fchil der zee-lengten |
= 1439 tang. 67° 30! = 3474! = 57 54’.
Op de fpheroidifche glam hee
verfchil der zee-lengten = 3450 =57° 30’.
De dwaaling uit de fpherifche kaart
voortkomende bedraagt 24’ of 2°, dus
omtrent 5 mylen, dewylde middelgraad
der lengte ro? mylen uitmaakt,
4) Hoe groot is het verfchil der zee-
lengten tusfchen twee plaatfen-. op beide
Paskaarten, wanneer een fchip onder de
breedte van 70° W‚N.W. uitgezeild, tot
de hoogte van 75° gekomen is?
Op de fpherifche paskaart is het ver-
fchil der zee-lengten —= 60° 24’ en op de
andere = 6o° 2’, Dus bedraagt de dwaa-
ling 22’ of 23 mylen op een verfchil van
5 graaden in de breedte,
6 18, Uit de opgeloste gevallen kan
men „deze. gevolgen zeker afleiden, dat
1) de gewoone paskaarten tot de breed-
te van 5o° buiten vrees van feilen kun-
nen
WAARE GEDAANTE DER AARDE. 54Ï
nen gebruikt worden. 2) Dat de ge-
woone paskaarten tusfchen 5ò en 60?
breedte reeds eenen kleinen misflag op-
leveren. Maar dewyl men op zo groot
een verfchil van ro’ in breedte, gelyk
wy in % tweede geval aangenomen heb-
ben; zelden of nooit den cours in *t zei=
len opmaakt, agte ik, dat de gemeene
paskaarten tot de poolshoogte van 6o
graaden naauwkeurig genoeg zyn, Maar
3) van Óo graaden breedte af behoort
men te letten op den overgang van de
fpherifche tot de knolronde gedaante
er aarde, wanneer onze correétien om-
trent de wasfende breedten beginnen te
pas te komen. Zo veel is my altoos
gebleken, en ik worde door deze onder-
zoekingen nog meer daarin gefterkt,
dat de inftruCtien der zeevarenden, die
Noordwaarts opftevenen, geheel anders
moeten ingericht zyn, dan van zulken
die naar den evenaar zeilen,
6 19. Ik vleie my, dat ik mynen ar-
beid niet nutteloos befteed hebbe in ’t
onderzoeken over het gewigt der mis{la-
gen, welke de onzekerheid omtrent de
waare gedaante der aarde op de Starre-
kunde en Navigatie zoude kunnen ne
| ren-
543 Js F, HENNEET OVER DE
brengen. Het verfchil der asfen uit on-
ze hypothefe afgeleid grooter zynde dan
uit de Elliptifche, behalven die van
Maupertuis , die dat verfchil op + ftelt;
kan men de uitkomften van onze onder-
ftelling als uiterften aanzien , die-de groot-
fte veranderingen bepaalen, aan welke
de Theorie der maan en de navigatie
onderhevig zyn wegens die van de fphe-
re afwykende gedaante der aarde.
Die uitkomften omtrent de Theorie
der maan zullen dus weinig werfchillen ,
- het zy dat men de onze, of de ellipti-
fche hypothefe van Newton en Mauper-
tuis, welke het verfchil der asfen op +
en :% gefteld hebben, aanneme, Maar
omtrent de wasfende breedten verwy-
dert zich onze hypothefe merkelyk van
de gewoone. Als men met Newton het
verfchil der asfen = + ftelt, zo is de
lengte der meridiaans-deelen Z=2- 30’x
(zie myne Llementa artis nauticae $ 652),
dus is de correftie, 3o' x altyd negatif
en niet grooter dan een halven graad,
namentlyk onder den pool; deswegen
zouden de gewoone paskaarten geene
verandering moeten ondergaan. Het is
aanmerkelyk , en wy laten het ter naade-
re beoordeeling over, dat de gemelde
ct cor-
WAARE GEDAANTE DER AARDE. 543
correbtien, uit onze hypothefe voortko:
mende, fchielyk aanwasfen, dan {tellig,
dan ontkennende zynde,
AANMERKINGEN.
6 20, Ten behoeve der in de hooge:
re Wiskunde min geoeffenden zal ik too-
nen, -hoe de integraalen van dedifferen-
tiaal-aequatien in 6 2 en 15 gevonden
worden. Om het differentiaale
ACH DRI (1x) (5 2.) te integree-
ren, ftelt men #/(1— x°)=t dus 1-4: EE
en differentieerende, heeft men
—idt=xdr, dusrde=—t(1-4°)dt,
bygevolg f4e xs da (1e) =
4e ft (1 Edi = 4e ft dt ft: df)
ad bi Ir? Ki Ur 8 3
zl NIE).
Op gelyke wyze vindt men
abfradaV(i—=r == 20 f tdi
abn ab 3
Mn TER).
dl de 5
Ó 21, Het integrale van msn (zie
9 15.)
544 JF. HENNERT OVER DE €nzò
6 15.) wordt dusdanig gevonden. Men
deele x* door — 4: + 1, tot het over-
fchot der deeling 1 blyft, hetwelke ren
tot den quotient moet addeeren. Dus
indt a en,
vindt men Tp == dk
bygevolg hd =f xn def dr
vx
gn Pr _— 5
han dek wyze is
“dr
I=
em fdrf etn
UTRECHT
den 2o July 1774.
zen hef af
Een CAA
VER-
IV Deel, bl. 544
Á Geneetfälap.
P owscl
Harfsnò. van tSecur
ei IV Peel. zaan
Bladz. sa}
VERHANDELING
OS OVER DE DWAASHEID EN
SCHANDELYKHEID ‘DER
_TWEEGEVECHTEN;
Mt WILHEM SCHORER,
EARARAER
WF Tit ‘de Verhandelingen, door het
NS Zeeüwsch Genoötfchap der Wee
tenfchappen aan het licht gegeven, waar
vân ik verfcheiden met genoegen gelezen
heb,’ meen ik te hebben’ konnen ont-
dekken „ dat die loffelyke Societeit: een
tweeledig oogmerk. heeft, deels deuit-
breiding der geleerdheid, deels de vers
betering der zeden“ <- 0} 20:
‚Myn oogmerk in deze verhartideling
zynde tot dit laatfte mede te/werken,
deed my' befluiten dezelve het Genoot-
fchap aan te bieden. Vraagt iemand de
„reden, waarom ik juist deze {tof verko-
IV. DEEL, M m Ort STG
346 SoW. SCHORER OVER
rem heb? het antwoord is gereed :-om
dat helaas! gelyk men weet, in zekere
nabuurige tad, twee jonge Officieren,
noch niet in den bloei van hunne jaaren,
maar in de vroege lente van hun leven,
elkander. voor het piftool hebben uitge-
däagd, en eens en andermaal een kogel
gewisfeld, tot dat eindelyk één op dat
bed van oneer fehandelyk is gefneuveld,
En dit geval is oorzaak geweest, dat ik
dagt-niet- ondienftig te zyn, de. dwaas-
heid, dolheid en godloosheid onzer
tweegevechten „of zoogenaamde duëllen
te ontvouwen, derzelver oorfprong na
te gaan, en ware het mogelyk, de ge-
paste;hulpmiddelen om deze zoo onzin-
nige” handelwys tegen te gaan, aan de
hand te-geven, Ik durf my niet grootelyks
met-eenen gewenschten uitflag vleyen,
wetende. dat vermaarde mannen. reeds
voor: lang hunne vermogens dienaan-
gaande vergeefsch. gefpild hebben,
My is bekend dat PAULUS MERULA (a)
reeds ten jaare 1592 ‚ eene naamlyst van
Schryvers, die zoo opzettelyk als in
% voorbygaan deze ftof behandeld heb«
ben, heeft opgegeven, De Utrechtfche
Hoog-
Ca) Manier van Procederen „ Bib. 4, Tit, 2, Cap. 5e
bladz, 170. 4 k
DE TWEEGEVECHTEN. 54%
Hoogleeraar PAULUS voEr (b) fchreef:
ten jaare 1658 daar over een byzonder
boek ; en FELTMAN heeft ’er ook het
zyne toegezegd (c). … - | der
Ik weet ook, dat de Raadsheer sur:
CHER ten jaare 1717, in zyne Disferá
tatio Juridica de debita ac legitima vindis
catione exiftimationis; Op een zeer ge-
leerden en oordeelkundigen trant deze
{tof heeft behandeld, en dat de fchran=
dere Hoogleeraar BARBEYRAC(d) wel
de moeite heeft willen nemen dezelve in
het Fransch over te zetten, en naar zy-
ne gewoonte met oordeelkundige aan-
merkingen te verryken,—- Beide die
geletterden hebben ons al mede een aan
tal van Rechtsgeleerden van verfcheis
den Natiën , die dit ftuk opzettelyk heb=
ben behandeld , aan de hand gegeven,
om andere’ Schryvers, die dit mindef
opzettelyk gedaan hebben ‚nu voorby te
gaän. ’tZal ook by de lezing dezer
verhandelinge blyken, dat onze hedens
daagfche Rechtsgeleerden en Zedemees-
| Mm 2 > __ mees. «
(b) PAULI voeT Gysb. fils de duellis liber fingularis;
„(c) Aanmerkingen over den Art, brief ad art. 43
bladz. 166. eta h
_(d) Recueil de difcours fur drverfes matieres importantes
Tom, Il Armft, 1731.
YS WO SCHORER OVER
meesters ooknoch , fchoon te vergeefsch „
hier mede hun hoofd breken,: De wei-
nige Srucht van hunne pogingen koomt
my echter voor, geene bellisfende reden te
zyn3 om vân-de myne geheel af te zien
en-myh voornemen te laten varen ‚daar
_ tóch:-de uitmuntendfte verhandelingen,
die: overde zedekunde gefchreven zyn,
niet zelden dit zelfde lot ondergaan heb-
ben; en van weinige uitwerking tot ver-
betering der zeden gebleven zyn. In-
diën-ook dit- bewys doorging , zouden
de Heeren „Predikanten de moeite wel
konnen fparen, om. het gepredikte op
hèt gemoed -hunner toehoorderen toete
pasfen , tenveinde. zoo veel mogelyk de
zeden te-verbeteren: en echter blyft dit-
noodzakelyk ‚als een middel waar door
de-verbetering: kan bevorderd. worden,
en-ook dadelyk in fommigen wordt te
weeg-gebragt, ent is
„Welis waar, dat fchoon deze razerny
der tweegevechten (want poin@ d'honneur
kan ik het niet noemen) vooral onder
lieden die den degen, doch tot een ge-
heel ander einde, moeten dragen, noch
niet geheel heeft konnen uitgeroeid wor-
den, dezelve echter niet zoo fterk on-
der ons in zwang gaat als wel in Vea
ryk,
DE TWEEGEVECHTEN. 549
+ ryk. Want in de voorleden eeuw: ging
het zoo grof, dat de Raadsheer sL1:
CHER (e) getuigt, dat ’er veele wedu-
‚wen in dien tyd bitterlyk - beweeriden
den dood van haare mans, en de vaders;
in hunnen gryzen ouderdom, hunne
teêrbeminde zoons, die hun door deze
barbaarfche gewoonte ontrukt waren
en men kan zich niet genoeg verwonde:
ren, vervolgt hy, als men uit de hifto-
rien nagaat, wat meenigvuldige fchrik-
kelyke gevolgen hier uit zyn geboren.
De vermaarde VOLTAIRE (f) teekent
aan , dat, in vorige tyden , meer Franfche
Edellieden door de handen van hunne
Landsgenooten gefneuveld zyn, dan in
een bloedigen oorlog. En geen wonder;
wyl oudtyds alle gefchillen, hoe ge-
naamd, op deze wyze in dat ryk zoo
wel als elders, beflist werden. De by-
„geloovigheid en domheid dier tyden za=
gen de uitkoomften dezer gevechten als
eene bellisfing van het Opperwezen zelf
aan. ’Was den geestelyken zelf niet
eoorloofd , zich in rechtsgefchil aan dat
Beus te onttrekken: alleen ftond het
je Mm 3 Jd 44 DDR
(e) Des Dutls, chap. 5 $ 27,
(£) Es/ai furl Hiftoire Gen, Tom, 5 tag. 25.
559 We. SCHORER OVER
hun vry, ten einde zich met geen bloed
te befmetten, een kampvechter te ne-
men.
Men vindt in onze gefchiedenisfen,
dat. Jeronimus TJeraarts (5) ten jaare
1572, wegens tegen hem opgevat ver-
moeden, zich by Prins Willem den 1,
vervoegde, om tegen zyne befchuldigers
zich te verdedigen, of in rechten of in
een kamp, ed
_— Bekend is ook in dezelve het befaamd
tweegevecht, den 5 Feb. 1600 (h), tus-
fchen een gelyk getal kampvechters,
waar van aanvoerders waren Brauté,
een Fransch Edelman, ter eene, en fo-
hannes Abrahami filius Lekkerbeetje ter
andere zyde; een geval omtrent vallen-
de in de termen van het gevecht tus-
fchen David en Goliath.
Men kan niet dan met verwondering
gien, dat zyne Hoogheid Hrederik Hen-
rik gtor. ged, (D, by plakaat van zi I
ont ; Bida did
og) Vaderlandfche Hiftorie VI deel bladz. 303.
Tweede Eeuwgedachtenis der Middelb. Vryheid,
door den zeer geleerden Heer ADR. ’S GRAVE-
ZANDE bl. 276. |‘
Ch) ALKEMADE verhandeling van het Kamp»
recht bl. 81. ANTH, VAN DALEN Krygsrades
Befognes bladz. 53. Ee
(i) Groot Placaatboek Vol, 2 bl. 458,
DE TWEEGEVECHTEN. 55L
Juli 1637, de duëllen in zekere gevallen
toeftond , mits die gefchiedden met zyne
voorkennis,
Noch huiden ten dage, zyn uit de
Romanefque beginzels der Ridderfchap;,
de tweegevechten te Maltha , echter on-
der zekere belachlyke voorwaarden,
door de wet veroorloofd, volgens het
ten voorleden jaare uitgekomen getuige-
nis van P. BRYDONE (k); hy verhaalt
verder het geduurende zyn verblyf al-
daar voorgevallene, met de volgende
woorden ; ”Voor omtrent drie maanden,
zegt hy, hadden twee Ridders een ge-
fchil aaneen billardtafel ; een van dezen,
na veele beledigende woorden uitgefla-
gen te hebben, gaf zyn party een klap,
maar, tot verwondering van geheel
Maltha, in welker jaarboeken daar geen
voorbeeld van te vinden is, weigerde hy
_ volftrekt, na zulk een hoon tegen zyn.
party te vechten: de uitdaging werd
door den beledigden herhaald, en de
belediger had tyd om op de gevolgen
acht te flaan, maar hy Bleef fteeds in
zyne weigering volharden. Hy werd
To 055 NME 4 ver-
(k) Reize door Sicilie en Maltha II deel XVI briëf
bladz. Ór.
552 „We SCHORER- OVER
veroordeeld om vyfenveertig dagen ach-
tereen in de kerk van St. Johan vergoe-
ding van eer te doen, en vervolgens voor
vyf jaaren in een hok opgefloten te wor-
den ‘zonder licht te zien, en daarna
moest hy voor zyn leven in een kafteel
zitten”. „Ik gelove dat de Lezer zich
tot hier toe al verwondert over dit mis-
felyk, vonnis, doch het ongerymde zal
eerst volgen, want die Schryver gaat
zelve in rechtsgeleerde gefchillen de toe-
vlucht te nemen, Verder ging hy niet,
maar liet die open in gevallen van ont-
fangen hoon, „Philippus de Schoone ver-
oorloofde dezelve ook om deze reden ten
jaare 1360, doch onder bepaling, dat
zy gefchieden moesten met zyne voor-
kennis, Hendrik de derde zag het onbe-
tamelyke van de een en andere, ver-
boodze in het geheel op ftraf des doods,
SEN „er | Be
DE TWEEGEVECHTEN. 558
en wilde „uitdrukkelyk, dat de overtre.
ders zouden fchuldig gehouden worden
aan gekwetfte Majefteit (1). Te recht
dan wordt Lodewyk de XIV zeer gepre-
zen (m) ‚dat hy die verfoeilyke gewoon-
te met allen ernst heeft tegengegaan: ik
herinner my (doch niet waar) gelezen te
hebben, dat die Monarch, by het ge-
bruik van het heilig Nachtmaal, plechtig
zoude beloofd hebben, nimmer een du-
ëllist de ftraf des doods te zullen kwyt-
fchelden, „En niettemin getuigt BIEL-
FELD (n),dat hy, zonder te vergrooten;,
gelooft, dat’er noch ten huidigen. dage,
in het nabuurig Vrankryk, vyftig bur-
gers daags tegen hunne medeburgers
den degen trekken. |
Mogelyk zal men my tegenwerpen,
indien gy de duëllen zoo ftrengelyk af-
keurt, wat zal ’er dan worden van het
punt van eer? kan een ‘Edelman, kan
een Krygsman een hoon lyden, zonder
zich daar tegen te verzetten, en deswe-
gen voldoening met den degen” ofhet
piftool te vorderen, en dus dien’ hoon
te wreken? immers neen, gewa
Ems Toont
(D) T. B. DESINANT Colleltion de Decifions zou=
welles Tom. 2 „ voce duellum.,
(Mm) VATTEL droit des Gens liv, T ch, 13 pas. 70.
Cn) Zeft, Politig, Tom, I pag. Ó2 $ 18.
5I4 -W. SCHORER OVER
Toont een krygsman dan vooral niet;
dat hy een man vol moeds is? toont
zyn party dan ook niet, dat hy het
hart wel geplaatst heeft?
Ik antwoorde neen, wyl de ondervin-
ding meer dan eens geleerd heeft, dat
de zoogenaamde onverfchrokkenheid
van die beruchte voorvechters eeniglyk
beftond in hunne behendigheid om den
degen te handelen ; want wat het piftool
betreft, dit kan men niet anders aan-
merken dan als eene alles overtreffende
dolzinnigheid,.
Dan laten wy eens toegeven, dat de
| tegenwerping doorgaat, en de tweege-
vechten een overtuigend en doorflaand
bewys van eenen onverfchrokken hel-
denmoed uitleveren : meer kan men im-
mers niet vorderen ; doch even dit is de
fterkfte reden om de tweegevechten tegen
te gaan en te verfoeijen; want door de-
ze dolzinnige handelwyze, wordt de
Souverain op een en denzelven tyd be-
roofd van twee luiden, wier dapperheid
hem: van grooten dienst zoude hebben
konnen zyn (o). En is het redelyk , dat
men
(o) Men zie hier van cen aanmerkelyk geval in
het beruchte tweegevecht tusfchen twee Haneke
che
DE TWEEGEVECHTEN. 555
men iemand voor lafhertig houde, voor
een bloodaard uitmake, weigere met
eenen te dienen, en voor een eerlyk
man te houden hem die geen andere
misdaad heeft, dan. zich aan de Godde-
lyke, weereldlyke en natuurwetten, ge-
lyk het een goed Christen en eerlyk bor-
ger betaamt, onderworpen te hebben?
Is ’er iet godloozer, dan. dat redelyke
fchepfelen in zich verdoven en te niet
doen de zelfsbeveiliging, de con/erwatio
fui ipfius , die het Opperwezen, om zeer
wyze en betamelyke redenen, zelfs den
redeloozen dieren heeft ingefchapen,
en den redelyken zoo duur aanbevolen?
Is ‘er zelfs iet belachlyker? Hy, wien
een hoon of fchimp is aangedaan, begeeft
zich den volgenden dag in een tweege-
vecht om zulks te herftellen: gisteren
was hy beledigd, heden wordt hy in
het tweegevecht gewond, door een
fteek met den degen of fchoot uit het
piftool ; dat heet voldoening ( fatisfactie)
gekregen te hebben, en ’ gefchil wordt
met een glaasje van vriendfchap tusfchen
de twee kampvechters afgedronken.
Schynt
fche Edellieden Frichapel en Swekel, in het II deel
van JONAS HANWAYys Reizen naar Perziën,
en de aanmerkingen van dien Schryver bl, 1so—1ó1,
556 „W‚ SCHORER OVER
Schynt die fluitrede niet uit het zot- of
dolhuis oorfpronkelyk, kan men zich
iet dwaazer verbeelden? De woeste
Hottentotten en onbefchaafde Samoje-
den zouden ze met verontwaardiging en
afgryzen hooren, tenor
Maar laten wy het geval omkeeren en
ftellen , dat de aanvaller in het tweege-
vecht gewond worde; indien nu, vol-
gens het aangenomen onzinnig gevoelen,
eene bekomene wonde die kracht heeft,
dat zy eene moedwillig aangedaane ver-
ongelyking kan heelen „dan volgt nood-
zaakelyk dat de gewonde door dezelve
ten hoogften. vereerd is, Is het dan u,
verongelykte, te doen, om hem, die u
verongelykt heeft, eenige eer of voor-
deel toe te brengen, begeeft gy u daar
toe met hem in een tweegevecht?
En wat voorzichtig man zal immer
zich in een zaak begeven, die op zyn
voordeeligst uitvallende, hem ten min-
ften-eeuwig kan berouwen. - Men mag
ser over uitroepen, 0 verderffelyke ge-
woonte! Quid non mortalia cogis pedora!
Men heeft ook gekroonde hoofden ge-
vonden, die met volkomen recht het
beeld van Mavors in hun wapen zouden
mogen voeren, en echter deze Ger
DE TWEEGEVECHTEN. $57
lyke handelwyze hooglyk hebben afge-
keurd. Want na dat Guftavus Adolphus,
die Zweedfche held, de tweegevechten
op ftraffe des doods hadde verboden,
kregen twee Generaals woorden, verz
voegden zich tot den Koning; en ver-
zochten verlof dit hun gefchil met het
rapier te mogen beflisfen, - Guffavus
hoorde wel met verontwaardiging dit
verzoek, doch liet het zich welgevallen,
ftond het hun toe, maar zeide zelf daar-
by tegenwoordig te willen zyn , bepa-
lende hun de plaats en tyd, welke-geko-
men zynde, begaf zyne Majefteit zich
derwaart, verzeld van eene bende voet-
knechten , die beide ftryders in hun kring
_ moesten befluiten, Dan toen riep: hy
den fcherprechter van het leger , en gaf
hem dezen last : vriend, den overblyver
van deze twee zult gy terftond-den kop
voorde voeten leggen. Dit onthutíte
die. kämpvechters niet weinig; zy-wier:
pen zich aan de voeten des Konings ;
fmeekten vergiffenis. en federt hoorde -
men niet. meer van tweegevechiten in het
Zweedsch leger {preken (p), Niet min
aanmerkelyk geval is ’er- gebeurd tus-
fchen twee gekroonde hoofden, Karel
den
(p).-Diétion, des Portraits Hiftoriques Tom II pag. 168,
558 _W. SCHORER OVER
den g Koning van Zweeden, en Christi:
aan den 4 Koning van Denemarken, die
het geluk had Karel te flaan, hetgene
zyne Zweedfche Majefteit niet-wel kon
verduwen, en hierom daagde hy-daags
na den verloren flag zyn overwinnaar
tot een tweegevecht uit, doch Christi=
aan lachte met de onbezonnenheid vart
Karel, en wees hem met een fchimpend
_antwoord van de hand (q). Op gelyke
wyze heeft Karel de 5 de uitdaging van
Frangois den eerften , Koning van Vrank-
ryk, van de hand gewezen; gelyk ook
de braave Marius, door een heethoof-
digen Duitfcher beroepen zynde; zeide,
hebtge lust om te {terven , met een ftrop:
kuntge uw eind vinden (rt). Ja onder de
dapperfte natiën is deze moorddadige
gewoonte onbekend geweest, want by
de dappere en. oorlogzuchtige Romeinen
hoorde men van geen duëllen fpreken (s);
by de brave Macedoniers waren-die on=
bekend (t); gelyk ook by de Zeyptenags
ren,en in de zuidelyke befchaafde wee-
reldgedeelten (u). En moet men niet
taoi e. nang … —zeg-
(Q) DE REAL la Spience du Gouvern. Tom. 5 pag. 466e
(EL) VAN ZUREK Cod. Batav. voc: Duellen,
(S) SLICHER des Duëls ch.1 $ 3.
(6) DU MOULIN de la paix de ame liv, V ch. 4.
(U) DESINANT Colleël,.de Decif. nouw, loco cits
DE TWEEGEVECHTEN. 550
zeggen tot-fchande van onze natie, dat
de Moscoviten, die over maar weinige
jaaren geheel woest. waren, in zoo een
korten tyd dus befchaafd zyn geworden,
dat men daar van geen duëllen meer
hoort,» Van daag zal een Rusfisch Of
ficier een ongelyk lyden, zich aan den
krygsraad vervoegen, en morgen man-
moedig den vyand onder het oog zien (v),
en dat woedend overblyffel van dat on-
zinnig kampvechten, waar van A LKE-
MADE ons zoo breed heeft. gefchreven;
kan, na zoo veele eeuwen , noch niet _
uit onze harfenen verbannen worden.
+ Men zal mogelyk. vragen: zyn de
plakaaten wel fcherp genoeg? en zeg-
gen, men behoorde een fcherpen bytel
op zoo een-harden kwast te zetten ; doch
de plakaaten zyn tegen dezelve zoo
fcherp, dat men zich by geen mogelyk-
heid iets fterker kan inbeelden. Want
de Staaten Generaal hebben den 10 Zea
bruari 1663 op gelyke wyze daar tegen
gewaakt, alstegen het crimen majeftatis ,
(om niette Ípreken van verval van-amp:
ten enz.) en gewild, dat zonder onder.
fcheid ván ftaat of rang hy die wist dat
?er een uitdaging gefchied was, en den
Rech.-
(Vv) BIELFELD di, doc, pag. 63,
569 'W. SCHORER OVER
Rechter daar-geen: kennis van gaf, op
gelyke wyze zoude geftrafd worden , alg
de duëllisten zelven, en William de Ills
glorieufer- gedachtenis heeft insgelyks
daartegen gewaakt; by zyn: plakaat van
den 31-Maart::1684 (w) ‚ en: vuitdrukke-
lyk gewild „ dat de-verzwygers smet: den
ood zouden:geftrafd worden ;en wilde
iemand: alle ‘de nuttige „doch: helaas!
nuttelooze plakaaten nagaari„dien zen-
derik naar VAN ZURCKvOod bat. al-
waar-hy de zwaare poenaliteiten in-’tkort
kan: näzien,, nowijeooisev 008 80 HEA
Dus hebben wy de zaak:;:zoo-ik-my
verbeelde ; in haar natuurlyk -daglicht
gefteld; doch laat ons dieeens van den
kant van het zedelyke befchouwen „ dan
ziet het ‘er noch ongelukkiger-uit. Daar
vielmy onlangs een Fransch {chryver (x),
die het van dien kant: befchouwde, in
de hand, ik vond. zyne Redenkaveling
zoo bondig ‚zoo krachtig „ zyne: fchil-
dery zoo verbaazende , zoo akelig „dat
ik geloove den Lezer geen ondienst te
zullen” doen hem die mede ‘te’-deelen;
hyhwraagt dan seo … weg do A00 003
z-” Wat verontfchuldiging kan pf
pob ogen 10 Des
Cw Groot Placaatboek Vol. 4 bl. 62.
(x) Les legons de la fagesfe Tom, 2 leon 15e —
DE TWEEGEVECHTEN,: 56x
Duëllist voorbrengen, wanneer hy zoo
ftaat voor den hoogen rechterftoel van
den opperften Rechter te verfchynen?
is het mogelyk al het afgryzelyke te hoo-
ren van die taal welke hy houden zoude,
indien hem de dood niet van zyne dok
zinnigheid genezen had, Heere, zoude
hy zeggen, ik koom zoo uit een twee
gevecht , en de uitflag van hetzelve heeft
de beflisfing over myn eeuwig beftaan
uitgewezen. ’tIs waar, ik had de le-
vensdagen, die Gy U verwaardigde my
te geven, om van dezelve een beter ge«
bruik te maken, konnen verlengen,
Uwe verdraagzaamheid liet my in het le-
ven ; niettegenftaande de ontallyke be-
ledigingen die ik U aandeed, … Myne ver«
blindheid ging zoover niet, dat ik niet
zoude gezien hebben, dat een man van
eer, als ik, dikwyls in Uwe oogen niet
anders-was, dan een groot booswicht,
Gy fpaarde my om my den tyd te ge-
ven U ‚door myn berouw, te bevredigen,
Gy wilde mynen dood niet, maar ik
konde deze gunst niet langer, dan met.
myne oneer, genieten. Gy gaaft my
Uwe eigene goedheid tot een richtfnoer ,
en geboodt my te vergeven den. genen
die my beledigden, Wat zal ik hierop
IF, DEEL. Nn zeg:
562 JW. SCHORER OVER
zeggen? sik vond dat gevoelen te. laag ,
het oordeel der weereld fcheen- my veel
wyzer, en ik vond niets edeler dan de
wraak, „Ook hong ik af van het daars
tegen, aanloopênd. gemeen gevoelen en
ik achtte het wysheid daar van aftehan-
gens ik droeg een degen, ik ‘was. een
Edelman, en zouden zulke onderfchei-
dingen. miet eenige. voorrechten verdic=
nen? ik ontfloeg my-des van de-gemee-
ne’ wêt ;, myne cer vorderde U niet:te ge-
hoorzamen. Gy-had.de gevoelens van,
en ‚de zucht naar eer in mynen boezem
gelegd; ik fteldesdie, in liever om te
komen, dan een ‚zuur opflag-te. verdra-
gen. „De hoon -dien men my aangedaan
had‚-was in zich zelf niets; hy zou zelfs
voor ieder ander niets geweest. zyn,
maar ik vond vermaak in dien aantemer-
ken alsde -grootfte verontwaardiging ten
mynen opzichte, Oordeel zelf, of ik
niet beter deed den dood te kiezen, bo-
ven de fchande van te leven zonder al-
les gewaagd te hebben, om niet als een
eerloos „man te leven. Dus ziet Gy
voor ‘Ween man vol moeds; ik ben wel
als een booswicht geftorven, echter niet
als een bloodaart, «en zoo myne wraak
niet volkomen is, uitgevoerd, leg--daar
| van
DE TWEEGEVECHTEN. 563
van de fchuld niet op my: ’t hong niet
van my af, de ongehoorzaamheid aan
Uwe wetten en de verachting van Uw
voorbeeld verder uitteftrekken. Gy zyt
rechtvaardig, en dus zult Gy my die
kroon niet weigeren, die myne dapper
heid verdiend heeft”, |
Wie fchrikt niet van deze redenkave:
ling? en is echter de fchildery , hoe
zwart ook, niet naâr waarheid, en is
men niet genoodzaakt, wil men zyn
oordeel niet verkrachten, het gezegde
van dien Schryver te onderfchryven?
ten zy men liever het godloos gevoelen
van eenen Mutius wilde volgen, waar
van de Raadsheer sricHeR gewaagt
ch. 5 $ 30, die, fchoon een Christen,
ftaande hield, dat wie gehoor wilde ge-
ven aan de voorfchriften van den Chris-
telyken Godsdienst, verbannen moet
worden uit het lichaam van hun, die
het hun beroep rekenen, de eer en de
orde der Ridders voor te ftaan. En
het is te verwonderen, dat TREUTLE-
RUS, Wol, 2. difp. 32. Th. 6. lit. 9, de
tweegevechten heeft verdedigd , doch
hy werd hierin wederlegd door BACHo-
viUs âu notis, en door GOSWINUS AB
di Nn 2 EN
564 …—W‚. SCHORER OVER
ESBACH ad Carpz. Jurispr. Forenfi
Part. 4. Confl. g. n. 3. |
Zal men zich niet moeten verwonde:
ren, hoe dat zoo een monfter door gees
ne. plakaaten of redenen van Godsdienst
heeft konnen uitgeroeid worden? Wat
mag toch de reden zyn, dat dit zulke
onwrikbaare wortelen (en dat by luiden
van jaaren en verftand) heeft konnen
fchieten? Men kan daar twee hoofdre-
denen van geven: de eerffe is de onvoor-
zichtige opvoeding van de ouders om-
trent hunne kinderen: men weet, dat in
de tedere jaaren de vooroordeelen aller-
gevaarlykst Zyn, om dat men zich van
dezelve niet mistrouwt; men heeft die
ontfangen op zoo een tyd, wanneer al-
les indruk op onze ziel maakt, en voor-
al indien men die ontfangt uit den mond
van zulken, wien de zorg over onze
opvoeding is aanbevolen: nu hooren de
kinderen nimmer van een duël fpreken,
of hooren dezelve hooglyk pryzen; het
is, dat is een braaf kerel, hy heeft het
hart wel geplaatst, ik verzeker u, hy
durft zyn man onder de oogen zien, en
men moet van zyn kant afblyven: en
die zoogenaamde glorie kan men naauw-
lyks naderhand uit het hart wien”
DE TWEEGEVECHTEN. 565
Ik hoorde eens een vader aan zyn zoons
die gereed ftond naar de Academie te
vertrekken, deze Christelyke les geven:
Jongen! ‚gy moet niemand beledigen,
geen rufie zoeken, maar gy moet ook
vooral u kaas en brood niet laten nemen.
Is dat niet gezegd, wanneer men u op
de teen trapt, moet gy het rapier in de
hand nemen en uw party op het lyf ko-
men? Ik wilde zoo een vader wel eens
vragen: indien zoo een jongman het on-
geluk had, of een ander neêr te leggen,
of zelf dat lot te ondergaan, hoe zoo
een vader het met zyne confcientie zoude
maken ?
Een andere reden van het niet uit-
roeien is, dat die fcherpe plakaaten in
de daad {tomme honden zyn, die wel
geketend en gemuilband, naauwlyks
konnen baffen, klinkende metaalen en
luidende fchellen , dewyl dezelve naauw-
lyks uitgevoerd worden, Want zelden
wordt ’er navraag op zoo eene misdaad
van eer gedaan, en is het al te klaar-
blykelyk, men zoude wel verzoeken en
veelligt verkrygen brieven van remisfie
of landwinning , en, heeft men wat in-
vloed, ook wel brieven van adolitie;
daarby komt, dat wy die heilzaame bul-
Nn 3 bak-
566 _W. SCHORER OVER
bakken geheel vruchteloos maken , door
de achting welke wy den overtrederen
van dezelve toedragen. Dit was ook de
oorzaak, dat de beruchte Montmorency,
Graaf van Bouteville, geen zwarigheid
maakte, de ryzende zon over deze eu-
veldaad als getuige aan te roepen (y)»
doch die Edelman, of dolle Ridder , heeft
echter zyn hoofd op het fchavot moe-
ten verliezen, benevens zyn medemak-
ker den Graave van Chapelles. Waar-
lyk ! de makers van die fcherpe plakaa-
ten hinken ook aan dien kant. BIEL-
FELD (2) heeft ’er zich te recht dus
over uitgelaten. ”Fen krygsman die de
bevelen van zyn Vorst heeft willen op-
volgen en een tweegevecht geweigerd
heeft, kan niet meer dienen, men geeft
hem zyn affcheid , en zoo hy geduëlleerd
heeft, veroordeelt men hem ter dood.
Wonderlyke tegenftrydigheid en zeer
gevaarlyk in den burgerftaat, Hoe! de
Wetgever maakt de wet en zegt ftil-
zwygende, dat hy niet wil gehoorzaamd
zyn”, Waarom ook vATTEL van oor-
Fre
(Y) AITSEMA Zaaken van Staat en Oorlog
II deel bl. 40
(2) Ief. Politig. pag. O2 $ 18.
DE TWEEGEVECHTEN. 567
Officier, die dikwyls geen ander beftaan
heeft ‚met den dood zoude konnen ftraf
fen, en hy zegt te recht, vragenderwy-
ze, dat hy niet weet waarom men zoo
eenesftandhoudende harfenfchim niet op
gelyke wyze tegen een twistzoeker zou-
de mogen verdedigen als zyn leven en
goed! «Wel is dit zoo, my dunkt dan
hoor ik den onlangs ter neêrgeflagenen
uitroepen : Gy,aan wier zorg de uitvoe-
ring ‘der wetten is aanbevolen, ‘zyt de
werkende oorzaak van ditmyn ongeluk;
de onverantwoordelyke verantwoording
ligt voor ulieder rekening. Wat wilde
ik gedaan hebben? had ik het duë/ niet
aangenomen, zoud gy, wier onvermy-
delyke plicht, eed en ampt het zoude
geweest zyn myn eer te beveiligen, ten
minften gehengd en gedoogd hebben,
dat ik als een eerlooze den dienst had
moeten verlaten, wat was ’er dan voor
__my Overig als myn eigen rechter te zyn !
Ja my dunkt, ik hoor het noch rookend
„en wraakroepend bloed van dien onge-
lukkigen in vertwyffeling . . . « „ doch
myn pen wordt weerhouden, ík durve
die akelige gordyn niet verder opfchui-
ven. En moet men zich niet verwon=
deren, als men ziet wat voor eene on=
Nn4. BE:
568 _W‚. SCHORER OVER
gelukkige tegenftrydigheid van redenka:
veling men hier kan dulden, (om de
menfchen niet met LA METRIE (a) tot
enkele machines te maken); in deze Re-
publicg , wie zou het gelooven! wordt ie-
mand,die wegenseen verregaanden hoon,
hem buiten reden aangedaan, in een
woedenden toorn vervallen, een ander
ter neder legt met de gewoone dooaflraf
geftrafd. Ja ik ga verder, is het wel te
begrypen dat in een Land, waar van
DU MOULIN(b) zegt, dat men zich over
en weêr van kant helpt, niet zoo zeer uit
baat-als wel uit welvoeglykheid, dat in dat
zelfde land de paalen van het modera-
men inculpataetutelae, of zelfsverdediging,
zoo eng zyn beperkt, dat die {chier door
niemand konnen gehouden worden, en
de minfte afwyking doorgaans op een
fchavot geboet wordt. Dit gaat tot on-
ze {chande zoo verre, dat een geleerd
‘Fransch fchryver (c) maar over weinige
jaaren zich hier over met reden dus heeft
uitgelaten: De flrengbeid, waarmede
menin de Republicg der vereenigde Ne-
derlanden zulken-behandelt die; eenen an-
Beatteag Bi nelonge gede ds.
__C@) Pomme Machine,
= (b) De la Paix de Pame liv. 5 ch. 4.
€C) DE REAL la fgienée du Gouvern, Tom. 4. p. 400.
DE TWEEGEVECHTEN. 569
deren, fchoon uit eigen lyfs noodweer , beeft
ter neêr gelegd, is een par wan vera
wondering voor andere volken, God fpreekt
zoo eenen vry, en het Gemeenebest ver-
oordeelt hem ter dood , terwyl het hem be-
klaagt. Zy offert aan het gemeene wel-
zyn een mensch op, die-ongelukkig is,
zonder“ fchuldig te- wezen. En ik zie
„waarlyk geen de minfte reden, waarom
ik niet gerust dit gevoelen zoude durven
onderfchryven ; ik twyftele toch zeer , of
niet wel dezen en genen op een eerloos
fchavot hun leven verloren hebben, die
nimmer in de Goddelyke vierfchaar aan
manflag fchuldig ftonden, en het onge-
lukkig flachtoffer der onkunde geweeest
zyn, alleen door misverftand hunner
rechteren , die zich meenden van hun-
nen plicht te kwyten.
Kan men van de menfchelyke zwak-
heid zoo veel koelheid van geest vergen,
dat iemand alle omftandigheden wikke
en wege, en wel in zoo een tydftip dat
hy zich op het onverwachtst in het groot-
fte levensgevaar bevindt ? ja, moet by een
aangevallenen de fchrik. niet oneindig
vermeerderen, en zyne denkenskracht
niet oneindig verminderen en gefchud
worden, wanneer hy overdenkt de naau-
Nn 5 we
hal
570 W. SCHORER OVER
ween waarlykal te enge paalen der zelfs-
verdediging , en het uiterfte gevaar ‘tgene
hy loopt, om door beulshanden als een?
eerloozen te moeten fterven, by over-
fchryding van dezelve? Ik weet wel,
dat, om van anderen niet te gewagen,
de groote PUFFENDORF (d), die deze
ftof uit de beginfelen van het nátuurlyk
recht zoo heerlyk beredeneerd heeft,
op de vlucht heeft aangedrongen, maar
dan wanneer die veilig en gemaklyk ge-
fchieden kan, en getoond, dat die in
dat geval aan een krygsman zelfs tot
geen de minfte oneer kan verftrekken ;
hy merkt echter te recht aan, dat het
vluchten dikwyls niet raadzaam, ja zeer
gevaarlyk is, wyl men zyn’ vyand den
rug eens toegekeerd hebbende, aan hem
een onherftelbaar voordeel geeft, alzoo
men buiten de mogelykheid is zich weder-.
om in een ftaat van tegenweer te ftellen,
Ja gefteld, dat men al vlugger ter been
dan zyn aanvaller zy, * kan echter zyn,
dat men door onvoorziene toevallen in
het vluchten verhinderd worde, ftrui-
kelenen vallen kan, en dan is men zeker
het flachtoffer van een brutaalen agres-
Jeur. Weshalven het my, onder verbe-
ee | vel
(d) De jure Nat, & Gent, hb. 2. cap. 5 $ I3.
DE TWEEGEVECHTEN. 57E
tering, voorkomt, dat zoo ergens de wet
van. Ulpianus (e) toepasfelyk zy, het
zeker in dit geval zy, en dat ik met alle
gerustheid zyn zeggen het myne mag
maken : fatius enim esfe inpunitum relin=
gui facinus nocentis ‚quam innocentem dam-
nare; en laat ik de rechters ín dat geval
toch mogen indachtig maken en op hun
toepasfen den hertelyken wensch, en
tevens bondige les van den fchranderen
DE GROOT (f) aan de Opperfte Mach-
ten; dat zy toch herdenken, zegt hy,
dat zy geroepen zyn, ad judicandos ho-
mines, Deo carisfimum animal,
Laat ons dan wederom ter zaak kee-
ren, en zien hoe best de fchandelyke
gewoonte der duëllen tegen te gaan, De
Rechtsgeleerden hebben met ernst daar
over gedacht, en verfcheiden middelen
naar hunne verfcheiden begrippen aan
de hand gegeven, Sommigen zyn van
oordeel, dat men een groot onderfcheid
behoort te maken, en waarlyk naar re-
den, tusfchen den belediger en den bele-
digden; dat men aan dezen behoort te ver-
geven, genen ftrengelyk te ftraffen: zy
zyn ook van begrip , dat men de duëllis-
Í | | sen
_(@e) Leg. 5 ff. de poenis (lib, 48 tit. 9.)
(É) De zure belli & pac, lib, 3 cap. 25 S 8.
572 'W. SCHORER OVER
ten niet met den dood behoorde te ftraf-
fen, maar met eene ftraffe, die eenige
groote fchandvlek medebracht; en dit
laat zich wel hooren, maar de reeds aan-
gehaalde plakaaten brengen dat in den
volftrektften zin mede: want, by pla-
kaat van den 5 Februari 1663, hebben
de Staaten van Holland uitdrukkelyk ge-
wild, dat de gefneuvelde zonder eenige
lykftatie zoude begraven worden, op
boete van roo Caroli guldens, en het g.
art, van het plakaat van Koning William
gaat noch een pas verder, hetgene uit-
drukkelyk heeft vastgefteld , dat de lyken
voor eenigen tyd naar willekeur van den
Rechter openlyk aan de galg zouden ten
toon gehangen worden, Het middel van
HOBBESIUS (g) zoude my echter wel
het meest bevallen, dat is, dat alle edel-
lieden en luiden van den degen by hun-
ne aanftlelling, zouden moeten zweren,
dat zy zelven niemand zouden uitdagen,
en gedaagd zynde nooit zullen gaan, en
dezen eed wilde ik den Officieren tel-
kens by het veranderen van bezetting
openlyk laten voorlezen en hen het
plechtig bezworene te onderhouden, by
die gelegenheid, op hun woord van En
d-
(&) Leviathan Cap. IO pag. 47.
DE TWEEGEVECHTEN. 573
laten beloven: indien dit gefchiedde, zoo
zoude, geloof ik, de vreesvan meyneed
krachtig op het gemoed van veelen, zoo
niet van allen, veel vermogen; ten min-
ften daar waseen allerbillykst voorwend-
fel om ‘zoo eene uitdaging van de hand
te wyzen.
Eindelyk komt het my voor, dat de
Souverain vooral behoorde te zorgen:
T. Dat een beledigde niet grootelyks ge-
goed zynde, tegen een meer vermogen-
den in rechten konde verfchynen , daar
het in tegendeel in onze loffelyke pleit-
banken gedoogd wordt, dat onze Hee-
ren pleitbezorgers (nam pragmaticorum
werfuta natio, ZEZt BYNKERSHOEK ) dub-
belen loon in een atie van injurie, zoo
als deze, vermogen in rekening te bren-
gen; en ik twyffele zeer , of de makers
van de lysten van /alaris, in dezen, wel
als groote rechtsgeleerden gehandeld
hebben, daar de rechten ons leeren, dat
men het leven en goeden naam in een
gelyke weegfchaal moet leggen, A 9 fr
manum vind. (lib, 49, tit. 2). Dus ik voor
my zoude oordeelen, wel zoo wel met
een gezonde rechtsgeleerdheid te conve-
niëren, in het cas fubjett, het falaris te
halleveren als te verdubbelen. z, Dat En
Ca
BI 'W. SCHORER OVER
beledigde fpoedige uitwyzing van techt
konde verwachten, en niet met verfchei-
den beroepingen konde afgemat worden,
Zeer nadrukkelyk laat zich hier over
uit een zeer vermaard Schryver (h), in
dezer voegen : ”Ik ben beledigd, en
mogelyk had ik my al gewroken, had
gy my niet door uwe wetten de handen
gebonden ; ik beklaag my des niet, zelfs
heb ik in dezelve ingeftemd, maar op
voorwaarde, dat gy myne plaats zoud
vervangen, en dat gy al uw macht ter
myne verdediging zoud aanleggen. Ik
heb myne verbintenis niet verbroken,
en {til gezeten; % is thans uw plicht de
uwete vervullen, en in myne plaats voor
my. werkzaam te zyn. Ïeder oogenblik
tydverzuim is eene verbreking van uwen
eed , en ’t zou verfchrikkelyk zyn, my
de krachten benomen te hebben, die de
ftaat der natuur my gaf, om my zonder
verdediging over te geven aan de ramp-
fpoeden van den ftaatder Maatfchappy”. _
En Haar Ed, Groot Mog, de Heeren
Staaten van Holland hebben, by plakaat
vanden 22 Maart 1657 (1), uitdrukkelyk
ge
(h) BURLAMACQUI Prizcipes du droit de la Nat.
et des Gens Tom. VI pag. 414. Yverdon 1708.
{i) Groot Placaatboek Vol. 2 bl. 459.
DE TWEEGEVECHTEN, 575
gewild, dat de gehoonde daadelyk zou:
de gehouden wezen den Rechter kennis
te geven, om daarop aanftonds en zon.
der form van rechtsgeding voorzien te
worden , en dit heeft ook Willem de III,
by zyn plakaat van den 31 Maart 1684
(k) ark, 2, tot een krygswet gemaakt , en
uitdrukkelykgewild, de-zaaken fommier-
lyk te termineren binnen den tyd van 3
of 4 weken, en uiterlyk binnen zes, op
poene, dat de rechters drie maanden ea.
gie van hunne bediening, ten profyte
vand en armen , zouden verliezen, Doch
ik geloof, dat indien GROENEWEGEN
noch leefde, hy die plakaaten al mede
onder. de leges abrogatae zoude rekenen;
zoo als ook BUGNYON (1), die een groot
Joliant gefchreven heeft over de afge-
fchafte wetten in Vrankryk, dat met res
den zoude doen omtrent de reeds aan-
gehaalde heilzaame voorziening van Lo-
dewyk den 14,
it het tot hiertoe beredeneerde ge.
loof ik, dat het eerfte en beste middel,
om de duëllen voor te komen, is, dat
de wetgevende aan de uitvoerende macht
ernftig toont, dat de uitvoering der wet-
ten
(k) Groot Placaatboek Vol, 4 bl, 162,
el) Des loix abrogees.
576 W. SCHORER OVER
ten ‘haar waarlyk in allen ernst ter harte
gaat, gelyk bleek uit de handeling van
Guflavus Adolphus, die daar door, zoo
als wy zagen, zelf in % leger de tweege-
vechten voorkwam; en ik twyffele zeer;
of een. Souverain, die maar plakaaten
maakt, en, zoo als BIELFELD zegt;
ftilzwygende te kennen geeft, dat hy die
niet wil uitgevoerd hebben, zich zelf
van wreedheid kan verfchoonen,
„Kan dit myn vertoog eenig nut doen;
en mogt hier door dat monftrum hborren-
dum deforme ingens , zoo niet uitgeroeid;
ten minften beteugeld worden, dan zal
deze moeite rykelyk beloond zyn.
PN een
5}
de
6 Zn SS
Ed
PZ
NZ
ZIN
fs
(©)
u
©)
be
EE INSSS
NS
ne AE
Bladz. 377
VERHANDELING
orka, ben
FRANSCHEN SCHRIJFSTIJL;
ese ad
STILUS CURIAE
6’
STIJLE VAN DEN HOVE;
DD oo o R
_ ADRIANUS ’SGRAVEZANDE.
Ek Ek kk
6.1. TNewijl het oogwit van het
D Zeeuwsch Genootfchap on-
der anderen is, de Befchaaving der Va-
derlandfche Letterkunde, en de Ophelde-
ring der Gefchiedenisfen van Land en
Kerk; zoo ftrekte ook daar toe de
Vraage, die ter beändwoording voor
ZV. DEEL. Oo | en
578 A. ’SGRAVEZANDE OVER DEN
den 1 Januarij 1775 was uitgefchree-
ven. (a). |
6.2. Tot die Opheldering zoude ook
konnen dienen, het duidelijk openleg-
gen van den SCHRIJFSTIJL, welke in
voorige tijden in ons Vaderland, in de
Jaartellinge is gebruikt; om dus de
Tijdreekening, die één der oogen is van
de Gefchiedkundt , zekerder te maaken,
6.3. Het is bekend, dat in MNeder-
land, zoo wel als elders, voor de Ze-
ventiende Eeuw, een aanmerkelijk on-
DERSCHEID van SCHRIJFSTIJL, in
*t gebruiken der Gemeene Christelijke
„Jaartellinge heeft plaats gehad.
9. 4e Doch men moet door deezen
SCHRIJFSTIJL niet (b) denken aan de
Gemeene Christelijke Faartellinge (Ara
Christiana) ZEL VE; welke in de Bee
5
(a) vRAAGE. Het Genootfchap heeft ter be-
ändwoording voor den t Januarij 1775 gevraagd:
Welke gedeelten van de Nederlandfche Hiftorie , bijzonder
van Zeeland, zijn tot nu toe niet naauwkeurig genoeg be=
handeld? en wat welke bronnen zouden dezelve in beter licht
komen gefteld worden, ter aanvulling en voltooijing der
Vaderlandfthe Gefchiedenisfers ?
(b) NiET. Vooraf wordt dit bepaald bij ontken=
ning, OM te verhoeden , dat men den Schriyfjtijl, die
hier bedoeld wordt, niet vermenge met de Jaartel-
linge zelve; zoo als door %. Bezt, in zijnen eerften
brief aan den Heere ** is gefchied , op bl, 17—20.
FRANSCHEN SCHRIJFSTIjL 590
fe van andere tellingen (c) is gevolgd.
Want daar men te vooren doorgaans
reekende van de Bouwinge der Stad Roo-
men ; of naar de Regeering der Room/che
Burgemeesteren; of naar de Jndittien:
terwijl fommigen telden van het Zijden
van Christus , of van den tijd van Keizer
Diöcletiaan, (dat is, van den tijd der
Martelaaren onder zijne Regeeringe)
daar is, in derzelver plaatfe, in de zesde
Eeuw, de Gemeene Christelijke Jaartels
ling gevolgd; die aanvangt met het jaaf
wan ’s Heilands Geboorte, en aan Diony-
fius (om zijne kleinheid) Exiguus, de
Kleine bijgenaamd , zijnde geweest Abt
te Roomen, wordt geëigend: waar om-
‘trent is aangeweezen, dat dezelve niet
haauwkeurig is, en eenige jaaren misree-
kening (d) heeft, In ’t gebruiken van
welke Gemeene Christelijke Faartellinge,
Oo 2 het
‚_{(C) ANDERE TELLINGEN. ZEgid. Strautbü
Breviar. Chronolog. in 8. Lipf. 1708. p. 786, 7874
S34— H. Wiarda, van de eerfte Uitvindingen en
Uitvinders van kohtten en wetenfchappen: L 170,
17E. Am{t. 1733. 8
(d) MISREEKENING. De vroegere Tijdree=
kenaars ; begrooten dit doorgaans op 2 jaaren ; doch
de laatere wel op 5 of 6 jaaren ; zie onder anderen
A. Kluit in Vindiciis Articul &c, T. If. P. II, p. sot —
ST In Explicatione LXX. hebdom, Daniëlis, Pp. 155—1Ó3e
580 A, ’SGRAVEZANDE OVER DEN
het hier bedoelde Onderfcheid in Schrijf-
Jlijl wordt aangetroffen,
6. 5. Door welk Onder fcheid van Schrijf-
flijl, ook niet gezien wordt op het ver-
fcheiden gebruik van den zoogenaamden
Ouden en Nieuwen, of Gregoriäanfchen
Stijl; als het welke eerst in % Jaatfle ge-
deelte der XVI Eeuwe is bekend gewor-
den; wanneer Paus Gregorius de XIII.
den Almanak (die naar den ouden Ju/i-
äanfchen Stijl was gefchikt) deed verbee-
teren, en tot dat einde in ‘tjaar 1582,
tien dagen uit de maand Otober weg-
nam , welke maand derhalven in dat jaar -
flegts 21 dagen behield.
9. 6, Want het ONDERSCHEID VAN
SCHRIJFSTIJL, ’t geen het onderwerp is
deezer Verhandelinge, had a/ vroeger
plaats; en is zelfs reeds, woor de bekend-
wording van den Gregoriäanfchen of
Nieuwen Stijl alomme afgefchaft. Het
beftond in de wverfcheidenheid van den
tijd, of bepaalden dag, op welken ELK |
JAAR BEGON EN EINDIGDE; waar in
de Gemeene Stijl (die nu wordt gevolgd) ;
aanmerkelijk was onderfcheiden van meêr |
dan eenen Bijzonderen Schrijfftijl, en dus
ook, onder anderen, van den FRAN-
SCHEN of HOFSTIJLe R
9. 7. De
FRANSCHEN SCHRIJFSTIJLe. SSI
6. 7. De GEMEENE Schrijfflijl, in
* beginnen en eindigen der jaaren, was
de ROOMSCHE Stijl, gefchikt naar de
Juliäanfche jaaren, welke aanvang naa-
men met den EERSTEN van Januarius,
of Louwmaand. |
9.8. Somtijds werd deeze Stijl wel
door de Christenen gevolgd , om den aan-
vang des jaars van den eerften Januarij
te reekenen, om dat men dan gedach-
tig was aan de Befnijdenis van Christus;
doch boven dien gebruikten de Christenen
noch andere Schrijfftijlen , of Faar-begin-
Jels, ter gedachtenis van aanmerkelijke
gebeurtenisfen, die tot den Verlosfer be-
trekking hadden. « Dus begon men het
jaar van den 25 Maart, als den dag van
Maria Boodfchap , datis, van ’s Heilands
Ontfangenisfe ; of van den 25 December,
datis Kers- of Christdag ‚dien men hield
voor den dag van zijne Geboorte, Ook
begon men het jaar wel van den Goeden
Vrijdag, als den dag van Jezus Lijden ;
doch inzonderheid van den PAASCHDAG,
als zijnde den dag van ’s Heeren Opftan-
dinge uit den doode.
6. 9. Deeze laatstgenoemde Schrijfftijl
(naar welken de jaaren wel eens Paasch-
| Jo 3 jaar
582 A, ’SCRAVEZANDE OVER DEN
jaaren (e) genoemd worden) als onder-
‚Scheiden van den Gemeenen ftijl, wordt
hier bedoeld, Geenfins als eene nieuwe
uitvinding , of de ontdekking eener onbe-
kende zaak; Maar als eene oude omftan-
digheid, die als zeer bekend, door de
Geletterden wordt in acht genomen, en
waar over zedert eenige jaaren herwaarts
verfcheide aanmerkingen zijn gemaakt;
inzonderheid door hen, die zich met de
fchriften der Middeneeuwen, en met one
ze oude Vaderlandfche Gefchiedenisfen ,
hebben bezig gehouden; doch te gelijk
eene omftandigheid , die hoe bekend ook ,
niet alfoos behoorlijk is opgemerkt; im-
mers niet in haare juiste gefteldheid, Waar
uit niet zelden misftellingen en werwar-
Tingen in de tfaamenvoeginge van oude
befcheiden, en in de rechte tijdsbepaalin-
ge van gebeurtenisfen zijn veroorzaakt,
9. zo, Derhalven zal ’t niet ongepast
zijn over dezen Schrijfftijl eenige or-
HELDERENDE AANMERKINGEN voor
te ftellen; en voorts de NUTTIGHEID
daar van aan te wijzen, en met eenige
voorbeelden te ftaaven,
6. 1r. Wat
(€) PAASCHJAAREN. Balth. Huydecoper, in de
Rijmkronijk van Melis Stoke, met Hiltor. Oudh, en
Taalk. Aanmerk. [. D.-bl, 297—
FRANSCHEN SCHRIJFSTIJL,- 583
G. 11. Wat de OPHELDERENDE
AANMERKINGEN aangaat:
6.12. Allereerst is ’tnodig op te mer-
ken, dat volgensdeezen Schrijfflijl, het
jaar begon met PAASCHEN; waarom
men wel den naam van Paaschjaaren gee
bruikt. Dat is, de eerfle Paaschdag was
de Eerfte dag van * jaar , of de Nieuwer
jaarsdag ; en delaatíte dag van dit jaar,
dat is van ’t oude jaar , was de dag voor
Paafchen, in het volgende jaar.
6, 13. Nu weet elk, dat het Paasch-
Jeest is een veranderlijk Jaarfeest, tgeen
niet weerkeert op denzelfden tijd, en dag
in elk jaar ; maar het geene (volgens het
befluit van ’t Concilie van Niceën , ten tij-
de van Keizer Conftantinus den Grooten,
in ’ jaar 325 gehouden) wel jaarlijks in
alle kerken der Christenen te gelijk, op
den zelfden tijd, en bepaaldelijk op ee-
nen en denzelfden ZONDAG moest worden
gevierd : maar die Paaschzondag, werwise
Jeldevelken jaare, aangezien het (volgens
de Paaschreekening) was de Zerfle Zonr
dag , welke volgde op de volle maan, ng
de Lente-Snee (of ’t AquinoCtium van
Maart) waar door de loopbaan der ver-
wisfelinge van den Paaschdag, bevat
een tijdbeftek van xxx1v dagen; als
Oo4 kon
584 A. ’SGRAVEZANDE OVER DEN
konnende de wroegfle Paaschdag voor-
vallen den 23 Maart, en de laatfte den
25 April, tusfchen welke twee tijdpun-
ten juist XXXIV dagen verloopen.
6 14. Uit die gefteldheid der Paasch-
jaaren, volgt: dat niet alleen de Maan-
den Fanuarijen Februarij, maar ook een
gedeelte van Maart, en fomtijds van
April, uitmaakten, het laatfte gedeelte
van het oude jaar, of na-jaar ; daar de-
zelve anders in de reekeninge der Juli
üanfche jaaren, welke met den eerften
Januarij aanvingen, het eerfte gedeelte
van het nieuwe jaar bevatteden, en dus
het voorjaar uitmaakten.
4. 15. Boven dien vloejde uit de wer-
wisfelbaarheid van den tijd, waar op het
Paaschfeest inviel, (6. 13.) eene #wee-
derleì zeer onvoegzaame ongereegeldheid;
waar van de eerfte was, dat nooit twee
jaaren, (die onmiddelijk op elkanderen
volgden) eeven lang waaren: maar dat
altoos het eene jaar veel langer of kor-
ter was, dan het andere; *t geen zelfs
een verfchil van xxx1iv dagen konde
uitmaaken. Zoo dat het eene jaar meér
bevatte dan twaalf volle maanden, en
het andere jaar minder dan twaalf maan-
den,
6. 16. De
FRANSCHEN SCHRIJFSTIJL, 585
6. 16, De tweede ongereegeldheid,
die daar mede verbonden ging, was,
dat in het eene jaar, verfcheide dagen
in ’t laatflevan Maart , of in ’t eerfle van
April, in ’t GEHEEL moesten ONT-
BREEKEN: doch dat die zelfde dagen
in tegendeel , in een ander voorgaand of
volgend jaar DUBBELD kwaamen,. Bij
voorbeeld: Indien in ’t eene jaar de eer-
fte Paaschdag viel op den 22 Maart, en
in’t volgende jaar op den 11 April, dan
kwaamen de xx tusfchendagen van 23
Maart tot 1o April, tweemaalen voor
in een en ’t zelfde jaar ; te weeten eens
in deszelfs begin, en eens in het einde,
6.17. Hier uit fproot de noodza
kelijkheid, om altoos bedacht te wee-
zen op den tijd, wanneer ín elk reeds
verloopen jaar, de Paaschdag was inge-
vallen, zoo dikwils men voorleedene
gebeurtenisfen, die tot de wier eerfte
maanden van eenig jaar behoorden , had
te beöordeelen,
6.18. Tot dat einde had men door-
gaans PAASCHTAFELS (f) in Alma-
nakken geplaatst , of afzonderlijk gefteld,
bij de hand,
Oo 5 6. 19. Ook
(Ff) PAASCHTAFELS;s Job, van de Water Voort.
voor ’t Utr, Plakaatboek,
5836 A, ’SGRAVEZANDE OVER DEN
6.19. Ook waaren de Gefchied- of
Chronijkfchrijvers veelfins gewoon, de
Paaschtijden in hunne verhaalen te tee-
kenen, met dat bepaalde uitzigt, om de
kennis der Jaarreekeninge gemakkelijker
te maaken, Men zoude wel konnen te-
genwerpen, dat het over ’t geheel de
gewoonte pleeg te zijn in deeze landen,
voor den tijd der Kerkhervorminge,
niet alleen van de Paaschtijden, maar
ook van andere dagen en tijden gewag te
maaken; om dat men de dagen der
maand, niet zoo zeer bij ’ getal benoem-
de, als wel naar de Feestdagen (g), en
zoogenaamde Heilige dagen, welke toen
gevierd wierden; ’t geen ook zelfs ten
opzigt der weeken plaats hadde. En dat
men ’t noemen van den Paaschdag en
Paaschrwveek , ook welligt uit die gewoon-
te zoude konnen afleiden: Doch het is
zeker , dat behalven die gewoonte, het
noe-
(E) FEESTDAGEN, ez zoogenaamde Heilige dagen,
Zoo hoemde men: daags voor St. Fan; daags va St,
Michiel; de week voor, van, Of na St. Fan; Zoo ook
de week van Pinxteren enz. In de Stads Reekeningen
van Middelburg, tot zelfs noch in 1574, wordt de
verandwoording der Arbeidsloonen, aan de Stads Met-
felaars en Timmerlieden, bij weeken , naar de Room-
fche Heilige en Feestdagen gefteld; tgeen ook in
de uittrekfels bij Scriverius, Befchrijving der Graa-
ven van Holland bl, 382 en elders voorkoomt.
FRANSCHEN SCHRIJFSTIJE. 587
noemen van den Paasehdag, nach boven
dien opzettelijk gefchiedde, om ’t Begin-
ftip van het jaar kenbaar te maaken.
G. 20. Deeze Schrijf ftijl., der Paasch-
jaaren, of Paasch-flijl, draagt fomtijds
den naam van Franfchen ftijl; aok heet
dezelve wel Vlaamfche ftijl; doch door-
gaans wordt die genoemd Hofftijl, Stilus
Curie, de Stijl van ’t Hof van Holland,
of alleen de Stij/ wan Holland,
6 21, Want dezelve fchijnt van Fran-
Jchen (h) oorfprong , of fchoon men ook
bij hen, behalven den Paasch-flijl, an-
dere Stijlen van fchrijven van ouds ge-
bruikte, te weten den Stijl van den 25
Maart, en van den 25 December. In
Savoijen en Zwitferland had dezelve
Paasch of Hofflijl ook plaats; zoo ook
int Luikfche en Keulfche, en welligt el.
ders: Doch inzonderheid in fommige
Nederlanden, als Molland en Zeeland;
ook mede Braband en Vlaanderen, uit-
gezonderd in de vier Vlaamfche Am-
bachten(i) van Hulst, Axel , Asfenede Éa
qr
(h) FRANSCHEN OORSPRONG. Poh. van de
Water , Voorr. voor ’t Utr. Plakaatb. I, D. en Balth.
Huydecoper, Aanm. op Melis Stoke, I, D. bl, 308.
naar Mabillon en anderen.
(Ì) VIER VLAAMSCHE AMBACHTEN, Volgens
W.
588 A. SGRAVEZANDE OVER DEN
Bochaute ; welke als Leenroerig zijnde
van den Bisfchop van Utrecht, den ftijl
van Utrecht moesten volgen.
6.22, Hoe oud het gebruik van deezen
Paasch-flijl zij, is mij niet gebleeken;
„zeker is ’t geweest een geruimen tijd voor
de XIV. Eeuw, ger re ftraks (6. 37.)
alreeds een bewijs der affchaffinge, in
het eerfte jaar dier Eeuwe zal worden
gemeld, _
9. 23. Doch fommigen (k) hebben den
Ou-
W. te Water, over de Leenroerigheid der vier Am-
bachten, bl. 17, 18. gefteld voor het III, D. van
Mr. Kasp. Burmans Utrecht{che Jaarboeken, volgde
men aldaar den Stijl van Utrecht, die ’c jaar begon
van den 25 December, zoo als J. van de Water
Voorr. voor ’t Utr. Plakaatb, aanteekent,
(Kk) SOMMIGEN. Ger. van Loon, klimt op, vol-
gens B. Huydecoper bij M. Stoke, I. D. bl. 307, tot
het jaar 870. en {zoo als mij bericht is) Eccardus
Rer. Franc. T. IL. p. 565, 566. uit Vredius in Sigill.
Com. Flandr. reekent noch vroeger, want hij
fchrijft: dat de Franfchen , tot het jaar 757, het
Burgerlijke jaar van den eerffen Maart begonnen,
doch dat wanneer Koning Pipinus, de Rijksdagen,
die op den eerften Maart pleegen gehouden te
worden, had verlegd, op den eerften Meij, het
jaar zelf, toen ookeen NIEUW BEGINPUNT Ont-
fing, en wel van het Paaschfeest; ’tgeen tot den
tijd van Karel dez IX is gevolgd. Mabillor de Re
Diplom. L IL C. 23. $. 4. p. 172. getuigt ook: dat
de oude Franfchen onder de Koningen van den
Merovingifchen fam, van de maand Maart het dar
Ce
FRANSCHEN SCHRIJFSTIJLe 589
ouderdom van dit gebruik al gebragt tot
het jaar 870, En anderen noch vroe-
ger, reeds tot het jaar 757. Willende,
dat toen de Franfche Koning Pipinus
de Algemeene Staatsvergaderingen des
Rijks (Comitia) van den eerflen Maart
overbragt op den eerflen Meij ‚ het Bur-
gerlijk jaar, met het Paaschfeest eenen
aanvang hebbe genoomen, in de plaatfe
van den eerflen Maart; op welken dag,
men wil, dat het jaar te vooren pleeg te
beginnen; tgeen echter niet duidelyk
blijkt.
6. 24. Geheel onzeeker is ook de
Oorfprong van dit Stijl-gebruik.
9. 25, Zeer onwaarfchijnlijk is de
meening van hun, die willen, dat de
Christenen, uit eerbied voor het Paasch-
feest
begonnen. En in de Capitula Synodi Vernenfis, of
Handelingen der Synode in ’t Paleis te Verzon In
Normandijen gehouden, en door Koning Pipinus
in ’tjaar 755 uitgegeeven, leest men: 4. IV. ”Ut
„> bis in anno Synodus fiat. Prima Synodus MENSE
‚99 PRIMOs quod est Martias Kalendas, ubicunque
> Dominus Rex jusferit in ejus praefentia”.
_ Hier uit blijkt wel, dat in 755, en dus voor 757
de maand Maart, de EERSTE maand wordt ges
noemd: maar juist niet, dat het jaar van den
EERSTEN dag dier maand begon. Want Maart
kon de eerfte maand heeten, al begon men ’t jaar
pas op den 25. dag , zijnde den dag van Maria Boode
Jhap. ($. 8.)
590 A. ’SGRAVEZANDE OVER DEN
feest der FJooden, (U) als het eerfte Feest
in rang en waardigheid, het jaar vari
Paafchen zouden hebben begonnen,
Want men behoeft, om het tegendeel
te zien, alleen den Brief te leezen , die
Keizer Conflantints (m) na ’t gehoudene
Concilie van Niceën in *t jaar 325, fchreef
aan alle de kerken onder zijne Heer:
fchappij, ten einde zij niet te gelijk met
de Jooden , (welker Paaschdag verwisfelt
op alle dagen der weeke) maar altoos op
Zondag, het Paaschfeest zouden vie-
ten; (6. 13.)
6, 26, Anderen gisfen, datde Stijl der
Paaschjaaren zoude zijn gefprooten uit
het Zafelken (n) of Bordeken, ’t welk van
ouds pleeg gehangen te worden aan de
Paaschkaars (Pafchalis Cereus), die men
op den Zaturdag voor Paafchen of
Paaschavond (bij den aanvang van het
Paasch=
(1) PAASCHFEEST DER JOODEN: Zoo wil Ma-
billon, volgens B. Huydecoper bl. 312.
(Cm) CONSTANTINUS. Deeze brief is onder
anderen in C, Barozii Annal. T. III. p. 307
(n) TAFELKEN. B. Huydec, bij M. Stoke I. De
bl. 312314. Hermannus Gygas in Flor. Temp. feu
Chron. Univerí, p. 53. wil, dat Paus Zozimus, in
It jaar 422. het wijden van de Paaschkaars hebbe
vastgefteld; ’t geen andere noch vroeger ftellen.
Zie Feh. Ger. Meufthenii Glosfar. Barb. Latin, in ’€
woord Pafchalis Cereus, Lugd. Bat. 1743. in 4.
> FRANSCHEN SCHRIJFSTIJL: SOL
Paaschfeest) gewoon was te wijden, en
op welk Bordeken de Zijdmerken gefteld
waaren, volgens welke het Paaschfeest
moest bereekend worden (als Zondags-
Letter ,Guldegetal enz.) benevens het loo-
pende jaar. En dat men , van dat tijdftip
der Kaarswijdinge af, het Nieuwe jaar
begon. Welk gebruik van’t Zufelken of
Bordeken men wil, dat reeds in de vier-
de Eeuw hebbe plaats gehad. Alhoewel
de Voorfteller deezer gisfinge ontkent,
dat het gebruik der Paaschjaaren zelve,
zoo vroeg zoude hebben beftaan. El
ders wordt ook gezegd, dat men vande
Wijding der Doopvonte (o) op Paasch-
avond, het Nieuwejaar begon te reeke-
nen.
6.27. Wat ‘er ook zij, nopens den ou-
den oorfprong van deezen Schrijfftijl, dit
is zeker, dat zich daar van hebben be-
diend, niet alleen verfcheide Worften,
als de Koningen van Vrankrijk, Graaven
van Vlaanderen, Holland en Zeeland x p)
Is-
(o) DOOPVONTE. B. de Jonge Gendfche Ge
fchied, IL. D. bl. 236, 237. bij Wa 'te Water over de
Leenr. bl. 17. ì
(P) GRAAVEN VAN HOLLAND EN ZEELAND. Dit
blijkt uit het geen F. van Mieris, in de Voorr. voor
?t Groot Charterboek IL D, bl, 13. heeft aangemerkt,
Wee
592 A.’SGRAVEZANDE OVER DEN
Alsmede de Graaflijke Hoven van Bra«
band en Holland: Maar ook de Magi-
flraaten in de Steden; voor al in Zeee
land ;(q) zoo wel als Beämpte en bijzon-
dere perfoonen, zoo in Chronijken (r)
en Gefchiedboeken, als in gemeenzaame
Briefwisfelingen (S).
5 9. 28, Al-
wegens de brieven van Graaf Jan den I. en IL, van
1296. en 1299. vergel. met L. P. van de Spiegel over
de Hooge Vierfchaare in Zeeland, bl. 77, 78. in ’t
IL. D. der Verh. van ’ Zeeuwsch Genootf, Al-
hoewel zij in Holland zijnde, fomtijds eenen an=
deren ftijl volgden, dan zij in Zeeland zijnde, ge=
bruikten. B. Huydecoper bl. gar.
(q) VOORAL IN ZEELAND. Te Middelburg
was dit gewoonelijk, volgens de Stads Registers
ten Raade, Stads Reekeningen, Vonnisfen cnz.
Ook te Vlisfingen; zie F.J. Brahé, Eeuwvreugde
bl. 193. Uit de Ordonnantie van de Policie in Hol-
land van r April 1580. is af te neemen, dat zulks
aldaar in Steder en Dorpez ook wel plaats hadde. Te
Dordrecht begon men tot 1577 het jaar, en dus de
Jaarreekening met denGoeder Vrijdag , dat is van den
dag van ’s Heilands Lijden; volgens M. Baten, Be= —
fchrijving van Dordrecht bl. 621, 629. die aantee=
kent , dat dit waare volgens Stijl des Hofs van Holland;
geen in het Zegenbericht op ’t Nabericht van 7.
Bent bl, 23.ook van de Dordfthe Ate en Klepboeken , of
Stads Registers wordt getuigd.
(T) CHRONIJ KEN. Men zie bij voorbeeld, de
Chronijk van Vlaanderen van Meyerus, waar van veele
uittrekfels zijn gemaakt door Seriverius, over de
Graaven van Holland en Zeeland.
(S) BRIEFWISSELINGEN. Onder anderen,
in de Brieven van Viglius Ayita à Zuichem aan Joächim
Hopperus, in de Analeta Belgica van C, P, Hoynck
wan Papendrecht, T, IL, P. IL, ;
/
FRANSCHEN SCHRIJFSTIJL: … 593
„6. 28. … Alhoewel dezelfde: perfoonen.
(t) zich niet altoos aan den Paasch/lijl.
bonden, „maar ook den Zoom/then of
gemeenen flijl volgden; inzonderheid
wanneer zij op andere-plaatfen waaren.
6, 29. Deeze ongelijkheid baarde. ces
ne nieuwe moejelijkheid ; weshalven ?er.
eenige KENMERKEN van den Paaschftijl
vereischt worden „ om daar uit te kon
nen oordeelen , of de fchrijvers zich van
den gerneenen Room/chen Stijl, of van-den
Hoff bediend hebben; «Doch welke
kenmerken , verfchillende waaren op on-
derfcheidene plaatfen. |
9. 30. Als men zich in deezen tot ons
Vaderland bepaalt, dan is het eerfle en.
gereedfte kenmerk te vinden in de ons
Jchrijvinge, welke de fchrijvers. zelve;
bij hunne jaartelling voegden, om uit-
drukkelijk of bij wettig gevolg aan te wij-
IV, DEEL, PP zen ;
(t) DEZELFDE PERSOONEN. Keizer Karel
de 5 en zijn Zoon Philippus, gebruikten in Neder=
land, den Franfchen of Hofftijl; doch in Spanjen,
den STIJL VAN CASTILIEN, dat is den gemeenen
Stijl, FJ. van de Water Voorr. voor ’t Utr. Plakaatb,
Zoo gebruikten ook de oudere Graaven, op ver=
icheidene plaatfen zijnde , eenen verfchillenden Stijl,
B. Huydecoper bl. 321—323. Karel de 5. gaf te Meche=
len 11 Maart 1520; eenen brief , met de bijvoeginge:
Stile de Cambray, Die te vinden is in’t Register van
Verbandente Middelburg. MÁ, fol, 102 yfo,
SDA” A. SGRAVEZANDE OVER DEN
_zen}dat zij den ofjlij/ volgden , of dat
zij het Biot ide deeden.
6 31. Wanneer zij den Hoffhijl wvol-
gende, zulks uitdrukkelijk, aanweezen,
„ fchreeven zij achter aan het jaartal, in
“Latijn: Stilo Curie; of in °t Neder-
duitsch: Srijle °s Hoofs, Stijle ° Hoofs
VAN HOLLAND; ook: naar fchrijvens
’s Hoofs van Holland; en korter: naar
*fchrijven van Holland; en allerkortst
naar Holland, Terwijl de Graaven
fehreeven®’ naar den Loop wan onzen
FBewao HBEW on
6. 32, Maar als dit bij wettig gevolg,
wordt aangeweezen, vindt men in tlaat-
fte van *t oude jaar bijgevoegd de woor-
den: woor Paafchen; en in * begin van
% Nieuwejaar: na Paafchen, (S. 39. (z)}.
6 33. Welke laatstgenoemde Bijvoe-
gingen door kundigen (u) alleen van
den 22 Maart, tot den 25 April wier-
den bijgevoegd, om dat dezelve voor
of na dien tijd niet te pas kwaamen,
6. 34. Doch dat zij het tegenflelde
van den Hofftijl volgden, toonden zij,
door de bijvoeging: naar gemeen fchrij
ven,
(U) KUNDIGEN. Voorbeelden van Onkunde in
deezen, heeft %., van de Water in zijne Voorreden
geteekend, Sol
FRANSCHEN 'SCHRIJFSTIJL. ‘ 595
wen, of fchrijven deezer Stede; of (zoo
als men te Utrecht deed en in de vier
Ambachten (S. 21.) van Vlaanderen) Ge-
meene flijl, of Stijl ’s Hoofs van Utrecht;
het geen bedoelde den 25 December,
zoo als dit met het jaar 1310 was aan-
gevangen (6, 37.) En in de Brieven des
Konings vindt men: naar Caftilien, enz.
4. 35. Nochtans hebben de fchrijvers
niet zelden werzuimd (v) en geheel na:
gelaaten deeze aanteekeningen alomme
bij het jaartal te voegen, In welk ge-
val het wvoornaamfte middel dat over-
blijft is gebruik te maaken van de /cha-
kel der Gefchiedenisfen (w) van dien
PP 2 tijd;
(v) VERZUIMD. ’t Geen getuigd wordt in ’£
Plakaat van- Koning Philippus den II. van den 16 Junij
1575. daar van zijn aanmerkelijke voorbeelden aan-
gebragt in ’tTegenberigt op het Naberigt van den Heer
JF. Bent, bl. 18. ontleend uit het Groot Privilegie
van Vrouwe Maria van Bourgondiën, 14 Maart 1476.
[ftil. cur. dus 1477.) Haar Privilegie aan Leyden geà
geeven , wegens de verkiezinge der 40 en 16, den
23 Maart 1476. En een Privilegie pe Haarlem van
24 Maart 1476, [die beide naar den Hofftijl moeten
gereekend worden, en dus tot 1477 behooren]
waarbij men kan voegen het voorbeeld der quitan=
tie van den Ontfanger Generaal Nicolaas Provoost ,
van 28 Feb, 1477. [voor 1478) in het Tegenberigt,
_ ingelast bl. 3, 4.
CW) SCHAKEL DER GESCHIEDENISSEN. Zoo
oordeelen de Heeren var de Water ; en wan Mieris te
, recht ;
596: A. ”’SGRAVEZANDE OVER DEN
tijd; ‘waar bij ook de ZLandaard van den
fchrijver, als mede de plaats waar hij
fchreef (indien zulks mogelijk is) in
opmerkinge kan worden genoomen.
6.36, Alvroeg heeft men de onvoeg-
zaamheid van deezen Stijl ondervon-
den; En ook al vroeg getracht, daar
in te voorzien; Waar in de Kerkelijken
zijn voorgegaan, ’tgeen in den Bur-
gerflaat naderhand is gevolgd. 3
6.37: Wat de Kerkelijken betreft;
Men fchrijft: (x) dat in ’tjaar 13o1. in
Svo ah 1e het
recht; de laatfte heeft zich daar van onder anderen
bediend, in de brieven van Graaf fez den TI, en den
U. Uit de Gefchiedfchakel blijkt ook, dat in de
Brieven van Viglius aan Hopperus, de CXCIIL. van 5
Maart 1573. p. 732 en CXCIV. van r2 Maart 1573.
p. 737. meldende dat Middelburg was werlooren, en
de Vloot (door Don Louis uitgerust) was geflaagen
naar den Hofftijl moeten gereekend worden, als be-
hoorende tot 1574. Men zie mijne Tweede Eevage-
dachtenisder Middelburgfche Vrijheid. bl, 384, 398,
421. met de Aanteek.
GO scurRIjFT, Wegens ’t jaar 13OI. te LIM O=
GES; zie B. Huydecoper by M. Stoke 1. D. bl. 315. die
uit. Mabillon aanteekent, dat r3or. in het Bisdom
wan Limoges , de eerfte dag des jaars verfchikt is van
den Paaschdag , tot den bepaalden dag van 25 Maart ;
daar hij ook. uit Haltaus, in Chron. montis fereni, p.
27, 28. van de Zwitfers gewag maakt. Van s A=
VOIJEN, 1306, de Voorr. van Job. van de Water,
Nopens 1310. te KEULEN, bij dezelfde Schrij= —
vers, als mede Vad, Hift, III, Deel bl, 194. en Ee
Ce
FRANSCHEN SCHRIJFSTIJL,". 597
het Bisdom van Limoges, de eerfte dag
van ‘tjaar is verfchikt van den wande-
lenden Paaschdag, tot den wastflaanden
dag van 25 Maart. Dat zulks:in Sa-
woijen zij gefchied in % jaar 1306, En
insgelijks te Keulen op. de Provinciaale
Synode, in die Stad befchreeven in-de
Lente van ‘tjaar 1310; op ’twelke Guij
Bisfchop van Utrecht, tegenwoordig
was; daar bepaald werd: ”Dat men
» voortaan volgens. het gebruik der
Roomfche kerke, het jaar met Kers-
5 mis en niet met Paafchen zoude aan-
» vangen.” Waar uit men afleidt, dat
dansiin deeze Landen „na dien tijd, de
gewòóne Stijl zij geweest, het jaar met
Kersmis te beginnen, en dat men daar-
om, van toen af den Paaschftijl, onder-
fcheidshalven, den Stijl wan ’ Hof
heeft genoemd, ADT
“ Zoo is ook te Zwik, de eerfte dag
van % jaar 1334. (welke moest koomen
op den-27 Maart), vervroegd tot 25
December 1333,
„6. 38. Doch ’er verliep noch meêér
__dan ééne Eeuw, eer deeze affchaffing
in den Burgerflaat gefchiedde; want
PP 3 Kar
deren; inzonderheid van Huesfin Bat. S. LD. ble
251. En aangaande LUIK, bij Huydecoper bl, 515.
568 A+’SGRAVEZANDE OVER DEN
Karel de FX, (y) Koning van Vrankrijk
was de eerfte, die in ° jaar 1563. last
gaf bij willekeur, dat het Nieuwejaar
even: als in andere landen met den eer-
fien Fanuarij 1564 zoude aanvangen; ’t
geen door °% Konings Raad en kamer
van Reekeninge terftond is opgevolgd,
doch door *t Parlement, (‘tgeen daar
in-geen behaâgen vond,) eerst met het
jaar 1567 is aangenoomen.
6. 39 Twaalf jaaren laater gaf Pbi-
lppùs de WL. (z) Koning van gen
| ij
Cy) KAREL DE IX, Oudheden en Geftichten
van Delfland, in 8. bl, 467. Verklaaring van, eenige
duisterhieid by dé Keuré van Zeeland, van Oogst-
miáànd r49s. na bl, 80, Aant. van Mr. Corn, Verfluis
opde Coftùme van Middelburg in 4. 1771. bl. 222,
Voorr, vaù J. van de Water, en B. Huydecoper bl. 320,
…(Z) PEILIPPUS- DE it. In ’t Plakaat van den
ró. Junij 1575. te vinden in ’ Groot Plakaatb. IL. D,
ble 455. fpreekt de Koning dus: *”Alzoo men bij
5 Experientie bevorden heeft, dat ’er veele in-
js -convenienten gebeurd zijn ; door de verandering
„5 em diverfiteit van den Datum des jaars, zedert
zy den dag van de Geboorte onzes Heeren: J.C. tot
» der refwrrektie of Paaschdaz; Mitsdien, dat men in
zo eefiige quartieren den datum van ’t vernieuwen
3» des jaars van Januarij daar na volgende, (het
s> welk de Stijl is,‚-die men gemeenlijk gebruikt
55 Anderen” beginnende het zelve-op Paaschavond,
ze (Ct welk fommigen zeggen: den Stijl van den Hove)
»; ende anderen anderfins, naar de diverfiteit van
3, de Bisdommen; Gelijk ook fommigen er bij
Á à # € à
FRANSCHEN SCHRIJFSTIJL.” 599)
bij Plakaat of Edie -van den-16 Junij
1575, ten tijde van *t Bewind van: Don
Louis de Requefens eenen gelijken: last
aan de Nederlanders, ovies
6. 40." “Te Dordrecht is dit gevolgd
met het jaar 1577 :-Doch-te Middelburp
vindt meneerst met: den” eerften ‘Jânuäz
rij 1578. in de Notulen wan : Weten
Raad ‘die verandering: van Stijl ;‘ zijnde
het opmerkelijk, dat toen Prins: Wijs
lem de T, (a): in de maand Maart “daar
aan. volgende eene Ordonnantie gaf,
nopens de Opvolginge van Veere en
PP 4 0 Vliss
„5 ftellen „woor zeekeren tijd, te weeten van den 22
s‚ van Martis tot den 25 van April daar na volgen=
9 de, deze woorden: VOOR of ‘NA PAASCHEN4
»s het welk-fomtijds de. Notarisfen , Publique , of
„5 Privé Perfoonen vergeeten; ofte laaten te ftellen in
5 hunneAten ende Schriften ‚ zulks dat daar deur
55 dikwils rijzen -queftien „ gefchillen ende zwa
s-righeden-op de contraéten, ouderdommen } ren-
5 ten ende perfoonen enz;e 5 « in
(A) PRINS WILLEM DE I,vgebruikte den Ges
meenen. Stijl,” in eenen brief uit: Delft aan de. Wet=
houderfchap te -Wlisfingen 7 Jan. 1573. Bijlaage:‘D. bl,
25. achter. %-J. Brabé Kerkel, Redenvoer.. * Inde
verklaaringe «aan “Middelburgogegeeven den-19-Feb,
1574 (tevinden in mijne Tweede Eeuwgedachtenisfe
of Hiftorifohe- Aaneenfchakelinge-bl. 414) -is’er bij
gefteld a zarivit. Dzi, ’t geen vof de Gemeene Christelij=
ke Jaartelling ‚"die aanvangt met het jaar van Christus
Geboorte (954) of liever :den » Schrijfftijl „ die „met
Kersdag het jaar begon, konde aanwijzen,
5
bon A. SGRAVEZANDE OVER DEN
Vlisfinigen inde plaatfe van den Bisfchop
van. Middelburg, als * derde Lid van
Staats-om de derde {tem te hebben,
dezelve geteekend is-den 8 Maart 1578 ;
met; de omfchrijvinge: Stilo Zdidi; waar
doorshet: genoemde Plakaat: of Edid.
van-Pbilippus. van>15 Junij 15:75, fchijnt
te, worden verftaaris:: ob: miei8da de
onfe4re Eindelijk -is hierop in Zof:
land gevolgd „ede ‘Ordonnancie-van de
Palicie, (b), vanden 1 April 1580. ze.
Arn ofrirdeobie: dijogtae dess
=(b) ORDONNANCIE vÁN DE POLICIE. Het 40 Art.
van 1 April 1580 luidt dus: * Ende ten laatften Or-
hs ie
en
FRANSCHEN SCHRIJFSTIJL: Óot
dert welken tijd de gemeene Roomfche
Stijl in dat gewest alom is aangenoomen,
9.427 En twee jaaren daar na is de
Schrijfftijl-noch verder tot volkomenheid
gebragt, door ’t bevel van den ‘Hertog
van Anjou, (die toen de-gebiedhebbende
magt bezat) welke den zo Oétober 1582
belastte, dat- de 15. Oétober van dat’
jaar zoude worden genoemd de-25; zoo
datde maand van Oétober in -dat-jaar
maar 21 dagen “zoude hebben; waar
door. dan de Nieuwe of Gregoriüanfche
{tijl-hier te lande isin gebruik gebragt,
even als in de Roomfche landen; fchoon
men in ENGELAND (c).den ouden flijl
bleef volgen, en inde ‘Staatszaaken bo.
ven dien; ‘het jaar met. den 25 Maart be-
gon. Zijnde eerst met September 1752
aldaar de. Nieuwe of. Gregoriäanfche ftijl
aangenoomen ; en zedert dien tijd:de eer=
fie dag van Januarius „in ALLE OPZIGTEN
| PP’jS wrr
»» fiets. Secretarisfen „en (Generalijken , allen den
», Onderzaaten van den voorfz. Landen , in heure
>» openbaare acten , gerechtelijke brieven ende in-
2 ftrumenten „noch in heure Registers ofte Proto=
2 Collen anders te doen ofte laaten: gefchieden,
> op poene van Privatie, ofte Sufpenfie van heure
„> Staaten ende Officien , ofte andere arbitraale cor=
vj reétie. naar.exigentie-van der-zaaken”, …. 7
(C)ENGELAND. Hedend. Hift. of Teger wöord.
Staat van Groot Brist, I, D, bl, 535 , 536,
603 A. ’SGRAVEZANDE OVER DEN
gehouden voor den eerften dag van *t
jaar. | |
6. 43. Na deeze OPHELDERENDE
AANMERKINGEN, zal ’t niet ondien-
ftig zijn de NUTTIGHEID van dezelve
op te geeven, en met eenige voorbeel+
den te bevestigen. d
9.44 Voor af, houde men wel onder
het oog, dat deeze aanmerkingen zich
alleen bepaalen tot fchriften , die voor
de: Zeventiende Eeuw zijn te voorfchijn
gekootnen ; terwijl het noch niet zeker
blijkt „boe vroeg de opmerking van deezen
Schrijfftijl alreeds te pasfe koomt, De
Heer Balth. Huydecoper heeft veel werk
gemaakt, om den vroegen ouderdom der
„Paaschjaaren te ontkennen ; als ook het
gebruik’ derzelve in Meerhout, Melis
Srake ‚Willem Procurator, Fobannes a
Leiden, en andere oude Kronijkfchrij-
vers, “alhoewel. Hij * vroege gebruik
van den 25 Maart-taeftaat, Wat daar
van zij, moet van achteren, door oplet-
tenheid op die Schrijveren, en andere —
oude. rukken in tijdvervolg worden be-
flist,: Jin Í Sutil gie ke
S. 45. De nuitigheeden nu zijn veeler-
1 r 8 8 een
6. | 46. Allereerst” zijn deeze aanmer
FRANSCHEN! SCHRIJFSTIJL. … 60%
kingen nüttig, om zich te HOEDEN
voor ’t-begaan van misflagen , en verwar-
ringen der tijdorde ‚In t VERZAMELEN
vary Losfe Chartres; Brieven en andere
flukken, Waar van men de voorbeelden
heeft in den arbeid-van den Rechtsge:
leerden Johan van de Water, in zijn
Groot Placcaatboek van Utrecht ; in
jaar 1729 uitgegeeven ; Als mede in het
Groot Charterboek van: Frans van. Mieris.
6. 4% Eene tweede nuttigheid is,dat
men geleegenheid bekoomt, om de mais.
Slagen te verbeeteren, en de verwarringen
op te ruimen in zulke VERZAMELIN:
GEN, waar in de Hofftijl, door de ver«
zamelaars, ziet is opgemerkt ‚ én waar
door verfcheide ftukken: op verkeerde
plaatfen „zijn gefteld,; Dit kan ste: {tade
koomen in ’t gebruiken der Brieven van
Viglius Aytta a Zuichem aan Joächim
Hopperus , door Cornelis: Hoynck van
Papendrecht verzameld, in zijne Ana-
leéta Belgica; welker -faamenvoeging is
gefchied--geheel enal naar den Room
Jchen of Gemeenen ‘Stijl; of fchoon niet
alleen: uit den inhoud „maar dikwils ook
uit debijgevoegde omfchrijvingen ; of aan
teekeningen van denvtijd blijkt,” dat in
dezelve de Zof- of Paaschflijd is:gevolgd.
6Go A. ’SGRAVEZANDE OVER DEN
Weshalven doorgaans de brieven der
wier eerfte maanden. van elk jaar wer-
keerd, dat is „een jaar te vroeg geplaatst
zijn, en dus de woorjaarsbrieven van
1567. voor Meij 1566, en die‚van 1568,
voor aan in'1567.-zijn gefteld, «en zoo
vervolgens. EN ot. |
6. 48. Even zoo is in de werzamelinge
der Sententiën van den Hertog: van Alba,
door Jacob Marcus te Amfterdam 1735.
in oêtavo, de Hofftijl (fchoon dezelve
hier en daar geteekend ftond) dóor den
uitgeever niet. waargenoomen, ‘weshal-
ven fommige “Sententiën reeds gefteld
zijn in ’ voorjaar 1568. of fchoon het
bijvoegfel toonde, -dat zij (naar den Hof:
ftijl) tot-het jaar 1569 behoorden.
„Waar bij men (volgens ’t getuigenis
van den genoemden Johan van de WW a-
ter).ook het Gelderfche Plakaatboek kan
voegen; als waar in foortgelijke verzin-
ningem:plaats: hebben. |
e Ós 49 Hier koomt bij eene derde nut-
tigheid ‚dat men door deezerganmerkin-
gen geleegenheidontfangt,-om zoo wel
van -Losfe Chartres; brieven) ensandere
ftukken „ als van de verhaalen der. Gez
Jebiedfchrijveren van verfcheide::Land-
aard. en woonplaats, het RECHTE GE-
Shi, BRUIK
FRANSCHEN SCHRIJFSTIJL; « 6oj
BRUIK te maaken, in het vormen van
een GESCHIEDKUNDIG SAMENSTEL van
verfcheide gebeurtenisfen; zoo deed te
meermaalen de Heer Wagenaar in de.
Vaderlandfche Gefchiedenisfen ; ook zijn
daar van blijken in mijne Hiftorifche
Aaneenfchakelinge van Gebeurtenisfen der,
Stad Middelburg, in 1774 uitgegeeven.
6. 50, En inzonderheid kan als eene
wierde nuttigheid -befchouwd worden,
het BESLISSEN van fommige onzekerheden,
over den tijd der gebeurtenisfen, welke
in verfchil zijn; en het wegneemen van
verwarringen en misflagen uit de ge-
fchiedverhaalen. |
Waar van veele proeven konden wor:
den gegeeven, doch eenige weinige zul-
len genoeg zijn, |
6. 51. Ter BESUSSING der ongekerhees
den in den tijd, kan ten woorbeelde die-
nen. “
9. 52. De inftelling der GULDEVLES-
ORDE , welke was den 5 Januarij 1430. an-
deren ftellen dezelve den 5 Januarij 1429.
doch ’ is te verftaan naar den Hofftijl,
6.53. Philip de Comines, een Fran:
fche Gefchiedfchrijver, verhaalt den
dood van Hertog KAREL DEN STOUTEN
op den 5 Januarij 1476, doch % is baat
en
606 A. ’SGRAVEZANDE OVER DEN
den Hofftijl te reekenen; dies anderen:
dit tot 1477 brengen.
6.54. En dus moet dan-ook het
GROOT PRIVILEGIE (d) van Maria;
Karels Dochter , van den 14 Maart 1476
begreepen worden van den Franfchen of
Hofnijl, als behoorendetot het jaar 1477.
9. 55. Doch deeze aanmerking, is
door den Schrijver der Waderlandfche Ge-
fchiedenisfen (e), ten onrechte toegepast
op ’tgefchil: Of de herflelling der Privi-
legien , door Hertog Philips den Goeden,
aan de Kennemers in 1455, of 1456 zij
gefchied ? Om dat die herftelling behoort
tot Meij of Bloejmaand; en dus buiten
die maanden, in welke dat werfchil in-
vloed heeft. (6. 33.)
6.56. En wat de wegneeming van ver-
warringen betreft, zullen twee voorbeel-
den konnen volftaan , welke teffens pe
p en
(d) GROOT PRIVILEGIE. Men zie deswes
gen uitvoerig het Tegerbericht op ’t Nabericht van
{. Bent, Dord. 176r. in 4. bl. 6 — daar ook een
Brief van Maximiliëan en Daria op bl, To wordt aan-
geroerd van 28 Feb. 1477. voor 1478, nopens de
Munte, dewijl Maria eerst den 19 Aug. 1477. in %
Huwelijk met Maximilian was verbonden.
(C) Wagenaar Vader. Hit. VL D. bl. 54. Andere
voorbeelden van onvoegzaame toepasfinge, wor-
den aangeteekend, in ’ reeds aangehaalde Tegenbe=
eigt bl, 21—23.
ERANSCHEN SCHRIJFSTIJL. _ Ó6of.
len dienen ter verbeetering der Meders
landfche Penningkunde van G. wan Loon
(£); die anders wel, bij andere geleegen-
heeden, den Hofflijl heeft opgemerkt.
6.57. Hij fchrijft nopens ‘t beleg van
Middelburg, na ’tovergaan van Ramme-
kens den 5 Aug. 1573. “Ja de Staaten
> van Zeeland , om het tot de overgaaf
» te dwingen, fpaarden geen kosten,
> maar verdubbelden de uitleggers en
» op ftroom gehoudene fchepen ; zu/ks
» zij zich als werzeekerd houdende, dat
»„ de Stad niet te ontzetten, maar door
» de genoome voorzorg , zoo goed, als in
» bun geweld was, dit volgende Pen-
» ningtje tot lof van den Prins van O-
» ranje deeden munten, Midd, ab Hifp.
„ D.P.A.V.R. G.E. C.C. 1573”, Doch
die met eenige aandacht, ’t beloop van
zaaken in dat tijdsgewricht gade flaat,
ziet ligtelijk, dat 1573 is naar den Hof-
flijl, dat is 1574. Zoo datdit Penning-
tje, niet voor af, maar na ’t overgaan
der Stad is geflaagen.
(É) G. van Loon Nederl. Hift. penn. I. D. bl. 172.
„Men zie deswegens mijne Tweede Eeuwgedachtenis
der Middelburgfche Vrijheid, of Hift. Aaneenf. by
P. Gillisfen 1774. in 8. bl, 422.
608 A, ’SGRAVEZANDE OVER DEN
6: 58, Dezelfde Schrijver (zg) ftelt
ook op ’t jaar 1574, de oprichting der
Leydfche Hoogefchoole ; hij fchrijft: ”Zij-
„ ne Doorluchtigheid had reeds, ftaan-
„ de de eerfte influiting [of beleegering
der Stad Leyden. door de Spanjaards).
op den tweeden van Louwmaand dee-
„ zes jaars [1574] den Staaten van Hol-
„ land vertoond, hoe de gemoederen
„ der- Nederlandfche jeugd; door het
„ Onderwijs der uitheemfche en buiten-
landfche fchoolen, veel te Spaansch-
„ gezind gemaakt en van de Spaansche
; belangen voor ingenoomen wierden ;
„ en derhalven hun het oprichten eener
„ Hoogefchoole binnen Leyden aange-
„ preezen. Dit was bij gemelde Staaten
„ goedgekeurd, de inftelling en vergun.
„ brief daar van den 6 derzelver maand
„ te Delft uitgegeeven, en op den naam
„ van Koning Philips afgekondigd ;
„ doch de voltoojing, en het volle be-
„ flag van dat werk, was door het op-
„ gevolgde tweede beleg dier Stad ver-
„ hinderd: zulks de openbaare Inwij- _
ding der nieuw geftichtte Akademie,
„ eerst op den 8, van Sprokkelmaand
kaf À k „ des
(8) G. van Loon Nederl, Hift, penn. I, D, bl. 197.
NE pn N
dd emeeendensende 8 ” ke
FRÁNSCHEN SCHRIJFSTIJL, _ Óog
» des jaars 1575, ten overftaan der
» Staatfche Gemagtigden , en met veel
, plegtigheden verricht wierd”.
6. 59. Dit bericht nu is geheel bui-
ten den haak; Want de zaak ging op
deeze wijzetoe: Na dat Leyden voor de
tweedemaal ingeflooten, en den 3 Oc-
tob, 1574 was ontzet, en Don Louis de
Requefens door zijne Gemagtigden Eb.
Leoninus en Hugo de Bonte, den ar
Dec. 1574: te Delft, ter ftaats vergade.
ring van Holland wvoorflagen tot Wrede
had laaten doen, waar van aan den
Prins van Oranje, (die toen in Zeeland
was, om eenen aanflag op Antwerpen.
ter uitvoer te brengen) werd kennis
gegeeven, zond Oranje den 28 Dec,
1574. Mr. Jaques Tayaert, van Mid-
delburg naa Delft, om de- Staaten te
vermaanen, ten einde, EER DE VRE-
DEHANDELING BEGONNEN WIER-
DE, eene Hooge „School op te richten;
daar toe Leyden voorflaäande, Welk
_ voorftel den 2 Jan, niet van het jaar 1574
(gelijk van Loon fchrijft) maar van het
jaar 1575 ter ftaats vergadering kwam,
en den 3, alreeds werd goedgekeurd,
waar van men den 4, aan den Príns ken-.
nis gaf, en twee dagen laater het Oc-
IV, DEEL Qa troj
hed
Ó61o A.’SGRAVEZANDE OVER DEN
troj op naam wan Philippus te Delft uit-
gaf, geteekend den 6 Januarij 1574 STI-
LO CURIAE , (zoo als “uitdrukkelijk
in®t Groot Placaatboek, en de Notulen
van Holland (h) ftaat.) En voorts een
maand daar na, den 8 Februarij 1575.
de Hooge School ingewijd; en de Sta-
tuiten den 2 Junij 1575 te Dordrecht
door den Prins en Staaten van Hol-
land vastgefteld, twee dagen voor het
fluiten der Unie met Zeeland, ’*t geen
den 4 Junij 1575 gefchiedde, zoo dat
de verwarring van den Heer van Loon,
alleen daar uit {pruit, dat hij de bijvoe-
ging: Stilo Curiae, bij *t jaartal 6 Jan,
1574 ftaande, heeft over ’t hoofd ge-
zien. (i) | |
9. óo. Toteene toegift herinnere men
zich de wondere baaringe van Margareta
Gravinne van Hennenberg, die in *tjaar
1276, in eene dragt 364 kinders zoude
hebben ter wereld gebragt, waar vande
helft zoons , Johannes, en de wederhelft
dochters, Zlifabeth zouden genoemd zijn,
(hb) In P. Paulus, Betoog van Zeelands Recht
tot het ftichten eener Hoogefchoole, 8. Leyden
1775. Bijl. bl. 33. isgefteld in ’t O@troj , het jaar 1575.
(Ì) Anderen hebben ook (zoo ’ fchijnt) in dat
zelve opzigt gedoold, Men zie de Nederl, Jaarboe=
ken van July 1769. bl. 913.
FRANSCHEN SCHRIJFSTIJL Óri
bij den H. Doop; waar op twee bekkens
zien, en een opfchrift, welke noch te
Loosduinen bij °’s Hage vertoond worden,
6.6r, Veelen houden dit verhaal voor
een Raadfel, willende, dat zij in ** einde
of t begin van ’tjaar zoo veel kinders
gebaard hebbe als ‘er toen dagen in *
jaar waaren, Zoo heeft onlangs noch de
Schrijver (k) der Natuurlijke Hiftorie
wan Holland, dit {tuk op dien voet, uit«
voerig verklaard, in de onderftellinge ;
dat zij (naar den Roomfchen of Gemees
nen Stijl te reekenen) in ’t begin van Ja-
nuarij of laatfle van December waare be-
vallen. Doch de Op/chriften en haar
Graf Schrift ftellen de Baaring, Die pA«
RASCEUES(L), dat is, op Goeden Vrijdag,
die de tweede dag was voor Paafchen,
zijnde in dat jaar 1276 de Paaschdag op
den 5 April, en dus de Goede Vrijdag
Qa 2 op
_(k) scHRIJVEr. JF. le Francg van Berkheij Nat,
Hift. van Holl, III. D. 3 ft‚bl. 773,
(1) PARASCEUES. Zie de Oudheeden en Geft.
van Delfland, in 8. bl, 466, 467. In het zoogenaam=
de Epitapbium of Grafichrift te Loosduinen ftaar:
Ipfo die Parafceves hora nons ante meridiem. J.F. le
Petit Befchrijving der Vrije Nederl. Prov. in 4. bl,
148. P. Scriverii Toetfteen op het Oude Goudfche
Chronijksken bl. 255. in 4. en P. Scriverii Aanteek.
op den Chron, van Holland van den Klerk uit de laage
Eanden bij der Zee, bl, 110.
61 A. ’SGRAVEZANDE OVER DEN €nZ,
op den 3 April 1276. Zoo dat deeze
Oplosfing van het Raadfel wel ftand houdt
naar den Mranfchen of Hofflijl, maar
niet naar den Roomfchen of Gemeenen
ftijl ; konnende zij bevallen zijn op den
Goeden Vrijdag, en zoo veel kinders
hebben gebaard als ’er toen noch dagen
in ’tjaar waaren, dat is twee in getal (m).
Meerder voorbeelden ter ftaaving van
de nuttigheid deezer aanmerkingen over
den Hofflijl, konden ligtelijk worden
aangebragt, indien de nodige kortheid
niet vorderde het overtollige af te {nijden, .
(m) Twee. Dit wordt niet duister geftaafd door
de twee naamen Johannes en Elifabeth; welke voor
364 Kinders niet genoeg onderfcheidende waaren ;
ten zy men boven dien aan elken Johazzes, en
elke Elifabeth, noch eenen telmaam , als de eerfte, de
tweede enz. of eenigen anderen bijnaam hadde toe-
gevoegd,
‚Bladz, 613
ONTLEED- EN VROEDKUNDIGE
WAARNEEMING
EENER AANMERKELYK UITGEZETTE
PISBLAAS, EN OMGEBOGENE ZWAN*
GERE BAARMOEDER;
DookR
RIO BITONIN NL
ie optre Gade Ne See tie td Ste ofte linde
_N. oud ruim 30 jaaren, en, vol-
© gens haar voorgeven, in de ne-
gende maand haarer zwangerheid , werd,
in dien ftaat,in het Gasthuis deezer Ste-
de opgenomen; wanneer zy, reeds door
__ongefteldheid verzwakt, kort daarna,
__onder het opkomen van pynlyke vlaa-
gen en verheffende koortfe, onverlost
ftierf: niet geklaagd hebbende, dan dat
Zy, federt eenigen tyd, aan moeijelyk-
heid in het watermaken gefukkeld had,
welke, met den opkomenden arbeid in
| Qq 3 eene
614 A. BONN ONTLEED- EN
eene geduurige en onwillige druppelswy-
ze pisontlasting overging.
Zodanig een voorwerp , tot onderwys
der Vroedvrouwen allergefchiktst oor-
deelende, had ik het genoegen, daarvan
voor de eerfte myner openbaare vroed-
kundige lesfen, op den 20, en 21, van
wintermaand des jaars 1771, gebruik te
maken: wanneer hetzelve my gelegen-
heid gaf tot deeze onverwachtfte en zeld-
zaamfte , doch , zo ik my niet bedriege,
allernuttigfte en in veele opzichten, met
die van den Hooggeleerden Heere G. van
Doeveren (a) overeenftemmende waar-
neeming, |
De buik was, tusfchen den navel en
„de vereeniging der fchaambeenderen;,
rondachtig verheven , en naar voren uit-
gezet(b), Het inwendige uitgezette deel
was echter onder de bekleedfelen des on-
derbuiks minder beweeglyk, dan ik de
baarmoeder in eene andere hoog zwan-
fe geftorvene vrouw, kort te voren,
had waargenomen. De borften, meer
of min opgezet, lieten door de openin-
gen
(G) CL. G. van Doeveren fpecimen obfervat, acade-
micar. Cap. VL et VIL
Cb) Libro citgto, Cap, VLS 3,
VROEDKUNDIGE WAARNEEMING, 615,
gen der zogbuisjes een geel weiachtig
vocht uit de tepels drukken,
__ De beenen en dyen, inzonderheid de
linker, waren hz eerd re
De uitwendige fchaamdeelen waren
natuurlyk; doch de opening der pisweg
hoog opwaarts onder den boog der
fchaambeenderen te rug getrokken; en
het was niet mogelyk, met eene fonde
in dezelve te komen.
By het onderflaan, vond ik de baar-
moeder hoog geplaatst, en de moeder-
mond, als het ware, op de hoogte van
de bovenfte opening van het beenig bek-
__ken,en tevens nader aan de fchaambeen-
deren dan gewoonlyk (c). De moeder-
mond was daarenboven flap, verlengd
en open, zo dat ik den vinger binnen
derzelver hals tot op de vliezen van het
eij konde inbrengen (d). Het achterfte
gedeelte van den rand der moedermond
hing weinig.minder laag binnen de fche-
de dan het voorfte. Het bekken was,
door eene zachte zwelling van den achter-
kant der fchede merkelyk vernaauwd(e);
welke vernaauwing ik alstoen aan den,
| Qq 4 door
Cc) Ibid. Cap. VIL $ 2.
(d) Ibid. Cap. VL. $ 7. VII $ 2,
(e) Ibid. Cap. VIL $2,
Ó16 A. BONN ONTLEED- EN
door drekftof uitgezetten, endeldarm
toefchreef, |
Dit vooraf gedaan onderzoek had
my het geval reeds twyffelachtig doen
voorkomen: in welke twyffeling ik, by
het openen van het lyk, in het bywee-
zen myner toehoorderen, bevestigd
werd, « -
Het openen des buiks naby het
borstbeen begonnen hebbende, om de
baarmoeder niet te kwetfen, kon ik
de infnyding niet, dan tot aan den na-
vel, vervolgen; dewyl de veronderftel-
de baarmoeder aan denzelven gehecht
fcheen, en ondertusfchen de overige
holte des onderbuiks vulde, na dat zy
alle de darmen en ingewanden, naar
het holle middenrif voor zich had opge-
ftuwd (f), Eene zydelingfche verdeeling
der bekleedfelen, enz, deed de eijerftok-
ken, op den rand van het bekken, zicht:
baar worden; terwyl het buikvlies zich,
van den eenen naar den anderen kant,
achter de gewaande baarmoeder uitftrek-
te, endeeze, tusfchen de fpieren en het
‘buikvlies ingeplaatst, zich nu als de
pisblaas opdeed (g). De famendrukking
deezer blaas met de hand,en de daarop
| vol
CÉ£) Ibid, Cap. VIJL. $ 5. (Cg) Ibid, Cap. VIL $ 3.
VROEDKUNDIGE 'WAARNEEMING, 619
volgende ontlasting der: pis door den
pisweg, verzekerde het zelve, |
„Het buikvlies en de overige bekleed.
felen des buiks in den omtrek, en van
den voorkant deezer aanmerkelyk uitge-
zette pisblaas, afgezonderd hebbende,
vertoonde deeze volmaaktelyk de ge
daante eener volle baarmoeder: de door-
__fchynendheid, by het kaarslicht, maak-,
te ze meerder kenbaar, bevattende eeni-
ge pinten roodachtig gekleurd en fterk
riekend water (h), ’twelk zich nu door
eene ingebrachte holle fonde ontlastede,
De ledige piszak over de fchaamdee-
len te rug geflagen zynde, vertoonde
zich achter dezelve de baarmoeder, die
de bovenfte opening van het bekken vol-
komen vulde (i), en binnen den buik,
voor den onderften lendenwervel, met
eenen breeden omtrek „gelyk aan den bol
van een hoed, weinig verheven uitpuilde,
De endeldarm was tegen het bovenfte
gedeelte van het heiligbeen aangekneld ,
en boven die beknelling fterk opgevuld.
De hals der blaas werd tegen het ach-
terfte en bovenfte der fchaambeensver-
eeniging aangedrukt (k). |
Qa 5 „De
h) Ibid. Cap. VL. $ 5. _{i) Ibid. Cap. VI. $ 5.
vis B de Ibid, 62. v À kb dg 13
618 A, BONN ONTLEED- EN
De baarmoeder was, tusfchen deeze
beide, in het bekken als ingeperscht:
maar, op welke eene wyze? De hand
tusfchen de baarmoeder en den endel-
darm in te brengen, was volftrekt on-
mogelyk. De eijerftokken lagen ter
zyde op den rand van het bekken,
De trompetten van Fallopius liepen
achterwaarts in hetzelve, De ronde ban-
den der baarmoeder ftrekten zich van
daar naar de buikringen, eenigfins ge-
fpannen uit.
Om deze tegennatuurlyke legging
der baarmoeder des te beter te leeren
kennen, en dezelve het minst te veran-
deren, maakte ik eene kruiswyze infny-
ding op dat gedeelte, *t welk boven het
bekken uitpuilde: waarna zich de vlie-
zen van het ej, door het water uitge-
zet, met dezelfde boironde verheven-
heid vertoonden; en, na affcheiding
van een deel van het adervlies, het
doorfchynend lamsvlies, en, binnen
hetzelve, de voeten van het kind, naar
boven gekeerd, zich allerduidelykst op-
deeden. De vrucht hierop, met de
‚door de fchede ingebrachte vingeren,
naar boven opgeftuwd hebbende, bleek
het, dat dezelve met het hoofd neder-
waarts
nd nende
VROEDKUNDIGE WAARNEEMING. 610
waarts binnen het bekken geplaatst
was (l); en wel zodanig dat de rug,
naar de rechterzyde van de moeder ge-
keerd, langs het rechter heup- en zit-
been afdaalde, en dus, met een gedeel-
te der baarmoeder, tusfchen de fchede
en den endeldarm was ingeplaatst (mn).
Na dat ik de fchaambeenderen, naby
de heupkommen weggenomen, en de
fchede tot aan den moedermond in de
lengte geopend had, vertoonde zich de
moedermond des te duidelyker, ver-
flapt, en van voren en achteren neder-
hangende; terwyl de zyden daarvan
flaauwelyk afgerond, en iets meerder
opgetrokken waren,
Deeze opening der fchede, door het
voorfte deel van den moedermond , tot in
de bovengemelde kruiswyze infnyding
der baarmoeder verlengd hebbende,
bleek het niet minder, welk deel der
zelve boven het bekken had uitgepuild,
namelyk, het anderfins voorite van
den zogenaamden hals, die, behalven
eenige nog behoudene meerdere dikte,
reeds zeer veel vernietigd was, door
groei van het eiijj, en daardoor bevor-
derde verwyding, Het achterfte a
ien
(D) Ibid, Cap. VIL $13. (mm) Ibid, Cap. VIL $6.
620 —_ Ae BONN ONTLEED: EN
dien zelfden hals, bevond zich met den
moedermond nog op de hoogte en in
de richting der boven-opening van het
bekken: terwyl al het overige van het
lichaam: en bodem der baarmoeder,
achterwaarts omgebogen, binnen het
bekken, en wel tusfchen de fchede en
endeldarm, was ingezakt.
Ik bracht, hierop, myne hand ge-
maklyk, tusfchen deeze omgebogene
baarmoeder en den endeldarm, in het
bekken, en konde nu den bodem der-
zelve, naby het ftuitbeen gelegen, on-
derfcheppen; en nevens de daar bin-
nen bevatten vrucht uit het bekken op-
halen, en voor de lendenwervelen plaat-
fen. De baarmoeder, dus geplaatst „had
de gedaante van eenen vry grooten plat-
achtigen en eijvormigen zak (n); maken-
de de verwyde hals eene holligheid uit
met het lichaam en den bodem. De
trompetten van Fallopius liepen nu van
de eijerftokken fchuins opwaarts naar
‚den bodem, De ronde banden ftrekten
‚zich meerder naar den voorkant derzel-
ve uit. De baarmoeder had op eenige
„weinige plaatfen aan den achterkant,
_ontftokene en als verftikte plekken.
SD Het
(Cn) Ibid. Cap. VL. $ 7.
VROEDKUNDIGE “WAARNEEMING. Ó2f.
„Het kind lag, gelyk te voren, met
de voeten naar den moedermond, met
den rug naar de rechterzyde, en met het
hoofd, naar de borst eenigfins overge-
bogen, in het linker gedeelte van den
meest verwyden bodem: hetzelve was
gaaf en welgemaakt, en, naar gisfing,
van tusfchen de zes eh zeven maanden,
hebbende van het opperhoofd tot de
voetzoolen de lengte van negen dui-
men. De navelftreng, elf duimen lang,
had niets aanmerkelyks, dan de ver-
fcheidene kronkelingen, die, gevoegd
by de vry groote hoeveelheid van wa-
ter, de beweegingen der vrucht, by
het leven, deeden veronderftellen. «De
moederkoek , van geene uitftekende
grootte , was aan den voorkant (o) van
het lichaam en bodem der baarmoe-
der aangehecht, en had dus, by de
verplaatfing en ombuiging derzelve,
binnen het bekken, tegen den endel-
darm aangelegen. \
De wanden van de baarmoeder had-
den weinig dikte, doch iets meerder op
de plaatfe van de aanhechting der moe-
derkoek, | ut |
Het bekken was natuurlyk, en ruim _
| e
(o)- Ibid. Cap. VI, $ 7. EE |
622 A. BONN ONTLEED- EN
genoeg om een voldragen kind in de ge-
boorte doortelaten. (p)
De overige ingewanden van den on-
derbuik waren welgefteld: en ‘er was
geen gebrek aan de nieren ofte pisleiders.
Behalven de hiervoren aangehaalde
overeenkomst met de beide waarnee-
mingen van den hooggeleerden Heere
wan Doeveren, heeft, myn’s bedunkens,
dit geval de volgende voornaamfte by-
zonderheden.
1.) Dat de lyderesfe niet op de der-
de maand (q); noch ter halver dragt
(rt), geftorven is: maar haare zwanger-
heid en leven waarfchynlyk tot tusfchen
de zesde en zevende maand gebracht
heeft.
2,) Dat het bekken niet mismaakt (s)
was: en daarenboven de uitgenomene
. fchaambeensvereeniging eene aanmerke-
lyke beweeglykheid had, gelyk ik
zulks, omtrent denzelfden tyd deezer
waarneeming, in eene andere zwangere
en kort voor den verlosfingstyd geftor-
vene, en in eene, twee dagen na de
verlosfing overledene, kraamvrouw me=
de heb waargenomen,
3.) Dat
Cp) Ibid, Cap. VIL. $ 6. (q) Ibid. Cap. VL $ 7.
(r) Ibid. Cap. VII $ 1. (s) Ibid, Cap. VL $ 5.
VROEDKUNDIGE WAARNEEMING; 623
3.) Dat de pisblaaäs niet eindelyk ges
borften is (t; noch de nieren ont-
aard, en de pislyders verwyd waren
(u): maar, deeze aan beide de zyden
natuurlyk zynde, de blaas alleenlyk
buiten maate was uitgezet,
4») Dat de baarmoeder niet flechts
het bekken alleen opvulde (v); doch
ook niet tot de hoogte des derden len«
denwervels was opgerezen (w): maar,
integendeel , niet dan tot voor den on-
derften lendenwervel uitpuilde, en, in
den hals achterwaarts omgebogen , met
den bodem zelven tot aan het {tuitbeen,
was nedergedaald,
5.) Dat de nageboorte of moederkoek
aan den voorkant van het lichaam en
bodem der baarmoeder was vereenigd.
6.) Dat de uitwendige opening vari den
pisweg zeer hoog achter den boog der
fchaambeenderen was opgetrokken en
_ verborgen.
Indien men derhalven uit deeze ons
derfcheidende byzonderheden eenige
gevolgen mag afleiden, zullen de oor«
zaaken dier verfchynfelen ook eenigers
, maas
(© Ibid, Cap. VL S 4. (u) Ibid, Cap. VIJL. $ 4.
… (w) Ibid, Cap. VL $ 5. (Cw) Ibid. Cap. VES 6,
624, - A. BONN ONTLEED:: EN
maate verfchillen kunnen : welke ik ech-
ter, by gebrek van meerder ophelde-
rende onderrichting, niet dan voor gis-
finger durf opgeven, namelyk:
- a.) Dat deeze verplaatfing en ombui-
ging der baarmoeder, waarfchynlyk
tusfchen de derde en vyfde maand der
zwangerheid moet gefchied zyn : alzoo
voor dien tyd, de uitzetting der blaas
het opryzen der baarmoeder uit en bo-
ven het bekken zoude verhinderd heb-
ben; en, na dien tyd, de baarmoeder
reeds te veel uitgezet; en te hoog bin-
nen den buik opgerezen, niet dan
voor een gedeelte binnen de opening
van het bekken zoude hebben kunnen
ingedrukt worden,
6.) De baarmoeder na de tweede
maand uit het bekken opryzende,
moet, in dit geval, den hals der blaas
voornamelyk tegen het achterfte en bo-
venfte der fchaambeensvereeniging aan-
drôngen hebben, en dus reden tot de
ophouding en ophoping der pis gege-
ven: en, terwyl de blaas zich niet, dan
naar boven heeft kunnen uitzetten, dee-
ze noodwendig den geheelen pisweg ach-
ter de fchaambeenderen moet hebben
opgetrokken, en ook, op haare Ee b
„de
WROEDKUNDIGE WAARNEEMING. 625
de baarmoeder nederwaarts, naar het
bekken te rug drukken.
€) De aanhechting der moederkoek
aan den voorkant van het lichaam-en
bodem der baarmoeder ; en deeze bodem.
zelve, door de daar binnen bevatte:
vrucht; zwaarder geworden, kunnenook
dit gedeelte meerder achterwaarts «en
nederwaarts hebben doen overhellen;
en, waarfchynlyk’ omtrent: dien tyd,
waarin de hals der baarmoeder-begint
verwyd te worden, binnen de opening
van het bekken allengskens doen inzak»
ken, tot dat by gelegenheid van eene.
of andere natuurlyke, persfing „ tot af-
gang of watermaking, de bodem tus-
{chen de fchede en endeldarm zy inge-
fchoten ; indien niet eenig uitwendig ge-
weld hier van de oorzaak geweest is,
_d.) Het hoofd van het kind, met-den
bodem der baarmoeder: nederwaarts
naar het ftuitbeen afgezakt, bevestigt,
„niet alleen dat de vrucht altoos en na-
tuurlykst met het hoofd, als ’tzwaarfte
deel , nederwaarts moet hellen ; maar het
‘bewyst tevens, dat in dit geval de vrucht
‚nader aan de drie maanden. moet :ge-
„weest zyn, en dus binnen het bekken in
„wasdom hebben toegenomen; want inù-
“AF. DEELe Kr dien
626) A. BONN ONTLEED: EN
dien de baarmoeder zich laater mocht
hebben kunnen ombuigen , aangezien
dewrydte van het bekken, zo zoude ook
de vrucht, waarfchynlyk met het hoofd
naar boven en naar den moedermond
zyn gekeerd geweest, of zich binnen het
bekken: -geheellyk hebben moeten kee-
fen ‚om, gebyk nu ‚ met de voeten voor-
tekomen. … ke
‚…&) De verdere toenemende uitzet-
ting-der- baarmoeder laager binnen het
bekken gelchied zynde, zal ook hierom
de vrucht langer hebben kunnen leven,
en-dusde vrouw haare dragt verder bren-
gent: den halsderzelve in de bovenfte ope-
ning van het bekken gelegen, ‘en achter-
waarts-omgebogenzynde ‚ kan ook hier-
omde hals der blaas minder zyn bekneld
geweest, en deeze, zich nog iets kun-
mende: ontlasten, minder gevaar van
berften geloopen hebben; de afgang zal
integendeel des te traager moeten ge-
„weest zyn, ’t welk uit de ophooping
ader -drekftof binmen den kronkeldarm
_ zgenoeg was op te maken.
… Ik vgeloof, met één woord, dat men
dit-geval vooreen volkomener graad
“van ombuiging, en als een vervolg der
tweede waarneeming, door den Heere
Ae „pan
VROEDKUNDIGE SVAARNEEMING, 62%
van Doeveren befchreven {x), moge
houden: terwyl de, overeenkomst van
zo veele omftandigheden, ook-de eene
voudigheid der natuur, in het, afgen
dwaalde bevestigt, met gelyke Qorzagr
ken reed verfchynfelen. te doen: Bi
wer. SO
… Het is ondertas hein niet bet befchour
wend deel der wrbedkunde alleen, -%
welk uit foortgelyke ontendkondig
waamneemingen meerder Jicht kan. beko-
men. maar het is ook inzonderheid het
beoeffenend deel deezer wetenfchap, de
konst zelve, welke bier mede haar vaotr
el doen kan , met te leeren „zich: te-
gen zodanige voorkomende gevallen. te
oere
Het onderflaan. maden ends
en onderzoek vanden fraatder baârmoe-
der, zo wel door den endeldarrg als
der lyderesfe, of, en hoe lang, zy het
_ leven der vrucht, ener lels emd
ken, mocht gevoeld hebben; het of
dasten der pis uit de blaas, door middel
eener holle fonde (z), welke konftige
Kr 2 hulp
@) mid, Ca Cap. VIE, iN
y
. B, Vr EG VIL $ r,
AL Bid; €. C s
628 A. BONN ONTLEED- EN
hulp'te wenfchen ware dat door alle
vroedvrouwen , in de noodzaakelykheid
zyhde, wierd in het werk gefteld, gelyk
zulks ten tyde van Roonhuyzen pleeg te
gefchieden (a). k
Het voorfchrift en gebruik van zachte
buikzuiverende middelen ; het opftuwen,
vervolgens, van de baarmoeder, naar
de holte des buiks, het welk alsdan, en
door ‘den endeldarm, en door de fchede
zal-kunnen gefchieden ; en eindelyk eene
behoorlyke. onderfteuning des geheelen
onderbuiks, en eene genoegzaame rust
der lyderesfe, zullen, by tyds aange-
wend, ‘in ftaat zyn, de uitgefpannene
en‘na.de ontlasting faamgevallene blaas,
allengskens wederom te doen inkrim-
en;de baarmoeder, binnen den buik
‘herfteld, behoorlyk te doen uitzetten,
en de vrucht in wasdom en leven te
doen voortgaan en toeneemen, tot den
natuurlyk{ten. tyd eener voorfpoedige
verlosfing, OE
(a) Zie H. van Reonbuyzen , Heelkonftige Aanmer-
kingen , IL, deel bl. 175.
Hete
VER-
| Bladz. 629
VERHANDELING
O\NVNE SR
HET BEGRAVEN DER LYKEN IN
DE STEDEN EN KERKEN.
D O0 0 R
JONA WILLEM TE WATER.
SSSSSS SIS
GL et begraven der lyken was;
El vàn de vroegfte tyden af,
by de meeste befchaafde volken in ge-
bruik, fchoon zy in de wyze van be-
gravinge veel verfchilden. Veele Ge-
leerden hebben dit {tuk, uitvoerig en
met groote belezenheid, behandeld (a).
Rr 3 Men
(a) FrABRICIUS heeft, in zyne Bibliographia an-
tiquaria , eene groote meenigte van Schryvers over
dit ftuk opgegeven. Men vergelyke noch, behal-
ven veele anderen, JOSEPHI HABERMANN Dis-
fertatio de innoxiis fepulturis (V indob. 1773) $ 7d s
’ welke
630 Ih W. TE WATER OVER HET
Mert moest eeh. Masfdgeter of foôftge-
lyk woest mensch onder de Scythen
zyn, om de dooden, ten blyke van eer-
bewyzinge, op te eten; of een Hyrca-
nier, om de lyken aan de honden en
wilde dieren, ter verfcheùringe voor té
werpén.=—= De natuur zelve leert ons,
de doode lichaamen uit ons gezicht weg
te doen en aan de aarde weder te geven.
De Grieken noemden dit eene wet der
godén; en zeiden , dat de algemeene na-
tuur vorderde, de dooden te verbergen
(b)— Men rekende de begravinge on-
der de billykfte zeden; men oordeelde
het verzuim daar van, zelfs in oorlogs-
tyden, ten hoogften fchandelyk. Ik be-
hoeve deze en foortgelyke zaaken, die
ge
wêlke Verhandeling , ten zelfden jaare , in de Hoog-
Arotrehe taäl is 6vergezet ch bitgegevet; efl €, G,
BOFMANNI Conbièrratid Fatis Canúnii de ddbmèten
tijs ea Mrbibus Volle: dis te de berogmde Üblius, in
u
dit jäär, «deed herdrukken, en opdroeg aan den
dû) geleerden Beer Pi Henan myhêr waardia
EEN Vriend, die den Yoörkamen inhoud van deze
verhandelinge gevoegd heeft achter zynen Fascieulus
primus Exereitationum (Grozinzae 1775) pag. 163—197 3
waat in mede hêrdtukt is des laäcstgehoemiden Dis-
Jertso de probibenda tu hbe et teinplis fepültuta, welke
Ed Wali is van Caalkundigen gelezen te wore
“(b) sarBoCuìs # Aje vw; 114), KELIANUS
Dat, biftor, lib. XII, cap. 04, °C
BEGRAVEN IN-DE KERKEN. Ó3t
genoeg bekend zyn, niet breeder voor
teftellen, bans
6 IL, Myn tegenwoordig oogmerk
vordert, dat wy in overweginge nemen,
uit welke grondbeginfelen de begraving
der lyken moete worden afgeleid, Het
is onnoodig, de verfcheiden denkbeel-
den der Rechtsgeleerden optehalen. De
meeste gevoelens zyn ongegrond, of, op
zyn best, geheel onzeker (c)— Dit wei
nige zy genoeg, Men achtte zich, ten
allen tyde, verplicht eenige zorge
te befteden en eer te bewyzen aan de
ontzielde lichaamen van zoodanigen,
welken men by hun leven hoog waar-
deerde, uit aanmerkinge van bloedver-
wantfchap, of uit hoofde van hunne
verdienften aan % vaderland en de be-
vorderinge der wetenichappen.—= Voor-
al echter moet het begraven worden af-
geleid uit het algemeen belang der le-
venden, op dat dezen geen nadeel aan
hunne gezondheid zouden lyden. sr«
NEGCA merkte dit voorlang aan (d), en
niets is zekerer, dan zyn gevoelen, ge-
lyk naderhand zal blyken, |
rar Ed …___$HL
(©) Men zie daar over PERRENOT À c.p. Is
En HOFMANN Jc. paz. 3—. f
… (d) De beneficiis lib, V, cap. 20.
632’ Jk 'W. TE WATER OVER HET
6 IL. Uit het gezegde volgt, dat het
redelyk zy , de geftorvenen te begraven
maar ook, dat het dwaas en fchandelyk
Zy, die wyze van begravenis te verkie=
zen, welke allerfchadelykst is en gantsch
ftrydig met de voornaamfte drangre-
den, om welke het begraven der lyken
in gebruik gebragt is.— Ik bedoele
die vuile en ftinkende gewoonte, om de
dooden binnen de ftedelyke muuren te
bewaren „en in de kerken of op de kerk-
hoven optefluiten; eene gewoonte, in
Nederland algemeen aangenomen, en
door de meesten goedgekeurd; eene ge-
woonte nochtans, welke ik van voorne-
men ben in deze Verhandelinge te be-
ftryden: niet uit een beginfel van grilli-
ge eigenzinnigheid, maat op grond van
volkomen overredinge, en met een oog-
merk, om het nut van myne landge-
nooten , ware het mogelyk, te bevorde-
ten.—= Ik kenne eenigszins de kracht
van ’t bygeloof , van ingekankerde voor-
oordeelen, van verouderde gewoonten,
van eigen belang en trotzen waan, Het
is moeilyk, zoo niet gevaarlyk, zich
daar. tegen te verzetten, Men kan aan
zulke ondernemingen de hatelykfte be-
namingen geven, Het zy zoo! Dit ak
pré cs
BEGRAVEN IN DE KERKEN. 633
les moet ons niet wederhouden, om de
waarheid te fpreken, de billykheid voor.
te ftaan, de rechte menfchenliefde aan
te pryzen en het algemeen belang met
alle vermogen te handhaven,— Ik weet,
dat voornaame mannen dit zelfde ftuk,
ook noch onlangs, met opzet behandeld -
hebben, De fchriften van HOFMANN,
PERRENOT, HAGUENOT, MARET ;
HABERMANN, en meer anderen, zyn
my niet onbekend, Die Geleerden
fchreven in de Latynfche en Franfche
talen, en hunne verhandelingen zyn,
in deze gewesten, in weinige handen.
Ik fchryve ten dienfte van myne land-
genooten, in hope, dat myne pogingen
niet geheel vruchteloos zullen uitloopen.
9 IV. De oudheid ftaat by de mees-
ten op een hoogen prys, ook ten aan-
zien van gewoonten en zeden. Wan-
neer wy haar raadplegen, zal zy ons
leeren, dat het begraven der lyken bin-
nen de fteden en kerken, in vroegere
tyden, buiten gebruik geweest zy, ee-
nige weinige gevallen uitgezonderd.
Van de Hebreeuwen is *t naauwlyks noo-
dig iet te zeggen , dewyl alles overbekend
is, Het graf van den Joodfchen Raads-
eer, waar in de HEERE JESUS werdt
Br Push 0d ne-
634 Je W‚ TB WATER OVER HET
nedergelegd , was buiten Jerufalem.—
Hier tegen intebrengen, dat dit graf
thans binnen de ftad aan de reizigers
vertoond worde, is van geen gewicht,
hoewel men daar uit ook met geene ze-
kerheid kan opmaken, dat het graf, t
welk nu te Jerufalem gezien wordt, in
latere tyden door bygeloovige en heb-
zuchtige menfchen vervaardigd zy ge-
worden, gelyk ik elders (e) trachtte te
„De Grieken waren meest gewoon,
de lyken buiten hunne fteden te begra-
ven (£). So/an beval het door eene uit-
drukkelyke wet, Het graf van Zhemí
fhoclet zelven , was buiten Athenen (g).
Men kon geene begraafplaats voor Mar:
cellus, van de Atheners, binnen hunne
ftad bekoren „om dat dit treedt met hun-
nen Godsdienst en beftendig gebruik (h)
… De Romeinen begroeven de dooden
buiten hunneftad , naar den last der tiene
mannen in de wet der twaalf tafelen (i),
if | wel-
CE) Dijpntatio hiftorico-criica ad bifloriam fepulchri
& Jepulturae Jef Chrifi, pag. vv
EÔ PETITUS ed leges Atticas hb, VI, tit, 3,
f NEPOS iz Themiftocle, cap. 19 $ 3.
Ch) cteerO Jib. WW aa famil. epifh. 12,
Ci) CICERO de legibs lib, AE, cap. 23.
BEGRAVEN IN DE KERKEN. 635
welke verfcheiden malen vernieuwd is;
misfchien ten tyde van den Burgemees.
ter Duillius, zeker door de Keizeren
Hadrianus, Antoninus Pius, Diocletianus,
Maximianus ; Theodòfius; waar omtrent
de Heeren VAN IDSINGA (k) en Pi=-
__ RENOT(I) nader bericht geven. Het
ware te wenfchen;dat Juftinianus (m) en
Zeo (n) in vnd bijen niet waren äfgewe-
ken van de oudé wetten, die den hoog:
fte lof verdienden, |
Maar ’t gerie van meer kracht zal gere-
kend worden, de eerfte Christenen ver-
oordeelden en misprezen het begraven
binnen defteden ;, en hunne voornaamfte
kerkleeraars warenin dezelfde begrippen,
die beftendig gewagen van de grafplaat-
fen buiten de ftad, Ik kon my beroe-
pen op Zertullianus, Clemens den Alexe
andryner , Arnobius, La@antius, Maca-
Pius, Apollinaris, Johannes Chryfofto-
mus,en anderen, die als uit eenen mond
fpreken. Daarenboven; verfcheiden ou-
de kerkvergaderingen veroordeelden het
begraven van lyken binnen de En
NEE
Ck) Varior, Juris Civilis cap. XVIII, pag. 152—1Ó5.
CI) Disfert. cit. pag. 22—30,
Cm) Novella 133 cap. 3.
(n) Novella 53
636 IW. TE WATER OVER HET
der 'fteden , waar van men de bewyzen
by anderen zal aantreffen (o).
‘6 V. Hier uit kan men gemakkelyk
opmaken, wat de ouden dachten van
de begravinge in de kerken of andere
plaatfen , aan den Godsdienst toegew yd;
De Christenen van de eerfte eeuwen
hebben die gewoonte nooit goedgekeurd,
veel min ingevoerd, De geleerde MURA-
TORIUS (p) poogde wel het tegendeel te
bewyzen; maar hy werdt daar in volko-
men. wederlegd door den Heer PERRE-
NOT (q). Het zou derhalven onnoodig
zyn, en zelfs ftrydig met myn tegen-
woordig oogmerk, my in dit oudheid-
kundig gefchil te verdiepen. —- Men
ontmoet wel, hier en daar, fommige
Heidenfche grafzarken in de Christen-
kerken, % gene de beroemde MABILLON
niet had moeten ontkennen (rt); maar
hier uit te willen befluiten, dat de Hei-
denen hunne dooden in dekerken of tem- -
pelen begraven hebben, zou al te on-
gerymd zyn.
d) | 6 VL Er
(Oo) SUICERUS in Thef. Ecclef. & BINGHAM
Orig. Ecclef. vol, X. pag. 3—14-
(p) Difquiff. 111 de antiguis Chriftianorum fepukcris,
Anecdot. Graec, pag. 258 fqq. \
(q) Disf. cit. pag. 37-72 (r) Zie VOLKMAN
Reisboek door Italien.IV deel, bl. go , gr.
BEGRAVEN IN DE KERKEN. 6377
„6 VL ’Er is niet veel omflags noodig;
om te toonen, langs welke wegen de he-
dendaagfche begraafniswyze - onder «de
Christenen in gebruik kwam— Het
fchadelyk- bygeloof gaf daar toe de:eer-
fte aanleidinge. Men begon den marte-
laaren ‚waaren of gewaanden, alle: mo-
gelyke eer te bewyzen.- Men bouwde
tempelen boven hunne graven ;,-of bragt
hunne lichaamen overzin de kerken ‚die
binnen de fteden waren.: Men rekende
het vooreen uitmuntend voorrecht, in
hunne nabyheid begraven te worden,
Dit behoeft geene nadere uitbreidinge—
Hier by kwam het fchandelyk eigen-be-
lang van fomtmigen „ die ’er hunne voor:
deelen van trokken, Wanneer de :Re-
geerders der ftad Leipzig , teh jaare 1536,
shet getal der dooden bepaalden ;-welken
men binnen die ftad, mocht begraven,
en bevel gaven, dat de-anderen «naar
buiten moesten gebragt worden; -kwa-
men ‘er bittere klachten aan. den, Her-
tog, dat hier door de ‚vigilien ; misfen
enz. merkelyk verminderden en bykans.
ophielden (s). … Dit eene, voorbeeld ís
genoeg. De hoogmoed: env ydele
ERS w KAKI SD ‚7 we Wwaan
TARS Mss deaol, „edAT- vul
+ {S) HOFMANN Á c. pd. 033 O4.
638 J.W. TE WATER OVER HET
waan der menfchen hebben deze ge:
woonte gekoesterd, en tot eene wet ges
een q 7e % niet en rege fchande;
volgens -de ongelukkige begrippen van
kleine verftanden; en, noch meer, van
hovaardige lieden, buiten de kerken na
hunnen dood te moeten blyven en op
een kerkhof te worden neêrgelegd ? Wat
iser de oorzaak van? Liefde tot de
kerken? Neen ‘zeker, want by hun le-
ven fchuwden zy ‚-misfchien , daarin te
komen; maar de waare reden is-enkele
verwaandheid, ‚Deze en die zyn in de
kerken begraven. Welke eer! -Myne
geboorte „ aanzien, verdienften of bezit-
tingen zyn niet minder, Waarom zou-
de ik dan voor hun, in dit geval, moe-
ten wyken ê— De kerkgebouwen trek-
ken eenige voordeelen van de. graven en
het begraven in: dezelve, Dit vergor-
zaakt, dat men aan: deze gewoonte zoo
fterk verkleefd blyve. Hier wan ús %,
dat de Reglementen op het begraven,
ten grootften deele, witkomen:-op het
onderhoud ende inkomften der kerken,
Elk kan dit weten. Moet men zich niet
verwonderen, als men sin een der Regie-
_amenten van de ftad Leiden, van den 23
July 1663, leest: ”Niemand zal vermo-
GRU | gen
BEGRAVEN IN DE KERKEN. 639
gen eenige dooden te begraven buiten
deze ftad op de dorpen, zonder confent
van Burgmeeesteren, dewelke — zorge
zullen dragen, dat een redelyke erken:
tenis, ten behoeve van de kerken , wor:
de betaald” (t). En echter is dit in de
meeste fteden van ons Vaderland aange+
nomen, Om nu niet te zeggen, dât
men in. veele plaatfen eenig geld zede
dere ten behoeve van zulke kerken, wel-
ke worden voorbygegaan, als men een
lyk naareen verder afgelegene kerk in
de ftad heden brengt, om het daar te
begraven. EO0S |
6 VIL ‘Geene drangredenen zyn wan
grooter vermogen, om ons ergens toe
optefpooren of van iet aftemanen, dan
welke ontleend worden van het voorde-
lige of fchadelyke, Laat ons de gewoon-
te van ’t begraven in de fteden en ker-
ken befchouwen in haare fchadelykheid,
Ik zwyge nu, hoe nadeelig dit gebruik ,
nu en dan, bevonden worde voor de
kerkgebouwen zelve, voor hunne grond-
flagen , vloeren en pylaaren. Dit is’het
minfte— Maar onze gezondheid en
zelfs ons leven konnen daar door groot
zi RO Ke | ‚Ber
) VAN Mt Leyden
rde kades
64Î JT. W+ TE. WATER OVER HET
gevaar loopen, Alle doode lichaamen,
in-% byzonder ook der menfchen, ple-
gen eenige fyne deeltjes uittewaasfemen,
Die uitwaasferningen veroorzaken ftanks
De lucht wordt daar mede vervuld; en
haast befmet, vooral in den zomer, en
wanneer de wind veel uit het oosten
en zuiden waait, Die uitwaasfemingen
worden opgefloten in de kerken „ja ook
binnen de fteden door de hoogte der
huizen en boomen, zoo dat de wind
haar. bezwaarlyk kan verdryven en de
lucht daar van zuiveren. Zy brengen
befmettinge voort, welke tot. de naast
bywezende lichaamen overgaat „en oor-
zaak is van zwaare onheilen, algemeene
ziekten en van de pest. De Geneeshee-
ren HABERMANN (U), LOUIS (v) en
MARET (w) hebben dit, uitvoerig en
op goede gronden, betoogd.— Men
zal de fchadelykheid van ’ pine
lig 00-
(u) Disfert. cit, $ 1725. ;
Cv) Lettres fur la certitude des fignes de la mort (à Pa-
ris 1752) pag. 167 —160. 7 a
Cw) Mémoire fur lufage où l'on est d'enterrer les morts
dans les Eglifes &* dans Venceinte des villes (à Dijon
1773) pag. 4—I2.— Een uittrekfel van deze verhan=
deling is te vinden in Fourzal des Scavans Juin 1774
Pag.-35--6o, en in meer andere tydfchrifen van de
Jaaren 1773 en 1774. | |
“BEGRAVEN IN DE KERKEN. 64î
dooden in de kerken noch meer ont
dekken; indien wy onze aandacht wes«
tigen- op zulke tydsomftandigheden,
wanneer kwaadaartige en befmettende
koortfen, kinderziekte en, vooral, de
pest in ons land heerfchen. In de eersta
genoemde gevallen draagt men; bykans
nooit, naauwkeuriger zorge voor de
begravinge der lyken,; dan op andere
tyden, fchoon het getal der dooden
daar door, op eene ontzaglyke wyze;,
vermeerderd wordt, Getuige hier van
zy deze ftad in vroegere jaaren, om vari
andere plaatfen en lateretyden nute zwy«
geïi.— Ten tyde det geduchte pest«
ziekte, gebruiken de Overheden wel
eenige meerdere oplettendheid en voor-
zorge op dit fluk, b. v. omtrent den
tyd der begravinge, het behoorlyk ma«
ken, digt toefluiten en bedekken der
doodkisten (x); maar dat dit alles niet
toereikende zy, om de levenden geen
nadeel van de dooden te doen lyden,
zal elk onbevooroordeeld mensch aan-
ftonds bezeffen, Waarom in zoodanige
omftandigheid in Vrankryk, en noch
onlangs te Praag, bevolen werdt, de
IV. DEEL, Ss doo-
(GO VAN MIERIS belchryving van Leyden 1d.
bl. 239, 240,
642 Je We TE WATER OVER, HET
dooden buiten de kerken en fteden ter
aarde te beftellen.— Zoo dra zich de
allermin{te bekommering opdoet, dat
de pest van elders tot deze landen zou
konnen overgebragt worden, ontbreekt
het. niet aan de bekwaamfte middelen,
welke onze lofwaardige Overigheid in ’%
werk ftelt, op dat zulk groot onheil
van onze landpaalen, onder ’s Hemels
zegen „ afgekeerd. blyve, Maar loopen
wy geen gevaar voor deze ontzaglyke
bezoekinge? Is ’er niet groote reden
van vreeze? wanneer aan deze of gene
befmettende ziekten, op éénen dag, in
dezelfde ftad, dertig of veertig men-
fchen fterven, ven -dezen in de kerken,
ten minften binnen defteden , begraven
worden, . Voorbeelden daar van. kan
men in de vroegere gefchiedenisfen van
Nederland aantreffen (y). … Ontbreken
zy ook wel in latere dagen en by onzen
leeftyd? — Het gezegde zal genoeg
| de ‚ZYN,
(y) In de Annales verum in Holl, & Traj. geftarum
anno 1481 -fqg. $ 57 word aangeteekend: ”Item ooc
fal men weten datter binnen Utrecht fterf aan dat
buyckoevel fo, datter des daghes waren omtrent
XXX of xL doden, fomtyts meer ende min, ende te
onfer Vrouwen Lichtmisfe maeckte men te Buer-
kerck buerkulen, die doden in te graven.” Zie
M 5 TTHAEL vel, aevi Analeët, Tom. II pag.‚56 edita
in 8.
BEGRAVEN IN DE KERKEN. 643
zyn, zoo ik vertrouwe, om ons volko-
men te overtuigen, dat onze wyze van
begrayen ten hoogften fchadelyk kan
WEZEN on Ne 0 br
6 VIII Dan, laat óns de ondervin-
dinge raadplegen, voor welke alle reden:
kavelingen de plaats tnoeten inruimen.
Zy heeft ons geleerd, dat de pest meer
dan eens veroorzaakt en voortgezet is
door de befmettende uitwaasfemingen
der doode lichaamen. MEAD, TRALLES
en PARÉ Zyn ons in dezen tot geloof-
waardige getuigen (z)— Zy heeft
ons aangekondigd, dat die uitwaasfes
mingen oorzaak van een fchielyken
dood wären, RAMAZZINI, hooglee-
raar in de geneeskunde te Padua, bee
roept zich (a) op *t voorbeeld van fom-
mige doodgravers, die echter, zyns
oordeels, wel eenige oplettendheid der
Geneesheeren verdienen, wier eer. zy
dikwils ophouden, door hunne misfla-
gen te gelyk met de lichaamen der ge-
{torvenen onder de aarde te verbergen.
Het begraven van één mensch koste
aan drie anderen het leven , te Mont pél-
x DEN lier,
RET pag. I13—18.
(z) Vergelyk RABERMANN Zos $ 95-97. MA=
……(@) De Morbis artificum cap, XVIL |
644 JW. TE WATER OVER HET
lier, ín dén jaare 1744, naät het bes
ticht van den vermaarden HAGUE-
No T(b), die meer foortgelyke gevallen
heeft opgegeven. Eénlyk, in de kerk
te 7ülant begraven, vervulde dezelve
met een’ ondraaglyken ftank, zoo dat
men ze, voor eenen tyd, moeste verla-
ten, en zy, die gebruikt werden om
dat lichaam in een ander graf overte-
brengen, ‘er hun leven by infchoten.
Te Parys, Dijon, Saulieu, Riom en
Ambert heeft men, federt weinige jaa-
ten, dé treurige ondervindinge gehad,
hoe nadeelig onze manier van begraaf-
nisfe zy voor de gezondheid, ja zelfs
voor het leven, waâr van zoo veelen
beroofd werden door het begraven der
Iyken in de fteden ‘en kerken (c)…— My
geheugt elders (cc):gelezen te hebben,
dat aanftonds na het openen van zekere
‘grafftede, waar in iemand, aan de kin-
derziekte overleden zynde , omtrent der-
tig jaaren te voren was neêrgelegd, die-
zeltde ziekte zich op een dorp in Zn-
geland openbaarde, van daar verder ver-
fpreid-
(b) Mémoire far le danger des inbumations dans les Egli=
Jes, à Montpellier 1747.
(C) MARET pág. 19, 203 26—35. Mémoires de
P Acad. Royale des Spiences, année 1749 pag. 121 G> fiv,
(CC) UNZER in gy nen Artz VI deel II ftuk „ bl,128,
BEGRAVEN IN DE KERKEN. 645
{preidde en eenigen naar het graf fleepte,
Waar aan hebben fommigen de kwaads
aartige koortfen , welke over weinige jaa-
ren in zekereftad van ons Vaderland voor
veelen doodelyk waren, toegefchreven,
anders dan aan het openen van een graf e
‘twelk federt een langen tyd was befloten
geweests— Deze en foortgelyke voors
beelden (c*) behoorden ons teleeren, dat
wy niet langer mogen vasthouden aan
een gebruik, zoo vlak ftrydig met de
menfchelykheid, de rechte Staatkunde
en den waaren Godsdienst.
SIX. Wie roemt dan niet met my
de oplettende zorge van het Paryfche
Parlement op dit punt, ten jaare 1765
betoond? Wie pryst niet de navolgens-
waardige befluiten van zoo veele fteden
in Vrankryk, tegen het begraven in de
kerken en binnen de ftadsmuuren, fe-
dert weinige jaaren, genomen en met
de daad ter uitvoeringe gebragt? Men
denke aan Saulieu, 7 rayes, Laon, Dúle
en Puy, in welke laatíte plaats zelfs geen
„Bis{chop.na zynen dood binnen de kerk
zou worden toegelaten (d)—= In Zaliën
5 B gaat
(c*) UNZER in den Artz II deel I ftuk , bl, or-94.
(d) MARET pag. 34, 56, 59. LOUIS Lettres fur
da certitude des fignes de la mort pag. 187.
646 J.W. TE WATER OVER HET
gaat men ons in dezen voor. Te Livorno
begon men, op hoog bevel, federt den
eerften Augustus 1773, het begraven
binnen de ftadsmuuren natelaten en de
graflteden in de kerken toetemetfelen,
uitgezonderd die van eenige adelyke ge-
flachten, Te Milaan werdt het begra-
ven in de kerken, kort daarna, by eene
uitdrukkelyke wet verboden, De geleer:
de ALLEGRANZA gaf, vermoedelyk,
daar toe aanleidinge. Althans hy heeft,
omtrent dien tyd, een werk in % licht
gegeven over de graven der Christenen;
waar in hy ook aantoonde, dat dit ge-
bruik moet afgeleid worden van een
Godsdienftig bygeloof, naderhand ge-
fterkt door de gewoonte en den hoog-
moed (e). — Aanmerkelyk is, ten de-
zen opzichte, het plakaat van den Her-
tog van Modena, van den tweeden July
1774. Hy betuigt vooraf, dat de ge-
zondheid en behoudenis van zyne wel
beminde onderdaanen een der voornaam:
{te voorwerpen van zyne vaderlyke zor-
gen uitmaken, waar van Hy hun reeds
verfcheiden blyken had gegeven; dat
Hy niet dan met groot leedwezen het
nds
Ce) Gazette Littgraire OBob, 1774 Pag. 446» 447
BEGRAVEN IN DE KERKEN. - 647
nadeel befchouwe, *t welk aan de ge-
zondheid wordt toegebragt door de gra-
ven binnen en buiten de kerken, wier
dampen alleen in ftaat zyn , om alle an-
dere genomene maatregelen te veryde-
len, Waarom de Hertog, na ryp over-
leg met zynen Staatsraad en raadple-
ginge van de Godgeleerden en Genees-
heeren, bevel gaf, dat alle dooden der
ftad Modena van nu voortaan begraven
zullen worden op het groote kerkhof,
tot dat einde op een open veld buiten
de {tadspoort vervaardigd, alleen uitge-
zonderd de lyken der Prinfen en Prin-
fesfen, en van den Bisfchop. Ik achte
onnoodig, de verdere punten van dit
voortreftelyk plakaat hier optegeven,
Er zal noch, in * vervolg , gelegenheid
komen om van fommige derzelver mel-
dinge te maken — Dat te Doornik me-
de voorzien zy geworden tegen het oud
gebruik der begravinge in de ftad en
kerken, heb ik in onze nieuwspapieren
aangeteekend gevonden. De hervorming
derhalven, in dit ftuk, fchynt allengs
nader aan ons Vaderland te komen. —=
Toen de beroemde MARET zyne ver-
handelinge, over ’t gebruik van de doo-
den te begraven in de kerken en binnen
648 JW. TE WATER OVER HET
den omtrek der fteden, ter onderzoes
kinge overgaf aan de Akademie der wee
ten{chappen te Dijon, nam zy het be-
fluit, om dit betoog, *t welk aan alle
vooroordeelen een beftendig ftilzwygen
kon opleggen, te zenden aan den Bis-
fchop, den Procureur Generaal en den
Syndicus der ftad: met vertoog aan de-
zelven, dat de Akademie geoordeeld
hadde in haare verplichtingen aan ’t va-
derland te kort te zullen fchieten, in-
dien zy hun niet bekend maakte haare
wyze van denken over een misbruik, ’%
ene het algemeen welzyn zoo wezen-
yk betrof (f). Hoedanig de uit(lag hier
van geweest zy, is my tot nu onbekend;
maar ik wenfche met dien geleerde
Schryver, dat hy het gevaar der oude
gewoonte niet vruchteloos zal hebben
aangewezen, en dat het ophouden daar
van aan zyne vaderlandlievende bedoe-
lingen zal beantwoorden, Maar ik
mag vooral niet vergeten, dat de Kei»
zerin Koningin Maria Zherefia, byzon:-
der ook op raad van den grooten van
Swieten, ten jaare 1773, haare gedach-
ten heeft laten vallen op het begraven
| | _ der
(f) Extrait des Registres de |’ Asadámie des Spieuces;
Arts & Belles-Lettres de Dijon, du 1 Mars 1773,
BEGRAVEN IN DE KERKEN, 649
der dooden binnen Weenen en in de ker.
ken. Haare Majefteit liet. onderzoek
doen op het fchadelyke van deze ge.
woonte, en op welke wyze dezelve,
evoeglykst „ zou konnen afgefchaft wor-
len, Hier uit nam de kundige HA-
BERMANN gelegenheid, om zyne ver-
handelinge, over de onfchadelyke be-
graafnisfen en de nadeelige begravingen
der dooden in de kerken en fteden, uit«
tegeven, en had het genoegen, dat zyn
vertoog, byna, eene algemeene goeds
keuringe wegdroeg, zelfs by de genen,
welken anders het baatzuchtig bygeloof
allermeest bezielt (eg). ‘Er is naauw-
lyks aan te twyffelen, of een onderzoek,
zoo welberaden bevolen , en een betoog,
met zulke ongemeene toejuichinge ont-
fangen, zullen met een gelukkigen uit
flag bekroond worden,
6 X, Niemand denke, dat men, in
deze en de voorgaande eeuwe , het be=
graven binnen de fteden en kerken al.
ze) Ss 5 leen
(g) Volgens bericht, uit een brief van Weenen,
my medegedeeld door den Heer Yob Baster, in
wiens dood, onder het drukken van deze verhan=
delinge voorgevallen, de geleerde “weereld ‘een
groot verlies geleden heeft, en welken zyne vrien=
den, waar onder ik het my tot byzondere eer re=
Kene behoord te hebben „op het hoogfte betreuren,
650 ja. W‚ TE WATER OVER HET
leen op eene befpiegelende wyze veroor-
deeld hebbe,— Neen voorwaar! ’Er is
geen gebrek aan voorbeelden, dat man-
nen van naam, en die beroemd waren
door hooge geboorte, aanzienlyke eer-
ampten , uitmuntende geleerdheid of
waare deugd, uitdrukkelyk belast heb-
ben, ’tzy by monde of in gefchrift, dat
men hunne ontzielde lichaamen buiten
de kerken onder den blaauwen hemel
ter aarde zou beftellen— Te Orleans
is dit vry algemeen, ook onder de voor-
naamfte Geestelykheid, De laaást over-
leden Hertog van Orleans heeft zelf op
een kerkhof willen begraven worden.—
De Kanfelier dAguesfeau werdt, naar
‚__zyne begeerte, mede op een kerkhof be-
graven — Hetzelfde had plaats om-
trent den fchranderen Kanunnik Porée
te Caen, die met zyn eigen voorbeeld
in t jaar 1770 toonde, dat hy, vyftien
jaaren te voren, zich welmeenend had
aangekant tegen de oude gewoonte van
begraven in de kerken (h).— Simon Pie-
tre, Geneesheer te Parys, wilde onder
den blaauwen hemel begraven worden,
om na zynen dood aan niemand fcha-
delyk te zyn, daar hy by zyn leven
| voor
…(h) MARET pag. 63—66. |
BEGRAVEN IN DE KERKEN. Ó5t
voor allen nuttig was geweest (i)— De
Leuvenfche Hoogleeraar Philippus Ver-
heyen beval zyn ftoffelyk deel in de open
lucht te begraven, om de kerk niet te
ontheiligen of door fchadelyke dampen
te befmetten (k)— De geleerde Vonck,
een Nederlander, ging ook te Manheim
in dezen met zyn voorbeeld aan ande-
ren voor (I)…——— Begeert iemand voor-
beelden binnen ons Vaderland, hy den-
ke aan Petrus Plancius, Predikant te
Amfterdam, een man, aan wien de Oost-
indifche Maatfchappy in haare oprich-
tinge en eerften bloei zoo groote ver-
plichtinge heeft gehad, Hy gaf, op
zyn fterfbed, zynen vrienden in last,
om zyn lyk in geene kerke te begra-
ven (m). By dezen voege men den eer=
kj waar-
(i) Menagiana tom, II. pag. 384 385. De woor-
den van zyn graffchrift, door deszelfs zoon opge-
fteld, zyn daar aangehaald, en door anderen dik=
wyls nagefchreven. shit
(k) Zyn graffchrift, ’ gene hy zelf had gefchres
ven, wordt door LOUIS Lc, pag. 179 dus opge-
geven: Philippus Verheyen , Medicine Doltor et Profesfor
partem fi materialem hic in coemeterio condì volmit , ne
Zemplum dehoneftaret , aut nocivis balitibus inficeret,
(1D) PERRENOT Á, c. pag. 80.
(am) W'AGENAAR befchryving van Amfterdam
UI ftuk bl. arg, 220. BRANDT hiftorie der refor=
“matie mv deel bl, 858, |
652 J.W. TE WATER OVER HET
waardigen Maarten Schagen, Leeraar
der Doopsgezinden te Utrecht, die bui-
ten de kerken, en zelfs buiten de ftad,
onder den blooten hemel wilde begra-
ven worden, om aan de levenden geene
fchade toetebrengen. Zyn wil werdt
ter uitvoer gebragt, en zyn lichaam
buiten de {tad ter aarde bezorgd, naar
uitwyzen van het opfchrift, ten jaare
1770 op zyne grafzark geplaatst (n)—
Zulke -loffelyke voorbeelden zyn der
navolginge dubbel waardig, en behoor-
den ons te vervullen met dezelfde begin-
felen van edelmoedige menfchenliefde,
6 XI. Het kan ons noch zoo vreemd
niet voorkomen, dat eene oude gewoon-
te, hoe fchadelyk ook, blyve ftand gry-
pen, als wel, dat zy haare voorfpraken
vinde, niet alleen onder het blinde ge-
meen ;
Cn) Ik zal het graffchrift, gelyk het my werdt
medegedeeld, hier byvoegen, om dat het nict al-
gemeen bekend is. Het is van dezen inhoud:
L. S. Ne zoceat wivis boc fibi fub dio elegit fepulcrum be=
atorum expebtans vefarreëlionem Martinus Schagen V. D. M.,
inter Baptiflas, natus Alcmarie XXIV Odobris Ao.
MDCC. denatus Ultrajelli XXI Oëtobris Ao. MDCCLXX.
Dit voorbeeld is te aanmerkelyker, indien de kun-
dige Schagen, gelyk men gelooft, de vertaler en
uitgever der werken van Hervey is, wien wy in
% vervolg zullen aantreffen, als een voornaamen
verdediger van ’tbegraven der dooden inde kerken.
BEGRAVEN IN DE KERKEN. Ó53
meen , maar zelfs onder befchaafde, ge=
leerde en,‚ in andere ftukken, welden-
kende menfchen. Om niet te gewagen
van Car-pzovius en Urrutigoytus , welker
niets beduidende redenen, voor ’t be«
graven in de kerken, worden opgegeven
en volkomen wederlegd door de Heeren
PERRENOT (O0) en HOFMANN (p)3
ik heb allermeest het oog op den be-
roemden HERVEY, die eene uitvoeri-
ge aanteekeninge by zyne Overdenkins
gen over de Graffteden heeft gevoegd (q),
waat in hy het nuttige en betamelyke
der begravinge in de kerken tracht aante-
wyzen. Het is onnoodig zyne woorden
natefchryven, naardien deze overden-
kingen in aller handen zyn. Het gezag
van dien Godvruchtigen fchryver is in
Nederland zeer hoog gerezen; maar
des te noodzaaklyker is het, dat wy
zyne aanmerkingen , op dit punt, naauw-
keurig ter toetfe brengen, om ons door
geenerhande vooroordeelen te laten
wegflepen.—. Wy mogen ons veel
meer, en met recht, verwonderen over
zyne denkenswyze, dan hy zich kan
| | ver:
(o) Disfert. cit. pag. 72 fqq.
(P) Comment, laud, pag. 51—57a
Cq) Bladz. 6567. Ane
654 JW. TE WATER OVER HET
verwonderen, dat fommigen zich aan ’t
begraven in de kerken {tooten en daar
tegen uitvaren, als iet oneigens en on-
betamelyks. Hy zal, vermoedelyk,
zoo weinig in Nederland als in Enge-
land, groote begunftigers van dit zyn,
gevoelen aantreffen, maar veel eer hef-
tige beftryders.—- Of de denkbeelden
van zyne wederftreveren enkel ontftaan
uit eene al te ver gaande en kwalyk be-
grepene naauwgezetheid, wil ik gaar-
ne overlaten aan elks oordeel, die den
oorfprong en de fchadelykheid van het
hedendaagsch gebruik, te voren aange-
wezen, in aanmerkinge zal nemen. —
Men kan, ’t is waar, zorgedragen, dat
de grondflagen der kerkgebouwen geene
fchade lyden; maar is *t wel zoo ge-
makkelyk, de fchadelyke uitwaasfemin-
en van ’t verrottend vleesch te verhin-
deren? Ik denke, neen: ten ware men
befloot, elk Iyk in een gemetfeld graf,
afzonderlyk, neêrteleggen, en zooda-
nig graf nooit naderhand te openen, ,
om ’er een ander lyk bytezetten. Dan,
hoe haast gouden de grootíte kerken,
vooral in volkryke fteden, in zulk ge-
val, te klein worden ter bevattinge van
de dooden? Daarenboven, hoe zarde
: et
BEGRAVEN IN DE KERKEN. 655
het dan gefchikt worden met andere
zwakke vooroordeelen ? de meeste men-
fchen hebben eene fterke begeerte ‚ om
in ’t zelfde graf by hunne naaste bloed-
verwanten gelegd te worden, — Mis-
fchien zal * begraven in de kerken nut-
tig zyn, om de levenden te meer met
een? indruk van hunne eigene fterfelyk-
heid te vervullen, en om hen ernftiger
te maken in het hooren en bidden,
Voorwaar! zy zyn zeer ongelukkig,
die geene byblyvende bezeffen van hun-
ne verganklykheid en kortftondig leven
hebben, ten zy ze boven de dooden in
de kerken zitten. Alles roept onstoe:
gedenkt te fterven. Een gebruik, uit
bygeloovigheid geboren. en door hoog-
moed opgekweekt, behoeft hiertoe niet
medetewerken, En al eens toegeftaan
zynde, dat men dit gevolg by den ee-
nen of anderen zal aantreffen, is het
echter onredelyk zulke gewoonten te
sverdedigen, ‚die aanloopen tegen. de
„algemeene « belangen der, menfchelyke
„maatfchappye,. De ernst in * hooren
‚en bidden zal door de graffteden in de
kerken niet fterk aangroeien, maar. veel
eer verminderen, … Meenigmaal. wordt
„de aandacht afgetrokken door het zen
Ro | er
656 J.W. TE WATER OVER HET
der begtaafplaatfen, én noch meer op
de herdenkinge, dat onze geliefdfte
Vrienden en dietbaarfte panden aldaaf
begraven liggen. Om niet te zeggen;
dat veelen eene zwakheid bekruipe,
om zoodanige kerken, jaaren lang , zoo
hiet voor altoos, te vermyden.—
fchouwen wy de gronden, waar op de
betamelykheid der begraafnisfen bin-
hen de kerken gebouwd wofdt, *t zal
blyken, dat zy ongemeen wankelbaar
zyn. Men zegt: de geloovigen zyn techt
dierbaar in GODS oogen; jesus heeft
ook hunne lichaämen met zyn bloed ges
kocht, welke uit dien hoofde tempelen
van den H‚ GEEST Zyn. Vooraf moet
men aanmerken; dat de Godvreezende
fchryver alleen fpreke van de geloovigen.
Die benaminge zal hier noodzaaklyk in
“den fterkften zin dienen opgevat te wor-
„den. De gegevene omfchryving leert
dit ten klaarften. Maar wat dan ge-
daan met de Iyken der ongeloovigen?
Zy zullen oók in de kerken moeten
begraven worden, of daar buiten bly«
Veri, en van de geloovigen afgefcheiden
wórden, Het laatfte ís aan veele en
Onoverkófnelyke zwaarigheden öndet.
‘hevig. Wie zal het bepalen, zoo > À
Wert
BEGRAVEN IN DE KERKEN. 657
werf er een mensch fterft, of hy tot de
wWaare geloovigen behoore. Het Conci-
lie, te Rouwen gehouden in den jaare
158r, befloot, dat voortaan niet alle
dooden, zonder onderfcheid, in de ker-
ken zouden begraven worden, maar al
leen de Kerkelyken of Geestelijken, en
die, door adeldom, deugden en ver-
dienften aan GOD of ’t gemeenebest,
boven anderen uitmunten. Maar ‘tis
voorlang zeer wel opgemerkt, dat zoo-
danige uitzonderingen nooit anders dan
de grootíte verwarringen konnen veroor-
zaaken , en het kwaad noodwendig ver-
dubbelen, In eene zaak, welke aan-
ftonds onder elks bevattinge valt, be-
hoeve ik niet breedfpraakiger te zyn (r).
* Is zoo, de lichaamen der geloovigen ;
hun leven en zelfs hun dood, zyn dier-
baar ín ’s HEEREN oogen, naardien
zy door ’t bloed van zynen Zoon ge«
kocht zyn. Wat volgt hier uit? dat zy,
na den dood, binnen de muuren der
kerken ter aarde moeten befteld wor-
den? Geenszins; want ‘er is geen ver-
band tusfchen het een en het ander,
Dit betoog is dus krachteloos, Waar-
IV. DEEL. Rs Oe om
(1) Vergelyk MARET pag. 062,
658 J.W. TE WATER OVER HET
om had het begraven in den tempel en
fynagogen dan ook geen plaats by de
oude Jooden? Zegt men hier op, dat
dit moet worden afgeleid uit de fcha«
duwachtige wetten onder dat volk , wel-
ke nu geheel afgefchaft zyn, ik vraag
wyders, waarom dan niet by de eerfte
Christenen, onder welken zoo veele uit-
muntende voorbeelden van heiligheid
waren? De lichaamen der geloovigen,
wel is waar, zyn tempelen van den H,
GEEST; maar zou het befluit, daar uit
ontleend, eenigen klem hebben, dan
moest men konnen vastftellen, dat die
lichaamen noch zulke tempelen blyven
na hunnen dood, ’t welk niemand zal
{taande houden, of dat zy aan geene
bedervinge en verrottinge zyn bloot ge-
fteld, ’ gene de ondervinding duidelyk
tegenfpreekt. Het is derhalven niet on-
betamelyk, maar veel eer redelyk , ook
de lichaamen der geloovigen, na hun-
nen dood, buiten de kerken en fteden
te fluiten, op dat de levenden daar door
geen hinder lyden aan hun leven en ge-
zondheid Men zal, waarfchynlyk,
noch tegenwerpen, dat de nadeelige
gevolgen van ’*t begraven in de fteden
en kerken, vooral in ons land, ze
Zere
BEGRAVEN IN DE KERKEN: 659,
zeldzaam ondervonden worden. Ïk
erkenne gaarne, dat de voorbeelden
daar van minder in Nederland, dan el-
ders, bekend zyn; maar het zal my,
„door veelen, gereedelyk worden toege.
-ftemd , dat ‘er in dezen grooter gebrek
aan waarnemingen, dan ondervindinge,
heerfche. Men heeft, by voorbeeld,
in vroegere tyden opgemerkt, dat na
het eindigen van de pest, vooral in de
twee of drie eerstvolgende jaaren; en
meest in volkryke fteden van Neder«
land, gevaarlyke en kwaadaartige koort-
fen regeerden. De Heer BASTER, aan
wien ik deze aanmerkingen verfchuldigd
ben, was met my van oordeel, dat de
voornaamfte reden daar van te zoeken
Zy in onze manier van begraven, ’%
welk hy meende uit verfcheiden omtftan-
digheden te konnen befluiten. De dood
van dien kundigen Man heeft my en
mynen lezer beroofd van een uitvoerig
bericht, ’t welk hy my des aangaande
had beloofd mede te deelen. Hier van
nu verfteken zynde; zal ik ’er noch al- .
leen bydoen, dat offchoon de fchade-
lykheid van * begraven in de kerken
zich niet aanftonds, en op eene in *toog
loopende wyze, openbaare, dezelve
dan dE daar-
660 J. W. TE WATER OVER HET
daarom niet kan geloochend worden;
gelyk de beroemde Louis, MARET;
ROZIER (s) en anderen , met onwraak-
baare voorbeelden, bewezen hebben,
Het blykt genoeg, naar ik vertrou-
we, dat de beste {chyn-redenen, voor -
de begravinge der lyken in de kerken
aangevoerd, van gering aanbelang zyn,
en geene inbreuk maken op de ftellinge,
dat deze gewoonte fchandelyk, nadee-
lig, onbetamelyk en alzins te verwer-
pen zy.
Ó XII. Het wordt dan meer dan tyd,
om dit gebruik te laten varen, en tot
de eenvoudigheid der vroegfte Christe-
nen wedertekeeren—- De Nederlan-
ders zyn, ten grooten deele, genegen
en gewoon, hunne zeden te fchikken
naar den voorgang van andere landen
en volken, Italien en vooral Vrankryk
leeren ons, hoe wy moeten fpreken ,
eten, drinken, ons kleeden, de jeugd
opvoeden enz. Laat ’er ons liever van
leeren, waar wy de dooden moeten be-
graven, Rechtfchapen Nederlanders,
die wel denken en hunne medemenfchen
beminnen, zullen aan de veranderinge
van
(5) Obfervations Phyfiques , année 1773 tom 1 Pe KO
BEGRAVEN IN DE KERKEN. — Ó66f
van een oud en fchadelyk gebruik gee-
nen tegenftand bieden. Dit mag men,
ten minften, billyk van hun verwach-
ten — Van de zyde der Godgeleer-
den zal men, zoo ik wenfche, voor
geene tegenftribbelinge te vreezen heb-
ben. Zy zyn vyanden van bygeloovig-
heid en verkondigers der waare men-
fchenliefde, Dit beide behoort ook hier
doorteftralen, Waarom zouden zy zich
laten befchamen door de. Roomschge-
zinde Godgeleerden in Italien, Vrank-
Tyk en Duitschland? Het gezag van
voornaame mannen pleegt, doorgaans,
meer invloeds op de harten der men-
fchen te hebben, dan de bondigfte re-
dekavelingen; om welke reden alleen,
ik den Proteftanten te binnen brenge
den nadrukkelyken raad, hun door den
grooten kerkhervormer LUTHER gege-
ven (t), om de geftorvenen niet langer
binnen de fteden te begraven ; en de
zinryke woorden van den geachten Rr-
VETUS (u), die, fprekende van * be-
BEven der lyken in de fteden en ker-
er, zich dus uitlaat: Gaarne zag ik,
T43 dat
(E) Tom. IIF Oper. Ferers. Î25. 380» apud Hor
MANNUM dc. pag. 78—7ó.
(u) In Geref. cap, XLY1 Exercitat, 172.
662 J.W. TE WATER OVER HET
dat deze gewoonte, door de gierigheid en
bet bygeloof ingevoerd, met alle andere
overblyffelen wan bygeloovigheden by ons
was afgefchaft, en dat bet oud gebruik
berfteld wierde, om openbaare begraaf-
plaat fen in ’t ruim en open veld buiten de
fladspoorten te frichten, Dit komt im-
mers best overeen met het nut der burge-
ren, naardien de lucht in beflotene plaat-
Jen door den flinkenden reuk der lyken
neodzaaklyk moet befmet worden, zoo dat
men hier door den dooden geenen dienst
doe, en ’ gevaar der levenden niet ver,
myde; wooral ten tyde van pestige zieke
ten, wanneer de befmettende lichaamen
ook al in de kerken begraven worden,
waar in men dagelyks vergadert: ’t welk
my en weele anderen voorzeker met reden
als ysfelyk is woorgekomen—- Ik wil
niet gelooven, dat iemand der Godge-
leerden in Nederland zich gelyk zal
ftellen aan dien Geestelyken, die kon
oedvinden met een onverftandige drift
voor ’t begraven in de kerken te pleiten,
doch met dit goed en heilzaam gevolg,
dat men hem, eenige maanden geleden,
naar ’t kafteel Rubina vervoerde, om
daar van zynen ontydigen yver te be-
daren — Van den kant der Rechts
ge
BEGRAVEN IN DE KERKEN. 663
geleerden heeft men, vermoedelyk,
geen tegenftand te duchten. Zyn zy
voorftanders van het; Natuurlyk recht,
dan konnen zy hunne goedkeuringe
niet geven aan een gebruik, vlak daar
tegen {trydende. Zyn zy begunftigers
van ’t Roomfche recht, waarom dan
mede niet in dit geval? Of is ’er min-
der reden om die wet te handhaven
“Binnen de muuren der flad mag geen
lichaam begraven worden” (v), dan zoo
veele andere, by welke de menfchelyke
maatfchappy, vooral in Nederland,
juist geen algemeen belang heeft.— De
Geneesheeren en Heelkundigen zullen -
niet in den weg ftaan, maar tot deze
veranderinge wel willen medewerken.
Eigen belang zal hen derwyze niet be-
zielen, dat zy het algemeene welzyn
daar aan zouden willen opofferen. Het
gezag van Louis, Maret, Haguenot, Un.
zer, van Swieten, Habermann, en der-
gelyke echte voedfterlingen van Hippo-
Craïes, zal wel iet op hunnen geest ver-
mogen. |
Doch de meeste zwarigheid zal zitten
Tt 4 by
(WY) JUL. PAULUS Sentent. lib, I tit, o1, ibigue
SCHULTINGIUS JPrud, antejuft, pag. 262,
664 Jo. W. TE WATER OVER HET
by de Regeerkundigen en Overheden;
niet, om dat zy nietredelmoedig genoeg
op dit ftuk denken of van het fchadely-
ke van onze gewoone begraafwyze niet
overtuigd zyn, maar deels uit bekom-
meringe, dat de verandering van een
verouderd gebruik wellicht eenige op-
fchuddinge zou konnen veroorzaaken
en dus nadeelige gevolgen met zich fle-
pen, deels om dat het affchaffen der
heerfchende maniere van ‘t begraven
der lyken zou gepaard gaan met eene
aanmerkelyke verminderinge van de in-
komften der kerken, welke daar uit,
ten deele, plegen onderhouden te wor-
den —- Men kan niet ontkennen, dat
?er op het maken van nieuwe keuren op
% fluk der begraafnisfen fomtyds oproe-
righeden gevolgd zyn. De gefchiede-
nisfen van Amfterdam zullen ter ons een
voorbeeld van opleveren (w). Maar
zal den wyzen en voorzichtigen ftaat-
kundigen aan geene maatregelen ont-
breken, am deze veranderinge in *t be-
graven der dooden te doen ftand gry-
pen, is het niet eensklaps, ten minften
langzaamerhand en by trappen, Hun
| Ar den
Cw) WAGENAAR befchryving van Amfterdam
37 deel xm boek, bl. zaad, —
BEGRAVEN IN DE KERKEN. Ó66$
den weg te willen aanwyzen, zou de
wermetelheid zelve zyn. Het zy my
echter geoorloofd, het een en ander
hier omtrent, ten dienfte van mynen
lezer, aantemerken, Vooraf zou het
niet onnuttig zyn, zekeren bepaalden
tyd in ’t algemeen vast te ftellen, hoe
lang de dooden onbegraven mogen bly-
ven, of, gelyk men fpreekt, boven de
aarde gehouden worden, Immers dit
verdient ook wel aandachtige opmerk-
zaamheid, vooral wanneer ‘er eenige
befmettende of aanftekende ziekten heer-
fchen. Men kon eenige plaatfen, in ’
open veld, op een behoorlyken afftand
van de fteden gelegen, en daar de wind
best kan doorwaaien, afperken ter be-
gravinge van de armen, welker behoef:
tigheid het betalen van alle zoogenaam-
_de kerk-rechten affnydt. Dit is te nood-
zaaklyker, om dat het in veele fteden
van Nederland gebruiklyk is, de armen
by meenigte in een en *t zelfde graf
neêrtezetten, de doodkisten niet behoore
lyk met aarde te bedekken, maar alleen
fommige losfe planken op den mond
van graf te leggen. Welken onaange-
naamen reuk dit te weeg brenge, voor-
namelyk by nat en laf weder, weten zy
Tt 5 best
666 J.W. TE WATER OVER HET
best, die naby de kerkhoven in volkry-
kefteden wonen. Wyders konden op
een ftuk lands eenige begraafplaatfen
gefchikt worden voor meer of min aan-
zienlyken, om dus de zwakheid der
menfchen noch een weinig te gemoet te
komen, fchoon anders de eer niemand
nadaalt in het graf, — Elk burger is
verplicht, alle billyke wetten, door de
Overheden afgekondigd, volvaardig te
gehoorzaamen. Niets zal hem daar toe
fterker opfpooren, dan *t voorbeeld der
aanzienlykfte en meest geachte lieden,
Wanneer dezen voorgaan, zullen de
anderen fpoedig volgen, en het begra-
ven der lyken buiten de fteden en ker-
ken zal , in korten tyd, zonder oproer,
algemeen worden goedgekeurd—= Wat
aanbelangt de inkomften der kerken,
dezelve behoeven niet te verminderen,
ik laat ftaan optehouden, fchoon het
begraven in dezelve een einde nam. Het
ophangen van wapenborden binnen de
kerken kon in gebruik blyven , en daar-
enboven aan elk de vryheid gelaten wor-
den, om naar zyn goedvinden eenige
eer- en gedenkteekenen op te richten
boven de graven, onder voorwaarde
van daar voor zekere geldfomme opte-
ren-
BEGRAVEN IN DE KERKEN, 667
brengen. Men kon de lyken, met alle
ewoonlyke plechtigheden, naar de
Belet brengen en daar eenige uuren
laten blyven, doch dezelve van daar
overbrengen naar de begraafplaats bui-
ten de fteden , op zulke wyze, als over-
eenkomt met den onderfcheiden rang,
welken de dooden by hun leven in de
weereld hadden. De Hertog van Mo-
dena heeft ook zulke en dergelyke maat-
regelen voorgefchreven in het vu en vm
artikel van zyn plakaat, hier boven ver-
meld. Daarenboven heb ik gegronde
redenen om te denken, dat fommige
ryken en aanzienlyken in Nederland
edelmoedig genoeg zouden zyn, om
vrywillig eenig geld optebrengen, ’t welk
toereikende zou zyn tot het aankoopen
van het noodige land, om ’er de dooden
op te begraven,
Ik eindige dit vertoog met dezen
wensch, dat wy by ons leven nuttig
mogen zyn voor onze medemenfchen,
ze ait niemand fchadelyk na onzen
ood !
en ï ian id
este il hee oe
WAARNEMINGEN
OMTRENT DE
LUCHT- an WEER-GESTELTENIS
aN
GEVALLEN REGEN;
WAARGENOMEN IN DE JAAREN
MDCCLXXII, MDCCLXXIII eN MDCCLXXIV,
T E
ZIE RIK ZE E,
DO oo kR
SOB BASTER,
670 ä d 8 40 08
dd deden
EN A
En: Baak in
Jan. & kl2, 3 305 16(28,3)]12148 gr. 31/16 gr. 42 lin.
a ca ER! ern SRE ME ia
Maart Zo 29,5 17}29 |29/61 ge 15 oei er. 16 lin,
April | 301 204| 7/60 gr. 3,33 81
Pp iig! zo, 13 zolor gr. zel54 är. 22 lin.
|
_
Mey |4,5 '3o%3|22|29:830,71 gr.) 342 gr.|13: lin.
omen | dee
Ban zi 1780 gr. 5
un ‘3Or5| 2129:52481 gr.) 2/52 grejI3z lin.
dE 14 | 26/85: gr.
MEN EE SS 15 8o gr. 1
July | 24 [30 27 29:3125\8I gr. 4157 gr-|24: lin.
7
—_—_ mmm | | tn | | nnn
Remmen
Aug. | 6 |305 21 29:5131177 gr.|1657 gr in lin,
mn gn | nnn | tn | mmm
—_—__
Sept. 12 |[3Os} 1|29:5| 5179 &r- 24150 gri5 555lin.
a
Ran Aa vogel Darden
Oct. | ro [3Orsl26|295 470 gr. 2238: gr. 145 lin.
_ mm | nn | | men
Nov. Is 30,22 1 21129:5| 7ló0 gr./29/38 gr.|32 lin.
Dec. | 25 |39efr3 {2919/53 ST ae 2 er. 17 lin.
asDe. A 16 Ja, 26 Juny pi 31 Jan.
“308 '285 8s5igrl !16 gre'326lin.
of 27 duim en 2 lin.
Ji
MDCCLXKXIL 67
Ú
Den 16 January, was de ellendigfte dag, door de on=
gemeene groote menigte van vallende fneeuw en
fterke N. O, en N, W. wind van 4 kragten.
14 April zag de eerfte Swaluwen en den 28 dito de
eerfte Vleermuifen. 5
Geduurende 26, 27, 28 July regende het 30 linien.
Dit jaar 1772 heeft byzonder geweest door d'ongee
meen langduurige koude, die duurde totden 16 Ju-
ny, dog na dien dag hebben wy een zeer fchoone
zomer gehad,
In Mey, Jany tot den 26 July is zeer weinig regen
gevallen. Het hooy is daar door overal zeer geluke
kig en in groote quantiteit binnen gekomen; zoe
ook de oogst: Dog door de langduurige koude in
’t voorjaar, is ’er weinig gefchot van % veld gekoe
men,
Perziken en andere fteenvrugten zyn ’er nog al rede
lyk veel geweest, dog ongemeen weinig appelen,
en haast in ’t geheel geen Peeren.
Daar is ook geduurende deze aangename zomer onges
gemeen veel ftrandvis, als £chol, tongen , tarbot,
fchelvis enz, en zelfs al laat in ’t Jaar, gevangen,
H. Barofte
Barot.
Therm
L. Therme
Gev, Reg.
en
E)
a
B.
à
EE NE IEC TRE
Jan. | z|3o|18 28: 2052 gr 5/24 3r-|25 lins
emmen | en a a
Febr. | 4130,5/24 28% 27 50 gr. 9j2o gr.|Ig lin.
(28 II
\
mm en jn jg
mp
Maart |12/30.5| 4
bne amet Seems kent bemnn
29% 21164 gr. 2}33: gre|19 lin.
omm (ee | nn
' 3 23|3Orö 5
April 5,
18) 76 gr. ge
Mey |[30{30:%20,29:5|19,76; gr.| 439 gr-|25 lin:
20/75 gr.
okto abend Ss eee
Juny (20/39 7:29:13 76 gr|29[54 gr33 lin.
27) 3055 8f-
mmm fe | mm
July (rz 30% 5,29 298 t8i78 gr.|29|54 8r135 lin.
‘Aug. 31305 Ig 295; I4 ga gr. 20157 gr 34 lin
4
L _|g9)56 gr.
ommen | ne |
Sept. \29;305| 812955} 375 gr23|49 SFe|26 lin.
475: gr.|28
En 167 gr.
Oct. |zol3o30;29:5| Lo 66! gr.j2 1415 31-27 lin.
\ 2664 gr. 8
25134 sr. "63 lin.
27 35 gr!
jn Lie
Nov. so goglrz 12 dae 956 gr.
KE | 1rol31 gr.
Dee. | 1goj20'20 |2252 gr|12|j2 Sr. en
| | 13\31 gr.
n in’ geheel geregend zo duim en zo lin.
MDCCLXXIIL 673
10 April zag de eerfte vleerniuis, den r2 hier en daar
een zwaluw, dog den rs en 16 menigvuldiger. -
Den r2 Mey was de Thermometer °s morgens ten zee
ven uren 44 grad, en ’smiddags om half twee sr
grad. Een Noordeen Noordweste wind waaide met
2 en 3 kragten (6 is extraordinaire zware ftorm)
alle de bloemen der peereboomen, toen in bloei
ftaande, en veele appelen wierden verfengd, waar
door weinig of geen peeren geweest zyn.
26 Juny. Regen en wat hagel *snamiddags 13 lin. de
hermometer ftond ’smorgens ten 7 uren op 64
grad, en ’s middags ten half twee op 6Ór graden.
Deze maand was doorgaans kouder als de voor=
gaande Mey.
28 en 29 July was de Thermometer ’s morgens 54 a 55
grad. en ’s middags ten half twee 59 en Ór grad.
13 Augustus ftond de Thermometer van ’s morgens
ten elf uren tot ’savonds ten vyf uuren op 84 grad.
14 dito ftond de Thermometer van ’ morgens ten elf
uren tot ’namiddags om twee uren op go grad.
Tusfchen den 20 en 21 regende het 19 linien,
Tusfchen den 16 en 17 November regende het 25 li-
nien, gedureunde de heele maand maar negen dagen
dat het nict min of meer geregend heeft. Van den
3 tot den 17 doorgaans ftormagtig weer uit den
Zuidwesten en Westen, Schoon geen vorst, was
het egter door de menigvuldige nattigheid koud
weer.
Gedurende de vier eerfte maanden van ’t jaar, gras-
feerde hier fterk de kinderziekte , die voor bejaarden
veeltyds doodelyk waren. In Mey toen ’er meer=
der warmte begon te komen, verminderde de ziek-
te, en daar ftierv haast geen een meer van,
V
. le d s
E | ea
8 Ei EN.
E:) [| -
ea bo a ebi (A Ed
ZT , LJ] « ë
= A @Q _ =| e)
2al30:l sj2o.l30|63 gr. 15130 gr32 lin.
31
eeh Kenmmnmet bend beened Beesd
<129|70 gr} 2138 gr.
29 lin,
24|3Or | 19138 gr.
= EN AE
saflO7o gr fmorg.
19/3 Or 32de; 72 grj°7|47 gr32 lin.
EE
NN heenenend Keent hemme Ceni eenmrmmmsd Mam
2330 14 25/83 SM. 14156 grel25 lin.
26185 gr.
2l30%29 } 8,83 eri3ofss gr-jrg lin.
75 sr|
21795 er, 19 r.
ad 284 De 39 lin.
mmm nn | a
sl 7165 gre ge 4E grej29 lin.
1 55 grf2325 gr-|30 lin,
20 3/56 gr}25
} | fmorg.
zl leo.) 449 Sel (23, Er |a7 lin,
En oge Brel laa ee:
in geheel geregent 29 duim en To lin,
MDCCLXKXIV, 6%
Van den 16 tot 31 Maart, had men ongemeen fchoon
en warm weder; in de laatfte dagen bloeijden de
perziken volkomen.
go April heeft tot nadeel der peerebloefems nog braaf
gehageld,
Den 12 zag de eerfte vleermuis, Den 24 ZOO een cn=
kelde, dog den 28 zwaluwen.
Sedert den 16 tot den zo heeft deze maand onge-
meen koud geweest, den 17 en 18 nog gehageld,
den 27 was ’t ongemeen koud, de Thermometer
des ’s middags om half twee op 47 grad. ftaande.
De maand September was doorgaans koud en dikwils
Noorde en Noordooste winden.
Van den 3 tot 23 Oétober was het ongemeen goeden
aangenaam droog weer , en al dien tyd ftond de Ba-
rometer boven de 30 duim,
De maand November was var den 20 tot 29 zeer
koud, vriezend weer met fneeuw , den 22 ftond de
Thermometer ’s middags om half twee 28 grad,
den 27, 29 graden,
Na den 6 December had men een dag vier of vyf koud
vriezend weer, dog na den 16 ongemeen goed en
aangenaam winterweer, en een zagte Noorde of
Noordwestelyke wind, tot den 3o, wanneer we=
derom begon te vriezen; van den 16 tot den 3r
ftond de Barometer altoos boven de 3o duim, dus
17 dagen agter een, en dat 4 dagen boven de 30
duim, en een half, midden in den wiater,
je at maah
hep ramde ao
pn oft, zh ti rob ens
ie ad ans naad ee erk
kn dok dr dant wb MEAD rj We
norhodradn Ean BN tia je 5
ne chi È it, Herd jb dE
dl
a
0 Are Een sh zondaar d dus
staop en GN ved dla
nl 98 beft Lot fis ib IE kad sand
RE TP AED UN NE bak
y
Aid herij t ak je
gee ee Horon. Hon et atd helden odd 1e
9 A8 hrallse noh. ne ik gk DE el hit
hek: ie de edt (Ovid. iK; in
eN
”
Teri
br éd trek io ER 9
ee TE boor gs AET git Ee Wi) Ha 36
„Na obioq ld Staes (6e Po Add
EK Amies 05 1D 400 Plek
ER a 103 Di EE KLE A08
aha or Abre ardt 2001 Ti
oe A vod. EAD VAD nd ITS
A4 ee sak tiepai
ij
=p
Ag
er